id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 15 september 2004 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2004:ARR.20040915.13 Rolnummer: 2003-0359 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2005-11-29 Raadplegingen: 106 - laatst gezien 2026-07-01 00:51 Fiches 1 - 3 De werkgever kan voorhouden dat aan de arbeidsovereenkomst wegens overmacht een einde is gekomen wanneer de werknemer definitief ongeschikt is om de bedongen arbeid te verrichten, zonder dat het relevant is of die werkgever een tekortkoming heeft begaan die mede aan de oorsprong ligt van de ongeschiktheid. Vrije woorden: DE ARBEIDSOVEREENKOMSTEN . ALGEMENE REGELING VAN DE ARBEIDSOVEREENKOMSTEN schorsing van de uitvoering van de overeenkomst - arbeidsongeschiktheid : ziekte of ongeval - beëindiging - overmacht - definitieve arbeidsongeschiktheid van de werknemer - fout van de werkgever. Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 31§1 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Vrije woorden: DE ARBEIDSOVEREENKOMSTEN . ALGEMENE REGELING VAN DE ARBEIDSOVEREENKOMSTEN einde van de overeenkomst - beëindiging - overmacht - definitieve arbeidsongeschiktheid van de werknemer - fout van de werkgever. Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 32,5° - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Vrije woorden: ARBEIDSREGLEMENTERING . ARBEIDSWET . ALGEMEEN REGLEMENT OP DE ARBEIDSBESCHERMING beëindiging - overmacht - definitieve arbeidsongeschiktheid van de werknemer - fout van de werkgever. Wettelijke bepalingen: Algemeen Reglement voor Arbeidsbescherming - 11-02-1976 - 146quater - 03 Link Justel databank 19760211-03 Nota: Gerangschikt onder II AAN - artikel 31 ,§ 1, onder II AAN - artikel 32, 5° en onder III AA - artikel 146quater. Annotaties Publicaties: SOCIAALRECHTELIJKE KRONIEKEN - noot HERMAN Jan - 2005(00004,P.226-229) Tekst van de beslissing Eindarrest op tegenspraak Tweede kamer Arbeidsovereenkomst voor bedienden ARBEIDSHOF TE ANTWERPEN Afdeling Antwerpen ARREST A.R. 2030359 OPENBARE TERECHTZITTING VAN VIJFTIEN SEPTEMBER TWEEDUIZEND EN VIER M. F., appellante, incidenteel geïntimeerde vertegenwoordigd door mr. K. STAPPERS, advocaat te Antwerpen, tegen : de U. A., geïntimeerde, incidenteel appellante vertegenwoordigd door mr. J. VAN GOETHEM, advocaat te Antwerpen. Het Hof, na de zaak in beraad te hebben genomen, spreekt in openbare terechtzitting en in de Nederlandse taal het volgend arrest uit. Gelet op de uiteenzetting van de middelen van partijen ter openbare zitting van 18 juni
- Gelet op de processen-verbaal van de openbare terechtzitting van 15 september 2003 en 18 juni
- I. STUKKEN VAN DE RECHTSPLEGING Gelet op de stukken van de rechtspleging, in het bijzonder: x het eensluidend verklaard afschrift van het op 2 april 2003 op tegenspraak gewezen vonnis van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen, betekend op 9 mei 2003; x het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit Hof op 5 juni 2003; x het incidenteel beroep van de U.A., algemene rechtsopvolger van de U.I.A. en hierna de UA genoemd, ingesteld bij conclusie van 2 december 2003; x de conclusies van partijen, ontvangen ter griffie van dit Hof op 2 december 2003 en 4 maart 2004 voor de UA en op 13 februari 2004 voor mevrouw F.; x de beschikking d.d. 27 januari 2004 overeenkomstig artikel 747 ,§ 2 van het Gerechtelijk Wetboek; x de verbeterende beschikking d.d. 9 maart
- II. PROCEDURE IN EERSTE AANLEG Met inleidende dagvaarding (A.R. 328.013), betekend op 17 oktober 2000, vorderde mevrouw F. de veroordeling van UA tot betaling van: - 2.081.635 BEF opzeggingsvergoeding - 3.330.616 BEF beschermingsvergoeding Wet 19.03.1991 - 832.654 BEF beschermingsvergoeding syndicaal afgevaardigde - 7.280 BEF pro rata eindejaarspremie - 2.232 BEF feestdagenvergoeding te vermeerderen met de wettelijke en de gerechtelijke intresten. Tevens werd afgifte gevorderd van volgende sociale en fiscale bescheiden: - de loonbrief - de individuele rekening - de fiscale fiche 281.10 - het formulier C4 onder verbeurte van een dwangsom van 1.000 BEF per ontbrekend document en per dag vertraging na de betekening van het te vellen vonnis. Bij conclusie ontvangen ter griffie van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen op 9 mei 2001 formuleerde UA, in ondergeschikte orde, een tegeneis strekkende tot betaling van de bedragen die mevrouw F. in de inleidende dagvaarding had gevorderd, voor het geval de Rechbank zou oordelen dat UA ten onrechte de arbeidsovereenkomst wegens overmacht beëindigde. Met inleidende dagvaarding (A.R. 336.530), betekend op 25 juli 2001, vorderde mevrouw F. de veroordeling van UA tot betaling van 2.081.635 BEF opzeggingsvergoeding in hoofdorde, minstens, in ondergeschikte orde, van een schadevergoeding in toepassing van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek ex aequo et bono begroot op 2.081.635 BEF, te vermeerderen met de wettelijke en de gerechtelijke intresten en de kosten van het geding. Bij conclusie in beide zaken (A.R. 328.013 en A.R. 336.530) van 9 juli 2002 vorderde mevrouw F. de samenvoeging van beide procedures en de betaling van: - 51.602,38 EUR opzeggingsvergoeding - 51.602,38 EUR schadevergoeding schending wedertewerkstellingsverplichting - 20.640,95 EUR beschermingsvergoeding syndicale afgevaardigde - 82.563,81 EUR beschermingsvergoeding W. 19.3.1991 - 180,47 EUR pro rata eindejaarspremie - 55,33 EUR feestdagenvergoeding te vermeerderen met de wettelijke en de gerechtelijke intresten. In uiterst ondergeschikte orde vorderde mevrouw F. de aanstelling van een college van deskundigen. Bij bestreden vonnis van 2 april 2003 voegde de eerste rechter beide zaken, gekend onder A.R. 328.013 en A.R. 336.530, samen en verklaarde hij de vorderingen van mevrouw F. ontvankelijk doch slechts gedeeltelijk gegrond. Hij veroordeelde UA tot betaling van 55,33 EUR bruto feestdagvergoeding, te verminderen met de wettelijk verplichte sociale en fiscale inhoudingen - voor zover verschuldigd - en te vermeerderen met de wettelijke intresten vanaf 25 juli 2000 en de gerechtelijke intresten vanaf 17 oktober 2000, te berekenen op het netto opeisbaar gedeelte. Het meer gevorderde werd afgewezen als ongegrond. De eerste rechter verklaarde de tegenvordering ontvankelijk doch ongegrond en veroordeelde mevrouw F. tot 4/5 en UA tot 1/5 van de kosten van het geding. III. EISEN IN HOGER BEROEP De vordering in hoger beroep van mevrouw F. strekt ertoe het bestreden vonnis te horen teniet doen behalve in zoverre haar hierin betaling voor de feestdag van 15 augustus 2000 werd toegekend en, opnieuw rechtsprekend, UA te veroordelen tot betaling van: - 51.602,38 EUR opzeggingsvergoeding - 51.602,38 EUR schadevergoeding schending wedertewerkstellingsverplichting - 20.640,95 EUR beschermingsvergoeding syndicale afgevaardigde - 82.563,81 EUR beschermingsvergoeding W. 19.3.1991 - 180,47 EUR pro rata eindejaarspremie - 55,33 EUR feestdagenvergoeding te vermeerderen met de wettelijke en de gerechtelijke intresten en de kosten van het geding. Tevens wordt de afgifte gevorderd van volgende sociale en fiscale documenten: - de loonbrief - de individuele rekening - de fiscale fiche 281.10 - het formulier C4 onder verbeurte van een dwangsom van 25,00 EUR per ontbrekend document en per dag vertraging na de betekening van het te vellen arrest. In uiterst ondergeschikte orde vordert mevrouw F. de aanstelling van een college van deskundigen met als opdracht haar te onderzoeken, in een beredeneerd en onder eed bevestigd verslag, na te gaan of zij op datum van 25 juli 2000 een algehele blijvende arbeidsongeschiktheid vertoonde waardoor zij definitief in de onmogelijkheid verkeerde bij UA als verpleegkundige of administratieve hulp tewerkgesteld te blijven. Bij syntheseconclusie van 4 maart 2004 vordert UA het hoger beroep ongegrond te verklaren en het bestreden vonnis te bevestigen. Voor het geval aan mevrouw F. enig bedrag zou worden toegekend, te zeggen voor recht dat UA gerechtigd is daarop de wettelijke sociale en fiscale inhoudingen toe te passen en dat intresten alleen maar verschuldigd zijn op de netto resterende sommen. Ondergeschikt vordert UA, voor het geval het bestreden vonnis zou worden hervormd, haar akte te verlenen van haar incidenteel beroep en rechtsprekend op de tegeneis, mevrouw F. te veroordelen tot betaling van 51.602,38 EUR, 51.602,38 EUR, 20.640,95 EUR, 82.563,81 EUR, 180,47 EUR en 55,33 EUR, te vermeerderen met de wettelijke en de gerechtelijke intresten en de kosten van het hoger beroep. IV. ONTVANKELIJKHEID Het hoger beroep werd tijdig en met een naar de vorm regelmatige akte ingesteld, zodat het ontvankelijk is. V. TEN GRONDE
- De feiten Op basis van de neergelegde stukken en de door partijen in conclusies ontwikkelde argumentatie aanvaardt het Hof de volgende feiten als bewezen: Mevrouw F. trad op 1 juni 1979 in dienst van UA als verpleegster, voordien werkte zij 7 jaar voor het Instituut B. dat door UA werd overgenomen. Alleszins tijdens de laatste periode van tewerkstelling werkte mevrouw F. deeltijds, a rato van 20 uren per week, als verpleegster met nachtdienst. Op 13 mei 1996 werd mevrouw F. het slachtoffer van een arbeidsongeval. Na 13 mei 1996 leverde zij geen arbeidsprestaties meer. Op 17 juni 1997 dagvaardde mevrouw F. de arbeidsongevallenverzekeraar, O. Bij vonnis van 5 september 1997 werd door de Arbeidsrechtbank te Antwerpen Dr. S. aangesteld als deskundige met de gebruikelijke opdracht inzake arbeidsongevallen. In zijn eindverslag besloot Dr. S. dat mevrouw F. volledig tijdelijk arbeidsongeschikt was tot 1 januari 1997, dat de letsels op laatstgenoemde datum geconsolideerd zijn, waarna een blijvende arbeidsongeschiktheid rest van 50% ( + 8% voordien reeds bestaande arbeidsongeschiktheid). Naar aanleiding van de bevindingen van Dr. S. nam mevrouw F. contact op met de arbeidsgeneesheer van UA en werd zij op haar verzoek door laatstgenoemde onderzocht. Op 18 juli 2000 overhandigde de arbeidsgeneesheer een kaart van medisch onderzoek aan partijen waarin hij onder rubriek D. Aanwijzingen van de arbeidsgeneesheer vermeldde:"Definitief arbeidsongeschikt voor elke verpleegkundige en administratieve taak". Op 25 juli 2000 verzond UA een brief aan mevrouw F. waarvan de inhoud luidt als volgt: "Geachte mevrouw, Uit de kaart van medisch onderzoek die ons door de arbeidsgeneesheer werd bezorgd, blijkt dat u onmogelijk in de toekomst uw huidig werk of een administratieve functie nog zal kunnen uitoefenen omwille van gezondheidsredenen. Aangezien wij geen andere passende betrekking kunnen aanbieden, stellen wij vast dat uw arbeidsovereenkomst ontbonden is op grond van overmacht wegens medische redenen op 25.07.2000." Op 27 november 2000 dagvaardde UA mevrouw F. in kort geding met het oog op de aanstelling van een deskundige met als opdracht na te gaan of mevrouw F. per 25 juli 2000 al dan niet een blijvende arbeidsongeschiktheid vertoonde waardoor zij definitief in de onmogelijkheid verkeert de bedongen arbeid als verpleegkundige uit te oefenen. Bij beschikking van 19 december 2000 van de Voorzitter van de Arbeidsrechtbank te Anwerpen werd dr. V. N. aangesteld als deskundige met genoemde opdracht. Mevrouw F. tekende hoger beroep aan tegen deze beschikking. Bij arrest van 25 januari 2001 werd het hoger beroep ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond verklaard en werd Dr. S. aangesteld als deskundige in plaats van dr. V. N., met dezelfde opdracht. In zijn eindverslag dd. 9 juli 2001 bevestigde dr. S. zijn besluitvorming in het kader van zijn eerder verslag en voegde daaraan toe dat mevrouw F. op 25 juli 2000 ongeschikt was tot het uitoefenen van het beroep van verpleegster en dat deze arbeidsongeschiktheid als definitief dient te worden beschouwd.
- De beoordeling 2.
- Beëindiging door overmacht 2.1.
- Principes De blijvende arbeidsongeschiktheid waardoor het de werknemer definitief onmogelijk is de bedongen taak, met inbegrip van de overeengekomen arbeidstijd, te hervatten, is krachtens de artikelen 31, ,§ 1, en 32, 5° Arbeidsovereenkomstenwet een geval van overmacht waardoor de arbeidsovereenkomst een einde neemt. De overmacht dient enkel beoordeeld te worden ten aanzien van de bedongen arbeid en niet op grond van de mogelijkheden die de werkgever heeft om aan de werknemer ander passend werk te verschaffen. (Cass., 15 februari 1982, J.T.T., 1982, 272; Cass., 12 januari 1987, T.S.R., 1987, 88; Cass, 13 februari 1989, J.T.T., 1989, 435) Bedoelde definitieve ongeschiktheid is een rechtsfeit dat de werkgever, krachtens de artikelen 1315 B.W. en 870 Ger.W., voor het arbeidsgerecht door alle middelen van recht, getuigen en vermoedens inbegrepen, mag leveren. (Cass. 23 maart 1998, Arr.Cass., 1998, 163) De arbeidsovereenkomst kan wegens blijvende arbeidsongeschiktheid van de werknemer worden beëindigd voor het verstrijken van de termijn bepaald bij art. 146 quater van het Algemeen Reglement voor de Arbeidsbescherming (hierna ARAB genoemd) om beroep in te stellen tegen de beslissing van de arbeidsgeneesheer die de blijvende arbeidsongeschiktheid heeft vastgesteld. (Cass, 13 maart 1989, J.T.T., 1989, 331) De arbeidsovereenkomst kan wegens blijvende arbeidsongeschiktheid van de werknemer worden beëindigd zonder vast te stellen dat de verplichtingen aan de werkgever en de arbeidsgeneesheer opgelegd door art. 146bis, ,§ 2 en 146ter, ,§ 3 en 4, van het Algemeen Reglement voor de Arbeidsbescherming met het oog op de tewerkstelling van de werknemer in een andere aangepaste functie, wat tot gevolg heeft dat een nieuwe arbeidsovereenkomst tot stand komt, werden nageleefd. (Cass., 2 oktober 2000, R.W., 2000-2001, 1457) 2.1.
- Toepassing Zoals reeds aangegeven sub 1 staat niet ter discussie dat mevrouw F. was tewerkgesteld als verpleegster met nachtdienst. Het is derhalve deze taak die de toetssteen uitmaakt om te oordelen of mevrouw F. op 25 juli 2000 al dan niet definitief ongeschikt was om de bedongen arbeid te verrichten en niet de administratieve taken of het aangepaste werk waarop zij in conclusies alludeert. Het verslag van dr. S. bevestigt duidelijk en ondubbelzinnig dat mevrouw F. op 25 juli 2000 definitief ongeschikt was om het beroep van verpleegster uit te oefenen. De besluitvorming van de deskundige steunt kennelijk op en is volledig in overeenstemming met de door mevrouw F. geuite klachten, de klinische vaststellingen door dr. S. zelf en de bijkomende onderzoeken die hij in het kader van zijn opdracht liet verrichten. Het Hof ziet dan ook geen enkele reden om de besluitvorming van dr. S. in vraag te stellen en over te gaan tot de aanstelling van een nieuwe deskundige of een college van deskundigen met dezelfde opdracht. Dit geldt des te meer nu mevrouw F. geen enkel element aanreikt ter ondersteuning van de stelling dat zij op of na 25 juli 2000 voldoende geschikt was of nog ooit zal zijn om haar werk van verpleegster te hernemen, eerder integendeel. Uit de inhoud van de door mevrouw F. als bewijsstuk neergelegde conclusies van O. in het kader van de hoger beschreven betwisting m.b.t. het arbeidsongeval, kan immers worden afgeleid dat mevrouw F. in het kader van de procedure tegen O. de stelling verdedigt dat zij getroffen is door een blijvende economische ongeschiktheid van 100%. Het blijkt verder niet dat mevrouw F. op enig ogenblik kritiek heeft geuit m.b.t. de bevindingen en de besluitvorming van de deskundige, wat haar definitieve ongeschiktheid voor het werk van verpleegster betreft en ook thans brengt zij geen andersluidende medische attesten voor. Het enige stuk waarnaar mevrouw F. in dit verband verwijst zijn de hiervoor reeds vermelde conclusies van O. Dat O. in genoemde conclusies de besluitvorming van dr. S. kennelijk niet bijtreedt volstaat voor het Hof niet om diens verslag terzijde te schuiven. De kritiek van O. heeft overigens in belangrijke mate betrekking op het al dan niet bestaan van een causaal verband tussen de huidige toestand van mevrouw F. en het arbeidsongeval van 13 mei 1996, waarbij O. insinueert dat de huidige toestand eerder het gevolg is van de normale evolutie van een reeds bestaande degeneratieve pathologie. Gelet op het voorgaande aanvaardt het Hof als bewezen dat mevrouw F. op 25 juli 2000 definitief ongeschikt was voor de met UA bedongen arbeid als verpleegster. De door mevrouw F. ontwikkelde argumentatie m.b.t. de beweerde nietigheid van de kaart van medisch onderzoek en de beweerde miskenning van de door het ARAB voorgeschreven procedure vertoont, gelet op het voorgaande, geen enkele relevantie bij de beoordeling van de blijvende arbeidsongeschiktheid zodat hierop niet verder wordt ingegaan. Gelet op de blijvende ongeschiktheid voor de bedongen arbeid kon UA de beëindiging van de arbeidsovereenkomst wegens overmacht vaststellen. Tevergeefs doet mevrouw F. in dit verband gelden dat UA de overmacht niet kan inroepen omdat het ongeval dat (mede) aan de basis ligt van de definitieve ongeschiktheid mede door de schuld van UA zou zijn veroorzaakt. De blijvende ongeschiktheid voor de bedongen arbeid verhindert immers de werknemer als schuldenaar om zijn contractuele verbintenis, met name het verrichten van de conventioneel bedongen arbeid, na te leven. Daarentegen wordt de mogelijkheid voor de werkgever om zijn contractuele verbintenissen na te leven niet geraakt door de blijvende ongeschiktheid. Voor de werkgever blijft het immers mogelijk om de bedongen arbeid te verschaffen en om het bedongen loon te betalen. De eventuele fout of nalatigheid van de werkgever-schuldeiser doet geen afbreuk aan de onmogelijkheid voor de arbeidsongeschikte werknemer om de bedongen arbeid te verrichten en de krachtens de artikelen 31, ,§1 en 32, 5° Arbeidsovereenkomstenwet uit die onmogelijkheid voortspruitende gevolgen. In wederkerige overeenkomsten bevrijdt de overmacht die een partij verhindert haar verbintenissen na te komen immers ook de wederpartij van de verplichting tot naleving van haar verbintenissen. Wanneer die overmacht, zoals in casu, definitief is resulteert deze in de ontbinding van de overeenkomst. (vgl. Cass., 1 juli 1946, Arr. Cass., 1945-46, 253; RAUWS, W., "Civielrechtelijke beëindigingswijzen van de arbeidsovereenkomst:nietigheid, ontbinding en overmacht", in "rsr 30", Antwerpen, Kluwer rechtswetenschappen, 766-769) Dat UA een fout zou hebben begaan die mede aan de oorsprong ligt van het ongeval en daarop volgende definitieve ongeschiktheid van mevrouw F. is, voor zover bewezen - quod non - , dan ook geen element dat UA verhindert om de beëindiging van de arbeidsovereenkomst wegens overmacht in te roepen. Het is dan ook slechts ten overvloede dat het Hof wenst op te merken dat UA geen fout treft m.b.t. het ongeval dat zich voordeed op 13 mei
- Mevrouw F. geeft zelf aan dat zij tijdens haar nachtdienst van 12 op 13 mei 1996 is uitgegleden in de spoelruimte na het ledigen van een urinecollectiezak en vervolgens op haar zitvlak is gevallen. Nog steeds volgens mevrouw F. is zij uitgegleden omwille van de gladheid van de werkvloer, werd het probleem van de gladde werkvloer en de daarmee gepaard gaande valpartijen voordien geregeld aangekaart in het syndicaal overlegorgaan en heeft UA steeds nagelaten de nodige maatregelen te nemen om de gladheid van de werkvloer tegen te gaan. Het Hof kan deze argumentatie niet bijtreden en wel om de volgende redenen: Vooreerst moet erop gewezen worden dat vloeren in ziekenhuizen om evidente redenen aan bepaalde eisen moeten voldoen met het oog op een maximale hygiëne. Vloeren in ziekenhuizen moeten daarom afwasbaar, ondoordringbaar en gemakkelijk te ontsmetten zijn. Dit is voor een ziekenhuis geen optie, maar een wettelijke verplichting. (zie bijlage A K.B. van 23 oktober 1964, B.S., 7 november 1964) Zoals zeer juist werd verwoord in de neergelegde schriftelijke verklaring van de heer D. M., hoofd algemeen onderhoud, treedt bij vloeren die aan deze vereisten voldoen een zekere gladheid op wanneer zij nat worden. Vooral tijdens en kort na het schoonmaken van de vloeren ontstaat er dan ook een verhoogd risico op arbeidsongevallen, probleem dat blijkens de door mevrouw F. neergelegde stukken, enkele malen werd besproken binnen het syndicaal overlegorgaan. Men kon en mocht dan ook van UA verwachten dat zij de nodige maatregelen nam om het risico van uitglijden op natte vloeren zoveel mogelijk te beperken, vandaar de door de heer D. M. beschreven maatregelen tijdens en na het schoonmaken van de vloeren. Wat het ongeval van mevrouw F. betreft moet evenwel worden opgemerkt dat dit ongeval zich tijdens de nachtdienst heeft voorgedaan en derhalve geruime tijd nadat de vloeren waren schoongemaakt en opgedroogd.(dit staat als zodanig niet ter discussie) Volgens de niet tegengesproken schriftelijke verklaring van mevrouw D. M., hoofdverpleegkundige, is er gedurende 20 jaar niemand in de spoelruimte van B3 gevallen. In zijn eerder genoemde verklaring vermeldt de heer D. M., zonder op dit punt te worden tegengesproken, dat bij de bouw van het ziekenhuis werd gekozen voor een PVC-vloerbekleding en dat dit een van de meest gebruikte producten was en is in de verzorgingssector. De keuze voor en het behoud van deze vloerbekleding kunnen dan ook bezwaarlijk als een fout worden aangemerkt en het Hof acht het, mede gelet op het geringe aantal arbeidsongevallen in de door mevrouw F. neergelegde statistieken, uitgesloten dat de vloeren van het ziekenhuis, ook wanneer ze niet nat zijn, een bijzondere gladheid vertonen. De meest plausibele, zo niet de enige verklaring voor het ongeval van mevrouw F. is dan ook dat werd gemorst op de vloer van de spoelruimte en dat mevrouw F. door een ongelukkig toeval op de achtergebleven natte plek is uitgegleden. Een dergelijk ongeval kon naar het oordeel van het Hof redelijkerwijze niet door UA worden voorzien, noch vermeden. 2.1.
- Gevolgen Vermits de arbeidsovereenkomst tussen partijen een einde nam door overmacht heeft mevrouw F. geen recht op betaling van een opzeggingsvergoeding, noch op een van de door haar gevorderde beschermingsvergoedingen. Het hoger beroep is bijgevolg wat deze punten betreft niet gegrond. 2.
- Miskenning wedertewerkstellingsverplichting Mevrouw F. vordert vergoeding van de schade die zij zou hebben geleden ingevolge de miskenning door UA van de op haar krachtens artikel 146 ter, ,§3 ARAB rustende verplichting. Bedoeld artikel 146, ter ,§3 schrijft voor dat de werkgever moet trachten elke werknemer op wiens kaart van medisch onderzoek door de arbeidsgeneesheer aanbevelingen in die zin zijn opgetekend, zo snel als mogelijk aan een ander werk te zetten dat strookt met de aanwijzingen van de arbeidsgeneesheer. De aldus op de werkgever rustende verbintenis is een middelenverbintenis en geen resultaatsverbintenis. Overeenkomstig de gemeenrechtelijke regels inzake de bewijsvoering is het mevrouw F. die het bewijs moet leveren van de door haar ingeroepen fout, de ingeroepen schade en het causaal verband tussen beide. Zij kan in dit kader niet volstaan met de vaststelling dat UA haar geen ander werk heeft aangeboden. In casu faalt mevrouw F. in de hoger omschreven, op haar rustende bewijslast. Het Hof kan inderdaad slechts vaststellen dat mevrouw F. tot op heden niet bewijst, zelfs niet aannemelijk maakt, dat zij nog bepaalde al dan niet administratieve taken kon uitoefenen, a fortiori niet dat dergelijk aangepast werk destijds binnen UA voorhanden was. Het is in dit opzicht overigens frappant dat mevrouw F. zelf niet eens een concrete taak of functie vermeldt waarvoor zij zich nog voldoende geschikt acht(te). Mevrouw F. beperkt zich ertoe te verwijzen naar het feit dat door Dr. S. "slechts" een arbeidsongeschiktheid van 58% werd aanvaard, doch niets in het verslag laat toe te besluiten dat Dr. S. mevrouw F., zoals zij beweert, nog in staat achtte om "bepaalde voornamelijk administratieve taken te verrichten". Het Hof wenst hierbij nogmaals in herinnering te brengen dat mevrouw F. in de procedure tegen O. kennelijk zelf voorhoudt dat zij volledig arbeidsongeschikt was en is en dat het dossier ook geen spoor bevat van enige (poging tot) werkhervatting, in welke functie dan ook, sedert het ongeval. Bovendien moet worden opgemerkt dat de arbeidsgeneesheer van oordeel was dat mevrouw F. definitief ongeschikt was, zowel voor verpleegkundige als voor administratieve taken. Het kan in die omstandigheden bezwaarlijk aan UA worden verweten dat aan mevrouw F. geen administratieve functie werd aangeboden, nu artikel 146, ,§3 ARAB de werkgever enkel verplicht om te trachten werk te verschaffen dat strookt met de aanbevelingen van de arbeidsgeneesheer en uiteraard niet om te trachten werk te verschaffen waarvoor de werknemer naar het oordeel van de arbeidsgeneesheer medisch ongeschikt is. Nog afgezien van de vraag of het juist is, zoals mevrouw F. voorhoudt, dat de verplichting voor de werkgever om te trachten aan de werknemer aangepast werk te bezorgen ook bestaat wanneer de bepalingen van het ARAB geen toepassing vinden, blijven bovenstaande overwegingen en besluitvorming gehandhaafd. Gelet op het voorgaande is het hoger beroep ook wat dit punt betreft niet gegrond. 2.
- Pro rata eindejaarspremie Zoals de eerste rechter kan het Hof slechts vaststellen dat mevrouw F. niet het geringste bewijs levert van haar bewering dat zij recht heeft op de gevorderde eindejaarspremie voor het jaar
- 2.
- Incidenteel beroep Het Hof stelt vast dat UA slechts incidenteel beroep instelde in de niet bijgetreden hypothese dat het Hof zou oordelen dat UA ten onrechte de arbeidsovereenkomst wegens overmacht zou hebben beëindigd. Het incidenteel beroep is derhalve zonder voorwerp. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waarvan de voorschriften werden nageleefd. Na beraadslaging, rechtsprekend op tegenspraak, Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. Verklaart het incidenteel beroep zonder voorwerp. Bevestigt voor zoveel als nodig het vonnis van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen van 2 april
- Legt de kosten van het hoger beroep ten laste van mevrouw F.. Vereffent deze aan de zijde van mevrouw F. op 55,77 EUR (uitgavenvergoeding verzoekschrift hoger beroep) en 273,67 EUR (rechtsplegingsvergoeding hoger beroep). Vereffent deze aan de zijde van UA op 273,67 EUR (rechtsplegingsvergoeding hoger beroep). Aldus gewezen en uitgesproken door de tweede kamer van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen in openbare terechtzitting van vijftien september tweeduizend en vier, waar aanwezig waren: mevrouw L. BOEYKENS, Raadsheer, wnd. Voorzitter, de heer W. DEBACKER, Raadsheer in sociale zaken, als werkgever, de heer S. HENS, Raadsheer in sociale zaken, als werknemer-bediende, de heer L. VISKENS, Griffier. PDF document ECLI:BE:AHANT:2004:ARR.20040915.13 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div