← België

ECLI:BE:AHANT:2004:ARR.20040909.20

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 09 september 2004 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2004:ARR.20040909.20 Rolnummer: 1997-0928 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2005-05-02 Raadplegingen: 260 - laatst gezien 2026-07-04 05:12 Fiches 1 - 3 De dagvaarding in gemeen verklaring van het tussen te komen vonnis kan in het kader van artikel 2444 B.W. geen stuiting van de verjaring inhouden. De inleidende akte stuit daarenboven enkel de verjaring van de vordering die zij inleidt. Deze stuiting strekt zich wel uit tot de vorderingen die virtueel begrepen zijn in de oorspronkelijke vordering, maar kan geen effect hebben op vorderingen met een ander voorwerp dan datgene dat in de dagvaarding of aanmaning tot betaling wordt omschreven. Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP-RECHT-WETGEVING . BURGERLIJK WETBOEK Ziekte- en invaliditeitsverzekering - terugvordering - verjaring - stuiting en schorsing - dagvaarding in gemeen verklaring - voorwerp van de vordering. Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - 2444 - 33 ELI link Pub nr 1804032153 Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID VOOR WERKNEMERS . ZIEKTE- EN INVALIDITEITSVERZEKERING terugvordering - verjaring - stuiting en schorsing - dagvaarding in gemeen verklaring - voorwerp van de vordering. Wettelijke bepalingen: Wet - 09-08-1963 - 106§1 - 01 ELI link Pub nr 1963080914 Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID VOOR WERKNEMERS . ZIEKTE- EN INVALIDITEITSVERZEKERING Ziekte- en invaliditeitsverzekering - terugvordering - verjaring - stuiting en schorsing - dagvaarding in gemeen verklaring - voorwerp van de vordering. Wettelijke bepalingen: Gecoordineerde Wetten - 14-07-1994 - 174,5° - 38 ELI link Pub nr 1994071451 Nota: Gerangschikt onder I B - artikel 2444, onder VII D - artikel 106 ,§ 1 en VII DN - artikel 174, 5°. Tekst van de beslissing Vierde kamer Tussenarrest op tegenspraak (heropening der debatten) Ziekteverzekering ARBEIDSHOF TE ANTWERPEN Afdeling Antwerpen ARREST A.R. 970928 OPENBARE TERECHTZITTING VAN NEGEN SEPTEMBER TWEEDUIZEND EN VIER In de zaak: NATIONAAL VERBOND VAN SOCIALISTISCHE MUTUALITEITEN, met zetel gevestigd te 1000 Brussel, Sint Jansstraat 32/38, appellant, verschijnend bij mr. P. D. loco mr. S. L., advocaat te Brussel, tegen:

  1. F. B., eerste geïntimeerde, verschijnend bij mr. T. D., advocaat te Antwerpen, en
  2. NATIONALE MAATSCHAPPIJ DER BELGISCHE SPOORWEGEN, met zetel gevestigd te 1070 Brussel, Frankrijkstraat 85, tweede geïntimeerde, verschijnend bij mr. K. J., advocaat te Berchem. Het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, na de zaak in beraad te hebben genomen, spreekt in openbare terechtzitting en in de Nederlandse taal het volgend arrest uit. Gelet op de processen-verbaal d.d. 7 januari 1998, 22 januari 1999, 12 april 2002, 25 juni 2002, 10 juni 2003, 13 januari 2004, 2 februari 2004, 7 juni 2004 en 21 juni
  3. Gelet op de stukken van de rechtspleging, onder meer: x het eensluidend verklaarde afschrift van het tussenvonnis van 17 oktober 1997 van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen (A.R. 244.694), aan partijen bij gerechtsbrief ter kennis gebracht op 27 oktober 1997 in toepassing van artikel 792 van het Gerechtelijk Wetboek en ter zetel van huidig appellant aangeboden op 28 oktober 1997; x het verzoekschrift in hoger beroep, per aangetekende post verzonden op 27 november 1997 en ontvangen ter griffie van dit Hof op 28 november 1997; x de conclusie voor tweede geïntimeerde, neergelegd ter griffie van dit Hof op 8 december 1998; x de conclusie voor eerste geïntimeerde, neergelegd ter griffie van dit Hof op 14 december 1998; x de conclusie voor appellant, ontvangen ter griffie van dit Hof op 24 mei 2000; x de aanvullende conclusie voor appellant, ontvangen ter griffie van dit Hof op 29 januari 2001; x de beschikking overeenkomstig artikel 750, ,§2, van het Gerechtelijk Wetboek van de Eerste Voorzitter van dit Hof van 10 augustus 2001; x de aanvullende conclusie voor eerste geïntimeerde, neergelegd ter griffie van dit Hof op 10 oktober 2001; x de tweede conclusie voor tweede geïntimeerde, neergelegd ter griffie van dit Hof op 28 november 2001; x de derde conclusie voor appellant, ontvangen ter griffie van dit Hof op 19 december 2001; x de beschikking overeenkomstig artikel 747, ,§2 van het Gerechtelijk Wetboek van de Eerste Voorzitter van dit Hof van 3 februari 2003; x de tweede aanvullende conclusie voor eerste geïntimeerde, neergelegd ter griffie van dit Hof op 27 februari 2003; x de syntheseconclusie voor tweede geïntimeerde, ontvangen ter griffie van dit Hof op 17 maart 2003; x de syntheseconclusie voor appellant, ontvangen ter griffie van dit Hof op 14 april 2003; x de vervangende syntheseconclusie voor appellant, ontvangen ter griffie van dit Hof op 8 april 2004, die door geïntimeerden werd aanvaard op de openbare terechtzitting van 7 juni 2004 en die bijgevolg door het Hof niet werd geweerd; x het schriftelijk advies van het Openbaar Ministerie, gelezen en neergelegd ter zitting van 21 juni 2004 en aan partijen ter kennis gebracht op 21 juni 2004 in toepassing van artikel 767, ,§3, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek; x de repliek van tweede geïntimeerde, ontvangen ter griffie van dit Hof op 7 juli
  4. De partijen werden gehoord in de uiteenzetting van hun middelen en besluiten op de openbare terechtzitting van 7 juni 2004, waarna de debatten werden gesloten. De heer F. Slachmuylders, Substituut-generaal, gaf voorlezing van zijn schriftelijk advies op de openbare terechtzitting van 21 juni 2004, waarna enkel tweede geïntimeerde schriftelijk repliceerde.
  5. Ontvankelijkheid van het hoger beroep Het vonnis van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen van 17 oktober 1997 werd in overeenstemming met artikel 792, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek per gerechtsbrief van 27 oktober 1997 verzonden aan appellant en op diens zetel aangeboden op 28 oktober
  6. Het verzoekschrift tot hoger beroep van 27 november 1997, aangetekend verzonden op diezelfde datum, werd ter griffie van het Arbeidshof ontvangen op 28 november
  7. Overeenkomstig artikel 1051, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek bedraagt de termijn om hoger beroep in te stellen één maand, te rekenen vanaf de kennisgeving van het vonnis in overeenstemming met artikel 792, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek. Deze termijn van één maand dient berekend te worden vanaf de dag na die van de akte of van de gebeurtenis welke hem doet ingaan en omvat alle dagen (cfr. artikel 52 Gerechtelijk Wetboek). De dag waarop de termijn verstrijkt is in die termijn inbegrepen (cfr. artikel 53 Gerechtelijk Wetboek). Met andere woorden, de "dies a quo" is niet inbegrepen in deze termijn van één maand, de "dies ad quem" wel. Een in maanden bepaalde termijn wordt daarenboven gerekend van de zoveelste tot de dag voor de zoveelste (cfr. artikel 54 Gerechtelijk Wetboek). In een recent arrest van het Arbitragehof van 17 december 2003 (www.arbitrage.be, arrest nr. 170/2003, A.R. nr. 2566) werd vastgesteld met betrekking tot de termijn van hoger beroep ten aanzien van een vonnis dat betekend werd in overeenstemming met artikel 792, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, dat slechts in de interpretatie dat deze termijn ingaat op de datum waarop de gerechtsbrief door de postdiensten ter hand is gesteld aan de geadresseerde in eigen persoon of aan diens woonplaats er geen schending bestaat van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, terwijl in de interpretatie dat diezelfde termijn ingaat op de datum van verzending van de gerechtsbrief, de artikelen 32, 2°, en 46, ,§2, in samenhang gelezen met artikel 792, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet wel schenden. Dit betekent in casu dat ten aanzien van appellant de beroepstermijn liep vanaf 29 oktober 1997 tot en met 28 november
  8. Wanneer het hoger beroep wordt ingesteld in overeenstemming met artikel 1056, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek bij ter post aangetekend verzonden brief die aan de griffie wordt verzonden, is de datum van instelling van het hoger beroep de datum van de toezending van de brief en niet de datum van aanbieding aan de geadresseerde of ontvangst ervan. (Cass. 1 december 1997, J.T.T. 1998, 240). Het verzoekschrift tot hoger beroep werd door appellant regelmatig ingeleid naar termijn en vorm, zodat het ontvankelijk dient verklaard te worden.
  9. De devolutieve werking van het hoger beroep Het Hof kan de zaak in haar geheel aan zich trekken in toepassing van artikel 1068 van het Gerechtelijk Wetboek. Het bestreden tussenvonnis van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen van 17 oktober 1997 (A.R. 244.684), waarbij de debatten ambtshalve werden heropend alvorens te beslissen over de ontvankelijkheid van de hoofdvordering, betreft immers geen onderzoeksmaatregel, zodat artikel 1068, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek niet van toepassing is en geen verwijzing naar de eerste rechter kan geschieden.
  10. Feiten en voorgaanden Feiten: F. B. werd op 30 augustus 1971 door de NMBS aangeworven met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde duur als rangeerder. Vanaf 13 september 1971 was hij statutair NMBS-bediende. F. B. werd bij geneeskundige beslissing van 6 juli 1973 definitief en volledig ongeschikt verklaard voor zijn normale functie van rangeerder. Er werd hem echter de mogelijkheid geboden een stelsel van wederopleiding te volgen met het oog op een reclassering in andere functies (zie stuk nr. 10 van het dossier overtuigingsstukken van N.V.S.M.). Vanaf 6 juli 1973 werd hij "wederbenuttigd" in de hoedanigheid van "lader op proef" (zie stuk nr. 10 van het dossier overtuigingsstukken van N.V.S.M.) Daar hij om medische redenen ook niet bleek te voldoen in deze functie werd, zoals blijkt uit de conclusies van partijen, aan de statutaire tewerkstelling definitief een einde gesteld op 31 oktober 1974 (zowel in het arrest van het Arbeidshof te Antwerpen van 14 februari 1992 - zie stuk nr. 11 van het dossier overtuigingsstukken van N.V.S.M. - als in de beroepsconclusies van F. B., genomen in de zaak gekend onder het A.R. nr. 150/89 van het Arbeidshof te Antwerpen - zie stuk nr. 4 van het dossier overtuigingsstukken van F. B. - en in de brief van NMBS van 29 mei 1985 - zie stuk nr. 7 van het dossier overtuigingsstukken van N.V.S.M. wordt er van een ontslag gesproken als statutair personeelslid of bediende). Vervolgens werd tussen de N.M.B.S. en F. B. op 31 oktober 1974 een arbeidsovereenkomst voor bepaalde duur van drie maanden afgesloten, ingaande op 1 november
  11. F. B. heeft echter in deze periode geen prestaties geleverd daar hij vanaf 4 november 1974 tot en met 21 februari 1975 opgenomen werd in het Stuivenbergziekenhuis (gesloten psychiatrische afdeling). Met ingang van 1 november 1974 sloot F. B. zich aan bij appellant met een onmiddellijk recht op uitkeringen in toepassing van artikel 214, ,§1, 1° b van het koninklijk besluit van 4 november 1963, het huidige artikel 205, ,§1, 1° b van het koninklijk besluit van 3 juli
  12. Als gevolg van zijn erkende werkonbekwaamheid vanaf 4 november 1974 genoot hij arbeidsongeschiktheidsuitkeringen vanaf 12 november 1974 (gewaarborgd weekloon van 4 november 1974 tot en met 10 november 1974). Met aangetekend schrijven d.d. 2 mei 1985 stelde het N.V.S.M. de NMBS - en dus niet F. B. - in gebreke om het bedrag van 1.744.325 BEF, zijnde de volgens hem ten onrechte aan F. B. betaalde ziekte-uitkeringen over de periode van 12 november 1974 tot 30 april 1985, terug te betalen. In dit schrijven werd tevens voorbehoud gemaakt voor de ten onrechte uitgekeerde geneeskundige verstrekkingen (zie stuk nr. 6 van het dossier overtuigingsstukken N.V.S.M.). Voorafgaande procedure gevoerd voor de Arbeidsrechtbank te Antwerpen en het Arbeidshof te Antwerpen Met een dagvaarding, betekend aan de gedaagde partijen op 17 en 23 september 1985, vorderde het N.V.S.M. de veroordeling van de NMBS tot terugbetaling van de aan F. B. uitgekeerde ziektevergoedingen ten bedrage van 1.744.325 BEF, zijnde de primaire arbeidsongeschiktheidsuitkeringen van 12 november 1974 tot en met 3 november 1975 (ten bedrage van 94.411 BEF) en de invaliditeitsuitkeringen vanaf 4 november 1975 tot en met 30 april 1985 (ten bedrage van 1.649.884 BEF), meer de wettelijke intresten vanaf de datum van de uitkeringen, de gerechtelijke intresten en de kosten. Bovendien werd F. B. eveneens gedagvaard in gemeenverklaring van het tussen te komen vonnis (zie een kopie van deze dagvaarding gehecht aan een kopie van het vonnis van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen van 7 juni 1988 - stuk nr. 11.1 van het administratieve dossier dat zich in het auditoraatdossier bevindt). In de loop van de procedure werd bij conclusies, neergelegd ter griffie van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen op 7 mei 1987, in ondergeschikte orde, bij wege van tussenvordering, een vordering tot terugbetaling van het bedrag van 1.744.325 BEF, onder voorbehoud van vermeerdering in de loop van het geding, in het bijzonder voor de uitgaven gedaan na 30 april 1985, ingesteld door het N.V.S.M. tegen F. B. Bij vonnis uitgesproken door de zevende kamer van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen op 7 juni 1988 werd de vordering van het N.V.S.M. ontvankelijk doch ongegrond verklaard. Het N.V.S.M. stelde hoger beroep in tegen dit vonnis, en bij arrest van het Arbeidshof te Antwerpen van 14 februari 1992 werd de vordering van het N.V.S.M. ten overstaan van de NMBS ongegrond verklaard met volgende motivering: "Tweede geïntimeerde heeft gewerkt bij de N.M.B.S. onder haar statuut tot 31 oktober
  13. Daarentegen heeft tweede geïntimeerde in werkelijkheid nooit gewerkt met de aangeboden arbeidsovereenkomst van 1 november 1974 tot en met 31 januari 1975 aangezien hij opgenomen geweest is in het Stuivenbergziekenhuis, gesloten psychiatrische afdeling op 4 november 1974, zijnde een maandag, zodat 1 november Allerheiligen vrijdag, 2 november zaterdag en 3 november zondag was en dus geen dagen waarop gewerkt is, en er gebleven is tot en met 21 februari
  14. Deze arbeidsovereenkomst van bepaalde duur is bijgevolg nooit uitgevoerd en is bijgevolg louter fictief, zodat zij geen rechten heeft kunnen scheppen voor tweede geïntimeerde in het stelsel van de ziekteverzekering. Tweede geïntimeerde is bijgevolg niet binnen de 12 werkdagen na het einde van het statutair dienstverband met de N.M.B.S, onderworpen geweest aan de maatschappelijke zekerheid, en is dan ook onterecht aangesloten geweest met onmiddellijk recht bij het N.V.S.M. in toepassing van artikel 214, 1, 1° b van het Koninklijk Besluit d.d. 4 november
  15. Vermits tweede geïntimeerde niet gerechtigd was in het stelsel van de ziekteverzekering geregeld door de wet van 9 augustus 1963 kan artikel 176 quater (vroeger artikel 70) niet toegepast worden." (zie stuk nr. 11 van het dossier overtuigingsstukken van N.V.S.M.). De vordering van het N.V.S.M. tegen F. B. werd door het Arbeidshof gegrond verklaard omdat deze laatste niet gerechtigd was in het stelsel van de ziekteverzekering, zodat hij ten onrechte ziektevergoedingen had ontvangen. Rekening houdend met de verjaringstermijn van twee jaar na het einde van de maand waarop de uitkeringen betrekking hebben, werd F. B. veroordeeld om aan het N.V.S.M. het bedrag van 469.985 BEF te betalen, zijnde de uitkeringen over de periode van 2 mei 1983 tot 30 april 1985, met voorbehoud voor de uitgaven na 30 april
  16. In hetzelfde arrest werd voor recht gezegd dat: "de Nationale Maatschappij voor Belgische Spoorwegen gehouden is de heer B. F. te vrijwaren tegen alle veroordelingen die tegen hem uitgesproken worden zowel in hoofdsom, intresten en kosten in huidig geding". Het Arbeidshof oordeelde immers dat de NMBS er mits handige kunstgrepen in geslaagd was een statutair werknemer die meer dan 66% arbeidsongeschikt was af te danken zonder enige vorm van vergoeding en om hem op dubieuze wijze in het algemeen stelsel van de ziekteverzekering te doen opnemen door een fictieve arbeidsovereenkomst. Deze handelswijze werd als een daad van onbehoorlijk bestuur beschouwd, die aan F. B. schade heeft berokkend. Alle betrokken partijen hebben blijkbaar in voormeld arrest berust en de NMBS heeft de hoofdsom en intresten, waartoe zij veroordeeld was, betaald. Met aangetekend schrijven van 3 september 1992 werd F. B., onder verwijzing naar de inhoud van het hoger genoemde arrest van het Arbeidshof, in gebreke gesteld voor de terugbetaling van de ziekte-uitkeringen welke ten onrechte werden betaald in de periode van 2 mei 1983 tot en met 31 juli 1992 ten bedrage van 2.258.251 BEF. Bij gebreke aan vrijwillige betaling van F. B. werd de terugvordering van deze ten onrechte betaalde uitkeringen door het N.V.S.M. aanhangig gemaakt bij de Arbeidsrechtbank te Antwerpen. Huidige procedure - voorgaanden Met inleidende exploten van dagvaarding, betekend op 28 maart 1994 en 30 maart 1994 aan respectievelijk F. B. en de NMBS, vordert het N.V.S.M. vanwege de eerstgenoemde de betaling van 2.258.251 BEF of 55.980,58 EUR en 6.710.725 BEF of 166.354,53 EUR, onder voorbehoud van vermeerdering of vermindering in de loop van het geding, bedragen te verhogen met de moratoire intresten vanaf de data van uitbetaling van deze sommen. De NMBS werd daarbij gedagvaard in gemeenverklaring van het tussen te komen vonnis. Met conclusies, neergelegd ter griffie van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen op 14 maart 1995, stelde F. B. een tussenvordering in tegen de NMBS ten einde te horen zeggen voor recht dat deze laatste hem diende te vrijwaren voor alle veroordelingen die tegen hem zouden uitgesproken worden in hoofdsom, intresten en kosten. Verder strekt de tussenvordering er toe te horen zeggen voor recht dat hij vanaf 1 november 1974 verder dient beschouwd te worden als een statutaire werknemer bij de NMBS, zodat hij vanaf die datum recht heeft op de wettelijke vergoedingen conform het NMBS-personeelsstatuut. In ondergeschikte orde wordt bij deze tussenvordering vanwege de NMBS de betaling gevorderd van een schadevergoeding welke overeenstemt met het bedrag van de wettelijke vergoedingen die in het kader van het NMBS-statuut zouden verschuldigd geweest zijn vanaf 1 november
  17. Met conclusies, ontvangen ter griffie van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen op 14 mei 1996, herleidde het N.V.S.M. zijn vordering tot betaling van het bedrag van 1.788.266 BEF of 44.329,96 EUR ten titel van ten onrechte uitbetaalde ongeschiktheidsuitkeringen in de periode van 1 mei 1985 tot en met 31 juli 1992 en van 6.710.725 BEF of 166.354,53 EUR ten titel van ten onrechte betaalde uitkeringen voor gezondheidszorgen voor de periode van 1 mei 1985 tot 30 juni
  18. Bij tussenvonnis van 17 oktober 1997 beval de eerste rechter, alvorens te beslis-sen over de ontvankelijkheid van de hoofdvordering, de heropening der debatten teneinde het N.V.S.M. toe te laten: - het bewijs voor te brengen van de aangetekende zending van het schrijven van 3 september 1992 gericht aan F. B.; - de juiste periode op te geven van de terugvordering van gezondheidszorgen, alsmede een gedetailleerde lijst voor te leggen van de uitgevoerde betalingen met bewijs van datum van betaling. De eerste rechter oordeelde dat ingevolge het in kracht van gewijsde gegane arrest van het Arbeidshof te Antwerpen, uitgesproken op 14 februari 1992, het onbetwistbaar vaststaat dat F. B. niet gerechtigd is in het stelsel van de ziekteverzekering en hij derhalve geen aanspraak kan maken op de geneeskundige verstrekkingen en uitkeringen wegens arbeidsongeschiktheid, zoals voorzien in de wet van 9 augustus 1963 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli
  19. De eerste rechter stelde vast dat de vordering van het N.V.S.M. onmogelijk kon gekwalificeerd worden als een actio judicati. Met betrekking tot de verjaring besloot de eerste rechter dat de dagvaarding van 17 september 1985 geen stuitende werking heeft voor de terugvordering van de ziektevergoedingen vanaf 1 mei 1985 en zeker niet voor de gezondheidszorgen, omdat dit een volledig nieuwe eis is. De eerste rechter vermeldde in het bestreden vonnis dat het schrijven van 3 september 1992, uitgaande van het N.V.S.M. en gericht aan F. B., waarin de terugbetaling wordt gevorderd van de ziekte-uitkeringen van 2 mei 1983 tot en met 31 juli 1992, een constitutief element kan uitmaken ter stuiting voor de terugvorderde ziektevergoedingen, op voorwaarde dat dit aangetekend werd verstuurd. Aangezien het bewijs van aangetekende zending niet voorlag, werden de debatten ambtshalve heropend. Met betrekking tot de terugvordering van de gezondheidszorgen stelde de eerste rechter vast dat het exploot van dagvaarding, betekend op 28 maart 1994, het enige constitutief element is ter stuiting van de verjaring, omdat in het schrijven van het N.V.S.M. van 3 september 1992 enkel ziektevergoedingen worden teruggevorderd, zodat, rekening houdend met de bepalingen van artikel 106, ,§1, eerste lid, 6° (huidig artikel 174, ,§1, eerste lid, 6° van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994), de geneeskundige verstrekkingen uitbetaald tot en met 27 maart 1992 derhalve verjaard zijn. Het vonnis van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen van 17 oktober 1997 werd verzonden aan het N.V.S.M. op 27 oktober 1997 in toepassing van artikel 792, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek en werd op diens zetel aangeboden op 28 oktober
  20. Met verzoekschrift, aangetekend verzonden op 27 november 1997 en ontvangen ter griffie van dit Hof op 28 november 1997, tekende het N.V.S.M. hoger beroep aan tegen voornoemd vonnis van 17 oktober
  21. Eisen in hoger beroep Het N.V.S.M., appellant, vordert het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren, het oorspronkelijk vonnis teniet te doen en, opnieuw wijzend, F. B. te veroordelen tot de betaling van de sommen van 1.788.266 BEF of 44.329,96 EUR (ziektevergoedingen) en 6.710.725 BEF of 166.354,53 EUR (gezondheidszorgen), vermeerderd met de moratoire en de gerechtelijke intresten, en hem eveneens te veroordelen tot de kosten; het tussen te komen arrest gemeen te verklaren aan tweede geïntimeerde. F. B., eerste geïntimeerde, verzoekt het hoger beroep onontvankelijk, minstens ongegrond te verklaren; dienvolgens appellant ervan af te wijzen en hem te veroordelen tot de kosten van het geding; verder zijn oorspronkelijke tussenvordering in tussenkomst en vrijwaring, zoals gericht tegen de NMBS, ontvankelijk en gegrond te verklaren en dienvolgens te zeggen voor recht dat de NMBS gehouden is hem te vrijwaren tegen alle veroordelingen die tegen hem zouden uitgesproken worden, zowel in hoofdsom, intresten als kosten in huidig geding; dienvolgens te zeggen voor recht dat hij vanaf 1 november 1974 verder dient beschouwd te worden als een statutair werknemer bij de NMBS; dienvolgens te zeggen voor recht dat de NMBS vanaf 1 november 1974 hem de wettelijke vergoedingen verschuldigd is binnen het kader van het statuut van het personeel van de NMBS. Eerste geïntimeerde vordert in ondergeschikte orde de NMBS te veroordelen hem een schadevergoeding te betalen, waarvan de hoegrootheid overeenstemt met de wettelijke vergoedingen die de NMBS hem in het kader van het statuut van het personeel van de NMBS zou verschuldigd zijn geweest, mocht hij vanaf 1 november 1974 verder als statutair werknemer bij de NMBS worden beschouwd. De NMBS, tweede geïntimeerde, verzoekt het hoger beroep van het N.V.S.M. onontvankelijk, minstens ongegrond te verklaren. In zoverre het beroep toch ontvankelijk zou worden verklaard, de zaak vervolgens aan zich te trekken en: - rechtdoende op de oorspronkelijke hoofdvordering: deze minstens gedeeltelijk verjaard en alleszins ongegrond te verklaren, met veroordeling van het N.V.S.M. tot de kosten; - rechtdoende op de oorspronkelijke tussenvordering in vrijwaring: deze ontvankelijk, doch ongegrond te verklaren met veroordeling van F. B. tot de kosten.
  22. Beoordeling door het Hof Samen met de eerste rechter stelt het Hof vast dat ingevolge het in kracht van gewijsde gegane arrest van het Arbeidshof te Antwerpen, uitgesproken op 14 februari 1992, het onbetwistbaar vaststaat dat F. B. niet gerechtigd is in het stelsel van de ziekteverzekering. Hij kon derhalve geen aanspraak maken op de geneeskundige verstrekkingen en uitkeringen wegens arbeidsongeschiktheid zoals voorzien in de wet van 9 augustus 1963 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli
  23. 5.
  24. Met betrekking tot de verjaring van de terugvordering van appellant Geïntimeerden roepen de verjaring van de vordering van appellant in. Overeenkomstig artikel 106, ,§1, eerste lid, 5° en 6°, van de wet van 9 augustus 1963 op de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering (huidig artikel 174, ,§1, eerste lid, 5° en 6°, van het koninklijk besluit van 14 juli 1994 houdende coördinatie van de wet van 9 augustus 1963) verjaart de vordering tot terugvordering van de waarde der ten laste van de uitkeringsverzekering ten onrechte verleende prestaties twee jaar na het einde van de maand waarin de prestaties zijn uitbetaald, en van de waarde der ten laste van de verzekering voor geneeskundige verzorging ten onrechte verleende prestaties twee jaar na het einde van de maand waarin de prestaties zijn vergoed. De verjaring van de vordering tot terugvordering van de ziektevergoedingen en de gezondheidszorgen kan gestuit worden ofwel door een dagvaarding voor het gerecht (artikel 2224 van het Burgerlijk Wetboek), ofwel door een ter post aangetekend schrijven (artikel 174, vierde lid, van de gecoördineerde ZIV-wet van 14 juli 1994). Voor het stuiten van de verjaring heeft de door een der partijen in de loop van de procedure ingestelde vordering dezelfde uitwerking als een dagvaarding, omdat die eis in rechte het inzicht openbaart om het betwist recht niet te willen verliezen (Cass. 19 juni 1924, Pas. 1924, I, 411). De stuiting welke voortvloeit uit de dagvaarding voor het gerecht strekt zich uit tot de vorderingen die virtueel begrepen zijn in de oorspronkelijke vordering. (Cass. 14 mei 1990, R.W. 1990-91, 1201). Een vordering ingesteld tot betaling van een deel van de schuld die in haar geheel opeisbaar is, stuit de verjaring ten opzichte van het deel van de schuld dat niet onmiddellijk het voorwerp is van de vordering. Zulks is niet het geval voor bedragen die de verzekeraar nog niet uitkeerde en daarom niet eisbaar waren. (Cass. 10 januari 1992, R.W. 1992-92, 1325). De inleidende akte stuit enkel de verjaring van de vordering die zij inleidt en laat de loop van de verjaringstermijn van de vordering die niet begrepen was in die akte onaangeroerd. (Arbh. Antwerpen 24 april 2001, www.juridat.be, A.R. nr. 990263). De stuitende werking heeft slechts effect ten aanzien van het voorwerp van de vordering dat omschreven wordt in de dagvaarding of aanmaning tot betalen. De stuiting van de verjaring kan geen effect hebben op vorderingen met een ander voorwerp. (Cass. 7 mei 2001, www.juridat.be, 3de K, A.R. nr. S000047N ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010507.6). De stuiting door een dagvaarding of het instellen van een vordering in rechte sorteert effect tijdens de hele duur van het proces, dit is tot op de dag van de uitspraak van het vonnis of het arrest dat een einde maakt aan het geding. (Cass. 24 april 1992, R.W. 1992-93, 236; Arr.Cass. 1991, 801; Cass. 30 juni 1997, Arr.Cass. 1997, 309). Een dagvaarding of een vordering in rechte en de ingebrekestelling of aanmaning tot betalen heeft met betrekking tot de stuiting van de verjaring slechts effect ten aanzien van de partij tegen wie zij gericht is. Rekening houdende met de voorgaande algemene beschouwingen, weerhoudt het Hof de volgende daden van stuiting welke van belang kunnen zijn voor de problematiek van de verjaring van de vordering van appellant ten aanzien van eerste geintimeerde: - de tussenvordering die bij conclusies, neergelegd ter griffie van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen op 7 mei 1987, strekkende tot terugbetaling van het bedrag van 1.744.325 BEF, onder voorbehoud van vermeerdering in de loop van het geding, in het bijzonder voor de uitgaven gedaan na 30 april 1985, ingesteld werd door het N.V.S.M. tegen F. B.; - het arrest van het Arbeidshof te Antwerpen, uitgesproken op 14 februari 1992, waarbij over voormelde tussenvordering uitspraak werd gedaan; - de per aangetekende post verzonden brief van 3 september 1992, waarbij eerste geïntimeerde aangemaand werd de over de periode van 2 mei 1983 tot en met 31 juli 1992 ten onrechte betaalde uitkeringen wegens arbeidsongeschiktheid ten bedrage van 2.258.251 BEF terug te betalen; - de dagvaarding van 28 maart 1994, waarbij appellant vanwege eerste geïntimeerde de betaling vorderde van 2.258.251 BEF of 55.980,58 EUR (uitkeringen arbeidsongeschiktheid) en 6.710.725 BEF of 166.354,53 EUR (uitkeringen tussenkomst gezondheidszorgen), welke vordering nadien herleid werd bij conclusies tot betaling van 1.788.266 BEF of 44.329,96 EUR ten titel van ten onrechte uitbetaalde arbeidsongeschiktheidsuitkeringen in de periode van 1 mei 1985 tot en met 31 juli 1992 en van 6.710.725 BEF of 166.354,53 EUR ten titel van ten onrechte betaalde gezondheidszorgen voor de periode van 1 mei 1985 tot 30 juni
  25. De vordering ingeleid met dagvaarding, betekend op 17 en 23 september 1985, beoogde immers de veroordeling van de NMBS tot terugbetaling van de aan F. B. uitgekeerde ziektevergoedingen ten bedrage van 1.744.325 BEF. F. B. zelf werd op dat ogenblik slechts gedagvaard in gemeenverklaring van het tussen te komen vonnis, wat geen vordering tot het bekomen van een veroordeling behelst en niet de erkenning van een bedreigd recht beoogt ten aanzien van de gedaagde in tussenkomst tot gemeenverklaring van het vonnis. Deze dagvaarding kan bijgevolg ten aanzien van eerste geïntimeerde in het kader van artikel 2444 van het Burgerlijk Wetboek geen stuiting van de verjaring inhouden. De tussenvordering van appellant, zoals geformuleerd in zijn conclusie neergelegd ter griffie van de Arbeidsrechtbank op 7 mei 1987, naar aanleiding van de voorgaande procedure, luidt als volgt: "In ondergeschikte orde: Tweede verweerder (zijnde F. B.) te veroordelen tot terugbetaling van de provisionele som van 1.744.325 BEF met voorbehoud voor de uitgaven na 30.04.1985." Aangezien een rechtsvordering ook de verjaring stuit ten opzichte van het deel van de schuld dat niet onmiddellijk het voorwerp is van de vordering, maar wel reeds eisbaar is op het ogenblik van het instellen ervan (en bijgevolg als virtueel daarin begrepen kan worden beschouwd), kan aangenomen worden dat het stuitend effect van de rechtsvordering ingesteld bij conclusie van 7 mei 1987 in de vorige procedure ook de terugvordering van de ziekte-uitkeringen betreft welke door appellant reeds waren uitgekeerd - en bijgevolg eisbaar waren - op het ogenblik van het instellen van de tussenvordering. Deze rechtsvordering betreft een geldige stuitingsdaad ten aanzien van eerste geïntimeerde wat betreft de vordering van appellant tot terugbetaling van de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen door hem betaald na 1 mei 1985, aangezien de provisionele som enkel betrekking had op arbeidsongeschiktheidsuitkeringen. Deze rechtsvordering betreft evenwel geen geldige stuitingsdaad ten aanzien van eerste geïntimeerde voor de vordering van appellant tot terugbetaling van de uitkeringen als gevolg van tussenkomst in de gezondheidszorgen na 1 mei 1985, aangezien deze laatste vordering een ander voorwerp heeft dan de vordering die werd ingesteld met hogergenoemde conclusie. Met arrest van het Arbeidshof te Antwerpen van 14 februari 1992 werd definitief uitspraak gedaan over de toenmalige rechtsvordering van appellant ten opzichte van geïntimeerden. Deze vordering werd ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond verklaard en eerste geïntimeerde werd veroordeeld om het bedrag van 469.985 BEF te betalen, zijnde de uitkeringen over de periode van 2 mei 1983 tot 30 april 1985, met voorbehoud van de uitgaven na 30 april
  26. Met de brief van 3 september 1992, per aangetekende post verzonden op 4 september 1992, werd eerste geïntimeerde aangemaand de over de periode van 2 mei 1983 tot en met 31 juli 1992 ten onrechte betaalde uitkeringen wegens arbeidsongeschiktheid ten bedrage van 2.258.251 BEF terug te betalen. Uitsluitend de uitkeringen wegens arbeidsongeschiktheid maakten het voorwerp uit van deze aanmaning, zodat het stuitend effect daarvan niet uitgebreid kan worden tot de uitkeringen wegens tussenkomst in de geneeskundige verstrekkingen. De dagvaarding van 28 maart 1994 daarentegen, waarmee onderhavige procedure werd ingeleid, vormt een stuiting van de verjaring van de terugvordering van appellant ten opzichte van eerste geïntimeerde met betrekking tot de ten onrechte betaalde uitkeringen wegens arbeidsongeschiktheid én de tussenkomst in gezondheidszorgen. Met betrekking tot de terugvordering van de gezondheidszorgen vormt het exploot van dagvaarding, betekend op 28 maart 1994, het enige constitutief element ter stuiting van de verjaring, aangezien noch in de conclusies neergelegd ter griffie van de Arbeidsrechtbank op 7 mei 1987, noch in het aangetekend schrijven van 3 september 1992 van appellant, gezondheidszorgen werden teruggevorderd. In toepassing van artikel 106, ,§1, eerste lid, 5° en 6° van de Wet van 9 augustus 1963 (huidig artikel 174 ,§1, eerste lid, 5° en 6° van het koninklijk besluit van 14 juli 1994) kan het volgende worden besloten: - met betrekking tot de vordering van appellant tot terugvordering van de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen ten aanzien van eerste geïntimeerde: aangezien de eerste nuttige stuiting de rechtsvordering betreft van appellant, zoals geformuleerd in zijn conclusie neergelegd ter griffie van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen op 7 mei 1987, en rekening houdend met de daaropvolgende nuttige stuitingsdaden, kunnen de uitkeringen wegens arbeidsongeschiktheid die betaald werden van 1 mei 1985 tot en met 31 juli 1992 worden teruggevorderd vanwege eerste geïntimeerde. Het Hof stelt vast dat het gevorderde bedrag door appellant van 1.788.266 BEF of 44.329,86 EUR als zodanig niet wordt betwist door geïntimeerden. -met betrekking tot de vordering van appellant tot terugvordering van de gezondheidszorgen ten aanzien van eerste geïntimeerde: aangezien de eerste en enige nuttige stuiting de dagvaarding betreft van 28 maart 1994, kunnen de prestaties die vergoed werden van 1 maart 1992 tot en met 30 juni 1993 worden teruggevorderd vanwege eerste geïntimeerde. Het Hof stelt vast dat geen berekening werd gemaakt door appellant van de prestaties die vergoed werden van 1 maart 1992 tot en met 30 juni
  27. Het komt het Hof gepast voor de debatten te heropenen teneinde appellant toe te laten zijn eis te herberekenen met betrekking tot de gezondheidszorgen in het licht van de principiële beslissing genomen door het Hof, en partijen toe te laten over deze herberekening een tegensprekelijk debat te voeren. 5.
  28. Met betrekking tot de tussenvordering van eerste geïntimeerde tegen tweede geïntimeerde Eerste geïntimeerde vordert in hoofdorde dat tweede geïntimeerde zou veroordeeld worden om hem te vrijwaren voor alle veroordelingen die tegen hem zouden uitgesproken worden. Deze vordering ligt in het verlengde van het arrest van het Arbeidshof te Antwerpen van 14 februari 1992 en verwijst ook ter rechtvaardiging van de rechtsgrond van deze eis naar de motivering van dit arrest. Daarnaast vraagt eerste geïntimeerde eveneens dat voor recht zou gezegd worden dat hij vanaf 1 november 1974 verder dient beschouwd te worden als een statutair werknemer bij de NMBS, en dienvolgens te zeggen voor recht dat deze laatste de vergoedingen verschuldigd is binnen het kader van het statuut van het personeel van de NMBS. In ondergeschikte orde, ten slotte, vordert eerste geïntimeerde dat tweede geïntimeerde veroordeeld zou worden een schadevergoeding te betalen welke overeenstemt met het bedrag van de wettelijke vergoedingen die in het kader van het NMBS-statuut zouden verschuldigd geweest zijn vanaf 1 november
  29. Zoals het Openbaar Ministerie terecht vermeldde in het schriftelijk advies, roept deze geformuleerde vordering heel wat vragen op. Vooreerst is onduidelijk wat eerste geïntimeerde nu vordert in hoofd- en ondergeschikte orde. Stelt hij zich tevreden met een veroordeling in vrijwaring van tweede geïntimeerde of wenst hij de rechtmatigheid van de beslissing van de NMBS om zijn statutaire tewerkstelling per 31 oktober 1974 te beëindigen te betwisten? De vordering die er toe strekt tweede geïntimeerde te veroordelen om eerste geïntimeerde te vrijwaren op basis van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek valt moeilijk te rijmen met de vraag om voor recht te zeggen dat eerste geïntimeerde vanaf 1 november 1974 verder zou beschouwd worden als statutair werknemer bij de NMBS. De vordering tot vrijwaring gesteund op artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek vereist ook het klassieke drieledige bewijs van diegene die er zich op beroept. Het bewijs van de foutieve houding van tweede geïntimeerde dient dan gezocht en gevonden te worden in de omstandigheden waarin een einde werd gesteld aan de statutaire tewerkstelling en vervolgens een fictieve arbeidsovereenkomst werd gesloten met eerste geïntimeerde. Daarnaast dient echter ook nog het bewijs geleverd te worden van de schade. De vraag stelt zich daarbij waarin de schade bestaat welke door eerste geïntimeerde geleden zou zijn ten gevolge van een terugvordering van datgene waarop hij wettelijk gezien niet gerechtigd was. En meer nog, wat is het oorzakelijk verband tussen de eventuele foutieve houding van tweede geïntimeerde en deze terugvordering? De vordering strekkende tot het behoud als statutair werknemer bij de NMBS vanaf 1 november 1974, brengt automatisch de problematiek van de beëindiging van de statutaire tewerkstelling door tweede geïntimeerde aan de orde. Vooreerst stelt zich de vraag of het Hof kennis KAN nemen van deze tussenvordering tot behoud als statutair werknemer, meer bepaald of deze berust op een feit of akte in de dagvaarding aangevoerd, zoals vereist in artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek. Voor zover dit wel het geval zou zijn, dient vastgesteld te worden dat partijen nalaten alle overtuigingsstukken in verband met deze beëindiging van de statutaire tewerkstelling voor te leggen. Zo ontbreken bijvoorbeeld de volgende belangrijke stukken: de stukken (administratieve beslissing?) waarop tweede geïntimeerde zich steunt en waarin bevestigd wordt door de bevoegde administratieve diensten dat destijds de graad van arbeidsongeschiktheid van tweede geïntimeerde werd vastgesteld op 20%, de zogenaamde ontslagbrief van 31 oktober 1974, de arbeidsovereenkomst welke op 31 oktober 1974 werd gesloten voor een tewerkstelling op contractuele basis vanaf 1 november 1974, de voorlegging van het destijds geldende reglement of de van toepassing zijnde statuten en de destijds tussen tweede en eerste geïntimeerde gevoerde briefwisseling met betrekking tot de beëindiging van de statutaire tewerkstelling. Ook voor de beoordeling van de vordering tot vrijwaring dient het Hof te beschikken over alle gegevens met betrekking tot de omstandigheden waarin de beëindiging van deze statutaire tewerkstelling plaatsvond. Aangezien het dossier met betrekking tot deze tussenvordering onvolledig is en het aangewezen is dat partijen, inzonderheid eerste geïntimeerde, zijn standpunt in rechte, meer bepaald met betrekking tot de rechtsgronden van zijn vorderingen, zou verduidelijken, en teneinde het tegensprekelijk karakter van de debatten te vrijwaren, acht het Hof het aangewezen om ook op dit punt de heropening van de debatten te bevelen. Op die gronden, Het Hof, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken die werden nageleefd. Gehoord de heer F. Slachmuylders, Substituut-generaal, in de voorlezing van zijn schriftelijk gedeeltelijk eensluidend advies op de openbare terechtzitting van 21 juni 2004, waarop enkel tweede geïntimeerde repliceerde op 7 juli
  30. Rechtsprekend op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk. Vooraleer ten gronde te beslissen, beveelt in toepassing van artikel 774, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, ambtshalve de heropening der debatten ten einde: x met betrekking tot de verjaringsproblematiek van de terugvordering van appellant, hem toe te laten een berekening bij te brengen van de gezondheidszorgen die vergoed werden van 1 maart 1992 tot en met 30 juni 1993, zodat partijen hierover een tegensprekelijk debat kunnen voeren; x met betrekking tot de terugvordering van eerste geïntimeerde tegen tweede geïntimeerde, partijen, inzonderheid eerste geïntimeerde, toe te laten het dossier te vervolledigen en eerste geïntimeerde toe te laten zijn standpunt in rechte te verduidelijken, zoals vermeld in het motiverend gedeelte van onderhavig arrest. Zegt overeenkomstig artikel 775 van het Gerechtelijk Wetboek dat partijen zullen verschijnen voor deze kamer van dit Hof, Cockerillkaai 39 te 2000 Antwerpen, op donderdag 9 december 2004 om 11.30 uur. Beveelt dat partijen en, in voorkomend geval, hun advocaten door de griffier bij gerechtsbrief zullen worden verwittigd met inachtneming van de termijn voor de dagvaardingen. Houdt de uitspraak over de kosten aan. Aldus gewezen en uitgesproken door de vierde kamer van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, zitting houdend in openbare terechtzitting te Antwerpen op negen september tweeduizend en vier, waar aanwezig waren: mevrouw M. ZEGERS, Raadsheer wnd. Voorzitter, de heer G. VANKRUNKELSVEN, Raadsheer in sociale zaken als werkgever, aangewezen bij beschikking van 9 september 2004 door mevrouw M. ZEGERS, Raadsheer, wnd. Voorzitter, die de Eerste Voorzitter, mevrouw B. HOMANS, verhinderd zijnde, vervangt (artikel 319, eerste lid, Ger. W.), om de heer G. GOVAERT, Raadsheer in sociale zaken als werkgever, die wettig verhinderd is om de uitspraak van dit arrest waarover hij mede beraadslaagd heeft bij te wonen, op het ogenblik van de uitspraak te vervangen (artikel 779 Ger. W.), de heer L. VAN NESPEN, Raadsheer in sociale zaken als werknemer, de heer R. SMETS, Griffier. PDF document ECLI:BE:AHANT:2004:ARR.20040909.20 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010507.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.