id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 16 september 2004 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2004:ARR.20040916.2 Rolnummer: 2030203 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2005-11-22 Raadplegingen: 106 - laatst gezien 2026-07-04 04:08 Fiche Voor de toepassing van artikel 3, 5°bis van het uitvoeringsbesluit RSZ-wet is er geen band van ondergeschiktheid nodig. De toepassing ervan veronderstelt juist dat er geen juridische band van ondergeschiktheid kan vastgesteld worden. Anders behoeft men immers geen beroep te doen op de verruiming van het toepassingsgebied van de sociale zekerheid, maar kan de onderwerping aan de sociale zekerheid voor werknemers vastgesteld worden op grond van artikel 1 van de wet ingevolge het bestaan van een arbeidsovereenkomst. De omstandigheid dat mevrouw V. eigenares is van een aantal aandelen van de vennootschap beslissingsbevoegdheid had en functioneerde als zelfstandig werkend vennoot, sluit in principe de toepassing van de bepalingen van artikel 3, 5°bis van het K.B. van 28/11/1969 niet uit. Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID VOOR WERKNEMERS . ALGEMENE REGELING Toepassingsgebied - Uitbreiding van de regeling - band van ondergeschiktheid - zelfstandigheid - zelfstandig werkend vennoot - taxibedrijf. Wettelijke bepalingen: Wet - 27-06-1969 - 2,§1 Annotaties Publicaties: JOURNAL DES TRIBUNAUX DU TRAVAIL - - 2005(00911,P.111-112) SOCIAALRECHTELIJKE KRONIEKEN - - 2005(00002,P.119-120) Tekst van de beslissing A.R. 2030203 OPENBARE TERECHTZITTING VAN ZESTIEN SEPTEMBER TWEEDUIZEND EN VIER. In de zaak: G. T. BVBA met zetel te 3600 G., Langerloweg nr. 51, Appellante, verschijnend bij mr. Z. M., advocaat te Genk; tegen: DE R. S. Z., met zetel te 1060 B., Victor Hortaplein nr. 11 Geïntimeerde, verschijnend bij mr. N. loco mr. L. D., advocaat te Bree. Gezien de stukken van het dossier van rechtspleging, inzonderheid: x het bestreden eindvonnis van de Arbeidsrechtbank te Tongeren gewezen op tegenspraak tussen partijen op 28 maart 2003 en waarvan geen betekening voorligt; x het verzoekschrift tot hoger beroep ontvangen ter griffie van het Arbeidshof op 16 mei 2003; x de conclusie van geïntimeerde ontvangen ter griffie op 13 oktober 2003; x de beschikking overeenkomstig artikel 747 ,§2 van het Gerechtelijk Wetboek van 12 maart 2004; x de conclusies van appellante ontvangen ter griffie op 13 april 2004; x de syntheseconclusies van geïntimeerde ontvangen ter griffie op 14 mei 2004; x de processen-verbaal van terechtzittingen. Gehoord de partijen in hun middelen en voordracht hunner conclusies ter zitting van 17 juni
- Het hoger beroep werd tijdig en regelmatig naar vorm ingesteld en is ontvankelijk. I. Feiten en voorafgaande rechtspleging. Op 17 juli 1999 werd tijdens een controle van de inspectiediensten van geïntimeerde mevrouw N. V., omstreeks 10.00 uur op F. G. werkend aangetroffen meer bepaald vervoerde zij een klant in opdracht van appellante die een taxibedrijf uitbaat. Hierover ondervraagd verklaarde mevr. V. het volgende: "heden 17.07.99 omstreeks 10 uur treft u mij werkend aan op de F. Ik vervoer hier een klant voor de G. T. BVBA, L. 51 te G.. Ik werk nu reeds ongeveer 3 jaar voor deze firma. Ik word vergoed per kilometer. Ik ben medevennoot in de firma. Ik bezit 2 aandelen. De zaakvoerster van de firma is B. T., ze is mijn baas. Haar vriend P. N. is ook betrokken bij de BVBA. Ik krijg mijn opdrachten van een van beide. Ik ben niet betrokken bij het beheer van de firma. Ik rij enkel met de taxi. Ik ben aangesloten bij een kas voor zelfstandigen. Ik werk op afroep. U vraagt mij onder wiens gezag en leiding ik werk? Ik antwoord u: B. T. is mijn baas". Op 21 oktober 1999 wordt de zaakvoerster van appellante, mevr. B. T., verhoord en deze verklaart het volgende: "De G. T. BVBA is opgericht in april 1994 door mijzelf en mijn man G. R.. Wij waren de oprichters, zaakvoerders en aandeelhouders. Begin 1998 is G. uit de BVBA gestapt, wij waren toen bezig aan de echtscheiding. V. heeft niet gereden in de BVBA van mijn man en ik, wel daarvoor toen de BVBA van mijn broer was. Op 15/6/98 werden de statuten gewijzigd en werden N. P. en V. N. ook aandeelhouders. Ik overhandig U kopie van deze wijziging. Toen de BVBA nog in handen was van G.NE en mij hadden we maar 1 wagen. De overdracht van de aandelen staat geregistreerd in het aandelenregister. Bij de oprichting van G.T.C. waren er 2 wagens. De vergunning van de T staat op mijn naam. Op dit ogenblik hebben we 4 wagens, zij werden allen aangekocht door de BVBA. Facturen hiervan zijn bij mijn boekhouder. Ik toon U het inschrijvingsboekje van de wagen en de verzekeringsformulieren, overal staat de naam BVBA G T vermeld (zie inschrijvingsbewijs van ME 200, chassisnummer WDB2100071A816488, plaatnummer NPV950). Zowel N P als ikzelf krijgen als zaakvoerder maandelijks een vergoeding van 35.000 fr. Mevr. V krijgt maandelijks 10.000 fr. vergoeding, ook in de maanden dat het minder druk is en zijzelf dus ook minder rijdt. Mevr. V is mijn schoonzus en heeft bij mijn weten geen ander inkomen. De telefonische oproepen komen hier bij mij binnen en als N P of ikzelf weg zijn en N Vs hier, neemt zij de telefoon op. In principe rijden N P of ikzelf eerst, maar als het druk is doen we beroep op N V. Oproepen worden automatisch doorgeschakeld van N naar mij en hierna naar V. Als zij dus een oproep krijgt van een klant weet ze dat wij beiden niet beschikbaar zijn en dat zij die opdracht moet doen. V is wel betrokken bij het beheer van de firma, zij is steeds betrokken bij de jaarvergadering en heeft daar ook haar zeggingsschap. Zij is ook betrokken geweest bij de aankoop van de nieuwe wagen. Als bij een voorstel van mij N en V tegen zijn, wordt mijn voorstel niet aangenomen. Zij deelt procentueel in de winst van de firma (volgens de opdrachten). Bij eventueel verlies zal zij ook procentueel moeten bijspringen. Mijn boekhouder is P M, C 14 te G. Als N V ergens moet zijn en dus niet kan rijden zegt zij dit wel op voorhand, zij moet dan ook niet rijden op die dagen.". Uit een nader onderzoek van het vennootschapsdossier van appellante blijkt dat er bij akte van notaris S te O dd. 15 juni 1998 een statutenwijziging werd doorgevoerd waaruit het volgende naar voorkomt:
- Als aandeelhouders fungeren: - Mevr T B : 407 aandelen - Dhr N P: 333 aandelen - Mevr V N: 10 aandelen Totaal: 750 aandelen
- Als tweede niet-statutaire zaakvoerder, naast Mevr B T, die zaakvoerder is, wordt benoemd dhr N P wiens mandaat bezoldigd zal zijn. Met aangetekend schrijven van 18 januari 2000 schrijft geïntimeerde het volgende aan appellante: "Betreft: onderwerping aan het stelsel der sociale zekerheid voor werknemers. Geachte Mevrouw, Geachte Heer, Op basis van de gegevens in het verslag van onze inspectiedienst met kenmerk 99/230/208 dd 30.11.1999 is de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid van oordeel dat V N, op basis van artikel 3, 5° van het KB van 28.11.69, voor haar tewerkstelling voor uw bedrijf onderworpen dient te worden aan het stelsel der sociale zekerheid voor werknemers. Het hierboven vermelde artikel verruimt de toepassing van de sociale zekerheidswet van 27.06.1969 tot: '5°bis de personen die vervoer van personen verrichten dat hun wordt toevertrouwd door een onderneming door middel van voertuigen waarvan zij geen eigenaar zijn of waarvan de aankoop gefinancierd of de financiering gewaarborgd wordt door de ondernemer, of aan wie een onderneming diensten verleent in verband met hun opgedragen vervoer, alsmede tot die ondernemers' Binnenkort zal een van onze inspecteurs bij u langskomen teneinde de gegevens te verzamelen om de nodige regularisatie op te stellen voor de periode vanaf datum van indiensttreding van V N. Wij verzoeken U betrokkene voortaan op uw aangiften te vermelden". Op 12 september 2001 gaan de inspecteurs van geïntimeerde op bezoek bij appellante alwaar zij worden ontvangen door de zaakvoerster Mevr. B T en de externe boekhouder. Mevr. T verklaart dat mevr. N V nog steeds werkzaam is voor de BVBA. Mevr. V is in dienst gekomen op 1 mei
- Zij krijgt een vaste vergoeding van 10.000 frank per maand ongeacht de geleverde prestaties. Zij beschikte tevens over een M voor beroepsdoeleinden alsook voor privé doeleinden en woon werk verkeer. Zij was niet akkoord om mevr. V te onderwerpen aan de RSZ. Er werden bijgevolg ambtshalve regularisaties opgesteld op basis van de vastgestelde bezoldigingen. Met aangetekende brief van 18 oktober 2001 schrijft geïntimeerde het volgende aan appellante: Op basis van de door ons verzamelde elementen en nazicht van uw dossier is de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid van oordeel dat V N voor haar tewerkstelling voor uw bedrijf onderworpen dient te worden aan het stelsel der sociale zekerheid voor werknemers. Immers, zoals reeds gemeld in ons schrijven van 18 januari 2000 wordt, overeenkomstig artikel 3, 5° bis van het Koninklijk Besluit van 28.11.69 de toepassing van de Wet van 27.06.69 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders verruimd tot 'personen die vervoer van personen verrichten dat hun wordt toevertrouwd door een onderneming door middel van voertuigen waarvan zij geen eigenaar zijn of waarvan de aankoop gefinancierd of de financiering gewaarborgd wordt door de ondernemer, of aan wie een onderneming diensten verleent in verband met hun opgedragen vervoer, alsmede tot die ondernemers'. Bijgevolg is zij onderworpen aan de wet van 27 juni 1969 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders en dienen haar prestaties aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid aangegeven te worden. Derhalve gaat de rijksdienst over tot ambtshalve aangifte van de prestaties en lonen voor de periode van 1 mei 1997 t.e.m. 27 mei 2001, steunend op artikel 22 van de wet van 27 juni 1969, op basis van de ons voorgelegde boekhoudkundige stukken. Als bijlage zenden wij u o.a. kopies van de opgestelde aangiften over de kwartalen 2/97 t.e.m. 3/
- Over de periode 4/99 t/m 2/01 zult u eerstdaags berichten van wijziging ontvangen. De verschuldigde bijdragen dienen zonder uitstel aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid overgemaakt door storting of overschrijving op postrekeningnummer 679-0261811-08, met vermelding van uw inschrijvingsnummer en de betreffende periode, voor zover dit nog niet geschiedde. Wij maken alle voorbehoud wat betreft het aanrekenen van bijdrageopslagen en verwijlintresten in toepassing van de wetsbepalingen ter zake.". Op 7 februari 2002 maakt geïntimeerde aan appellante het rekeninguittreksel over, inhoudende de door appellante verschuldigde achterstallige bijdragen op 31 januari 2002 ingevolge regularisatie van mevr. V en betrekking hebbende op de kwartalen 2/97 tot 1/
- Het totaal door appellante verschuldigd bedrag beloopt de som van 7.418,69 EUR. Gezien vrijwillige betaling uitblijft, laat geïntimeerde met exploot van P. V E, plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder van gerechtsdeurwaarder L. H met standplaats te M op 21 maart 2002 appellante dagvaarden voor de Arbeidsrechtbank te Tongeren in betaling van: - de som van 7.418,69 EUR - de verwijlintresten aan de wettelijke intrestvoet op de som der bijdragen, hetzij op 5.574,83 EUR vanaf 31 januari 2002 - de kosten van de dagvaarding. Op 10 april 2002 maakt geïntimeerde aan appellante twee bijkomende rekeninguittreksels over afgesloten op 2 april 2002 en 3 april 2002 betreffende nog verschuldigde sociale bijdragen respectievelijk over het vierde kwartaal 1997 t.b.v. 769,76 EUR en over de kwartalen 4/99 tot 2/01 t.b.v. 5.163,05 EUR. Met aangetekend schrijven van 25 april 2002 schrijft geïntimeerde het volgende aan appellante: "Betreft: ambtshalve regularisatie Geachte mevrouw, Geachte heer, Op basis van de door ons verzamelde elementen en nazicht van uw dossier is de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid van oordeel dat V N voor haar tewerkstelling voor uw bedrijf onderworpen dient te worden aan het stelsel der sociale zekerheid voor werknemers. Immers, zoals reeds gemeld in ons schrijven van 18 november 2001 wordt, overeenkomstig artikel 3, 5° bis van het Koninklijk Besluit van 28 november 1969 de toepassing van de Wet van 27 juni 1969 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders verruimd tot 'personen die vervoer van personen verrichten dat hun wordt toevertrouwd door een onderneming door middel van voertuigen waarvan zij geen eigenaar zijn of waarvan de aankoop gefinancieerd of de financiering gewaarborgd wordt door de ondernemer, of aan wie een onderneming diensten verleent in verband met hun opgedragen vervoer, alsmede tot die ondernemers'. Bijgevolg is zij onderworpen aan de wet van 27 juni 1969 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders en dienen haar prestaties aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid aangegeven te worden. Derhalve gaat de rijksdienst over tot ambtshalve aangifte van de prestaties en lonen voor de periode van 1 juli 2001 t.e.m. 30 november 2001, steunend op artikel 22 van de wet van 27 juni 1969 en op basis van de verklaring afgelegd door de statutair zaakvoerster, Mevrouw T B, op 21 maart
- Als bijlage zenden wij u kopies van de opgestelde aangiften. De verschuldigde bijdragen dienen zonder uitstel aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid overgemaakt door storting of overschrijving op postrekeningnummer 679-0261811-08, met vermelding van uw inschrijvingsnummer en de betreffende periode, voor zover dit nog niet geschiedde. Wij maken alle voorbehoud wat betreft het aanrekenen van bijdrageopslagen en verwijlintresten in toepassing van de wetsbepalingen ter zake.". Met besluiten ontvangen ter griffie van de arbeidsrechtbank te Tongeren op 23 september 2002 breidt geïntimeerde zijn bij dagvaarding geformuleerde eis uit met het bedrag van 769,76 EUR meer de wettelijke verwijlintresten op de som van 549,41 EUR vanaf 2 april 2002 en de som van 5.163,05 EUR meer de wettelijke verwijlintresten op de som van 4.311,12 EUR vanaf 3 april
- Bij vonnis van 28 maart 2003 verklaart de arbeidsrechtbank te Tongeren de vordering ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond (m.n. wordt de eis tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad niet ingewilligd), wordt aan huidige geïntimeerde akte van haar eisuitbreiding verleend, uitbreiding die ontvankelijk en gegrond wordt verklaard en wordt huidige appellante veroordeeld tot betaling aan huidige geïntimeerde: - de som van 7.418,69 EUR, te vermeerderen met de verwijlintresten aan de wettelijke intrestvoet op de som van 5.574,83 EUR vanaf 31 januari 2002 tot de dag der volledige betaling, - de som van 769,76 EUR, te vermeerderen met de verwijlintresten aan de wettelijke intrestvoet op de som van 549,41 EUR vanaf 2 april 2002 tot de dag der volledige betaling, - de som van 5.163,05 EUR, te vermeerderen met de verwijlintresten aan de wettelijke intrestvoet op de som van 4.311,12 EUR vanaf 3 april 2002 tot de dag der volledige betaling. Appellante wordt tenslotte veroordeeld tot de kosten van het geding. De eerste rechters overwogen hierbij dat de betwisting die ter beoordeling voorligt de vraag betreft of mevr. V haar arbeidsprestaties al dan niet uitvoerde in ondergeschikt verband t.o.v. huidige appellante. Hierop kan volgens hen bevestigend geantwoord worden zodat de geleverde prestaties conform artikel 1 van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders onderworpen zijn aan de bijdrageregeling. Tevens stellen de eerste rechters dat alle voorwaarden voor de toepasselijkheid van artikel 3, 5° bis van het Koninklijk Besluit van 28 januari 1969 zijn vervuld. Met verzoekschrift ontvangen ter griffie van het arbeidshof op 16 mei 2003 stelt appellante hoger beroep in tegen voormeld vonnis. II. In rechte.
- Appellante stelt dat mevr. N V niet onder toepassing van het socialezekerheidsstelsel der werknemers valt doch wel onder dit van de zelfstandigen. Door geïntimeerde wordt volgens appellante m.n. niet aangetoond dat V arbeidsprestaties leverde onder haar gezag en dat zij gewerkt heeft in ondergeschikt verband. Mevr. V is deelgenoot in de vennootschap met tien aandelen, zij had beslissingsbevoegdheid en functioneerde als zelfstandig werkend vennoot, aldus appellante.
- Het Hof merkt echter dienaangaande op dat geïntimeerde, blijkens de stukken van het administratief dossier en meer bepaald de ingebrekestellingen van 18 januari 2000, 18 oktober 2001 en 25 april 2002 (zie sub I), zijn vordering steunt op artikel 3, 5° bis zoals het werd ingevoegd in het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders bij artikel 1 van het koninklijk besluit van 15 juni 1970 (B.S. 30.06.1970) en niet op grond van artikel 1 van de wet van 27 juni 1969 voormeld, artikel dat ook door de eerste rechters ten onrechte als basis van de beoordeling van de tussen partijen gerezen betwisting wordt genomen. Luidens artikel 2, ,§1, 1° van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders kan, de Koning, bij in ministerraad overgelegd besluit en na het advies van de Nationale Arbeidsraad te hebben ingewonnen, de toepassing van deze wet uitbreiden, onder de voorwaarden die hij bepaalt, tot de personen die, zonder door een arbeidsovereenkomst te zijn verbonden, tegen loon arbeidsprestaties onder gezag van een ander persoon verrichten of die arbeid verrichten in gelijkaardige voorwaarden als die van een arbeidsovereenkomst. Ter uitvoering daarvan werd bij koninklijk besluit van 28 november 1969, inzonderheid artikel 3, 5° bis de toepassing van de wet verruimd tot, onder meer, de personen die vervoer van personen verrichten dat hen wordt toevertrouwd door een onderneming, door middel van voertuigen waarvan zij geen eigenaar zijn of waarvan de aankoop gefinancierd of de financiering gewaarborgd wordt door de ondernemer, of aan wie een onderneming diensten verleent in verband met het hun opgedragen vervoer, alsmede tot die ondernemers. Het Hof van Cassatie heeft in een arrest dat weliswaar de toepassing van artikel 3, 5° van het koninklijk besluit van 28 november 1969 betrof waarin de vervoerders van goederen worden beoogd doch dat per analogie eveneens kan gelden voor artikel 3, 5° bis van hetzelfde koninklijk besluit dat de vervoerders van goederen viseert, zoals in casu, uitdrukkelijk overwogen dat voor de toepassing van artikel 3, 5° bis voormeld, een persoon arbeid kan verrichten in gelijkaardige voorwaarden als die van een arbeidsovereenkomst zonder juridisch onder het gezag van een andere persoon te staan en dat voor de toepassing van die wet op grond van artikel 3, 5° - en dus ook van artikel 3, 5°bis - van het voornoemd koninklijk besluit derhalve niet vereist is dat het verrichten van vervoer door de ondernemer kan worden opgelegd, noch dat de ondernemer de voorwaarden waaronder het vervoer moet worden verricht, kan bepalen (Cass. 10.10.1988, RW 1988-1989, nr. 23, p. 775 en 776). In een ander arrest oordeelde het Hof van Cassatie verder dat het voor de toepassing van het bewuste artikel - en dus ook per analogie voor artikel 3, 5°bis - het evenmin vereist is dat de ondernemer aan de vervoerder welbepaalde opdrachten van goederenvervoer of opdrachten van goederenvervoer bepaald naar de aard van het vervoer of de identiteit van de klant geeft, m.a.w. dat die opdracht van de ondernemer algemeen kan zijn (Cass. 21.06.1993, J.T.T. 1993, 376 en vlg). Tenslotte oordeelde het Hof van Cassatie zelfs dat het bewijs dat de vervoerders hun activiteit in volledige zelfstandigheid zouden uitoefenen geen afbreuk kan doen aan de toepassing van artikel 3, 5° en per analogie ook niet van artikel 3, 5°bis van het koninklijk besluit van 28 november 1969 (Cass. 10.04.1989, R.W. 1989-90, 223). Uit het voorgaande volgt dus dat voor de toepassing van artikel 3, 5°bis van het uitvoeringsbesluit RSZ-wet er geen band van ondergeschiktheid nodig is. De toepassing ervan veronderstelt juist dat er geen juridische band van ondergeschiktheid kan vastgesteld worden. Anders behoeft men immers geen beroep te doen op de verruiming van het toepassingsgebied van de sociale zekerheid maar kan de onderwerping aan de sociale zekerheid voor werknemers vastgesteld worden op grond van artikel 1 van de wet ingevolge het bestaan van een arbeidsovereenkomst. Heel het discours van appellante zoals ook de redengeving van de eerste rechters welke gebaseerd is op het ondergeschikt verband is derhalve in casu irrelevant. De toepassing van de sociale zekerheid voor werknemers op vervoerders van personen hangt van geen andere voorwaarde af dan die gesteld bij artikel 3, 5° bis van het uitvoeringsbesluit RSZ-wet. Er moet dus enkel worden nagegaan of er voldaan is aan de door de Koning in artikel 3, 5°bis bepaalde voorwaarden, m.n.:
- het vervoer uitgevoerd werd middels voertuigen waarvan de chauffeurs geen eigenaar zijn
- de chauffeurs van de ondernemer een algemne opdracht hebben gekregen om personen te vervoeren en zij deze opdracht aanvaard hebben. Welnu het Hof is van mening dat uit het onderzoek, uitgevoerd door de inspecteurs van geïntimeerde, en uit de verklaring van V duidelijk blijkt dat de voormelde voorwaarden vervuld zijn. Noch appellante (cfr. haar beroepsbesluiten) noch V betwisten dat de voertuigen eigendom zijn van appellante. Verder is bewezen dat V van appellante de algemene opdracht kreeg vervoer van personen te verrichten en dat V deze opdracht aanvaardde. Het feit dat de oproepen automatisch van de zaakvoerster en wanneer deze bezet is van haar partner komen om uiteindelijk, wanneer ook deze laatste niet kan, terecht te komen bij V doet geen afbreuk aan het feit dat V handelde in het kader van de algemene vervoersopdracht die haar toevertrouwd werd door appellante. De omstandigheid dat V eigenares is van een aantal aandelen van de vennootschap sluit in principe de toepassing van de bepalingen van artikel 3, 5°bis van het koninklijk besluit van 28 november 1969 niet uit (Noot Declercq H. onder Arbh. Antw. 20.12.1989, Rev. dr. soc. 1990, p. 142).
- Het voorgaande standpunt komt voort uit de legitieme bezorgdheid om te verijdelen dat beroep wordt gedaan op de kunstgreep die erin bestaat aan chauffeurs vennootschapsaandelen toe te kennen om hen deelgenoot te maken, dit echter zonder dat hun activiteit beantwoordt aan een reële affectio societatis in de betekenis die het Hof van Cassatie er onder verstaat (Cass. 02.02.1981, Pas., 1982, I, 605). Uit de parlementaire bescheiden van de Senaat (zitting 1968-1969, nr. 18, memorie van toelichting, blz. 3) blijkt dat de uitbreiding van het sociaal zekerheidsstelsel der werknemers zoals ze werd doorgevoerd door het koninklijk besluit van 28 november 1969 in uitvoering van artikel 2 van de wet van 27 juni 1969 de personen bedoelt "welke men schematisch 'marginale werknemers' heeft genoemd want, wegens een enkel theoretische onafhankelijkheid zijn ze wederrechtelijk aan de regeling voor de sociale zekerheid onttrokken terwijl ze in feite op dezelfde wijze hun arbeid verrichten als de werknemers". Van het bestaan van enige "affectio societatis" in hoofde van V kan moeilijk gesproken worden indien vastgesteld wordt dat zij niet eens weet hoeveel aandelen zij bezit in de vennootschap. V stelt in haar verklaring dat zij 2 aandelen bezit daar waar appellante beweert dat het er 10 zijn. Ook beweert V dat zij vergoed wordt per kilometer daar waar appellante voorhoudt dat zij 10.000 Bef per maand ontvangt onafgezien van haar prestaties. Tenslotte verklaart V expliciet dat zij niet betrokken is bij het beheer; zij rijdt enkel met de taxi (cfr. verklaring sub I). Het procesverbaal van de jaarvergadering van 13 juni 2000 dat appellante bijbrengt onder stuk 3 van haar bundel kan niet aanvaard worden als geldig bewijs van de deelname van V aan het beheer nu dit stuk dateert van na de vaststellingen van de inspecteurs van geïntimeerde en dus verdacht kan worden van opgesteld te zijn "pour le besoin de la cause". Ten onrechte tenslotte verwijst appellante naar artikel 2 van het koninklijk besluit van 19 december 1967 houdende algemeen reglement in uitvoering van het koninklijk besluit nr. 38 nu V geen mandaat uitoefent in de vennootschap. Een werkende vennoot, zoals appellante V betitelt, is immers geen mandataris. Aangezien aan de voorwaarden van artikelen 3, 5°bis van het koninklijk besluit van 28 november 1969 werd voldaan, kan de argumentatie door appellante ontwikkeld niet worden gevolgd, dient het bestreden vonnis op voormelde gronden bevestigd en dient het hoger beroep als ongegrond afgewezen. O P D I E G R O N D E N: HET HOF, Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Gehoord het Openbaar Ministerie, vertegenwoordigd door de heer R. Nelissen, Advocaat-generaal, in zijn gelijkluidend mondeling advies op de openbare terechtzitting van 17 juni 2004, waaromtrent partijen verklaren geen opmerkingen te hebben. Na beraadslaging, recht doende op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. Bevestigt, weliswaar om deels andere redenen, het bestreden vonnis van de Arbeidsrechtbank te Tongeren gewezen op 28 maart
- Verwijst appellante in de kosten van huidige beroepsprocedure. Vereffent deze aan de zijde van appellant op 273,67 EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep. Vereffent deze aan de zijde van geïntimeerde op 273,67 EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep. Aldus gewezen en uitgesproken door de Vierde Kamer van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, zitting houdend te Hasselt in openbare terechtzitting van zestien september tweeduizend en vier, waar aanwezig waren: PDF document ECLI:BE:AHANT:2004:ARR.20040916.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div