← België

ECLI:BE:AHANT:2004:ARR.20040625.15

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 25 juni 2004 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2004:ARR.20040625.15 Rolnummer: 2001-0360 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2009-09-24 Raadplegingen: 153 - laatst gezien 2026-07-01 19:24 Fiche Artikel 40 van de Arbeidswet inzake moederschapsbescherming is ook van toepassing bij ontslag van een werkneemster die een poging deed tot in vitro bevruchting, ook al is zij niet effectief zwanger geworden en ook al heeft ze haar werkgever niet ingelicht over het resultaat van de ingreep. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Arbeidswetgeving - Arbeidsregelingenwet Vrije woorden: arbeidsreglementering - vrouwenarbeid - moederschapsbescherming - arbeidsovereenkomst - ontslag - poging tot in vitro bevruchting Wettelijke bepalingen: Wet - 16-03-1971 - 40 - 02 ELI link Pub nr 1971031602 Annotaties Publicaties: SRK - Christine Lardin - 2009, nr. 2, blz. 81-87 Tekst van de beslissing ARREST A.R. 2010360 OPENBARE TERECHTZITTING VAN VIJFENTWINTIG JUNI TWEEDUIZEND EN VIER. In de zaak: A N, wonende te , beroepster, verschijnend bij mevr. A.M. C; tegen : S NV, Met zetel te , beroepene, verschijnend bij mr. H. B. Gezien de stukken van het dossier van rechtspleging, inzonderheid: - het bestreden eindvonnis van de Arbeidsrechtbank te Tongeren van 7 november 2001, gewezen onder A.R. nr. 2816/99; - het verzoekschrift, houdende akte van hoger beroep, neergelegd ter griffie van dit Arbeidshof op 7 december 2001; - de besluiten van beroepene, ontvangen ter griffie van dit Arbeidshof op 25 juni 2002; - de besluiten van beroepster, neergelegd ter griffie van dit Arbeidshof op 11 december

  1. Gehoord de partijen in hun middelen en voordracht hunner conclusies ter zitting van 28 mei 2004 en gezien de neergelegde overtuigingsstukken. Voorwerp van het geschil: Appellante, geboren op 25 november 1971 was in dienst van beroepene vanaf 11 mei 1998 tot en met 14 december 1998, datum waarop zij ontslagen werd met toekenning van een opzegvergoeding, gelijk aan het loon over drie maanden. Met de inleidende dagvaarding van 11 oktober 1999 vorderde zij van haar voormalige werkgever een schadeloosstelling van 421.950 BEF, het equivalent van 6 maanden loon, zulks wegens rechtsmisbruik, meer de wettelijke rente en gerechtelijke intresten, tevens dat haar voorbehoud zou worden verleend voor alle andere rechten en vorderingen, dat het tussen te komen vonnis uitvoerbaar zou worden verklaard bij voorraad, niettegenstaande elk rechtsmiddel, zonder mogelijkheid tot zekerheidsstelling en met uitsluiting van kantonnement en tenslotte dat de werkgever zou worden verwezen in de gerechtskosten. De procedure werd aanhangig gemaakt bij de Arbeidsrechtbank te Tongeren. Met conclusies, neergelegd ter griffie van de arbeidsrechtbank op 28 december 1999 had huidig beroepene een tegenvordering ingesteld, ertoe strekkend de aanleggende partij te horen veroordelen tot betaling van een schadeloosstelling van 50.000 BEF wegens het voeren van een tergend en roekeloos geding. Met het vonnis van 7 november 2001 heeft de eerste rechter zowel de vordering van aanleggende partij als wel deze van verwerende partij als ongegrond afgewezen, waarbij aanlegster werd veroordeeld tot 9/10 van de gerechtskosten en de overige 10 % lastens verweerster werden gelegd. Van dit vonnis komt oorspronkelijk aanlegster thans in beroep. Het beroepsschrift is regelmatig naar vorm en tijd, is ontvankelijk. In haar beroepsverzoekschrift wijzigt appellante in ondergeschikte orde de rechtsgrond van haar vordering en vordert daarbij dezelfde schadevergoeding zoals gesteld in hoofdorde, doch thans gesteund op artikel 40 van de wet van 16 maart 1971 welk de moederschapsbescherming regelt. Zij verzoekt in conclusie zowel in hoofdorde als in ondergeschikte orde beroepene te veroordelen na hervorming van het bestreden vonnis, tot betaling van 10.459,87 EUR als schadevergoeding, weze het wegens rechtsmisbruik dan wel op grond van de overtreding van de wetgeving op de moederschapsbescherming, te vermeerderen met de wettelijke intrest vanaf 14 december 1998 op het bruto-opeisbaar bedrag, verder de gerechtelijke intresten en de kosten van het geding. In ondergeschikte orde vertoogt zij te worden gemachtigd om te bewijzen met alle middelen van recht, getuigenbewijs en vermoedens inbegrepen dat de IVF-poging en de daarmee gepaard gaande arbeidsongeschiktheid de reden was voor het ontslag en dat de heer Inglese verklaard heeft m.b.t. het ontslag: "Volgens mij heeft An gewacht met haar zwangerschapskuur totdat haar proefperiode voorbij was en ik heb nu de hete appel doorgebeten om latere problemen te vermijden". Met conclusies, neergelegd ter griffie van dit Hof op 25 juni 2002, postuleert beroepene het beroep van appellante ongegrond te verklaren en stelde zij incidenteel beroep in met verzoek het bestreden vonnis te vernietigen voorzover het oordeelde over haar oorspronkelijke tegeneis, thans het incidenteel beroep gegrond te verklaren en appellante te veroordelen tot betaling van een schadeloosstelling van 1.239,47 EUR wegens tergend en roekeloos geding, tenslotte appellante te veroordelen tot de gerechtskosten. Omtrent de feiten. Volgens de geschreven arbeidsovereenkomst werd appellante door haar werkgever aangeworven als bediende loonadministratie en werd zij hoofdzakelijk belast met de volgende taken: - berekening van de weddes en lonen, de RSZ-aangifte en de fiscale fiches, - dagelijkse controle van de aan- en afwezigheden van de arbeiders en bedienden, - administratie van gegevens in verband met de Sociale Zekerheid (aangifte arbeidsongeval, ziekteverzekering, werkloosheid, ...), - administratief beheer van de personeelsgegevens van de arbeiders, - onthaal van nieuwelingen, - advies geven en inlichtingen (over loonbriefjes, vakantiegeld) aan arbeiders, ploegbazen, - opdrachten voor de personeelsmanager (o.a. bezettingsoverzicht). Deze arbeidsovereenkomst nam een aanvang op 11 mei 1998 en er werd daarbij een proefperiode voorzien van 6 maanden. De wijze waarop appellante de arbeidstaken uitvoerde werd op 8 oktober 1998 geëvalueerd door de werkgever en daarbij gaf deze als algemene beoordeling: "werkt hard, geen roddel, veel kwantiteit, goede kwaliteit, goed georganiseerd, alles op zijn plaats, behoudt overzicht, collegiaal, team-player, in de loonadministratie soms wat slordig of te snel content, hier moet ze wat extra voorzichtig zijn". Na afloop van de proefperiode werd door de werkgever op 14 december 1998 de arbeidsovereenkomst onmiddellijk verbroken. Dit verbrekingsschrijven luidt als volgt: "De werkgever, S NV gevestigd aan de ........ vertegenwoordigd door de heer M I in de hoedanigheid van Personeelsmanager, betekent hiermede aan mevrouw A N, wonende aan de ....., de onmiddellijke verbreking van de lopende arbeidsovereenkomst. Een verbrekingsvergoeding, overeenstemmend met een opzeggingstermijn van drie maanden, zal u op de gebruikelijke wijze uitbetaald worden, samen met de nog verschuldigde wedde van de lopende maand, een pro rata dertiende maand en het vakantiegeld bij uitdiensttreding. Deze verbreking gaat onmiddellijk in zodat u zich niet meer dient aan te melden op onze burelen. De sociale documenten zullen u ten gepaste tijde opgestuurd worden.". Het werkloosheidsformulier C4 geeft als juiste oorzaak van de werkloosheid aan: "verstoorde werksituatie, professionele samenwerking niet meer mogelijk". Via beroepsters vakorganisatie werden nadien nog bepaalde looneisen geformuleerd, waaraan door de werkgever omzeggens volledig werd gevolg gegeven, doch wel werd hierbij voornamelijk beklag gemaakt over de redenen van ontslag, welke appellante wijt aan haar poging om in verwachting te geraken via IVF. Zulks vereiste een opname in het ziekenhuis en de personeelsdirecteur van geïntimeerde zou daarbij appellantes privacy hebben geschonden door naar de reden van haar hospitalisatie te informeren en ook of zulks geïnspireerd werd door de IVF-behandeling. Met het schrijven van 18 maart 1999 ontkende beroepene dat de zwangerschapsproblemen als onderliggende oorzaak voor het ontslag konden worden aanzien. Bij brief van 8 april 1999 ontkende de personeelsmanager, de heer M I, dat er contact geweest was met het ziekenhuis om meer te weten te komen over het al dan niet slagen van de behandeling van mevrouw N. Bij schrijven van 19 mei 1999, geconfronteerd met de opmerking van appellante dat van die verschillende telefonische contacten enkele getuigen waren, geeft de werkgever toe dat het telefonisch contact met het ziekenhuis er enkel was als bezorgd werkgever en niet om medische informatie te bekomen, te meer daar de werkgever reeds geruime tijd op de hoogte was van de zwangerschapsmoeilijkheden. Appellante heeft lastens de heer I strafklacht neergelegd wegens belediging door woorden en daden en wegens belaging. Volgens de detaillijst van de telefonische gesprekken, afgeleverd door Belgacom NV, zijn er op initiatief van de werkgever telefonische gesprekken geweest met appellante op 7, 8, 9, 11 en 15 december
  2. De heer G G, ACV-delegé bij de werkgever verklaarde (zie stuk 16 appellante): "Op 12 januari 1999 tijdens de ondernemingsraad kregen de leden van de ondernemingsraad te horen dat A N ontslagen was wegens 'verstoorde samenwerking'. Nadat de vergadering afgelopen was, vroeg ik als syndicale delegee hieromtrent meer uitleg. M I verklaarde toen aan mij, in het bijzijn van M T (eveneens werkzaam op de personeelsdienst van S): - dat hij bij het vernemen dat A in een hospitaal was opgenomen, verschillende ziekenhuizen in de regio contacteerde. Hij wilde weten wat er eigenlijk aan de hand was. - In het Virga Jesseziekenhuis van Hasselt werd er uiteindelijk positief geantwoord dat A daar was opgenomen. Hij kreeg eveneens te horen dat A niet mocht gestoord worden.". In een andere, niet gedateerde verklaring zegde dezelfde G G dat: "M I, personeelsmanager S tegen mij heeft gezegd: A gewacht heeft tot haar proefperiode gedaan was. Hij nu de hete appel heeft doorgebeten en anders latere problemen liet aanslepen". Bij gelegenheid van het strafonderzoek voegde de heer G aan de voorgaande versies nog de volgende schakering toe: "... Deze (bedoeld wordt M I) citeerde: 'Volgens mij heeft A gewacht met haar zwangerschapskuur totdat haar proefperiode voorbij was en ik heb nu de hete appel doorgebeten om latere problemen te vermijden'. U vraagt me of A om haar zwangerschapskuur werd ontslagen. Dat weet ik niet. Een verstoorde samenwerking werd als oorzaak opgegeven ...". Standpunten van partijen: Appellante houdt voor dat haar ontslag werd ingegeven door de hospitalisatie welke de IVF-poging vergde en geen enkel verband hield met de wijze waarop zij de arbeidsovereenkomst uitvoerde, zodat de werkgever het ontslagrecht heeft afgewend van haar finaliteit en daardoor misbruik van ontslagrecht pleegde; in ondergeschikte orde beging hij een inbreuk op de wetgeving inzake de moederschapsbescherming en voor beide inbreuken vraagt appellante de gepaste schadevergoeding, de ene bij gebreke aan de andere. Geïntimeerde, hierbij gesteund door de eerste rechter herhaalt dat het ontslag enkel was ingegeven door de emotionele instabiliteit waarvan appellante blijk gaf bij de zwangerschapsproblemen en de IVF-poging, hetgeen heeft geleid tot slordigheden op het werk in november 1998 en een gaandeweg aangroeiende verstoorde relatie tussen appellante enerzijds en haar collega T en de personeelsdirecteur anderzijds. Beoordeling: A. De vordering tot schadevergoeding wegens rechtsmisbruik. Voor bedienden bestaat geen uitdrukkelijke wetsbepaling die vergelijkbaar is met die betreffende het willekeurig ontslag van werklieden. Dat belet evenwel niet dat de leer van het rechtsmisbruik op grond van het gemeen recht kan toegepast worden met betrekking tot het ontslag van bedienden. Ook een contractueel recht, als het recht tot ontslag over te gaan, moet te goeder trouw worden uitgeoefend. Om uit te maken of er sprake is van rechtsmisbruik wordt doorgaans een beroep gedaan op de techniek van de marginale toetsing. Er moet kennelijk sprake zijn van een onbehoorlijke uitoefening van het recht op ontslag, de communis opinio moet het ontslag of de wijze waarop het is gebeurd, als onaanvaardbaar beschouwen. ( VAN EECKHOUTTE, Arbeidsrecht, Uitgave KLUWER, blz. 312, nr. 668) Meerdere criteria worden voorgesteld om het misbruik van recht te bepalen. F. VAN NESTE onderscheidt zes criteria aldus: bij het uitoefenen van een bepaald recht het oogmerk om te schaden, de afwezigheid van enig belang, de overdreven benadeling, het in grote mate verbreken van het evenwicht tussen de betrokken belangen, vervolgens de afwijking van de ware bestemming van een bepaald recht. Tenslotte kan misbruik van recht ook het gevolg zijn van een foutieve gedraging.... Enkele van die criteria ontmoet men in de Cassatierechtspraak, o.m. het evenredigheidscriterium, ook het foutbegrip, met dien verstande evenwel dat wordt vereist dat de rechtsuitoefening, om als rechtsmisbruik te worden beschouwd, kennelijk het gebruik moet overschrijden, dat een normaal voorzichtig en redelijk mens ervan zou hebben gemaakt.(STEYAERT, De Arbeidsovereenkomst, blz. 650, nr. 901) Bovendien dient opgemerkt te worden dat niet elke onredelijke of onbillijke uitoefening van het ontslagrecht van de werkgever als rechtsmisbruik mag worden bestempeld, maar enkel de onbetamelijke uitoefening ervan, d.w.z. de uitoefening die zo verregaand onredelijk is, dat een weldenkend mens in dezelfde situatie daartoe niet zou willen komen.(Arbh. Antwerpen, 21.3.1983, R.W. 1983-1984, 299) Om te kunnen spreken van rechtsmisbruik bij ontslag, dienen dus alleszins twee voorwaarden vervuld te zijn: Fout Opdat er sprake zou zijn van rechtsmisbruik bij ontslag, is vooreerst een fout vereist, die onderscheiden is van het niet in acht nemen van de regels betreffende de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. ( Arbrb. Verviers, 19.12.1973, J.T.T., 1974, 108) Er is dus steeds een element van schuld vereist, opdat er sprake zou zijn van rechtsmisbruik. ( VAN EECKHOUTTE W, Sociaal Compendium, 1993-1994, 1154) Er is geen sprake van rechtsmisbruik wanneer blijkt dat voor het ontslag een reden bestaat die verband houdt met de persoon of het gedrag van de werknemer, of met de noodwendigheden van de onderneming. Zelfs de eventuele onjuistheid van de door de werkgever voor het ontslag ingeroepen reden, die eventueel een dringende reden is, impliceert niet dat het ontslag aangetast is door rechtsmisbruik. (Arbh. Brussel 5.11.1986, T.S.R. 1986, 546 - Arbh. Brussel, 29.4.1992, T.S.R. 1992, 373 - Arbh. Brussel 21.6.1993, J.T.T., 1994, 82) Bijzondere schade Naast een fout, onderscheiden van de miskenning van de ontslagreden, vereist het bestaan van rechtsmisbruik bij ontslag van bedienden, een bijzondere materiële of morele schade, die onderscheiden is van die welke wordt veroorzaakt door het ontslag zelf. ( Arbh. Brussel, 29.6.1979, J.T.T. 1980, 84 - Arbh. Brussel 8.1.1991, T.S.R. 1991, 187) De forfaitaire opzeggingsvergoeding die, ingeval van onregelmatige beëindiging van de arbeidsovereenkomst, verschuldigd is, vergoedt immers op zich alle schade, die zowel materieel als moreel, uit de beëindiging van de arbeidsovereenkomst voortvloeit. ( Arbh. Gent, 9.12.1981, Soc. Kron. 1982, 20 - Arbh. Bergen, 11.10.1983, T.S.R. 1984, 94 - Arbh. Antwerpen, 19.10.1987, Soc. Kron. 1988, 387) Bewijs De bewijslast rust op degene die beweert het slachtoffer te zijn van het rechtsmisbruik. Het is derhalve steeds de bediende die het bewijs zal moeten leveren dat de werkgever zich bij ontslag schuldig maakte aan rechtsmisbruik. Overeenkomstig de gewone aansprakelijkheidsregelen moet de bediende eveneens het bewijs leveren van het bestaan en de omvang van de schade die hij beweert te hebben geleden en die onderscheiden is van die welke gedekt wordt door de opzeggingsvergoeding evenals van het oorzakelijk verband tussen het rechtsmisbruik en deze schade. ( Arbh. Brussel 29.6.1982, T.S.R. 1982, 627) De werknemer die niet bewijst dat zijn werkgever misbruik heeft gemaakt van het ontslagrecht of dat hij handelde met onverschoonbare lichtzinnigheid, en die ook niet bewijst dat hij buitengewoon materieel of moreel schade heeft geleden, welke niet gedekt is door de forfaitaire schadevergoeding, heeft geen aanspraak op een vergoeding wegens morele schade. ( Arbh. Brussel, 15.1.1980, geciteerd door R. Dillemans, S.16.5/19) De bediende kan geen beroep doen op artikel 63 WAO en moet een bijzondere fout, een bijzondere schade en het oorzakelijk verband bewijzen. ( Arbh. Brussel, 20.6.1983, geciteerd door R.Dillemans, S.16.5/15)" Het komt dus aan de bediende toe, dewelke het misbruik van ontslagrecht inroept om het bewijs te leveren dat aan al de bovengestelde voorwaarden is voldaan en hij moet ook de omvang van de schade bewijzen. Over die omvang van de schade past het zeker niet "naar analogie met artikel 63 van de arbeidsovereenkomstenwet" deze te berekenen op een forfaitaire vergoeding; de bediende zal zijn schade integraal moeten aantonen, gezien hij geen wettelijke bescherming vindt in artikel 63 voornoemd. Die schade moet dan nog onderscheiden zijn voor deze welke voortvloeit uit het ontslag en door de opzeggingsvergoeding of de toekenning van een opzegtermijn niet is gedekt geworden. Met andere woorden, moet beroeper een bijzondere belangenschade aantonen welke de forfaitair berekende schade (toepassing artikel 82 van de wet van 3 juli 1978) overstijgt. Dit bewijs wordt niet geleverd, zodat reeds alleen al om die reden de vordering terecht ongegrond werd verklaard. De werkgever kan in het kader van de bewijslevering over de reden van het gegeven ontslag ook aantonen dat hij gegronde motieven had om tot de afdanking over te gaan. Uiteraard is de "negatieve evaluatie" geen reden van ontslag, doch is het de globalisering, de veralgemeende samenvatting van de grieven welke de werkgever heeft over de wijze waarop de werknemer zijn arbeidsovereenkomst uitvoert. "...Hierbij dient in de eerste plaats te worden gesteld dat een werkgever die beslist om een werknemer te ontslaan, in eerste instantie daarvoor geen reden dient aan te geven. Het is pas wanneer betwisting bestaat omtrent de reden van het ontslag dat de werkgever zijn beslissing zal moeten motiveren. ( STEYAERT, De Arbeidsovereenkomst, blz. 513, nr. 716) Het Arbeidshof van Gent ( J.T.T. 1997, 433) heeft in een arrest van 5.3.1997 gesteld dat de werkgever, in de loop van het geding, het bewijs mag leveren van het niet willekeurig karakter van het ontslag, niet alleen op grond van de reden, vermeld op het werkloosheidsbewijs, maar eveneens door aan te tonen dat het ontslag berustte op de noodwendigheden van de onderneming. Het Arbeidshof van Brussel ( 13.11.1995, R.W. 1997-1998) stelde dat een onjuiste vermelding in het werkloosheidsdocument C 4 het ontslag derhalve op zich nog niet willekeurig maakte. De werkgever is niet gebonden door de afdankingsreden die hij vermeldt op het werkloosheidsattest (C4). De motivatieplicht van de afdanking ontstaat slechts wanneer de handarbeider kenbaar maakt dat hij niet akkoord is.( Arbh. Brussel,14.10.1991, R.S.R 1992, 59) Inzake willekeurig ontslag hoeft de werkgever, die het bewijs levert van de afwezigheid van misbruik, zich niet te beperken tot de motieven die hij heeft vermeld bij het ontslag zelf. ( Arbh. Luik, 9.6.1995, J.T.T. 1995, 351) Het eenzijdig door de werkgever ingevulde werkloosheidsformulier C4 is geen onderhandse akte. ( art. 1322 B.W.) Het document heeft weliswaar een specifieke bewijswaarde in het kader van de werkloosheidsreglementering, maar het heeft slechts een relatieve bewijswaarde tussen werkgever en werknemer in de betwisting betreffende het willekeurig ontslag. ( Arbrb. Brussel, 13.11.1995, R.W. 1997-1998, 781) De reden van het ontslag, opgegeven in het document C4, bindt de werkgever niet. De werkelijke reden tot ontslag mag met alle middelen van recht worden bewezen. ( Arbrb. Brussel, 13.6.1989,Soc.Kron. 1991, 34 en Arbrb. Luik, 4.12.1984, Soc. Kron. 1989, 111) Er weze hier herhaald dat het aan de werknemer toekomt om zowel de fout als de bijzondere schade te bewijzen. Er moet derhalve worden nagegaan waar de eigenlijke oorzaak ligt van het ontslag. De relatie tussen appellante en de personeelsmanager van beroepene, de heer I zowel als de spanningen omtrent en rond de ziekenhuisopname, werden door het medepersoneelslid, M-J T, verantwoordelijk voor zekere personeelsadministratie, zeer plausibel als volgt omschreven: "Ik neem kennis van de zaak die U bezig houdt. Over het ontslag van N A wens ik het volgende te verklaren. Mei '98 is A bij ons in dienst getreden. Juni '98 overleed haar grootmoeder. An was boos op manager Inglese dat deze zijn medeleven niet had laten blijken. In september '98 was An één dag ziek. Achteraf bleek dat An niet kon zwanger geraken omdat haar man slecht sperma had. Dit heeft ze zelf op de dienst en in de refter verteld. Oktober '98 werd ze gunstig geëvalueerd ondanks enkele opmerkingen. Er was toen inderdaad een evaluatiegesprek tussen I en N waarvan ik getuige was. Tijdens dit gesprek heeft de manager opgemerkt dat hij begrip had voor haar situatie en de eventuele problemen die hiermee gepaard gaan. Hij vroeg naar haar carriereplanning. An bevestigde dat ze in de toekomst full-time in dienst zou blijven. Volgens de manager was dit de bedoeling. Op 20.11.1998 tijdens haar afwezigheid merkte ik veel slordigheden in haar werk. Ik heb haar er nadien op attent gemaakt. An was daardoor geraakt. November en December '98 is ze begonnen met hormonenspuitjes. In deze periode maakte we een afspraak dat ik haar op 09.12.98, de eindejaarspremies van de arbeiders zou uitleggen. Op 08.12.98 ontvingen we een fax dat An ziek was en dat ze tot 23.12.98 afwezig zou blijven. We werden verrast en wisten niet wat er gaande was. We dachten toen niet aan haar zwangerschapsproblemen. De manager heeft dan uit bezorgdheid gebeld naar het ziekenhuis. Hij kreeg het antwoord dat hij later moest terugbellen, wat ook gebeurde. Volgens mezelf heeft de manager 3 maal naar het ziekenhuis gebeld. Op een avond krijg ik dan telefoon van An. Zij was zeer emotioneel en redeneerde raar. Ze vertelde dat ze niet meer met de manager kon spreken en vond dat deze had was. Er werd tussen ons een tijdstip afgesproken wanneer ik haar mocht terugbellen, omdat ik onvoorbereid haar werk moest doen. Nadien heb ik nog terug gebeld en stelde opnieuw vast dat A over haar toeren was. Ik heb tijdens deze telefoongesprekken haar nooit verweten maar heb enkel de handelswijze van An betreurd. Ik doelde hiermee dat ik het werk van haar moest overnemen zonder in kennis van haar plannen gesteld te zijn". Deze versie van de feiten wordt door appellante zeker niet betwist. Er kan daarbij een eerste bedenking worden gemaakt, namelijk dat de slordigheden in het werk van appellante, welke niet pas op 20 november 1998 konden worden vastgesteld, doch reeds bij de evaluatie aan bod kwam, derhalve begin oktober
  3. Blijkbaar of mogelijkerwijze heeft de werkgever, geconfronteerd zijnde met een ziekenhuisopname van beroepene, er wel graten in gevonden dat de loonsadministratie plots maar door één persoon moest worden verzorgd, mevrouw Timmermans, met werkoverlast als gevolg en dat beroepster een bepaald paswoord, onmisbaar bij computermatige verwerking van de administratieve aangelegenheden, niet aan de heer Inglese niet aan hem wenste door te geven; uiteindelijk werd zulks wel gedaan door beroepster doch dan wel aan de loonsadministratie en zulks op 13 december
  4. De werkgever merkt op dat, alhoewel de bewijslast van het rechtsmisbruik niet aan beroepene toekomt, de emotionele toestand van appellante, haar ongepaste reactie op de vraag naar mededeling van het paswoord, met administratieve problemen op het werk als gevolg, beroepene heeft doen inzien dat de professionele samenwerkingsmogelijkheid zodanig daardoor werd gehypotheceerd dat zulks een onmiddellijk ontslag wettigde. Dit verweer is aanvaardbaar voorzover het enkel dient om de onrechtmatigheid van het ontslag, waarop de vordering wegens rechtsmisbruik in het algemeen te weerleggen, of alleszins wordt hierbij aangetoond dat er motieven van organisatorische aard kunnen geweest zijn om het ontslag te wettigen. De uitlating van de heer I dat hij op zeker ogenblik, toen hij al geconfronteerd was met beroepsters zwangerschapsproblemen, waaraan slechts een gepaste oplossing werd gegeven na afloop van de proefperiode (van de arbeidsovereenkomst uiteraard) en dat hij dan maar de hete appel (taalkundig wordt zeker "zure" appel bedoeld) heeft doorgebeten om latere problemen te vermijden, is zeker niet bewijskrachtig om daardoor aan te tonen dat het ontslag dient gezocht in de desorganisatie van het werk. Het bewijsaanbod welke appellante in dit verband debiteert is nutteloos. Het Hof aanvaardt die uitspraak van de heer I als zijnde effectief voorgevallen, doch de bewijswaarde ervan dient enkel voor de interpretatie ervan en de gebondenheid aan een bepaalde toestand. Beroepster bekwam een verbrekingsvergoeding van drie maanden loon. Zij bewijst niet dat zij door het ontslag een schade heeft opgelopen welk het quantum van deze verbrekingsvergoeding overschrijdt of welk onderscheiden zou zijn van deze laatste vergoeding. Appellante heeft strafklacht neergelegd lastens de heer I wegens belediging door woorden en daden en wegens belaging. Deze klacht werd door het bevoegd Parket zonder gevolg gerangschikt wegens gebrek aan bewijs van het strafwaardig karakter ervan. Een bijzondere schade heeft appellante ook niet geleden doordat de heer I zich op ongepaste wijze zou hebben gemoeid met de IVF-poging of eigen gereid zou zijn opgetreden in de zwangerschapsproblematiek van beroepster. De vordering inzake willekeurig ontslag, waarvan het bestaan en de omvang dient aangetoond daar beroepster en voorzover dit door haar moet worden bewezen, is ongegrond. Het eerste vonnis dient op dit punt te worden bevestigd. B. De vordering gestoeld op de moederschapsbescherming. Artikel 40 van de Arbeidswet van 16 maart 1971 bepaalt: "De werkgever die een zwangere werkneemster tewerkstelt, mag geen handeling stellen die ertoe strekt eenzijdig een einde te maken aan de dienstbetrekking vanaf het ogenblik waarop hij werd ingelicht omtrent de zwangerschap tot een maand na het einde van de postnatale rustperiode, behalve om redenen die vreemd zijn aan de lichamelijke toestand als gevolg van de zwangerschap of van de bevalling. De werkgever dient te bewijzen dat zulke redenen voorhanden zijn (op verzoek van de werkneemster stelt de werkgever haar er schriftelijk van in kennis) "Zo de ingeroepen reden tot staving van het ontslag niet beantwoordt aan het bepaalde in het eerste lid of bij ontstentenis van reden, zal de werkgever aan de werkneemster een forfaitaire vergoeding betalen welk gelijk is aan het brutoloon voor zes maanden onverminderd de vergoedingen aan de werkneemster verschuldigd in geval van verbreking van de arbeidsovereenkomst". Beroepster steunt een bijkomende vordering, in ondergeschikte orde, op gezegde moederschapsbescherming. Beroepene partij roept niet in dat deze vordering, in de loop van de procedure van eerste aanleg niet aangemeld met de inleidende dagvaarding doch wel met latere conclusies, verjaard zou zijn ingevolge de toepassing van artikel 15 van de Arbeidsongevallenwet. Overigens betreft het ook een vordering gesteund op rechtsmisbruik welke geconcretiseerd wordt in een eis op grond van de moederschapsbescherming, hetgeen betekent dat deze en gewijzigde vordering virtueel begrepen is in de oorspronkelijke eis, gestoeld op rechtsmisbruik in het algemeen; alleszins berust deze uitgebreide of gewijzigde vordering op feiten en/of handelingen welke in het exploot van rechtsingang zijn vermeld, zodat deze ontvankelijk is (zie art. 807 Ger.w.; Cas. 11 mei 1990, Bull. 1990, 1047). De feiten moeten thans worden beoordeeld in functie van een nieuwe en andere benadering, namelijk dient nagegaan of er vooreerst sprake is van enige moederschapsbescherming en vervolgens of de werkgever al dan niet zich heeft laten leiden door de aanstaande of aanwezige moederschap om zich te ontdoen van de daarmee samenhangende ongemakken voor de werkneemster en daarbij de belangen van de economische activiteit van het bedrijf laat prevaleren op de particuliere omstandigheden van de werkneemster. Nog anders uitgedrukt, moet worden onderzocht of de zwangerschap de werkgever ertoe heeft bewogen toekomstige, met het moederschap samenhangende implicaties op de functionele werking van betrokken in haar arbeidsmogelijkheden, te vermijden! Beroepene ontkent niet dat appellante reeds vanaf september 1998 de werkgever had ingelicht omtrent haar probleem om zwanger te geraken. Het was algemeen geweten in het bedrijf dat beroepster via IVF zou trachten een kind te krijgen, daar zulks met de gebruikelijke en daartoe geëigende methode niet mogelijk blijkt te zijn. De in-vitrofertilisatie vergt uiteraard een nauwkeurige opvolging van de lichaamstoestand en onderzoek naar de functionaliteit van die organen en middelen welke voor de voortplanting zorgen. Deze kuur wordt opgestart met een hormonenbehandeling, de schommelingen in de lichaamstemperatuur wordt nauwkeurig nagegaan om het ideale ogenblik van de inplanting van de eicel mogelijk te maken. Ook een optimaal behandelingsklimaat wordt nagestreefd en alle omstandigheden positief bewerkt om de meeste waarborg te bekomen op een goed resultaat. Vanaf november 1998 was appellante met de hormonenkuur begonnen; beroepene was daarvan op de hoogte, gezien de heer I zelf toegeeft de problematiek met appellante te hebben besproken en appellante aangepaste werkuren bekwam, op de voorwaarde dat zij voltijdse arbeid zou leveren. Op 8 december 1998 heeft appellante dan gefaxt dat zij zou worden opgenomen in het ziekenhuis en arbeidsongeschikt zou blijven tot het einde van het jaar. Uit de verklaringen van de heer I en mevrouw T blijkt dat deze afwezigheid zowel voor de werkgever als wel de medewerker T zeer ongelegen kwam daar de loon- en weddeadministratie volledig bemand moest zijn om alle eindejaarsgegevens te verwerken. Beroepene houdt voor dat de werkgever zich uiteindelijk wel bij die situatie kan bevinden doch dat er telefonisch contact met appellante noodzakelijk was in verband met het terugvinden van werkgegevens. Beroepster heeft evenwel die telefonische naspeuringen als zeer storend, zelf beledigend ervaren; deze zouden ongepast zijn en een zeker misprijzen inhouden voor de persoonlijke moeilijkheden waaraan zij een oplossing wilde bieden; deze bemoeiingen zouden bovendien onkies geweest zijn en erg storend bij een poging om op kunstmatige wijze in verwachting te geraken en te blijven, daar de medische procedure daartoe, de technische ingreep en de innesteling van de bevruchte eicel een volkomen rust vergt, ontdaan van enige stresserende gewaarwordingen. Ware het niet dat de persoonlijke intense opzet van appellante om in verwachting te geraken een zulkdanige intrieste en rauwe werkelijkheid moet markeren, konden wel ......... beschouwingen worden gewijd aan de verschillen tussen methodes om voor voortplanting te zorgen. Dit Hof heeft evenwel alle respect voor de inzet van appellante om haar liefde voor haar echtgenoot en voor zich zelf concrete vorm te geven. Beroepene wist, of moest weten dat appellante zich op 8 december 1998 had laten opnemen in een ziekenhuis met het oog op die kunstmatige bevruchting. Deze hospitalisatie hing als het ware in de lucht, was op elk ogenblik te verwachten. Het is immers zo dat, wanneer de voor kunstmatige bevruchting, ziekenhuisopname vergt, de vrouw welke een dergelijk lichamelijk project opstart, ook zeker aan deze opname niet wil verzaken. Appellante heeft ook duidelijk te kennen gegeven dat zij bij de voortzetting van die kuur niet wilde gestoord worden; zij hield de locatie van het ziekenhuis geheim, het ziekenhuispersoneel mocht de telefoon niet doorschakelen en uiteindelijk moest het gesprek maar met haar echtgenoot worden gevoerd of zocht beroepster op 13 december 1998 zelf contact met de loonadministratie van beroepene. Uit de verklaringen van alle betrokkenen kan worden besloten dat beroepene op 14 december 1998 wist of moest weten dat er bij appellante op 8 december 1998 of alleszins ten laatste op 13 december 1998 een inplanting van een bevruchte eicel in haar baarmoeder was gebeurd. De regelgeving inzake moederschapsbescherming beoogt uiteraard niet het moederschap te bevorderen, doch wel het recht op arbeid en arbeidsbetrekking van een personeelslid van het vrouwelijk geslacht te waarborgen, hetgeen zich veruiterlijkt in het weren van elke discriminatie tussen man en vrouw, ook bij eventuele zwangerschap van het vrouwelijk personeelslid. De inhoud van deze regelgeving heeft zich nog niet aangepast aan de evolutie van de moderne medische wetenschap inzake fertilisatie, gezien anno 1971 er nog geen sprake was van I.V.F. Het zijn evenwel de bijzondere problemen welke een zwangerschap oproepen, te weten zekere ongemakken, afwezigheid uit de onderneming, welke tot de wettelijke bescherming heeft geleid. In het onderhavig geval concretiseren zich deze problemen voornamelijk in de pogingen van beroepster om in verwachting te geraken; immers zou appellante wanneer de eerste poging mislukt zou zijn, haar initiatief zo spoedig als mogelijk hernemen. Beroepene had begrip moeten opbrengen van die particuliere toestand van appellante. In vergelijking met beroepsters moeilijkheden omtrent en gestaag streven naar moederschap, zijn de bedoelingen om onmiddellijk de beschikking te krijgen over een bepaald paswoord, zeker misplaatst te noemen. Bovendien heeft beroepene aangetoond dat, eenmaal in het bezit zijnde van de haar ontbrekende werkgegevens, zij in de toekomst niet meer wenste geconfronteerd te worden met de plotselinge personeelsuitval, tenminste indien die eerste poging zou zijn mislukt. Anders uitgedrukt, heeft beroepene te kennen gegeven dat zij geen bezwaren heeft tegen vrouwelijk personeel welk op de natuurlijke wijze wordt bezwangerd, doch dat er in de toekomst met appellante wel problemen konden rijzen bij toekomstige infertilisatiepogingen. Het is in die zin dat de uitlating "de hete appel" (of zure appel) dient begrepen. Beroepene heeft blijk gegeven van een volledige ontkenning of verkeerde inschatting van alle ideale leef- en ervaringsomstandigheden welke voor een I.V.F. aan de hopende toekomstige moeder als essentieel moeten worden beschouwd. De moederschapsbeschermingswetgeving verzet zich daartegen. Het is niet noodzakelijk, om van de wettelijke moederschapsbescherming te genieten, dat de werkneemster ook effectief zwanger zou zijn geweest en het haar werkgever zou hebben ter kennis gebracht. De particuliere situatie toont aan dat het aan de werkgever wordt verweten dat hij, kennis hebbende van een poging tot invitrofertilisatie, en wetende dat zulks in de toekomst nog zou kunnen gebeuren, alle problemen in verband met een zwangerschap of pogingen daartoe, wilde vermijden. Naar oordeel van het Hof heeft beroepene een inbreuk gepleegd op artikel 40 van de Arbeidswet van 16 maart
  5. Appellante dient geen schade te bewijzen en beroepene bewijst niet of kan niet bewijzen - gelet op alle voorliggende dossiergegevens - dat het ontslag geen uitstaans heeft met de te verwachten zwangerschap. Het beroep is in die zin gegrond. Gelet op de bovenstaande motivering en oordeel is er uiteraard geen sprake van het voeren van een tergende en roekeloze beroepsprocedure. Het incidenteel beroep is ongegrond. O P D I E G R O N D E N: Het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, Tweede kamer. Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Na beraadslaging, recht doende op tegenspraak. Ontvangt het hoger beroep en verklaart het deels gegrond, ontvangt het incidenteel beroep en wijst dit af als ongegrond. Bevestigt het bestreden vonnis voorzover het oordeelde dat de gewone vordering inzake rechtsmisbruik als ongegrond diende te worden afgewezen en dat er geen sprake is van een tergende en roekeloze procedure. Opnieuw rechtdoende, verklaart de eis inzake een schadeborgstelling wegens inbreuk op de moederschapsbescherming ontvankelijk en gegrond. Veroordeelt beroepene tot betaling aan appellante de som van 10.459,87 EUR aan schadevergoeding op grond van artikel 40 van de wet van 16 maart 1971, te vermeerderen met de wettelijke rente op het netto opeisbaar bedrag. Verwijst beroepene in de kosten van de beide aanleggen, voor appellante vereffend op 90,56 EUR kosten dagvaarding. Aldus gewezen en uitgesproken door de Tweede Kamer van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, zitting houdend te Hasselt in openbare terechtzitting van vijfentwintig juni tweeduizend en vier, waar aanwezig waren: Dhr. L. COOLS, Kamervoorzitter, Dhr. R. GIJBELS, Raadsheer in sociale zaken, werkgever, Dhr. J. VAN HOUT, Raadsheer in sociale zaken, werknemer-bediende, Dhr. E. NOBEN, e.a. adjunct-griffier. PDF document ECLI:BE:AHANT:2004:ARR.20040625.15 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.