← België

ECLI:BE:AHANT:2004:ARR.20040920.2

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 20 september 2004 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2004:ARR.20040920.2 Rolnummer: 2030213 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2005-03-10 Raadplegingen: 127 - laatst gezien 2026-07-01 00:52 Fiches 1 - 2 Inzake beroepsziekten moet het slachtoffer slechts bewijzen dat er tijdens de arbeid blootstelling is geweest aan een risico welk is opgenomen in de lijst en aan de daarmede corresponderende ziekte. Bij bewijs is er een onweerlegbaar vermoeden van causaal verband. De Administratieve Gezondheidsdienst bij het Ministerie van Volksgezondheid en Gezin heeft een beslissing genomen van bestaan van beroepsziekte en graad van invaliditeit. De Overheidsdienst-werkgever moet die beslissing, voor wat de werkonbekwaamheid betreft, eerbiedigen. Anders oordelen betekent de negatie van de rol van A.G.D. Een overheidsbeslissing mag niet van zodanige aard zijn dat zelfs de grondslag ervan in betwisting kan worden gesteld door andere overheidsdiensten. Vrije woorden: BEROEPSRISICO'S . BEROEPSZIEKTEN IN DE OVERHEIDSSECTOR werkingssfeer. Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 05-01-1971 - 11 Wet - 03-07-1967 - 1 Vrije woorden: BEROEPSRISICO'S . BEROEPSZIEKTEN IN DE OVERHEIDSSECTOR werkingssfeer Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 03-01-1971 - 4 Wet - 03-07-1967 - 2 Nota: Gerangschikt onder VI D - artikel 1 en onder VI D artikel

  1. Tekst van de beslissing A.R. 2030213 OPENBARE TERECHTZITTING VAN TWINTIG SEPTEMBER TWEEDUIZEND EN VIER In de zaak: SEWDT, met maatschappelijke zetel gevestigd te ; Beroepster, verschijnend bij mr. H. V. loco mr. A. V., advocaat te B.. Tegen : A,E, O., wonende te ; Beroepene, verschijnend bij mr. N. W. loco mr. Ph. W., advocaat te H.. Gezien de stukken van het dossier van rechtspleging, inzonderheid: - het bestreden eindvonnis van de Arbeidsrechtbank te Tongeren van 17 februari 2003, gewezen onder A.R. nr. 2772/96; - het verzoekschrift, houdende akte van hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit Arbeidshof op 26 mei 2003; - de besluiten en aanvullende besluiten van beroepene, ontvangen ter griffie van dit Hof op 28 augustus 2003 en 5 maart 2004 en de besluiten en aanvullende besluiten van beroepster, ontvangen ter griffie van dit Hof op 9 februari 2004 en 23 maart
  2. Gezien de stukken van het dossier van rechtspleging en gehoord de partijen in hun middelen ter zitting van 21 juni
  3. Voorwerp van het geschil: Met de beslissing van 2 oktober 1986 van de Administratieve Gezondheidsdienst bij het Ministerie van Volksgezondheid, werd huidig beroepene blijvend invalide erkend voor 12 % ingevolge beroepsziekte, te weten wegens beenen gewrichtsziekten en trillingsartrose in de wervelzuil lumbaal, doch appellante weigert die beslissing van de Administratieve Gezondheidsdienst te erkennen en uit te voeren. De heer O.A., beroepene, bracht het geschil voor de Arbeidsrechtbank te Tongeren, middels dagvaarding dd. 19 juli
  4. Bij tussenvonnis van 28 november 1994 werd omtrent het medisch vraagstuk het advies ingewonnen van een geneesheer-deskundige, waartoe Dr. J. R werd aangesteld. Deze kreeg onder meer de opdracht: "... de professionele loopbaan door aanlegger afgelegd te reconstrueren als rechthebbende van de wetgeving van de vergoeding van de schade voortspruitend uit de beroepsziekten en de periode te bepalen waarin hij beroepshalve blootgesteld (was) aan mechanische trillingen; te zeggen of aanlegger blootgesteld is geworden aan de beroepsrisico's van een been- of gewrichtsziekte, te wijten aan mechanische trillingen..." In het eindverslag van de expertiseverrichtingen, neergelegd ter griffie van de Arbeidsrechtbank op 17 juli 1995, komt de deskundige tot de volgende besprekingen en besluiten: - betrokkene was vanaf 1948 praktisch voortdurend blootgesteld aan trillingen inwerkend langs het zitvlak, te weten tot 1959 in de privé-sector en vanaf 1959 tot eind 1969 bij de buurtspoorwegen; - volgens gangbare opvattingen betreffende beroepsziekte waren zowel vrachtwagens en bussen op het toenmalige Belgische wegennet van die aard dat de trillingen, inwerkend langs het zitvlak voldoende waren om beroepsziekte te veroorzaken; - zowel voor wat aangaat de ernst en de aanvang van de aantasting kunnen de schattingen van het Ministerie van Volksgezondheid en Leefmilieu aanvaard worden; - geïntimeerde is door die beroepsziekte behept met degeneratieve aantastingen van de wervelzuil; - de blijvende arbeidsongeschiktheid kan geschat worden op 12% van 5 november 1984 af, evoluerend naar 13% vanaf 22 februari
  5. Met het vonnis van de Arbeidsrechtbank van 1 april 1996, bij verstek gewezen opzichtens de "S.R.W.d.T." werd de vordering van oorspronkelijke eiser gegrond verklaard, de bestreden administratieve beslissing vernietigd, waarna de verwerende partij werd veroordeeld tot betaling aan eiser een jaarlijkse vergoeding zoals voorzien door de wet op de beroepsziekten wegens bestendige arbeidsongeschiktheid van 12% vanaf 5 november 1984 en 13% vanaf 22 februari 1989 te berekenen op een basisloon overeenkomstig de toepasselijke wetgeving inzake de beroepsziekte waaronder het personeel van verwerende partij ressorteert; verweerster werd ook verwezen in de gerechtskosten. Bij dagvaarding van 7 juni 1996 tekende de S.R.W.d.T. verzet aan tegen gemeld verstekvonnis; daarbij werd aangevoerd dat de beslissing van de Administratieve Gezondheidsdienst haar niet tegenstelbaar was, dat uit de motivering van het deskundig verslag helemaal niet kan worden opgemaakt of het standpunt van de deskundige gefundeerd is op zowel de medische vaststellingen alswel op de wetgeving inzake beroepsziekten, welk vereist dat de betrokkene niet alleen zou blootgesteld zijn aan mechanische trillingen maar ook aan het risico op een osteo-articulaire aandoening ingevolge deze trillingen waarvan de intensiteit en de duur voldoende zijn om het risico te veroorzaken, d.w.z. dat deze trillingen ook moeten beantwoorden aan een minimale dosis in duurtijd en intensiteit, waarvan de samenloop veronderstelt dat bij overschrijding ervan risico ontstaat zonder daarom de oorzaak van de ziekte te zijn. Ook zou de deskundige onvoldoende rekening hebben gehouden met de aard van de blootstelling, zoals het gebruikte voertuigtype, de staat van de wegenis en de trajecten welke betrokkene volgde, duur der zitten in verhouding met de rest van zijn prestaties en in het algemeen geen rekening heeft gehouden met de internationale Iso-norm 2631/1m/s
  6. Waarna de Arbeidsrechtbank bij vonnis van 24 februari 1997 het advies inwon van een college van deskundigen, te weten de heer A. G, ergoloog te Antwerpen en de heer W.V., ingenieur te Hasselt. Hen werd de volgende opdracht gegeven: "na partijen en hun raadslieden per aangetekend schrijven, minstens acht dagen op voorhand te hebben verwittigd nopens de dag, het uur en de plaats waar zij hun verrichtingen zullen aanvatten, na zich omringd te hebben met alle nuttige gegevens en inlichtingen, na te gaan of verweerder op verzet werd blootgesteld aan een beroepsrisico, dat een osteo-articulaire aandoening kon veroorzaken ten gevolge van mechanische trillingen, en derhalve van trillingen die voldoende waren in intensiteit en duurtijd om een risico te vormen voor een dergelijke aandoening, die aanzienlijk veel groter zijn dat diegene die door de bevolking in het algemeen worden ondergaan, en van aard zijn om de ziekte te veroorzaken, zoals algemeen door de wetenschap aanvaard. Verder zo mogelijk een technische expertise te organiseren waarbij de trillingsintensiteiten en het blootstellingsrisico aan mechanische trillingen van autobussen gebruikt door de vervoermaatschappijen wordt nagegaan". Met het arrest van dit Hof, gewezen op 21 juni 1999 onder A.R. nr. 970201, werd dit beroep afgewezen op de volgende motivering: "De deskundige, Dr. J. R, is van oordeel dat beroeper is aangetast door degeneratieve aandoeningen van de wervelzuil (cfr. radiologisch onderzoek), doch bij die besluitvorming wordt nergens aangetoond dat deze arthrose haar oorzaak vindt in de mechanische trillingen. Op dit punt is het deskundig verslag nergens gemotiveerd en er wordt geen verklaring gegeven waarom hij van mening is dat die aantasting het gevolg is van trillingen en niet van andere oorzaken. Door daaromtrent een nader deskundig onderzoek te gelasten heeft de Arbeidsrechtbank enkel gevolg gegeven aan de wettelijke voorschriften terzake de erkenbaarheid van de beroepsziekte, te weten werd het college van deskundigen gelast te onderzoeken in welke mate beroeper is aangetast door een osteo-articulaire aandoening, veroorzaakt door mechanische trillingen" In dit arrest is wel een vergissing geslopen. Dr. H. G. is geen ergoloog maar wel een geneesheer en heeft inzonderheid als medische discipline de traumatologie en orthopedie; is ook gespecialiseerd in expertises. Beide deskundigen komen in college oordelend tot de volgende besluiten: "Het blijkt uit het technisch rapport dat het onmogelijk te bewijzen is dat de heer O. wel zou blootgesteld zijn aan trillingen, die schade zouden kunnen berokkenen. Het is natuurlijk ook onmogelijk te bewijzen dat dit zeker niet is. Uit de medische bevindingen schijnt in dit concreet geval het zeker niet aanneembaar te zijn als beroepsziekte, vermits de heer O. sterkere spondylartrose vertoont op de streken die minder blootgesteld staan en het zeker over een constitutionele toestand gaat. Opgemerkt dient nog dat in de lenden patiënt niet meer afwijkingen heeft dan wat men gemiddeld kan vinden op zijn ouderdom. Het expertiseverslag van Dr. J. R. schijnt simpel een beaming te zijn van de decisies van de Administratieve Gezondheidsdienst zonder voldoende nagaan van de elementen. Moest nochtans de Rechtbank menen dat de presumpties zo sterk zijn dat men beroepsziekte moet aannemen als het niet bewezen is dat de blootstelling zeker pathologisch was en ook niet bewezen is dat de letsels, die bestaan, eerder daarvan komen dan van een constitutionele toestand, dat zou 12% zoals Dr. J. R. had voorgesteld, misschien niet corresponderen met een wetenschappelijk gerechtvaardigd niveau, maar zeker wel met de usele manier van doen van de Administratieve Gezondheidsdienst en ook van het Fonds voor Beroepsziekten. Ook op het voorverslag van de heer W. V. werden opmerkingen geformuleerd doch deze waren volgens deze deskundige onvoldoende om zijn besluiten te herzien (zie evenwel infra). Met het vonnis van de Arbeidsrechtbank te Tongeren van 17 februari 2003 werd geoordeeld dat de S.R.W.d.T., hierbij aangeduid als werkgever, de geldigheid van de administratieve beslissingen zoals deze van de Administratieve Gezondheidsdienst, welke voor de inwerkingtreding van het besluit van 13 augustus 1990 - het betreft een K.B. waarbij de toestand van de in het K.B. van 23 december 1990 bedoelde instelling en van een aantal andere instellingen die in dezelfde situatie verkeerden (zoals de S.R.W.d.T.) met retroactieve werking is geregulariseerd geworden - niet kan betwisten. Bijgevolg werd het verzet ongegrond verklaard, het verstekvonnis van 1 april 1996 bevestigd en de verzetdoende partij verwezen in de gerechtskosten. Van dit vonnis komt de S.R.W.d.T. thans in beroep. Het beroepschrift is regelmatig naar vorm en tijd, is ontvankelijk. Appellante vertoogt in beroepschrift en conclusie het bestreden vonnis van de Arbeidsrechtbank te Tongeren van 17 februari 2003 integraal te vernietigen. Beroepene zijnerzijds postuleert dit te bevestigen. Beoordeling. Partijen blijven bij hun standpunten zoals zij deze weergaven in de procedure van eerste aanleg. Deze kunnen in de navolgende zin worden besproken.
  7. Voor de toekenning van een vergoeding wegens beroepsziekte moet aan een dubbele voorwaarde worden voldaan (zie ook de bepalingen van het K.B. van 5 januari 1971), te weten de vaststelling van het bestaan van een beroepsziekte en vervolgens de blootstelling aan een beroepsrisico. Er kan in dit verband ook verwezen worden naar artikel 32, 1ste lid van de gecoördineerde wetten betreffende schadeloosstelling van beroepsziekten. Deze principes zijn overdraagbaar naar de regeling voor personen in overheidsdienst. Er is daarbij tevens voorzien dat er schadeloosstelling verschuldigd is wanneer de door de beroepsziekte getroffen persoon aan het beroepsrisico dezer ziekte blootgesteld is geweest gedurende de ganse periode of een deel ervan in de loop waarvan de getroffene behoorde tot één der categorieën van personen bedoeld in artikel 2 of gedurende welke hij krachtens artikel 3 verzekerd was. De wetgever heeft zelf beschikt, onder impuls van de Conventie nr. 18 van de Internationale Arbeidsorganisatie zoals herzien o.m. door de Conventie nr. 42, en geopteerd voor een lijstensysteem welk nominatim opgeeft welke ziekten worden geacht een oorzakelijk verband te hebben met het beroep, d.w.z. aandoeningen waarvan de wetgever zelf het oorzakelijk verband als bewezen acht door de wettelijke erkenning van het professioneel karakter van deze aandoeningen. Dit systeem biedt het voordeel dat de slachtoffers slechts twee zaken moeten bewijzen, te weten een blootstelling aan een in de lijst vermeld risico gedurende de arbeid en het bestaan van een in de lijst opgenomen en aan het risico corresponderende ziekte. Hij wordt derhalve ontslagen van de bewijslast dat er in zijn individueel geval wel sprake is van een werkelijke en exclusieve veroorzaking van zijn aandoening door het concrete risico welk hij opgelopen heeft (J. Viaene en D. Lahaye "Medische en juridische causaliteit - de betekenis van de door de wetgever "erkende" beroepsziekten R.W. 1975-76, kolom 479-488). Zoals hoger gezegd ontstaat er, mits levering van het dubbel bewijs, een wettelijk onweerlegbaar vermoeden dat er een causaal verband bestaat tussen de ziekte en de arbeid, zodat de beroepsziekte onweerlegbaar dient te worden aanvaard (zie ook J. Van Langendonck en J. Put "Handboek Sociaal Zekerheidsrecht", Intersentia, 2000, 399). Het is wel zo dat de beroepsziektenerkenning bij latere wetgeving is uitgebreid tot deze welke niet op de bewuste lijst voorkomen en dat daarbij de bewijslast wettelijk anders werd geregeld, doch zulks is niet terzake voor het onderhavig casus.
  8. Inzake de vaststelling van de beroepsziekte werd bij vonnis van de Arbeidsrechtbank te Tongeren dd. 28 november 1994, het advies ingewonnen van een geneesheer-deskundige, Dr. J. Roex. Deze komt tot de conclusie dat beroepene van 1948 af praktisch voortdurend blootgesteld is geweest aan trillingen, inwerkend langs het zitvlak van 1948 tot 1959 in dienstverband zijnde van een privé firma en vanaf 1959 tot einde 1969 bij de buurtspoorwegen. Hij merkt daarbij op dat, volgens de gangbare opvattingen betreffende beroepsziekte het zo is dat de vrachtwagens en bussen en ook het Belgisch wegennet vóór 1970 van die aard waren dat de trillingen inwerkend langs het zitvlak, voldoende waren om beroepsziekte te veroorzaken. Voor wat betreft de aantasting aanvaardt de deskundige de schattingen van het Ministerie van Volksgezondheid en Leefmilieu zowel wat de ernst als wat de aanvangsdatum betreft; de blijvende arbeidsongeschiktheid zou derhalve 12% belopen vanaf 5 november 1984, evoluerend naar 13% vanaf 22 februari
  9. De bemerking inzake de staat van het wegennet is uiteraard niet van deskundige aard. Het is algemeen bekend dat het wegennet in België op vele plaatsen erg te wensen overliet, zeker in de omstreken van Tongeren en Luik. Blijkbaar verwijst de deskundige wel naar de omstandigheid dat het Fonds voor Beroepsziekten besliste, na rijp beraad, dat het niet mogelijk is de huidige metingen te extrapoleren naar de blootstelling die plaatsvond vóór 1 januari 1970, temeer omdat zelfs de metingen vermeld in de literatuur niet kunnen gebruikt worden omdat zij niet conform zijn met de ISO-norm 2631 (welke pas vanaf 1974 bestaat). Deze veronderstelling geldt evenwel slechts voor vrachtwagenbestuurders welke vóór 1970 beroepsmatig ten minste vijf jaar blootgesteld zijn geweest en gelet op de twijfel werden zij beschouwd als blootgesteld aan het risico van been- en gewrichtsziekten veroorzaakt door mechanische trillingen; die presumptie geldt niet voor autobuschauffeurs.
  10. Dr. G. voornoemd besluit: "... Uit de medische bevindingen schijnt in dit concreet geval het zeker niet aanneembaar te zijn als beroepsziekte, vermits de heer O. sterkere spondyl-arthrose vertoont op de streken die minder blootgesteld staan en het zeker over een constitutionele toestand gaat. Opgemerkt dient nog dat in de lenden patiënt niet meer afwijkingen heeft dan wat men gemiddeld kan vinden op zijn ouderdom. Het expertiserapport van Dr. J. R. schijnt simpel een beaming te zijn van de decisies van de Administratieve Gezondheidsdienst zonder voldoende nagaan van de elementen ..." De eerste rechter merkte reeds fijntjes op dat Dr. G. zijn kritiek op het expertiseonderzoek van Dr. R. niet spaart. Inzonderheid verwijt hij Dr. R. een gebrek aan volledig klinisch onderzoek en slaafse volgzaamheid t.o.v. het standpunt van de Administratieve Gezondheidsdienst. Doch evenzeer terecht heeft de eerste rechter vastgesteld dat Dr. G. zelf in gebreke is gebleven een deugdelijk klinisch onderzoek uit te voeren. Bovendien is beroepene niet te spreken over de vraagstelling van Dr. G. als zou hij simuleren of aandoeningen aggraveren, m.a.w. bij het medisch onderzoek tot hogere lichaamsprestaties in staat zijn dan voorgewend. Beroepene heeft daarbij nogal wat bedenkingen, welke niet op hun waarachtigheid kunnen worden gemeten, doch zeker vermeldenswaard zijn. Overigens heeft dit Hof ook de ervaring dat Dr. G. zich regelmatig denigrerend uitlaat aan het adres van andere deskundigen, a fortiori deze welke in Limburg praktiseren.
  11. Er kan niet worden ontkend dat beroepene behept is met een beroepsziekte. De Administratieve Gezondheidsdienst heeft daaromtrent een onderzoek gevoerd en komt tot het besluit dat er sprake is van een invaliditeit van 12%, nadien 13%. Deze conclusie is gesteund op een medisch onderzoek welk op beroepene werd uitgevoerd. Dr. J. R. bevestigt die bevindingen. Het is wel goedkoop te beweren, zoals Dr. G. dit deed, dat noch de A.G.D. noch het F.B.Z., noch de deskundige hun onderzoeken naar behoren uitvoeren, doch daarbij geeft Dr. G. niet aan op welke grondslag hij die mening is toegedaan. Bovendien is het besluit van Dr. G. van twijfelachtige aard, waar deze stelt dat, doordat beroepene sterkere spondylarthrose vertoont in lichaamsdelen welke niet of minder werden blootgesteld dan deze waarin de beroepsziekte werd opgelopen en ook normale ouderdomssleet vertoont, de beroepsziekte niet als aanneembaar voorkomt. Dr. G. vergeet daarbij immers dat zowel de A.G.D. als Dr. J. R. wel de mening zijn toegedaan dat er sprake is van een beroepsziekte. Dr. G. gaat zodoende uit van een verkeerde premisse, ofwel trekt hij uit de vaststellingen niet de juiste besluiten. Dr. A. G. gaat ook voorbij aan het wettelijk ingesteld vermoeden dat, eenmaal een beroepsziekte is bewezen én een blootstelling, de getroffene geen oorzakelijk verband meer moet aantonen. In concreto betekent zulks dat de normale lichaamssleet of afwezigheid van spondylarthrose in andere lichaamsdelen of goede toestand van de lendenen, geen beoordelingsgegevens mogen zijn. Alleszins zijn de bemerkingen van Dr. G. niet van die aard dat zij de medische bevindingen van de Administratieve Gezondheidsdienst en van Dr. J. R. ontkrachten.
  12. Er mag derhalve worden besloten dat beroepene een beroepsziekte heeft aangetoond en dat deze in de hoegrootheid dient vastgelegd op 12% vanaf 5 november 1984 en 13% vanaf 22 februari
  13. Ten overvloede kan hierbij worden verwezen naar het arrest van het Hof van Cassatie dd. 22 januari 1996 inzake O.C.M.W. Luik t/ De Michele, waarbij werd geoordeeld dat de overheid gebonden is door de bevoegdheid van de medische dienst overeenkomstig de toepassing van de artikelen 10, 11 en 16 van het K.B. van 12 januari 1973 betreffende de beoordeling van de beroepsziekte. Deze wettelijke bepalingen zijn volledig overdraagbaar, met de daaraan verbonden beoordeling naar onderhavige materie.
  14. Rest de problematiek van de blootstelling, de meetnorm en de blootstellingsnorm. De intensiteit van de trillingen wordt meestal uitgedrukt in m/s2, dit is de versnelling van de verplaatsing van de contactplaats (zetel waarop de bestuurder zit). Deze verplaatsing wordt ontbonden in drie componenten, volgens een loodrecht assenstelsel, waarvan de z-richting gaat van zitvlak naar hoofd, de x-richting van rug naar voorkant en de y-richting van rechts naar links. Bij de meeste voertuigen zijn de lichaamstrillingen volgens de verticale richting (z) veruit het belangrijkste. De 'gevoeligheid' van het menselijk lichaam aan trillingen is niet dezelfde voor alle frequenties. De meeste schadelijke frequenties liggen in de buurt van de eigenfrequenties van de verschillende 'onderdelen' van de wervelzuil en liggen tussen 1 en 20 Hz (1 Hz = 1 Hertz = 1 trilling/seconde), met een maximum tussen 4 en 8 Hz (eigenfrequentie van de lichaamsdelen). Indien de frequentie van de uitwendig veroorzaakte trilling samenvalt met de eigenfrequente van het lichaamsdeel, treedt resonantie op. De ISO (International Standard Organisation) is (volgens het voorwoord van de ISO-norm 2631): "een internationale federatie van nationale organisaties (leden van de ISO). De ontwikkeling van deze criteria wordt toevertrouwd aan de technische raden van de ISO. Ieder lid (land) dat belang stelt in een studie heeft het recht deel te nemen aan de technische raad die daarvoor wordt opgericht. De internationale normen worden overeenkomstig de voorschriften van de ISO aanvaard indien 75% van de stemmende leden daartoe de goedkeuring geeft", d.w.z. als MEETNORM, niet zozeer als beoordelingsnorm. De technisch deskundige, de heer W.V. komt tot de besluiten: "
  15. De ISO-norm die geldt als dagblootstellingsnorm (althans voor de verticale richting) en door de Technische Raad van het FBZ als basis wordt gebruikt voor het blootstellingscriterium, is vooral een meetnorm en geen blootstellingsnorm. Hoewel het bestaan van deze norm een internationale goedkeuring inhoudt (aanvaarding van de norm na goedkeuring door 75% van de stemmende leden), is er (vanaf haar ontstaan) over heel wat onderdelen (nog) geen consensus en worden ook nu nog door personen of werkgroepen voorstellen tot wijziging/aanpassing geformuleerd. Er worden tevens vragen gesteld over de wijze waarop de norm tot stand gekomen is en er zijn zelfs suggesties tot het gebruik van een ander norm (Malchaire).
  16. Uit de studie van recente literatuur en van literatuurstudies kan worden afgeleid dat het nauwelijks mogelijk is om op basis van de tot nog toe beschikbare epidemiologische onderzoeken een dagelijks blootstellingscriterium op te stellen dat toelaat met voldoende hoge graad van zekerheid te stellen of er al dan niet rugletsels worden veroorzaakt (geen voldoende duidelijke dosis-effect-relatie) als gevolg van trillingen. Bovendien zal welk criterium dan ook een arbitraire keuze zijn voor een gemiddelde blootstelling en zijn er nauwelijks gegevens voorhanden over de spreiding en de standaardafwijking. Het analyseren van de gegevens uit het epidemiologisch onderzoek wordt vooral bemoeilijkt doordat rugletsels

(1)aspecifiek en
(2)multicausaal blijken te zijn, terwijl bovendien het effect laattijdig optreedt. M.a.w.
(1)ook personen die niet blootgesteld zijn kunnen dezelfde letsels vertonen. Er zijn anderzijds niet altijd letsels als gevolg van blootstelling. Ook is er niet altijd een duidelijk verband tussen klachten en letsels. Eveneens zijn er voor elke beroepsbestuurder of persoon die blootgesteld is aan trillingen
(2)andere arbeidsomstandigheden die ook een verhoogde kans op rugletsels opleveren (zoals langdurig zitten in nagenoeg dezelfde of in een 'moeilijke' houding, heffen en dragen van lasten; zeker het eerste is typisch voor bestuurders van voertuigen). Er wordt zelfs een betere dosis-effect-relatie vastgesteld bij blootstelling aan heffen en rugletsels dan bij blootstelling aan trillingen en rugletsels. Ook het probleem van extra-professionele blootstelling (sportbeoefening e.d.) is thans meer aan de orde. Vooral aan het effect van (moeilijk meetbare) schokken, waarover bovendien weinig epidemiologische gegevens beschikbaar zijn, wordt de laatste jaren meer belang gehecht. 3. Dat er nog geen consensus bestaat over de gezondheidseffecten van de dagblootstelling en van de blootstelling over langere duur, blijkt uit volgend besluit van Bongers e.a.
(1992): "Samenvattend kan worden gesteld dat er op dit moment verschillende ontwikkelingen gaande zijn, die allen leiden tot een verhoging van de uiterste (dag-)blootstellingsgrens voor expositie van trillen en schokken op het werk. Uit het oogpunt van bescherming van de gezondheid van werknemers op lange termijn is dit een ongewenste ontwikkeling". Zij nemen daarbij vrijwel letterlijk het besluit van het proefschrift van Bongers en Boshuizen
(1990)over: "De huidige nationaal en internationaal gehanteerde norm (ISO 2631-1985/1) voor expositie aan trillingen op het werk is hoofdzakelijk gebaseerd op onderzoek naar de relatie tussen trillingen en comfort (1.3). Deze grenswaarde zou echter gebaseerd dienen te worden op het optreden van gezondheidseffecten. De resultaten uit het huidige onderzoek en uit de literatuur laten zien dat gezondheidseffecten optreden bij blootstelling aan trillingsniveaus even hoog of zelfs lager dan de huidige grenswaarde. Een lagere grenswaarde is daarom gewenst en een verhoging van deze waarde zoals recentelijk is voorgesteld wordt op grond hiervan afgewezen...".
  1. Op grond van de beschikbare literatuur en vooral de literatuurstudies kan het criterium van de Technische Raad van het FBZ met betrekking tot een blootstellingsduur van 5 jaren en met een dagblootstelling die hoger ligt dan de gezondheidsgrens van de ISO-norm niet worden weerlegd, maar evenmin worden bevestigd. De door het FBZ gehanteerde duur van 5 jaren kan dus, zoals ook door het FBZ wordt erkend, slechts gezien worden als een arbitrair bepaalde filter om een overmaat van aanvragen en erkenningen te vermijden. Het arbitrair criterium kan dus ook gezien worden als een noodoplossing van de Technische Raad van het FBZ omdat de 'mechanische trillingen' zonder degelijke wetenschappelijke onderbouw werd opgenomen in de lijst van de vergoedbare beroepsziekten.
  2. Het door de FBZ gehanteerd criterium kan dus niet op wetenschappelijke gronden worden bevestigd of aangevochten. Op sociale en economische gronden kan een eenmaal gemaakte keuze echter worden verdedigd, in die zin dat het weliswaar arbitraire criterium voor iedereen hetzelfde is en dus inderdaad slechts moet gezien worden als een (sociale en economische) filter.
  3. Het relatief risico is leeftijdsafhankelijk en ligt voor autobusbestuurders in de orde van 1,
  4. Dit betekent dat van de blootgestelden 10/13 vals positief is, zodat slechts (die men niet kan identificeren) 3/13 echt positief is. Of dit relatief risico volstaat om te kunnen stellen dat er 'mechanische trillingen werden ondergaan... die aanzienlijk veel groter zijn dan diegene die door de bevolking in het algemeen worden ondergaan' is geen medische of technische appreciatie maar vraagt een beleidskeuze.
  5. Tenzij relatief frequent (in de orde van 20%) op kasseien werd gereden, kan globaal voor de autobussen worden gesteld dat de dagblootstelling lager ligt dan het door de Technische Raad van het FBZ aanvaard criterium. In de ISO-norm wordt op basis van kortstondige experimenten, o.m. naar de pijngrens bij heftige trillingen, op drie niveaus een norm bepaald. De trillingsintensiteit (in m/s2) wordt vastgelegd in functie van de frequentie (uitgedrukt in Hz) en de dagblootstelling (uitgedrukt in uren of in minuten). De zogenaamde gezondheidsgrens of blootstellingsnorm (waarvan de intensiteit gelijk is aan de helft van de pijngrens) geldt als basis voor het criterium van het FBZ. De grens voor comfort wordt door de ISO-norm bepaald op iets minder dan 1/6-de (meer bepaald 1/6,3) van de grens voor gezondheid. Bongers e.a.
(1992)stellen zelfs: 'De vraag of de norm ook grenswaarden diende te bevatten is van het begin af aan onderwerp van discussie geweest. In eerste instantie leefde er een sterke behoefte aan het standaardiseren van de meetmethode, maar daarnaast wilde men in de norm aanwijzingen geven voor ontwerpers voor het bereiken van optimaal comfort (b.v. treinreizigers), richtlijnen geven voor behoud van de veiligheid (b.v. piloten) en voor de uiterste blootstelling, zodat proefpersonen bij experimenten geen direct gevaar zouden lopen. In de eerste officieel vastgestelde norm werden daarom grenswaarden opgenomen voor deze verschillende doelen. DE BASIS VAN DEZE GRENSWAARDEN IS ECHTER ONDUIDELIJK. Volgens Von Gierke
(1985)is de uiterste blootstellingsgrens gebaseerd op laboratoriumexperimenten bij vliegers waarin de pijngrens bij korte blootstellingstijden werd vastgesteld (Temple 1964, Magid en Coermann, 1960). Het intercept van de uiterste blootstelling is volgens Von Gierke vastgesteld op de HELFT VAN DE PIJNGRENS. Op grond waarvan de hoogte van de vermoeidheidsgrens en de comfortgrens zijn vastgesteld is onduidelijk." Diagram 2.b (opgenomen min de ISO-norm 2631) geeft dus voor elke blootstellingsduur een grens aan voor het over de frequenties gewogen kwadratisch gemiddelde van de versnellingen, de zogenaamde Leq-waarde. Meer bepaald wordt een equivalente versnelling van 0,7 m/s2 volgens de ISO-norm schadelijk voor de gezondheid beschouwd bij een dagblootstelling van meer dan 7 uren." Voor het overige wordt verwezen naar de tekst van het deskundig verslag. Uiteraard is het Hof niet geplaatst om de deskundigheid van het technisch onderzoek in twijfel te gaan trekken. Deze wordt als zodanig aanvaard. Niettemin is het Hof de mening toegedaan zich door dit deskundig verslag niet te moeten binden en zulks om verschillende redenen.
  1. Door de deskundige, de heer W. V., werden zelf geen metingen verricht en/of hij is niet voortgegaan op metingen welke representatief kunnen zijn voor beoordeling van de blootstelling in het onderhavig casus (eigen onderlijning). Namelijk is de deskundige uitgegaan van deskundigenonderzoeken in andere gevallen. Het "plerumque fit" heeft voor hem als uitgangspunt gediend, een zekere algemeenheid in vaststellingen wordt getransponeerd naar dit dossier en van daaruit worden besluiten getrokken. Zulke denkmethode kan wel gelden voor een wetenschappelijke benadering van het dossier, doch kadert niet in een goede rechtsbedeling. Bovendien heeft de deskundige zich daarbij uitsluitend gesteund op gegevens welke hij heeft bekomen van Meester P. (raadsman beroepster) en de testen welke werden uitgevoerd door AIB-Vinçotte naar aanleiding van vroegere expertises. Het is dus niet geweten of de door beroepene bestuurde autobus zich kan identificeren met deze waarop vroegere expertises betrekking hadden. Beroepene merkt in dit verband op dat hij weliswaar reed met autobussen Brosel 145 en 146, Leyland en Volvo Jonckheere (vanaf 1982) doch dat de Brosels waarmede in Limburg werd gereden (en waar de bussen beter werden onderhouden) nooit aan hem werden ter beschikking gesteld. De vraag naar een objectief uitgangspunt is zodoende nooit opgelost geworden. Welke bussen hebben voorwerp uitgemaakt van vroegere expertiseonderzoeken? De Limburgse of de Luikse? Ook mag hierbij eraan worden herinnerd dat beroepene een lijst van getuigenverklaringen van (ex)collega's bijbrengt; deze geven een arbeidsritme weer én een graad aan blootstelling welke zich niet vertaalt in het expertiseonderzoek. Immers blijkt uit die getuigenverklaringen zeker dat beroepene met zijn autobus minstens voor 20% van zijn dagtaak op kasseien reed, zodat de dagblootstelling hoger ligt dan het door de Technische Raad van het Fonds voor Beroepsziekten aanvaard criterium (voor dit laatste, zie expertiseverslag). De dagblootstelling dient zodoende wel anders berekend, bereikt de minimumgrens zoals hoger bedoeld, overschrijdt deze zelfs in belangrijke mate en uit dit alles blijkt een blootstelling welke van zodanige aard is dat deze de gezondheidsgrens in gevoelige mate heeft overschreden.
  2. Beroepene heeft bijgevolg voldaan aan alle wettelijke voorwaarden inzake bewijs van een vergoedbare beroepsziekte, zodat het beroep ongegrond is en het bestreden vonnis dient bevestigd. OP DI E G R O N D E N: Het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, Derde Kamer. Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waarvan de voorschriften werden nageleefd. Na beraadslaging, recht doende op tegenspraak. Ontvangt het hoger beroep doch wijst het af als ongegrond. Bevestigt het vonnis van de Arbeidsrechtbank te Tongeren dd. 17 februari 2003, gekend onder het rolnummer 2772/
  3. Verwijst appellante in de kosten van de beroepsprocedure, voor beroepene vereffend op 136,84 EUR. Aldus gewezen en uitgesproken door de Derde Kamer van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, zitting houdend te Hasselt in openbare terechtzitting van twintig september tweeduizend en vier, waar aanwezig waren: Dhr. L. C, Kamervoorzitter, Dhr. G. H., Raadsheer in sociale zaken, als werkgever, Dhr. W. M., Raadsheer in sociale zaken, werknemer-arbeider, Dhr. E. N., e.a. Adjunct-griffier. PDF document ECLI:BE:AHANT:2004:ARR.20040920.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.