← België

ECLI:BE:AHANT:2004:ARR.20040630.21

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 30 juni 2004 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2004:ARR.20040630.21 Rolnummer: 1999-1062 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-03-17 Raadplegingen: 101 - laatst gezien 2026-07-01 00:42 Fiches 1 - 2 De afgifte van een cheque aan de schuldeiser kan niet beschouwd worden als een betaling, zolang de schuldeiser niet effectief over het bedrag van zijn schuldvordering kan beschikken. De afgifte zelf van de cheque heeft geen bevrijdende werking.. Bij verlies van een bankcheque door de postdiensten draagt de R.J.V. de bewijslast inzake de betaling. De vordering in tussenkomst en vrijwaring welke voor het eerst in graad van hoger beroep wordt ingesteld is onontvankelijk. Voor zover die vordering strekt tot gemeen verklaring van het arrest is ze wel toelaatbaar. De Wet van 11 april 1995 tot invoering van het handvest van de sociaal verzekerde is van toepassing op de jaarlijkse vakantiebijdragen. Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP-RECHT-WETGEVING . BURGERLIJK WETBOEK jaarlijkse vakantie - verlies bankcheque - betaling - aansprakelijkheid - gerechtelijk privaatrecht hoger beroep - vordering in tussenkomst en vrijwaring - onontvankelijk - Handvest van de sociaal verzekerde - intrest van rechtswege. Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - 1235 - 33 ELI link Pub nr 1804032153 Vrije woorden: HANDVEST VAN DE SOCIAAL VERZEKERDE jaarlijkse vakantie - verlies bankcheque - betaling - aansprakelijkheid - gerechtelijk privaatrecht hoger beroep - vordering in tussenkomst en vrijwaring - onontvankelijk - intrest van rechtswege. Wettelijke bepalingen: Wet - 11-04-1995 - 20 - 44 ELI link Pub nr 1995022286 Nota: Gerangschikt onder I B - artikel 1235 en onder XV - artikel

  1. Annotaties Publicaties: JOURNAL DES TRIBUNAUX DU TRAVAIL - - 2005(00928,P.422-423) Tekst van de beslissing Vierde kamer Eindarrest op tegenspraak Jaarlijkse vakantie ARBEIDSHOF TE ANTWERPEN Afdeling Antwerpen ARREST A.R. 991062 BUITENGEWONE OPENBARE TERECHTZITTING VAN DERTIG JUNI TWEEDUIZEND EN VIER In de zaak van: de RIJKSDIENST VOOR JAARLIJKSE VAKANTIE, openbare instelling, met zetel gevestigd te 1050 Brussel, Elyzeese Veldenstraat 12, appellant, geïntimeerde op incidenteel beroep, voor wie verschijnt: mr. J. V. loco mr. S. F., advocaat te Brussel, tegen : de heer P. T., geïntimeerde, appellant op incidenteel beroep, voor wie verschijnt: mr. A. V. loco mr. L. L., advocaat te Antwerpen, en DE POST, N.V., met maatschappelijke zetel gevestigd te 1000 Brussel, Muntcentrum, gedaagde in tussenkomst en gemeenverklaring, voor wie verschijnt: mr. W. V. loco mr. J. C., advocaat te Antwerpen. Na over de zaak te hebben beraadslaagd, heeft de vierde kamer van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, het volgende arrest uitgesproken. Gelet op de zittingsbladen van 12 januari 2000, 3 mei 2000, 18 april 2001, 1 april 2004 en van 6 mei
  2. Rekening houdende met de stukken van de rechtspleging, waaronder: x het eensluidend verklaarde afschrift van het vonnis, op 25 oktober 1999 uitgesproken door de zevende kamer van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen, bij gerechtsbrief overeenkomstig artikel 792, tweede lid, Ger. W., aan de Rijksdienst voor Jaarlijkse Vakantie ter kennis gebracht op 28 oktober 1999; x het verzoekschrift in hoger beroep, neergelegd ter griffie van dit Hof op 22 november 1999 en ter kennis gebracht overeenkomstig artikel 1056 Ger. W. op 23 november 1999; x de conclusies voor P. T., ontvangen ter griffie van dit Hof op 10 januari 2000; x de dagvaarding in "verklaring van gemeenschappelijk arrest", per aangetekende post ontvangen ter griffie van dit Hof op 18 april 2000; x de conclusies voor de De Post, N.V., neergelegd ter griffie van dit Hof op 15 december 2000; x de conclusies voor de Rijksdienst voor Jaarlijkse Vakantie, neergelegd ter griffie van dit Hof op 12 januari 2001; x de conclusies voor de Rijksdienst voor Jaarlijkse Vakantie, neergelegd ter griffie van dit Hof op 15 januari 2001; x de aanvullende conclusies voor P. T., ontvangen ter griffie van dit Hof op 22 februari 2001; x de aanvullende conclusies voor De Post, N.V., neergelegd ter griffie van dit Hof op 14 november 2003; x de conclusies voor de Rijksdienst voor Jaarlijkse Vakantie, ontvangen ter griffie van dit Hof op 29 december 2003; x de syntheseconclusies voor P. T., ontvangen ter griffie van dit Hof op 9 januari 2004; x het afschrift van het schriftelijk advies van het Openbaar Ministerie, gelezen en neergelegd ter zitting van 6 mei 2004, bij gerechtsbrief overeenkomstig artikel 767, ,§3, eerste lid, Ger. W., aan partijen ter kennis gebracht op 7 mei 2004; x de stukken van het administratief dossier; x de stukken in het naar behoren geïnventariseerde dossier van de Rijksdienst voor Jaarlijkse Vakantie en P. T. Partijen werden gehoord op de openbare terechtzitting van 1 april
  3. Ontvankelijkheid Met een verzoekschrift, neergelegd ter griffie van dit Hof op 22 november 1999, tekende de Rijksdienst voor Jaarlijkse Vakantie hoger beroep aan tegen een vonnis van 25 oktober 1999 (A.R. 295.352) van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen. Het vonnis werd aan de Rijksdienst voor Jaarlijkse Vakantie ter kennis gebracht overeenkomstig artikel 792, tweede lid, Ger. W., bij gerechtsbrief op 28 oktober
  4. Het hoger beroep werd tijdig ingesteld, is regelmatig naar de vorm en ontvankelijk. Bij conclusies van 10 januari 2000 stelt P. T. incidenteel beroep in. Dit incidenteel beroep is ontvankelijk.
  5. Feiten en voorafgaande procedure Op 28 april 1997 heeft de Rijksdienst voor Jaarlijkse Vakantie een circulaire cheque op naam van P. T. uitgeschreven, nummer ..., voor een bedrag van 94.656 ex BEF (2 346,46 EUR), overeenstemmende met het vakantiegeld voor het jaar
  6. De Rijksdienst voor Jaarlijkse Vakantie heeft die cheque op 2 mei 1997 verstuurd. Op 7 mei 1997 werd de cheque geïnd in een kantoor van het Gemeentekrediet te G. Op de keerzijde van de cheque werd de vermelding ... aangebracht. P. T. verklaart dat hij de cheque nooit ontvangen heeft. Op 21 mei 1997 legt hij klacht neer bij de politie van B. (...), welke aan het parket werd overgemaakt. Op 22 mei 1997 schrijft De Post, N.V., aan P. T.: "In antwoord op uw telefonisch verzoek, bevestig ik hierbij dat op 5 mei jl. een postzak ontvreemd werd. Deze postzak kon briefwisseling bevatten geadresseerd aan het ...." Bij dagvaarding van 13 november 1997 dagvaart P. T. de Rijksdienst voor Jaarlijkse Vakantie voor de Arbeidsrechtbank te Antwerpen, waarbij hij de veroordeling van de Rijksdienst voor Jaarlijkse Vakantie vraagt om aan hem het bedrag van 94.656 ex BEF (2 346,46 EUR) te betalen, te vermeerderen met de intresten, de gerechtelijke intresten en de kosten.
  7. Het bestreden vonnis De eerste rechter veroordeelde bij vonnis van 25 oktober 1999, ter kennis gebracht op 28 oktober 1999, de Rijksdienst voor Jaarlijkse Vakantie om P. T. het gevorderde vakantiegeld effectief te betalen, vermeerderd enkel met de gerechtelijke intresten vanaf 13 november 1997; de vordering van R. P. (ook gedupeerde), die vrijwillig was tussengekomen, werd niet toelaatbaar verklaard bij gebrek aan belang; de kosten werden, overeenkomstig artikel 1017, tweede lid, Ger. W., ten laste van de Rijksdienst voor Jaarlijkse Vakantie gelegd.
  8. Eisen in hoger beroep De Rijksdienst voor Jaarlijkse Vakantie, die in hoger beroep komt op 22 november 1999 en bij dagvaarding van 13 april 2000 De Post, N.V., dwingt tussen te komen in de procedure, met het verzoek het tussen te komen arrest tegenstelbaar te verklaren, verwijst in deze vordering naar de toepassing van artikel 2 van de wet van 17 mei 1920, waaruit zou blijken dat hij niet verplicht is het vakantiegeld opnieuw te betalen; subsidiair verwijst hij naar artikel 1240 B.W. De Rijksdienst voor Jaarlijkse Vakantie vordert het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren, het vonnis a quo te vernietigen en, opnieuw beslissend, voor recht te zeggen dat het arrest ook geldt voor De Post, N.V., en, in hoofdorde, de oorspronkelijke vordering ongegrond te verklaren en P. T. te veroordelen tot de kosten; in ondergeschikte orde, De Post, N.V., te veroordelen tot het waarborgen van de Rijksdienst voor Jaarlijkse Vakantie van elke veroordeling die te zijnen laste zou kunnen uitgesproken worden, minstens De Post, N.V., te veroordelen tot terugbetaling van de sommen waartoe hij zou kunnen veroordeeld worden jegens P. T., alsook tot betaling van de intresten en de kosten; tevens aan het Europese Hof van Justitie en het Arbitragehof prejudiciële vragen te stellen. P. T., die incidenteel beroep instelt dat ertoe strekt het bedrag aan nog te betalen vakantiegeld ook te horen vermeerderen met de wettelijke intresten, vanaf 28 april 1997, vordert met toepassing van artikel 20 van de wet van 11 april 1995 tot invoering van het Handvest van de sociaal verzekerde toekenning van de intresten vanaf de opeisbaarheid van de sociale prestaties; hij vordert de Rijksdienst voor Jaarlijkse Vakantie tevens te veroordelen tot de kosten. De Post, N.V., vraagt de vordering van de Rijksdienst voor Jaarlijkse Vakantie lastens haar ontoelaatbaar, minstens ongegrond te verklaren, het verzoek van de Rijksdienst om prejudiciële vragen te stellen af te wijzen en hem te veroordelen tot de kosten.
  9. Ten gronde HET HOOFDBEROEP Partijen betwisten niet dat de vakantiecheque ter waarde van 2 346,46 EUR aan P. T. nooit werd afgegeven door de diensten van De Post, N.V., noch dat deze cheque bij het toenmalige Gemeentekrediet werd geïnd door een onbekend gebleven derde, die daarbij gebruik maakte van een vervalst identiteitsbewijs. Het Openbaar Ministerie wijst er terecht op dat de afgifte van een cheque aan de schuldeiser niet kan worden beschouwd als een betaling, zolang deze schuldeiser niet effectief over het bedrag van zijn schuldvordering kan beschikken. De afgifte zelf van de cheque heeft geen bevrijdende werking (zie de cassatierechtspraak, die het Openbaar Ministerie citeert bij voetnoot 1 op blz. 3 van zijn schriftelijk advies). In casu is zelfs niet bewezen dat de kwestieuze cheque aan P. T. werd afgegeven, zodat de Rijksdienst voor Jaarlijkse Vakantie bezwaarlijk kan volhouden dat hij bevrijd zou zijn van zijn verplichting tot betalen aan P. T. De Rijksdienst voor Jaarlijkse Vakantie beroept zich vruchteloos op de toepassing van de wet van 17 mei 1920 betreffende de betalingen uitgevoerd door de publieke administraties met tussenkomst van de diensten van de Postcheque. Deze wetgeving regelt enkel de uitbetaling per postassignatie. In casu echter was de vakantiecheque getrokken op de N.V. Gemeentekrediet, een bank. Het betrof met andere woorden een bankcheque en geen postassignatie. De wet van 17 mei 1920 is hierop niet van toepassing. Het feit dat de werknemer opteert voor de uitbetaling van zijn vakantiegeld via circulaire cheque impliceert niet dat hij het risico draagt van zodra de vakantiekas of de Rijksdienst voor Jaarlijkse Vakantie deze circulaire cheque aan de post heeft bezorgd. (zie: Arbrb. Brussel, 30 maart 1987, J.T.T., 1987, 391). Ook beroept de Rijksdienst voor Jaarlijkse Vakantie zich tevergeefs op de toepassing van artikel 1240 B.W. Dit artikel is immers enkel van toepassing wanneer reeds een betaling heeft plaatsgevonden. In casu is er niet alleen geen betaling geweest, er is zelfs geen afgifte van enige cheque bewezen. Het hoofdberoep is ongegrond. Het Openbaar Ministerie merkt terecht op dat inmiddels de Rijksdienst voor Jaarlijkse Vakantie het vonnis van de eerste rechter onder voorbehoud van zijn rechten heeft uitgevoerd. HET INCIDENTEEL BEROEP Het incidenteel beroep heeft betrekking op de door de eerste rechter toegekende intresten. De eerste rechter was van oordeel dat er enkel verwijlintresten verschuldigd konden zijn (artikel 1153 B.W.). Omdat er naar het oordeel van de eerste rechter geen tijdige aanmaning was gestuurd door of namens P. T., kende hij enkel de gerechtelijke intresten toe. P. T. echter meent aanspraak te kunnen maken op wettelijke intresten vanaf 28 april
  10. De Wet van 11 april 1995 tot invoering van het handvest van de sociaal verzekerde is van toepassing op de jaarlijkse vakantie-uitkeringen. Immers artikel 2, 1°, van deze wet verwijst (om te weten wat moet worden begrepen onder 'sociale zekerheid') naar alle regelingen welke zijn opgesomd in artikel 21 van de Wet van 29 juni 1981, houdende algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers. Het betreft hier zeven regelingen, waaronder deze van de jaarlijkse vakantie. Artikel 20 van de Wet van 11 april 1995 voornoemd bepaalt dat, onverminderd gunstiger wettelijke of reglementaire bepalingen, de prestaties enkel voor de rechthebbenden, sociaal verzekerden, van rechtswege intrest opbrengen vanaf hun opeisbaarheid, en op zijn vroegst vanaf de datum voortvloeiende uit artikel 12 van de wet. De circulaire cheque met het vakantiegeld 1997 draagt als datum 28 april
  11. Het is duidelijk dat vanaf deze datum het vakantiegeld opeisbaar was. Met toepassing van artikel 20 van de Wet van 11 april 1995 voornoemd heeft P. T. bijgevolg recht op de wettelijke intresten vanaf 28 april
  12. DE VORDERING IN TUSSENKOMST Bij dagvaarding van 13 april 2000 dagvaardt de Rijksdienst voor Jaarlijkse Vakantie De Post, N.V. Volgens de termen van deze dagvaarding strekt deze vordering tot gedwongen tussenkomst van De Post, N.V., in het geschil tussen de Rijksdienst voor Jaarlijkse Vakantie en P. T. om te horen zeggen dat het tussen te komen arrest in dit geschil aan De Post, N.V., tegenstelbaar zal zijn. Volgens de termen van de laatste conclusies van de Rijksdienst voor Jaarlijkse Vakantie van 29 december 2003 strekt zijn vordering ten aanzien van De Post, N.V., ertoe deze te horen veroordelen tot het waarborgen (bedoeld is allicht het vrijwaren) van de Rijksdienst voor Jaarlijkse Vakantie tegen elke veroordeling die te zijnen laste zou uitgesproken worden in het voordeel van P. T. Desgevallend prejudiciële vragen te stellen aan Het Hof van Justitie en aan het Arbitragehof. De Rijksdienst voor Jaarlijkse Vakantie heeft het voorwerp van zijn vordering in tussenkomst aldus gewijzigd, minstens uitgebreid. De Post, N.V., vraagt dat de aldus tegen haar ingestelde vordering in eerste instantie ontoelaatbaar zou worden verklaard. Met toepassing van artikel 812, tweede lid, Ger. W., kan de tussenkomst tot het verkrijgen van een veroordeling niet voor de eerste maal plaats vinden in hoger beroep. Een vordering die tot voorwerp heeft de vrijwaring te doen uitspreken, is een vordering die strekt tot het verkrijgen van een veroordeling. Zij kan niet voor de eerste maal worden ingesteld in hoger beroep. (zie Cass., 24 november 1972, R.W. 1972-73, 1761). Bij zoverre de vordering in tussenkomst ertoe strekt De Post, N.V., te horen veroordelen om de Rijksdienst voor Jaarlijkse Vakantie te vrijwaren, is ze onontvankelijk. Bij zoverre de vordering in tussenkomst ertoe strekt het tussen te komen arrest gemeen te horen verklaren aan De Post, N.V., is ze wél toelaatbaar. Ze heeft immers enkel tot doel te beletten dat De Post, N.V., in een afzonderlijke procedure waarmee ze geconfronteerd zou worden, zou opwerpen dat huidige beslissing haar niet tegenstelbaar is. Ze is conservatoir van karakter. Het volstaat dat deze mogelijkheid zich voordoet opdat de Rijksdienst voor Jaarlijkse Vakantie over een voldoende belang zou beschikken om de vordering in gemeenverklaring in te stellen. Het Hof kan niet verder gaan dan deze gemeenverklaring. Over de betwisting tussen de Rijksdienst voor Jaarlijkse Vakantie en De Post, N.V., kan het Hof geen uitspraak doen. (zie o.a. Cass., 25 november 1996, Arr.Cass., 1996, 1081). Dit heeft voor gevolg dat de hele betwisting tussen de Rijksdienst voor Jaarlijkse Vakantie en De Post, N.V., inclusief de vordering tot het stellen van prejudiciële vragen, hier niet aan de orde is. De vordering in tussenkomst is enkel gegrond in de mate dat ze ertoe strekt het huidige arrest tegenstelbaar of gemeen te horen verklaren aan De Post, N.V. Voor het overige is deze vordering onontvankelijk. Op die gronden, Het Hof, Heeft kennis genomen van het eensluidend schriftelijke advies, uitgebracht door de heer F. SLACHMUYLDERS, substituut-generaal, op de openbare terechtzitting van 6 mei
  13. Houdt rekening met de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken. Doet uitspraak op tegenspraak. Verklaart het hoofdberoep ontvankelijk, doch ongegrond. Wijst de Rijksdienst voor Jaarlijkse Vakantie ervan af en bevestigt het vonnis van 25 oktober 1999 (A.R. 295.352) van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen, behalve wat de toekenning van de intresten betreft. Verklaart het incidenteel beroep ontvankelijk en gegrond. Vernietigt het vonnis van 25 oktober 1999 (A.R. 295.352) van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen, bij zoverre het de Rijksdienst voor Jaarlijkse Vakantie slechts veroordeelde tot betaling van de gerechtelijke intresten vanaf 13 november
  14. Opnieuw wijzende: bevestigt de veroordeling van de Rijksdienst voor Jaarlijkse Vakantie om aan P. T. te betalen, het vakantiegeld 1997, zijnde thans tweeduizend driehonderd zesenveertig euro zesenveertig cent (2 346,46 EUR), te vermeerderen met de wettelijke intresten vanaf 28 april 1997 en de gerechtelijke intresten. Verklaart de vordering in gedwongen tussenkomst, ingesteld bij dagvaarding van 13 april 2000, enkel ontvankelijk en gegrond bij zoverre ze ertoe strekt huidig arrest tegenstelbaar te horen verklaren aan De Post, N.V. Verklaart derhalve dit arrest tegenstelbaar aan De Post, N.V. Wijst het overige van de vordering in tussenkomst af als onontvankelijk. Legt de kosten van de procedure in hoger beroep, overeenkomstig artikel 1017, tweede lid, Ger. W., ten laste van de Rijksdienst voor Jaarlijkse Vakantie, door P. T. begroot op 136,85 EUR rechtsplegingsvergoeding en aan de zijde van De Post, N.V., begroot op 273,67 EUR rechtsplegingsvergoeding, en door het Hof voor elk van deze partijen vereffend op 136,84 EUR rechtsplegingsvergoeding. Aldus gewezen en uitgesproken door de vierde kamer van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, in buitengewone openbare terechtzitting op dertig juni tweeduizend en vier. Het Hof bestond uit: de heer J. VERHAVERT, raadsheer, wnd. voorzitter, mevrouw R. DOCX, raadsheer in sociale zaken als werkgever, de heer R. DE SCHUTTER, raadsheer in sociale zaken als werknemer, de heer R. SMETS, griffier. PDF document ECLI:BE:AHANT:2004:ARR.20040630.21 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.