id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 22 juni 2004 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2004:ARR.20040622.18 Rolnummer: 2030391 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2005-11-22 Raadplegingen: 149 - laatst gezien 2026-07-01 00:35 Fiche 1 Indien de werkgever de preventieadviseur onrechtmatig ontslaat of verwijdert uit zijn functie, of om welke reden ook, de bijzondere procedure zoals bepaald in de artikelen 5 e.v. van de wet van 20 december 2002 niet volgt, voorziet de wet slechts in één enkele sanctie, namelijk de betaling van een vergoeding gelijk aan het normale loon of honorarium over een tijdvak van twee jaar of drie jaar naargelang de preventieadviseur al dan niet 15 jaar dienst heeft (wet 20/12/2002, artt. 10 en 15). Nu de wet niet voorziet in de maatregel om hersteld te worden in de functie waaruit de preventieadviseur werd verwijderd, is een dergelijke vordering niet voor toewijzing vatbaar, en dienvolgens ongegrond. Vrije woorden: DE ARBEIDSOVEREENKOMSTEN . LEERLINGEN . ALGEMENE REGELING VAN DE ARBEIDSOVEREENKOMSTEN wet 20/12/2002 betreffende de bescherming van de preventieadviseurs - bijzondere procedure in geval van ontslag of verwijdering uit de functie (artt. 5 e.v.) - werkgever die de beschermingsmaatregelen niet in acht neemt - sanctie - betaling van schadevergoeding - vordering tot herstel in de functie waaruit de preventieadviseur werd verwijderd - niet voor toewijzing vatbare vordering. Wettelijke bepalingen: Algemeen Reglement voor Arbeidsbescherming - 03-07-1978 - 35 Wet - 20-12-2002 - 5 Fiche 2 In het licht van de bedoeling van de wetgever de aan de gang zijnde pesterijen onmiddellijk een halt toe te roepen, zal de rechter die kort na de inwerkingtreding van de pestwet gevat wordt met een vordering tot staking noodzakelijk ook acht moeten slaan op de uitingen van pestgedrag die zich voordeden voor de datum van inwerkingtreding en die eigenlijk behoren tot een geheel complex van samenhangende feiten en handelingen die allen de uiting zijn van eenzelfde onrechtmatig gedrag dat na inwerkingtreding van de wet is blijven voortduren. Vrije woorden: ARBEIDSREGLEMENTERING . ARBEIDSWET . WELZIJN OP HET WERK bijzondere bepalingen betreffende geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk - definitie - repetitief on rechtmatig pestgedrag (art. 32ter, lid 1, 2° Welzijnswet) - vordering tot staken (art. 32decies Welzijnswet) - pesterijen die dateren van voor de inwerkingtreding van de pestwet - bevoegdheid van de rechter om er kennis van te nemen - temporele werking van de pestwet. Wettelijke bepalingen: Wet - 04-08-1996 - 32ter+32decies Fiche 3 Zoals blijkt uit de tekst van artikel 32undecies van de Welzijnswet, dient de belanghebbende, om te kunnen genieten van de omkering van de bewijslast waarin deze bepaling voorziet, feiten aan te voeren die het bestaan van pesterijen kunnen doen vermoeden. Zulks impliceert dat de loutere bewering van pestgedrag of het louter aanvoeren in de zin van poneren van feiten niet als voldoende kan worden beschouwd. De belanghebbende dient duidelijk omschreven en concrete gedragingen van personen aan te voeren waaruit men bovendien moet kunnen afleiden dat hij het slachtoffer is van onrechtmatig pestgedrag in de zin van de wet. Zulks impliceert dat de aangevoerde feitelijkheden voldoende in tijd en ruimte moeten omschreven zijn, en toe te rekenen zijn aan identificeerbare personen. Vrije woorden: ARBEIDSREGLEMENTERING . ARBEIDSWET . WELZIJN OP HET WERK bescherming van de werknemers tegen geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk - omkering van de bewijslast (art. 32undecies welzijnswet) - vereisten. Wettelijke bepalingen: Wet - 04-08-1996 - 32undecies Wet - 04-08-1996 - 32undecies Nota: Gerangschikt onder II AAN - artikel 35, onder III AB - artikel 32ter en artikel 32decies en onder III AB - artikel 32undecies. Annotaties Publicaties: SOCIAALRECHTELIJKE KRONIEKEN - - 2005(00008,P.442-446) RECHTSKUNDIG WEEKBLAD - noot HUMBLET P. - 2004
(05)(00041,P.1626) LIMBURGS RECHTSLEVEN - - 2005(00002,P.106-113) Tekst van de beslissing A.R. 2030391 OPENBARE TERECHTZITTING VAN TWEEENTWINTIG JUNI TWEEDUIZEND EN VIER M. J., appellant, vertegenwoordigd door mr. L. COMANS, advocaat te Hasselt, tegen : F. W., geïntimeerde, vertegenwoordigd door mr. P. COX, advocaat te Genk. Het Hof, na de zaak in beraad te hebben genomen, spreekt in openbare terechtzitting en in de Nederlandse taal het volgend arrest uit. Gelet op de uiteenzetting van de middelen van partijen tijdens de openbare terechtzitting van 11 mei 2OO4; Gelet op de processen-verbaal van de openbare terechtzitting van 3 februari 2OO4, 16 maart 2OO4, 6 april 2OO4 en 11 mei 2OO4; Gelet op het tussenarrest door deze kamer van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, tussen partijen gewezen op 6 april 2OO4, waarin de voorafgaande procedurestukken werden vermeld, waarbij het hoger beroep ontvankelijk werd verklaard en voor recht werd gezegd dat de bijzondere rechtspleging, zoals bepaald in Hoofdstuk VI van de Wet van 2O december 2OO2 betreffende de bescherming van de preventieadviseurs ten deze niet toepasselijk is, doch alvorens ten gronde uitspraak te doen, de heropening der debatten werd bevolen op de openbare terechtzitting van 11 mei 2OO4 om 14.3O uur, om partijen toe te laten standpunt in te nemen omtrent het temporele toepassingsgebied van de bepalingen die in de Welzijnswet werden ingevoegd door de Wet van 11 juni 2OO2, en inzonderheid de vraag of appellant feiten kan aanvoeren als pesterijen in de zin van de nieuwe wet die dateren van voor de inwerkingtreding ervan, daarbij rekening houdend met de omstandigheid dat de bepalingen van deze wet strafrechtelijk worden gesanctioneerd; Gelet op de stukken van het dossier van de rechtspleging, onder meer: - de besluiten na tussenarrest van geïntimeerde, ontvangen ter griffie van dit Hof op 23 april 2OO4; - de besluiten na tussenarrest van appellant, neergelegd ter griffie van dit Hof op 1O mei 2OO4; - het schriftelijk advies van het Openbaar Ministerie, neergelegd ter griffie van dit Hof op 25 mei 2OO4, en ter kennis gebracht van de advocaten van partijen op 25 mei 2OO4, in toepassing van artikel 767, ,§ 3, van het Gerechtelijk Wetboek; - de repliek van appellant op het schriftelijk advies van het Openbaar Ministerie, neergelegd ter griffie van dit Hof op 7 juni 2OO
- Wat de feiten en voorgaanden, de eisen in hoger beroep, het standpunt van partijen en de ontvankelijkheid van het hoger beroep betreft, verwijst het Hof naar het tussenarrest van 6 april 2OO
- Wat de repliek van appellant op het schriftelijk advies van het Openbaar Ministerie betreft, stelt het Hof vast dat deze laattijdig werd neergelegd (cfr. infra) zodat het Hof er geen acht kan op slaan. Overeenkomstig art. 766 van het Gerechtelijk Wetboek heeft het Hof de zaak aan het Openbaar Ministerie meegedeeld op het ogenblik dat de sluiting van de debatten werd bevolen, namelijk op 11 mei 2OO
- Het Hof besliste dat het advies zonder voorlezing ter griffie zou worden neergelegd uiterlijk op 28 mei 2OO4, en bepaalde de termijn waarover partijen beschikken om ter griffie een conclusie neer te leggen met betrekking tot de inhoud van dat advies op tien dagen, waarna het Hof de zaak in beraad houdt en uitspraak zal doen op de zitting van 22 juni 2OO
- Dit alles werd op het zittingsblad van 11 mei 2OO4 geacteerd. Het Openbaar Ministerie heeft zijn advies neergelegd ter griffie van het Arbeidshof, afdeling Hasselt, op 25 mei 2OO4 en dit advies werd eveneens op 25 mei 2OO4 ter kennis gebracht van de advocaten van partijen bij gewone brief, in toepassing van art. 767, ,§ 3, van het Gerechtelijk Wetboek. Artikel 767, ,§ 3, lid 2, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat partijen, met ingang van de kennisgeving van het advies van het Openbaar Ministerie, over de termijn bepaald overeenkomstig artikel 766, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, in casu 1O dagen, beschikken om ter griffie conclusie neer te leggen uitsluitend met betrekking tot de inhoud van dat advies, zijnde in casu uiterlijk op vrijdag 4 juni 2OO
- De repliek van appellant op het schriftelijk advies van het Openbaar Ministerie werd pas neergelegd ter griffie van dit Hof op maandag 7 juni 2OO4 en is bijgevolg laattijdig. BEOORDELING TEN GRONDE DOOR HET HOF. I. De vordering van appellant gesteund op de Wet betreffende de bescherming van de preventieadviseurs. Bij de Wet van 2O december 2OO2 (B.S., 2O januari 2OO3) heeft de wetgever een bijzondere bescherming georganiseerd die de preventieadviseurs, zoals appellant, extra moet beschermen tegen ontslag om zo de onafhankelijkheid van hun taken te waarborgen. Volgens het basisprincipe, verwoord in artikel 3 van de wet, kan de werkgever de overeenkomst met de preventieadviseur enkel beëindigen (...) of hem verwijderen uit zijn functie om redenen die vreemd zijn aan zijn onafhankelijkheid of om redenen waaruit blijkt dat hij niet bekwaam is om zijn opdrachten uit te voeren en voor zover hij de procedures als bedoeld in deze wet naleeft. De wet verplicht de werkgever die het voornemen heeft de arbeidsovereenkomst van een preventieadviseur te beëindigen of de preventieadviseur te verwijderen uit zijn functie, een bijzondere procedure te volgen zoals bepaald in de artikelen 5 e.v. van de wet. Indien de werkgever, om welke reden ook, deze procedure niet volgt, of de preventieadviseur onrechtmatig ontslaat of verwijdert uit zijn functie, voorziet de wet slechts in één enkele sanctie, namelijk de betaling van een vergoeding gelijk aan het normale loon of honorarium over een tijdvak van twee jaar of drie jaar naargelang de preventieadviseur al dan niet 15 jaar dienst heeft (Wet 2O december 2OO2, artt. 1O en 15). Het Hof stelt vast dat appellant noch voor de Eerste Rechter, noch in graad van beroep, de veroordeling tot een dergelijke vergoeding gevorderd heeft. In het verzoekschrift strekkende tot hoger beroep en in zijn besluiten neergelegd ter griffie op 9 maart 2OO4, houdt appellant weliswaar staande dat voor zijn verwijdering uit de functie van verantwoordelijke over het labo de beschermingsmaatregelen, zoals voorzien in de wet van 2O december 2OO2, hadden moeten nageleefd worden, doch vordert hij uitdrukkelijk om in die functie hersteld te worden. Nu de wet van 2O december 2OO2 een dergelijke maatregel niet voorziet, is de vordering van appellant niet voor toewijzing vatbaar, en dienvolgens ongegrond. II. De vorderingen van appellant gesteund op de "Pestwet". II.
- Het wettelijk kader. De wet van 11 juni 2OO2 betreffende de bescherming tegen geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk (hierna kortweg "Pestwet" genoemd), gepubliceerd in het B.S. van 22 juni 2OO2, voegt een nieuw hoofdstuk Vbis toe aan de Welzijnswet van 4 augustus
- Het nieuw artikel 32 bis van de Welzijnswet verplicht de werkgevers, de werknemers en derden zich te onthouden van drie vormen van agressie op het werk, met name geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag. Artikel 32ter, waarop appellant zijn vorderingen steunt, definieert "pesterijen op het werk" als "elk onrechtmatig en terugkerend gedrag, buiten of binnen de onderneming of instelling, dat zich inzonderheid kan uiten in gedragingen, woorden, bedreigingen, handelingen, gebaren, en eenzijdige geschriften en dat tot doel of gevolg heeft dat de persoonlijkheid, de waardigheid of de fysieke of psychische integriteit van een werknemer of een andere persoon waarop dit hoofdstuk van toepassing is bij de uitvoering van het werk wordt aangetast, dat zijn betrekking in gevaar wordt gebracht of dat een bedreigende, vijandige, beledigende, vernederende of kwetsende omgeving wordt gecreëerd." Aan de werknemer die het slachtoffer wordt van pesterijen op het werk worden in de wet een aantal actiemiddelen ter beschikking gesteld, naast de mogelijkheid tot het neerleggen van een klacht bij de Arbeidsauditeur of bij de Procureur des Konings. Zo bepaalt artikel 32 nonies van de Welzijnswet dat de werknemer die meent het slachtoffer te zijn van geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk, zich ofwel kan richten tot de preventieadviseur of de vertrouwenspersoon, ofwel tot de bevoegde inspectiediensten. In voorkomend geval, zo bepaalt dit artikel verder, kan deze werknemer bij die personen een met redenen omklede klacht indienen. Deze zogenaamde "interne procedure" wordt verder uitgewerkt in het K.B. van 11 juli 2OO2 (cfr. de artt. 1O t.e.m. 15). Overeenkomstig artikel 32 decies van de Welzijnswet kan al wie een belang kan aantonen een vordering tot schadevergoeding instellen en/of een vordering tot staking van het agressieve gedrag tegen diegene die zich daaraan schuldig maakt en tegen de werkgever. Uiteraard zal de werknemer die beweert het slachtoffer te zijn van geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk de voornaamste belanghebbende zijn. Bovendien bepaalt artikel 32 undecies van de Welzijnswet dat wanneer deze persoon feiten aanvoert die het bestaan van geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk kunnen doen vermoeden, de bewijslast dat er zich geen geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk hebben voorgedaan ten laste van de verweerder valt (cfr. infra sub II, 3). Ten slotte voorziet artikel 32tredecies van de Welzijnswet in een ontslagbescherming van de werknemer die beweert het slachtoffer te zijn van geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag, en volgens de daartoe voorziene interne procedures een klacht heeft ingediend, of een rechtsvordering heeft ingesteld op grond van hoofdstuk Vbis van de wet. II.
- De temporele werking van de "Pestwet". Krachtens artikel 11 van de Pestwet zijn de nieuwe bepalingen van Hoofdstuk Vbis van de Welzijnswet in werking getreden op 1 juli 2OO2 ( zijnde de eerste dag van de maand volgend op de publicatie van de wet in het Belgisch Staatsblad van 22 juni 2OO2). De feiten die appellant als pesterijen aanvoert in de zin van de nieuwe wettelijke bepalingen situeren zich deels voor en deels na de datum van inwerkingtreding ervan. Bij tussenarrest van 6 april 2OO4 werd de heropening der debatten bevolen om partijen toe te laten standpunt in te nemen omtrent de toepassing van de nieuwe wet in de tijd, en inzonderheid de vraag of appellant feiten kan aanvoeren als pesterijen in de zin van de nieuwe wet die dateren van voor de inwerkingtreding ervan, daarbij rekening houdend met de omstandigheid dat de bepalingen van deze wet strafrechtelijk worden gesanctioneerd. Partijen hebben inmiddels over de gestelde problematiek geconcludeerd. Krachtens artikel 2 B.W. beschikt de wet alleen over het toekomende: zij heeft geen terugwerkende kracht. Elke rechtsregel wordt in beginsel geacht van onmiddellijke toepassing te zijn (Arbitragehof nr. 88/93, 22 december 1993, B.S., 1 maart 1994 en nr. 46/94, 16 juni 1994; Cass., 2 mei 1994, A.C., 1994, 443; Cass., 27 april 199O, A.C., 1989-9O, 1118; Cass., 31 oktober 1988, A.C., 1988-89, 252). Overeenkomstig de vaste rechtspraak is de nieuwe norm van toepassing "niet alleen op feiten die zich voordoen na het in werking treden van de nieuwe wet, maar ook op na die inwerkingtreding ontstane rechtsgevolgen van voordien voorgevallen feiten" (Cass., 22 februari 1988, A.C., 1987-88, 8O8; Cass., 27 april 199O, A.C., 1989-9O, 1118; Cass., 12 februari 1993, A.C., 1993, 179; Cass., 2 mei 1994, A.C., 1994, 443; Cass., 13 mei 1996, A.C., 1996, 431; Cass., 1O februari 1997, A.C., 1997, 195; R.v.St. inzake Peeters, nr. 24.O72, 13 maart 1984; Arbitragehof nr. 88/93, 22 december 1993, B.S., 1 maart 1994 en nr. 46/94, 16 juni 1994, B.S., 6 juli 1994). Zo zal de nieuwe norm toepasselijk zijn op rechtsfeiten die zich afzonderlijk beschouwd voordeden voor de inwerkingtreding van de nieuwe norm, wanneer die eigenlijk behoren tot een geheel complex van feiten en handelingen, die ook na de inwerkingtreding van de nieuwe norm worden voortgezet (cfr. P. POPELIER, Toepassing van de wet in de tijd, A.P.R., E. Story-Scientia, 1999, nr. 49). Al is het principe van de niet-terugwerkende kracht van de wet én een voorschrift voor de wetgever, én een verplichting voor de rechter én een waarborg voor de burgers, toch heeft het beginsel geen absoluut karakter, en moet de rechter de nieuwe wet op het verleden toepassen indien zulks de uitdrukkelijke of de stilzwijgende maar zekere bedoeling van de wetgever is geweest (Cass., 18 maart 196O, J.T., 196O, 667; Pas., 196O, I, 844). Overigens moet in principe de retroactiviteit niet uitdrukkelijk worden bepaald; ze kan ook afgeleid worden uit de bewoordingen of doelstellingen van de rechtsregel (Cass., 22 oktober 197O, A.C., 1971, 173 met concl. GANSHOF VAN DER MEERSCH; Cass., 9 november 1956, A.C., 1957, 166; Cass., 21 september 1956, A.C., 1957, 17; Cass., 18 januari 1924, Pas.1924, I, 141; P. POPELIER, o.c., nr. 59, met verwijzingen naar rechtspraak en rechtsleer). In de eerste plaats moet de norm zelf worden onderzocht op aanwijzingen over de temporele functie en het door de normsteller determinerend geachte aanknopingspunt. Hierbij spelen zowel een grammaticale ontleding van de tekst als een teleologische interpretatie een rol (P. POPELIER, o.c., nr. 6O; KNIGGE G., Verandering van wetgeving, Arnhem, Gouda Qunt, 1984, 48). Uit de bepalingen van de "Pestwet" blijkt niet uitdrukkelijk dat ze ook toepasselijk zijn op pestgedrag dat zich deels situeert voor de datum van inwerkingtreding ervan. Het lijdt geen twijfel dat het zeker de bedoeling is geweest van de wetgever de nieuwe bepalingen ook toepasbaar te maken op pesterijen aan de gang op het ogenblik van de inwerkingtreding van de wet. Zulks kan afgeleid worden uit de spoed waarmee de nieuwe regelgeving is tot stand gekomen. De spoedbehandeling kwam duidelijk tot uiting in de aanhef van het Koninklijk Besluit betreffende de bescherming tegen geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk (B.S., 18 juli 2OO2), waarin de procedures, de bevoegdheden, de opdrachten en de opleiding van de preventieadviseurs nader werden bepaald: "dat indien deze maatregelen niet tijdig worden genomen de werknemers ernstige schade kunnen ondervinden, daar ze zich in de onmogelijkheid zullen bevinden om onmiddellijk hun rechten te doen gelden;(...) dat dit des te meer van belang is nu er vastgesteld wordt dat er zich steeds meer geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk voordoen en er dus een acuut maatschappelijk probleem is; dat het derhalve dringend noodzakelijk is de nodige maatregelen te treffen opdat dit ontwerp van Koninklijk Besluit op 1 juli 2OO2 kan in werking treden." In deze context mag niet uit het oog worden verloren dat de herhaling van de uitingen van het pestgedrag in de tijd, één van de constitutieve elementen uitmaakt van pesterijen op het werk, zoals ook blijkt uit de tekst van de wet en de parlementaire voorbereiding ervan (art. 32ter, lid 1, 2°, Welzijnswet; Parl. St. Kamer, doc. Nr. 1583/OO5, Zitting 2OO1-2OO2, p. 8). Er zal dus geen sprake kunnen zijn van pesterijen in de zin van de wet wanneer het gaat om een eenmalige gedraging. Zulks impliceert dat de rechter die geroepen wordt uitspraak te doen over een vordering tot staking van pesterijen op het werk bij toepassing van artikel 32decies van de Welzijnswet, noodzakelijk zal dienen te onderzoeken of de verschillende uitingen van het pestgedrag - o.m. gedragingen, woorden, bedreigingen, handelingen, gebaren, eenzijdige geschriften - zoals deze zich in de periode voorafgaand aan de vordering voordeden, het onrechtmatig pestgedrag opleveren dat door de wet wordt beoogd. In het licht van voormelde principes en bedoeling van de wetgever de aan de gang zijnde pesterijen onmiddellijk een halt toe te roepen, zal de rechter die kort na de inwerkingtreding van de pestwet gevat wordt met een dergelijke vordering tot staking noodzakelijk ook acht moeten slaan op de uitingen van pestgedrag die zich voordeden voor de datum van inwerkingtreding en die eigenlijk behoren tot een geheel complex van samenhangende feiten en handelingen die alle de uiting zijn van eenzelfde onrechtmatig gedrag dat na de inwerkingtreding van de wet is blijven voortduren. De door appellant aangehaalde feitelijkheden die dateren van voor 1 juli 2OO2, waarvan hij voorhoudt dat deze nadien werden verdergezet, kunnen dan ook in aanmerking worden genomen bij de beoordeling van de vraag of er ten deze sprake is van repetitief en onrechtmatig pestgedrag in de zin van artikel 32ter, lid 1, 2° van de Welzijnswet dat het voorwerp kan uitmaken van een vordering tot staken. II.
- De omkering van de bewijslast. Artikel 32 undecies van de Welzijnswet bepaalt dat "wanneer een persoon die een belang kan aantonen voor het bevoegde rechtscollege feiten aanvoert die het bestaan van geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk kunnen doen vermoeden, valt de bewijslast dat er zich geen geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk hebben voorgedaan ten laste van de verweerder". Zoals blijkt uit de wettekst, dient de belanghebbende (in casu appellant) feiten aan te voeren die het bestaan van pesterijen kunnen doen vermoeden, om te kunnen genieten van de omkering van de bewijslast. Zulks impliceert dat de loutere bewering van pestgedrag of het louter aanvoeren in de zin van poneren van feiten niet als voldoende kan worden beschouwd (A. WITTERS en I. VERHELST, "Geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk: een analyse van de Wet Onkelincx en de uitvoeringsbesluiten", Or. 2OO2, 247). De belanghebbende dient met andere woorden duidelijk omschreven en concrete gedragingen van personen aan te voeren waaruit men bovendien moet kunnen afleiden dat hij het slachtoffer is van onrechtmatig pestgedrag in de zin van de wet. Zulks impliceert dat de aangevoerde feitelijkheden voldoende in tijd en ruimte moeten omschreven zijn, en toe te rekenen zijn aan identificeerbare personen. Uit de voorbereidende werken van de Pestwet blijkt overigens wat de wetgever beoogde met het aannemelijk maken van feiten waardoor de bewijslast wordt omgekeerd: "de omkering van de bewijslast geldt alleen als de werknemer/slachtoffer kan aantonen dat hij een belang heeft. Dat zal hij moeten doen aan de hand van het verslag van de preventieadviseur en door toedoen van de verschillende personen die getracht hebben het probleem op te lossen binnen de onderneming (...)." Deze verantwoording zal geschieden "door de indiening van de rapporten van de preventieadviseur en de medische inspectie, die de elementen van geweld of pesterijen vaststellen" (Verslag namens de commissie voor sociale zaken bij het wetsontwerp betreffende de bescherming tegen geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk, Parl. St., Kamer, zitting 2OO1-2OO2, doc. 5O, 1583/OO5, p. 35 e.v.). Uit de parlementaire voorbereiding kan zodoende worden afgeleid dat de wetgever veel belang hechtte aan de in de nieuwe reglementering voorziene interne procedures omdat hierdoor meer elementen worden verschaft die het slachtoffer ten goede komen en waardoor hij meteen in de gelegenheid wordt gesteld het rechtens vereiste begin van bewijs voor te leggen dat tot gevolg heeft dat de bewijslast wordt gelegd bij de persoon die zich schuldig zou maken aan ongewenst gedrag (Memorie van Toelichting bij het wetsontwerp betreffende de bescherming tegen geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk, Parl. St. Kamer, zitting 2OO1-2OO2, doc. 5O, 1583/OO1, p. 2O). Het Hof stelt in casu evenwel vast dat appellant zich onmiddellijk tot de Arbeidsrechtbank heeft gewend, zonder voorafgaandelijk gebruik te maken van bedoelde interne procedures nu hij zich niet gewend heeft tot de vertrouwenspersoon, de preventieadviseur of de bevoegde inspectiediensten, bij wie evenmin een met redenen omklede klacht werd ingediend. Het Hof wordt aldus geroepen, louter aan de hand van de door appellant bijgebrachte stukken, na te gaan of de feiten die hij aanvoert onrechtmatig pestgedrag aannemelijk maken. II.
- De door appellant aangevoerde pesterijen. II.4.
- ALGEMEEN. Appellant houdt voor dat hij door geïntimeerde, voornamelijk in de persoon van zijn diensthoofd, op verschillende manieren herhaaldelijk gepest werd. Deze pesterijen zouden bestaan uit: - meerdere denigrerende opmerkingen en tendentieuze, negatieve en ongefundeerde evaluaties; - onterechte vermaningen; - de onmogelijkheid om een weerwoord te bieden tegen deze opmerkingen, vermaningen en evaluaties; - de verwijdering uit verschillende functies zoals: hoofd van het labo, leiding van het rookbeleidscomité, leiding over het geurhinderbeleid; - verschillende vernederingen; - het ontslag op 22 december 2OO3; - het uithollen van zijn functies na zijn ontslag zodat hij een volledige dagtaak vervuld heeft na ongeveer anderhalf uur werk; - het ontvangen van anonieme fotokopieën waarin gealludeerd werd op de zogenaamde 'pestwet', het onvoldoende werkzaam zijn van die wet en de nakende aanpassing ervan. II.4.
- DE EVALUATIES, DE HIERMEE GEPAARD GAANDE DENIGRERENDE OPMERKINGEN OF RODDELS, EN DE ONMOGELIJKHEID TOT VERWEER. Appellant ervaart de negatieve evaluaties die gestart zijn vanaf het ogenblik dat dr. V. diensthoofd werd, als een uiting van pesten. Met de eerste rechter kan worden aangenomen dat het evalueren van werknemers beschouwd dient te worden als een normale uiting van de uitoefening van gezag door de werkgever, zijnde één van de constitutieve elementen van een arbeidsovereenkomst. De werkgever dient immers de mogelijkheid te hebben de arbeidsprestaties van zijn werknemers op grond van geijkte procedures te evalueren vanuit de optiek deze waar nodig bij te sturen. Periodieke evaluaties behoren tot het instrumentarium dat de werkgever moet toelaten zijn onderneming op een efficiënte en doeltreffende manier te 'runnen' met oog voor een optimale samenwerking tussen de werkgever en de betrokken werknemer en tussen de werknemers onderling. Alhoewel evaluaties op zich aldus niet als onrechtmatig gedrag kunnen bestempeld worden, is het mogelijk dat de werkgever op onrechtmatige wijze gebruik maakt van dit instrument om een werknemer te pesten. Zulks zou dan eventueel kunnen blijken uit de tendentieuze manier waarop deze evaluaties plaatsvonden, of uit de vaststelling dat de concrete gegevens waarop de beoordeling wordt gesteund, manifest niet met de werkelijkheid overeenstemmen. Dit laatste is in feite wat appellant aan geïntimeerde verwijt: tot 2OOO kreeg hij steeds gunstige evaluaties, en dat veranderde wanneer hij beoordeeld diende te worden door het nieuwe diensthoofd. De omstandigheid dat een werknemer negatief wordt geëvalueerd, kan op zichzelf geen indicie opleveren van onrechtmatig pestgedrag. Zulks blijkt ook uit een voorbeeld dat besproken werd in de Commissie voor Sociale Zaken van de Kamer van Volksvertegenwoordigers bij de voorbereiding van de nieuwe wet. Zo rees de vraag of de wet de werknemer beschermt die een slechte evaluatie gekregen heeft, naar aanleiding daarvan wordt overgeplaatst of ontslagen en de slechte evaluatie voorstelt als een pesterij. De minister antwoordde hierop dat de door de werknemer ingediende klacht gemotiveerd moet zijn, zodat de loutere aanvoering van een negatieve beoordeling onvoldoende is. Bovendien, zo verklaarde de minister, heeft de bijzondere preventieadviseur ook hier een rol te vervullen, aangezien hij moet onderzoeken of de werknemer naast de slechte evaluatie gegevens kan voorleggen die inderdaad wijzen op pesterijen (Parl., St., Kamer, zitting 2OO1-2OO2, 5O - 1583/OO5, p. 24 en 36). Nu appellant zich in casu niet voorafgaandelijk gewend heeft tot de preventieadviseur, de vertrouwenspersoon of bevoegde inspectie, kan hij de gegevens die de minister op het oog had, niet voorleggen aan het Hof. Ook de omstandigheid dat appellant in het verleden wel positief werd beoordeeld, kan op zichzelf evenmin een aanwijzing van onrechtmatig gedrag opleveren. Uit de door appellant bijgebrachte evaluaties blijkt dat het nieuwe diensthoofd hem niet zozeer verwijt dat hij de 'technische' of inhoudelijke kant van zijn functie niet zou beheersen, maar dat hij onvoldoende zou communiceren, en dat hij niet voldoende in staat zou zijn om in teamverband te werken. Deze vaststellingen blijken niet alleen uit de evaluaties gedaan door het diensthoofd. Na de negatieve beoordeling op 18 oktober 2OOO, die als stuk 2 wordt bijgebracht in de stavingsstukken van appellant, heeft dr. V. na de bespreking met appellant, op dezelfde dag een evaluatie laten uitvoeren door vier andere geneesheren, de industriële hygiënist en de veiligheidssupervisor (stukken 4 a-f, bundel geïntimeerde). Het Hof stelt vast dat deze beoordelingen voor appellant steeds negatief zijn, vooral wanneer een beoordeling moet gegeven worden over de capaciteiten van appellant om in teamverband te werken. Deze evaluaties komen dan ook in grote mate overeen met de beoordeling die dr. V. zelf op 18 oktober 2OOO had gegeven. Uit de door geïntimeerde bijgebrachte formulieren "Performance Management Process", met de beoordelingen van appellant die opgesteld werden begin 2OO1 (voor het jaar 2OOO), begin 2OO2 (voor het jaar 2OO1) en begin 2OO3 (voor het jaar 2OO2), blijken steeds dezelfde tekortkomingen (bundel geïntimeerde, stuk 5). Geïntimeerde wijst erop dat er steeds een dubbele evaluatie gebeurt binnen haar bedrijf, enerzijds door de rechtstreekse overste van appellant, dr. V., éénmaal per jaar, en door de directie, tweemaal per jaar. Zo brengt geïntimeerde als stuk nr. 16 een evaluatie van de directie bij, uitgaande van haar personeelsdirecteur, de heer V., waarbij appellant beoordeeld werd als "IR", hetgeen staat voor "Improvement Required" (vrij vertaald door het Hof: "Verbetering vereist"). Van de gehele betreffende lijst zijn er slechts twee personen die deze kwalificatie "IR" hebben gekregen. Uit voorgaande elementen blijkt dat de negatieve evaluaties door het diensthoofd van appellant niet uit de lucht gegrepen zijn. Daartegenover verwijst appellant naar het 'Profilor feedback rapport' van februari 2OO1 waaruit zou moeten blijken dat er een duidelijke discrepantie bestaat tussen de mening van zijn collega's en zijn ondergeschikten enerzijds en de mening van het diensthoofd anderzijds (bundel appellant, st. 21). Een eerste vaststelling bij nazicht van dit stuk is dat het niet volledig is, wat ook de eerste rechter niet blijkt te zijn ontgaan (de pagina's 5 t.e.m. 13 ontbreken). Bovendien blijkt dat deze beoordelingen van zowel de collega's als de ondergeschikten bijna zonder uitzondering ook steeds buiten en onder de 'normgroep' gesitueerd worden, en aldus in dezelfde richting gaan als de evaluaties door het diensthoofd. Uit de samenlezing van voormelde vaststellingen besluit het Hof dat de negatieve evaluaties door het diensthoofd niet onrealistisch waren nu zij steun vinden in de opinie van zowel de collega's van appellant als de ondergeschikten. Het Hof stelt daarenboven vast dat er in ieder verslag aandacht wordt besteed aan groeimogelijkheden in de vorm van opleidingen, waardoor appellant de mogelijkheid geboden werd zijn capaciteiten te vervolmaken en de vastgestelde tekortkomingen te verhelpen. Aldus beoogden de evaluaties een betere samenwerking met appellant, nu zij steeds een perspectief boden waar zij appellant concreet aangaven op welke manier hij aan de tekortkomingen diende te werken. Het Hof treedt de zienswijze van de eerste rechter bij dat dr. V., door de beoordeling van de professionele kwaliteiten van appellant onder de vorm van negatieve verslagen, het gezag van de overste op wettelijke en normale wijze heeft uitgeoefend, zonder dat appellant terzake enig feit bijbrengt dat het bestaan van pesterijen op het werk kan doen vermoeden. Waar appellant aanvoert dat hij bij de evaluaties verschillende tendentieuze en denigrerende opmerkingen te slikken kreeg, stelt het Hof vast dat dit verwijt te algemeen en te onduidelijk is om de bewijslast ter zake te doen omkeren, nu inhoudelijk niet nader wordt gepreciseerd welke opmerkingen hij op het oog heeft, en wanneer zij precies werden geformuleerd. Waar appellant als pesterij verder aanvoert dat de negatieve evaluaties geen mogelijkheid boden tot enig verweer, kan zulks evenmin enige indicie opleveren van onrechtmatig pestgedrag in hoofde van geïntimeerde. Uit de bijgebrachte stereotiepe evaluatieverslagen blijkt immers dat deze wel degelijk mogelijkheid boden tot verweer, nu zij voorzien in een rubriek "Commentaar van de medewerker op zijn prestatie-evaluatie (...)" (Voorbeeld stuk 5, b, bundel geïntimeerde). Het Hof stelt evenwel vast dat appellant deze rubriek van de evaluatieverslagen niet heeft ingevuld. Appellant legt bovendien geen tekst voor van een arbeidsovereenkomst, CAO of arbeidsreglement waarin geregeld zou zijn op welke wijze de evaluaties in de onderneming van geïntimeerde dienen te geschieden. Bij gebrek aan zulke teksten moet worden aangenomen dat het de werkgever vrij staat om in te vullen op welke wijze hij de evaluaties doorvoert nu hij daardoor uiting geeft aan het werkgeversgezag. Ten slotte weze herhaald dat de evaluaties zelf aangaven op welke manier appellant aan de vastgestelde tekortkomingen kon verhelpen, en welke precieze opleidingen hij daartoe diende te volgen. II.4.
- VERWIJDERING UIT VERSCHILLENDE FUNCTIES. Het gaat hier met name om: - de leiding van het labo; - het opstellen van een rookbeleid; - het opstellen van een geurhinderbeleid. Uit de verschillende evaluaties - en inzonderheid deze van maart 2OO3 - blijkt dat naar de normen van zijn werkgever appellant onvoldoende gefunctioneerd heeft in deze drie taken. Dit oordeel was vooral gebaseerd op het door de evaluator vastgestelde gebrek aan communicatie in hoofde van appellant, en zijn onvermogen om in teamverband te werken. Het staat de werkgever vrij om, binnen het kader van de arbeidsovereenkomst, op basis van evaluaties van de arbeidsprestaties van zijn werknemers, taken op te leggen of af te nemen, in voorkomend geval mits inachtneming van de beschermende maatregelen voorzien door specifieke wettelijke bepalingen (cfr. o.m. de Wet van 2O december 2OO2 betreffende de bescherming van de preventieadviseurs). Vermits in casu het afnemen van verantwoordelijkheden door geïntimeerde gebaseerd werd op negatieve evaluaties die inhoudelijk niet uit de lucht werden gegrepen (cfr. supra sub II, 4, 2), kan zulks geen aanwijzing opleveren van onrechtmatig pestgedrag. Volledigheidshalve merkt het Hof op dat uit de door geïntimeerde bijgebrachte elementen blijkt dat appellant niet uit zijn functie als arbeidsgeneesheer en aldus ook niet als preventieadviseur verwijderd werd. II.4.
- ONTERECHTE VERMANINGEN. Alhoewel appellant spreekt van onterechte vermaningen, wordt onder de stukken slechts één vermaning bijgebracht, namelijk deze van 26 juni 2OO
- Deze vermaning betreft zeer concrete tekortkomingen in de uitvoering van de werkzaamheden van appellant als arbeidsgeneesheer nu hij in de ochtend van 18 juni 2OO2 zou nagelaten hebben in uiterst uitzonderlijke omstandigheden tijdig temperatuurmetingen te verrichten in de lakkerij van de onderneming van geïntimeerde, ondanks sterk aandringen van de supervisie en de arbeiders en hun vertegenwoordigers. Uit de door appellant terzake bijgebrachte briefwisseling met geïntimeerde (st. 8 t.e.m. 12), kunnen geen aanwijzingen worden geput van enig pestgedrag in hoofde van geïntimeerde. Het louter gegeven dat uit deze briefwisseling blijkt dat appellant niet akkoord kon gaan met de hem gegeven vermaning, kan aan die vaststelling geen afbreuk doen. II.4.
- HET VINDEN VAN FOTOKOPIEËN OVER DE PESTWET. Appellant voert als pesterij aan dat hem "volledig anoniem" fotokopieën van artikels werden bezorgd, die vermeldden dat de pestwet haar doel voorbijschiet en zou moeten aangepast worden. De door appellant aangevoerde feiten zijn onvoldoende omschreven om van de omkering van de bewijslast te kunnen genieten, nu de desbetreffende stukken niet worden voorgelegd aan het Hof dat volledig in het ongewisse verkeert inzake de inhoud van de artikels, en de vragen wanneer, hoe en door wie ze werden verspreid. Waar appellant aanvoert dat de litigieuze artikels betrekking hebben op de Pestwet, betrof het alleszins een materie die kaderde in de uitoefening van de taken van een arbeidsgeneesheer-preventieadviseur waarmee appellant in de onderneming van geïntimeerde was belast. De vrees dat de pestwet haar doel zou voorbijschieten doordat misbruik zou kunnen worden gemaakt van de klachtenprocedure, is overigens uitgebreid aan bod gekomen ter gelegenheid van de parlementaire voorbereiding van de nieuwe wet (cfr. N. THOELEN, "Geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk: stand van zaken na de Wet-Onkelinx", Arbeidsovereenkomsten, Actuele voorinformatie, Ced.samsom, 21 november 2OO2, nr. 27O (dossier nr. 2OO2.O2, nrs. 4.2.3., 6.2.
- in fine en 6.2.3). II.4.
- HET ONTSLAG VAN APPELLANT. In zijn besluiten, neergelegd ter griffie van het Arbeidshof op 9 maart 2OO4, voert appellant aan dat zijn ontslag, gegeven door geïntimeerde met een opzegbrief van 22 december 2OO3, een uiting is van pesten op het werk (bundel geïntimeerde, st. 17). De al dan niet geldigheid van dit ontslag kan in het kader van onderhavige procedure niet worden behandeld. In de opzegbrief wordt nader gepreciseerd dat de opzeg het gevolg is van het collectief ontslag binnen F. W. te Genk, waarop de procedures vastgesteld krachtens hoofdstuk VII van de wet van 13 februari 1998 houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling van toepassing zijn (cfr. artikel 4, 3° van de wet van 2O december 2OO2 betreffende de bescherming van de preventieadviseurs), en dat ten gevolge van het voornoemde collectief ontslag 3.OOO arbeiders en bedienden dienen af te vloeien, zodat het aantal arbeidsgeneesheren herleid wordt van 5 naar
- In haar aanvullende besluiten (p.6) houdt geïntimeerde onder verwijzing naar de stukken 18a t.e.m. e van haar bundel voor dat de procedure van het collectief ontslag wel degelijk werd gevolgd. Het ontslag van appellant dd. 22 december 2OO3 kan in het kader van onderhavige procedure geen indicie opleveren voor onrechtmatig pestgedrag in hoofde van geïntimeerde. Overigens voert appellant voor het Hof geen enkel argument of stuk aan ter staving van zijn bewering dat het ontslag een uiting uitmaakt van pesten op het werk. II.4.
- HET UITHOLLEN VAN DE FUNCTIE NA HET ONTSLAG. Volgens appellant werd zijn functie na het ontslag van 22 december 2OO3 zodanig uitgehold dat hij dagelijks slechts anderhalf uur nuttig werk kan leveren. Uit de door geïntimeerde bijgebrachte stukken blijkt evenwel dat er van een uitholling van het takenpakket van appellant geen sprake is. Geïntimeerde verwijst naar het actieplan voor de preventieadviseurs voor het jaar 2OO4 (bundel geïntimeerde, stuk 11), waaruit blijkt dat al de preventieadviseurs, waaronder ook appellant, op dit schema voorkomen, met ieder specifieke taken (cfr. de punten 1 en 7 betreffen appellant). Bovendien brengt geïntimeerde een taakverdeling bij per arbeidsgeneesheer op werkdagen en legt in dit verband ten exemplatieve titel een aantal dagen voor (stuk 12). Het Hof stelt vast dat uit deze stukken duidelijk blijkt dat de taken van appellant naar tijdsverbruik niet verschillen van die van de andere preventieadviseurs. Ook wat dit punt betreft, maakt appellant de feiten die hij aanvoert als pesterijen niet aannemelijk. II.4.
- BESLUIT. Uit het onderzoek van de door appellant aangevoerde uitingen van pestgedrag, blijkt dat de aangevoerde feiten geenszins het bestaan van onrechtmatige pesterijen op het werk kunnen doen vermoeden. Nu het Hof aldus tot het besluit komt dat er ten deze geen sprake is van onrechtmatige pesterijen op het werk in de zin van artikel 32ter van de Welzijnswet, wijst het de vordering tot staking van de vermeende pesterijen af als ongegrond. Wat betreft de vordering tot schadevergoeding, provisioneel begroot op 1 Euro, dient overeenkomstig de gemeenrechtelijke principes van artikel 1382 van het B.W., het bewijs te worden geleverd van het bestaan van een fout, de schade en het oorzakelijk verband tussen beide. De fout die aan geïntimeerde wordt verweten, met name dat zij zich schuldig zou hebben gemaakt aan pesterijen op het werk, wordt om de hoger aangehaalde redenen niet weerhouden door het Hof, zodat er evenmin aanleiding toe bestaat geïntimeerde te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding. II.
- De vordering tot intrekking van het als pesterij omschreven ontslag van appellant. Krachtens artikel 32tredecies, ,§ 1, van de Welzijnswet mag de werkgever die een werknemer tewerkstelt die een rechtsvordering heeft ingesteld op grond van hoofdstuk Vbis van de Welzijnswet, de arbeidsverhouding niet beëindigen, noch de arbeidsvoorwaarden eenzijdig wijzigen, behalve om redenen die vreemd zijn aan die rechtsvordering. Indien de werkgever, in strijd met de bescherming waarvan de werknemer geniet, toch de arbeidsovereenkomst beëindigt of eenzijdig de arbeidsvoorwaarden wijzigt, kan de werknemer of de vakorganisatie waarbij hij aangesloten is, een verzoek tot reïntegratie indienen. Dit verzoek beoogt de werknemer terug in de onderneming te laten opnemen onder de voorwaarden die bestonden voor de feiten die tot de klacht aanleiding hebben gegeven (Art. 32 tredecies, ,§ 3, eerste lid, Welzijnswet). In geval van opzegging moet het verzoek tot reïntegratie met een aangetekende brief ingediend worden binnen dertig dagen volgend op de datum van de kennisgeving van de opzegging (Art. 32 tredecies, ,§ 3, tweede lid, Welzijnswet). Uit de bepalingen van artikel 32tredecies, ,§ ,§3, 4 en 5 van de Welzijnswet blijkt voorts dat de werknemer in beginsel slechts aanspraak zal kunnen maken op een beschermings- of schadevergoeding indien hij daadwerkelijk een geldig verzoek tot reïntegratie heeft ingediend. Niettemin bepaalt de wet dat de werkgever in de volgende drie gevallen dezelfde vergoeding zal moeten betalen zonder dat de werknemer om zijn reïntegratie heeft moeten verzoeken, namelijk: - wanneer het bevoegde rechtscollege de feiten van geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk bewezen acht; - wanneer de werknemer de arbeidsovereenkomst zelf beëindigt, omdat het gedrag van zijn werkgever strijdig is met de bescherming waarvan de werknemer geniet (...); - wanneer de werkgever de werknemer heeft ontslagen om dringende reden en op voorwaarde dat het bevoegde rechtscollege dit ontslag ongegrond verklaart en in strijd met de bescherming waarvan de werknemer geniet (Art. 32tredecies, ,§ 5, Welzijnswet). Het Hof stelt vast dat de drie uitzonderingsgevallen ten deze niet toepasselijk zijn - mede gelet op het feit dat het de door appellant aangevoerde feiten van pesterijen niet bewezen acht - , zodat appellant, om aanspraak te kunnen maken op een beschermings- of schadevergoeding, een verzoek tot reïntegratie had dienen te richten aan geïntimeerde, wat hij evenwel niet blijkt te hebben gedaan. In zoverre de vordering tot schadevergoeding van appellant gesteund zou zijn op de beschermingsmaatregelen tegen ontslag en wijziging van de arbeidsvoorwaarden voorzien in artikel 32 tredecies van de Welzijnswet, dient de vordering om die reden te worden verworpen. De bepalingen van Hoofdstuk Vbis van de Welzijnswet voorzien anderzijds niet in de mogelijkheid voor de rechter om de intrekking te bevelen van een als pesterij ervaren ontslag of van een ontslag gegeven in strijd met de bescherming waarvan de werknemer geniet krachtens artikel 32 tredecies van de Welzijnswet. De vordering van appellant om "geïntimeerde te horen veroordelen tot de intrekking van het als bijkomende pesterij omschreven ontslag van (appellant)" betreft dan ook een niet toewijsbare vordering die, mocht er al sprake zijn van onrechtmatig pestgedrag - quod non -, hoe dan ook zou dienen te worden verworpen. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, tweede Kamer; Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken waarvan de voorschriften werden nageleefd; Gelet op het éénsluidend schriftelijk advies van het Openbaar Ministerie, neergelegd ter griffie van dit Hof op 25 mei 2OO4, waarop alleen door appellant schriftelijk werd gerepliceerd, doch laattijdig; Rechtsprekend op tegenspraak; Zijn tussenarrest dd. 6 april 2OO4 verder uitwerkende: Verklaart het hoger beroep van appellant ongegrond; Bevestigt het bestreden vonnis van de Arbeidsrechtbank te Tongeren dd. 17 november 2OO3; Legt de kosten van het hoger beroep ten laste van appellant. Vereffent deze kosten aan de zijde van geïntimeerde op 136, 84 EUR, zijnde de rechtsplegingsvergoeding. Aldus gewezen en uitgesproken door de tweede kamer van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, zitting houdend te Hasselt in de openbare terechtzitting van tweeëntwintig juni tweeduizend en vier, waar aanwezig waren: PDF document ECLI:BE:AHANT:2004:ARR.20040622.18 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div