id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 22 oktober 2004 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2004:ARR.20041022.14 Rolnummer: 2002-0503 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2005-11-10 Raadplegingen: 123 - laatst gezien 2026-07-01 01:08 Fiche De verjaringstermijn van de vordering tot terugbetaling van ten onrechte betaalde bijdragen neemt slechts een aanvang vanaf de datum waarop de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid op basis van een door haar inspectiediensten uitgevoerd onderzoek beslist dat er van prestaties onder de voorwaarden van een arbeidsovereenkomst geen sprake kan zijn. Die beslissing dient beschouwd te worden als een latere gebeurtenis die een verandering teweegbrengt in de verplichtingen van de bijdrageplichtige en die voor deze laatste rechten doet ontstaan voor de periode waarvoor de betaling werd verricht (onder verwijzing naar het arrest van het Hof van Cassatie van 24 januari 2000, SRK 2000, blz. 480). Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID VOOR WERKNEMERS . ALGEMENE REGELING Bijdrageregeling - verjaring terugvordering - aanvangsdatum. Wettelijke bepalingen: Wet - 27-06-1969 - 42,lid2 Annotaties Publicaties: JOURNAL DES TRIBUNAUX DU TRAVAIL - - 2005(00927,P.396-397) Tekst van de beslissing ARREST A.R. Nr. 2020503 OPENBARE TERECHTZITTING VAN TWEEENTWINTIG OKTOBER TWEEDUIZEND EN VIER In de zaak: RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, met zetel gevestigd te 1060 BRUSSEL, Victor Hortaplein 11, appellant, incidenteel geïntimeerde, voor wie verschijnt: mr. I. V. D. B. loco mr. D. D. G., advocaat te Z, tegen : N.V. I. P. EN P., met zetel gevestigd teW, geïntimeerde, incidenteel appellante, voor wie verschijnt: mr. H. B., advocaat te A. Na over de zaak te hebben beraadslaagd, wijst het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, het hiernavolgende arrest. Gelet op de zittingsbladen van 2 oktober 2002, van 6 juni 2003, van 25 juni 2004, en van 10 september 2004; Gelet op de stukken van de rechtspleging, waaronder: x het voor eensluidend verklaarde afschrift van het vonnis van 17 juni 2002, op tegenspraak gewezen door de Arbeidsrechtbank te Antwerpen; x het verzoekschrift in hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit Hof op 6 september 2002 en ter kennis gebracht overeenkomstig artikel 1056 van het Gerechtelijk Wetboek op 9 september 2002; x de conclusies voor geïntimeerde, ontvangen ter griffie van het Hof op 18 april 2003; x het verzoekschrift in toepassing van artikel 747, ,§2 van het Ger.W. van geïntimeerde, neergelegd ter griffie van dit Hof op 20 januari 2004; x de opmerkingen van appellant, ontvangen ter griffie van dit Hof op 3 februari 2004; x de beschikking van mevrouw B. HOMANS, Eerste Voorzitter, in toepassing van artikel 747, ,§2 van het Ger.W. van 19 februari 2004; x de conclusies voor appellant, ontvangen ter griffie van het Hof op 12 maart 2004; x de conclusies voor geïntimeerde, neergelegd ter griffie van dit Hof op 16 april 2004; x de syntheseconclusies voor appellant, ontvangen ter griffie van dit Hof op 6 mei 2004; x het schriftelijk advies van het Openbaar Ministerie, neergelegd ter zitting van 10 september 2004 en ter kennis gebracht aan partijen op 13 september 2004 in toepassing van artikel 767, ,§3, eerste lid van het Gerechtelijk Wetboek. Gelet op de stukken van het administratief dossier. Gelet op de stukken in het naar behoren geïnventariseerde dossier van partijen. Gehoord de partijen in de voordracht van hun conclusies en verweermiddelen tijdens de openbare terechtzitting van 25 juni
- Gehoord de lezing van het schriftelijke advies van het Openbaar Ministerie op de openbare terechtzitting van 10 september
- De ontvankelijkheid. Het hoger beroep en het incidenteel beroep zijn naar termijn en vorm regelmatig ingesteld en de ontvankelijkheid ervan wordt niet betwist. Het hoger beroep en het incidenteel beroep zijn dan ook ontvankelijk. Feiten en Voorgaanden. De heer Jean Van Der Voort was gedelegeerd bestuurder van geïntimeerde op hoofdberoep (verder in dit arrest 'geïntimeerde' genoemd) vanaf 12 juli 1990 tot minstens 13 december
- Het betrof een onbezoldigd mandaat. Daarnaast zou hij in deze vennootschap tevens een activiteit gekend hebben als algemeen directeur met het statuut van werknemer-bediende. Met betrekking tot deze tewerkstelling werd op 12 juli 1990 een arbeidsovereenkomst gesloten, waarin werd voorzien dat deze een aanvang zou nemen op 1 augustus
- Op 12 maart 1993 werd door de algemene vergadering van geïntimeerde beslist om aan deze arbeidsovereenkomst een einde te stellen. De heer Jean Van Der Voort bleef vanaf 1 april 1993 verder actief in de vennootschap op basis van een zelfstandig statuut. Naar aanleiding van deze beslissing werd door de sociale inspectiediensten Jean Van Der Voort verhoord. Op basis van dit verhoor kwam de R.S.Z. tot het besluit dat er nooit sprake is geweest van een tewerkstelling van Jean Van Der Voort als werknemer-bediende in de vennootschap. Met zijn brief van 28 april 1994 liet de R.S.Z. dit ook aan geïntimeerde weten in de volgende bewoordingen: "Hierbij delen wij u mede dat na onderzoek door onze diensten de Rijksdienst Sociale Zekerheid beslist heeft dat de heer Van Der Voort Jean voor bovenvermelde naamloze vennootschap geen prestaties leverde in uitvoering van een arbeidsovereenkomst. Bijgevolg werden de voor hem ingediende aangiften geannuleerd voor de niet verjaarde kwartalen". In het bericht van wijziging der bijdragen, opgesteld op 6 mei 1994, werd door de R.S.Z. vastgesteld dat over het eerste kwartaal 1991 tot en met het eerste kwartaal 1993 ten belope van 1.973.245 ex BEF bijdragen werden betaald welke onverschuldigd waren, met de mededeling dat dit bedrag in het voordeel van geïntimeerde mocht gecompenseerd worden met de bijdragen die zij verder verschuldigd zou zijn, met de volgende motivering: "annulatie van de aangiften voor Van Der Voort Jean daar volgens het verslag van verhoor dd. 3 maart 1994 blijkt dat hij geen prestaties leverde onder de voorwaarden van een arbeidsovereenkomst." Het sociaal secretariaat van geïntimeerde vroeg om het bedrag van 1.973.245 ex BEF terug te storten, omdat een verrekening met de volgende stortingen te lang zou duren. De R.S.Z. antwoordde in een brief van 10 oktober 1994 dat het vrijgekomen bedrag voor de niet verjaarde periodes in afwachting van het verloop van de strafprocedure naar de winst- en verliesrekening zou worden geboekt. Deze houding van de R.S.Z. had te maken met de strafrechtelijke vervolging welke inmiddels was ingesteld ten laste van Jean Van Der Voort uit hoofde van bedrieglijke onderwerping aan de toepassing van de Wet van 27 juni 1967 en waarbij tevens overeenkomstig artikel 35, 3de lid van diezelfde wet de ambtshalve veroordeling werd nagestreefd tot betaling van een vergoeding gelijk aan het driedubbele van de bedrieglijk aangegeven bijdragen. Deze strafrechtelijke vervolging werd echter definitief beëindigd door het arrest van het Hof van Beroep van Antwerpen van 14 december 2000, waarbij, recht doende op het hoger beroep ingesteld door het O.M. tegen het vonnis van vrijspraak van de betichte, de strafvordering vervallen werd verklaard door verjaring. Bij dagvaarding van 13 december 1995 vorderde geïntimeerde de onverschuldigde betalingen terug van de R.S.Z. De R.S.Z. houdt voor dat de vordering van geïntimeerde verjaard was, minstens voor wat betreft de bijdragen welke betaald werden vóór 13 december
- Volgens de R.S.Z. zouden aldus maximaal de bijdragen, betaald voor het vierde kwartaal 1992 en het eerste kwartaal 1993 ten bedrage van 469.315 ex BEF, voor terugbetaling in aanmerking komen. Het bestreden vonnis. De eerste rechter verklaarde bij vonnis van 17 juni 2002 de vordering ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond, veroordeelde de R.S.Z. tot betaling van 44.278,27 EUR te vermeerderen met de gerechtelijke intresten sedert de dagvaarding en de kosten. Enkel de vordering m.b.t. het eerste kwartaal 1991 werd als verjaard beoordeeld. Eisen in hoger beroep. De R.S.Z. tekende hoger beroep aan tegen dit vonnis a quo bij verzoekschrift, ontvangen ter griffie van dit Hof op 6 september
- Hij verzoekt het hoger beroep toelaatbaar en gegrond te verklaren, het vonnis a quo teniet te doen en opnieuw recht doende, de oorspronkelijke eis ongegrond te verklaren en geïntimeerde te veroordelen tot de kosten van beide aanleggen. Grief: de eerste rechter aanzag het bericht van wijziging van 6 mei 1994 ten onrechte als een schulderkenning met stuitende werking op de verjaring. Bij conclusies, neergelegd ter griffie van dit Hof op 16 april 2004, vordert de N.V. Industrial Products & Pneumatics: x de hervorming van het vonnis a quo: alles terugbetalen x ondergeschikt bevestiging van het vonnis a quo x meer ondergeschikt: terugbetaling over de periode 13 december 1992 - maart
- In Rechte. HET HOOFDBEROEP. De verjaring - de verjaringstermijn - de aanvang van de verjaringstermijn. Artikel 42, tweede lid van de Wet van 27 juni 1969 tot herziening van de Besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid van de arbeiders bepaalt, in de toepasselijke lezing, dat de vorderingen, ingesteld tegen de R.S.Z. tot terugvordering van niet-verschuldigde bijdragen, verjaren na drie jaren, die ingaan op de dag van de betaling. Bij dagvaarding van 13 december 1995 vorderde geïntimeerde van de R.S.Z. de door haar betaalde bijdragen terug, die zij had betaald voor Jean Van Der Voort in de periode januari 1991 t.e.m. maart
- De R.S.Z. laat thans gelden dat deze vordering verjaard is bij zoverre zij in de tijd verder reikt dan 13 december 1992, datum die drie jaar de datum van de dagvaarding voorafgaat. Geïntimeerde antwoordt hierop in hoofdorde dat het klopt dat de verjaringstermijn drie jaar beloopt, maar dat deze termijn pas is beginnen te lopen op 6 mei 1994, de dag waarop het bericht van wijziging der bijdragen door de R.S.Z. werd opgesteld. Dit bericht wordt gestaafd in de volgende zin: "Annulatie van de aangiften voor Van Der Voort Jean daar volgens het verslag van verhoor dd. 3/3/1994 blijkt dat hij geen prestaties leverde onder de voorwaarden van een arbeidsovereenkomst." Geïntimeerde verwijst verder naar een arrest van het Hof van Cassatie van 24 januari 2000 (Soc. Kron. 2000, 480) waarin wordt geoordeeld dat het ingaan van de verjaringstermijn, bepaald bij artikel 42, tweede lid van de R.S.Z.-wet slechts geldt bij zoverre de verplichtingen van de bijdrageplichtige op het ogenblik van de betaling geen verandering ondergaan door een latere gebeurtenis die voor de bijdrageplichtige rechten doet ontstaan voor de periode waarvoor de betaling werd verricht. De R.S.Z. antwoordt dat dit cassatiearrest geen afbreuk doet en slechts een verfijning is van een vroeger arrest van het Hof van Cassatie van 18 januari 1982 (Arr. Cass., 1981-82, 621) waarmee het Hof van Cassatie besliste dat de bedoelde verjaringstermijn loopt vanaf de datum van betaling en niet vanaf de datum van een latere beslissing, waarbij een werknemer werd geacht onderworpen te zijn aan het sociaal statuut der zelfstandigen. In het arrest van 18 januari 1982 merkt het Hof van Cassatie op dat het Arbeidshof had vastgesteld dat Robert Nolomont niet door een arbeidsovereenkomst met de vennootschap was verbonden, maar als werkend vennoot van die vennootschap de hoedanigheid van zelfstandige bezat. Deze vaststelling is niet verzoenbaar, volgens het Hof van Cassatie, met de beslissing van het Arbeidshof dat de vordering tot terugbetaling van ten onrechte betaalde bijdragen pas is ontstaan bij de beslissing dat Robert Nolomont onderworpen is aan het sociaal statuut der zelfstandigen met terugwerkende kracht. Het arrest van het Arbeidshof werd omwille van deze tegenstrijdigheid verbroken. In hetzelfde arrest van het Arbeidshof kon men immers niet tegelijk beslissen dat men altijd zelfstandige is geweest (met als inherent gevolg dat geen R.S.Z.-bijdragen verschuldigd waren en de vordering tot terugbetaling van bijdragen die tóch waren betaald onmiddellijk openstond) en de vordering tot terugbetaling van onverschuldigde R.S.Z.-bijdragen pas ontstond, tot leven kwam bij de latere beslissing tot onderwerping aan het sociaal statuut der zelfstandigen. Het Hof van Cassatie heeft in het arrest van 24 januari 2000 niet een dergelijke tegenstrijdigheid vastgesteld in het arrest, waartegen het cassatieberoep was ingesteld. In dit arrest van 24 januari 2000 beslist het Hof van Cassatie "dat de regel dat de termijn van verjaring ingaat vanaf de dag van de betaling slechts geldt in zoverre de verplichtingen van de bijdrageplichtige op het ogenblik van de betaling geen verandering ondergaan door een latere gebeurtenis die voor de bijdrageplichtige rechten doet ontstaan voor de periode waarvoor de betaling werd verricht." Het Hof van Cassatie kijkt dus naar het tijdstip waarop de verjaringstermijn een aanvang neemt en de aard van de verplichtingen van de bijdrageplichtige op dat moment. Deze aard moet dan dezelfde blijven gedurende de loop van de verjaringstermijn, wil de verjaring effect sorteren, is er te lezen tussen de lijnen van deze overweging in het cassatiearrest. Artikel 42, tweede lid van de R.S.Z.-wet heeft het over de terugvordering van niet verschuldigde bijdragen. Bijdragen zijn verschuldigd in de context van huidige betwisting wanneer er sprake is van het bestaan van een arbeidsovereenkomst. Immers artikel 1, ,§1 van de Wet van 27 juni 1969 tot herziening van de Besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders bepaalt: "Deze wet vindt toepassing op de werknemers en werkgevers die door een arbeidsovereenkomst zijn verbonden." In casu hadden geïntimeerde en Jean Van Der Voort hun samenwerking gekwalificeerd als een arbeidsovereenkomst. Zij hadden deze kwalificatie gematerialiseerd in een geschreven arbeidsovereenkomst (stuk 9 van geïntimeerde). Consequent met deze kwalificatie werden de prestaties van Jean Van Der Voort aangegeven bij de R.S.Z. en werden de bijdragen betaald. Er was geen wil aanwezig, noch bij geïntimeerde, noch bij Jean Van Der Voort om hun samenwerking op zelfstandige basis te organiseren. Dus was geïntimeerde bijdrageplichtig en betaalde zij in haar hoedanigheid van werkgever. Op het ogenblik van de betaling en met de kaarten die toen op tafel lagen, waaronder het gegeven dat de R.S.Z. de aangiften en de bijdragen aanvaardde, had geïntimeerde geen grond om een vordering in terugbetaling van deze bijdragen op te steunen. Het is pas op het ogenblik dat de R.S.Z. als het ware "inbreekt" in de samenwerking tussen geïntimeerde en Jean Van Der Voort en voor zichzelf beslist dat de samenwerking tussen geïntimeerde en Jean Van Der Voort een zelfstandig karakter had, dat de situatie verandert. Het is op het ogenblik van deze beslissing (28 april - 6 mei 1994), waar geïntimeerde, noch Jean Van Der Voort om gevraagd hadden, dat de aard van de verplichtingen van geïntimeerde verandert. Waar zij voorheen bijdrageplichtig was, wordt zij dat door de beslissing van de R.S.Z. niet meer. Zij legt zich bij de beslissing van de R.S.Z. blijkbaar neer want haar sociaal secretariaat vordert de betaalde bijdragen terug. Het is dus de beslissing van de R.S.Z. van april-mei 1994, een latere gebeurtenis, die de verplichtingen van geïntimeerde verandert. Nadien zijn deze niet meer veranderd. Vermits, ook volgens het Hof van Cassatie, de verplichtingen van de bijdrageplichtige geen verandering mogen ondergaan, wil de verjaringstermijn van artikel 42, tweede lid van de R.S.Z.-wet beginnen lopen, staat het in casu vast dat deze verplichtingen wél een verandering hebben ondergaan door de beslissing van de R.S.Z. van april-mei
- Het is pas op dat laatste ogenblik dat deze verjaringstermijn in casu begon te lopen. De terugvordering van geïntimeerde is over heel de lijn ontvankelijk en gegrond vermits de dagvaarding van 13 december 1995 tijdig werd uitgebracht. De verder ontwikkelde argumentatie van partijen is niet dienstig bij de beoordeling van het geschil. Het hoofdberoep is ongegrond. HET INCIDENTEEL BEROEP. Uit de bovenstaande motivering volgt dat het incidenteel beroep logischerwijze gegrond is. De terugvordering van appellante op incidenteel beroep is immers over heel de lijn gegrond, zo wordt er beslist. De intresten. Partijen en ook de eerste rechter zijn het er over eens dat de verwijlintresten slechts verschuldigd zijn vanaf de aanmaning tot betalen (artikel 1153 BW). Het Openbaar Ministerie geeft terecht aan dat de R.S.Z. bij brief van 29 juli 1994 van het sociaal secretariaat van geïntimeerde in gebreke werd gesteld om een bedrag van 1.973.245 ex BEF terug te betalen (stuk 3 in het dossier van appellante op incidenteel beroep). De R.S.Z. erkent deze brief te hebben ontvangen vermits hij er op antwoordt in zijn brief van 10 oktober 1994 (stuk 4 in het dossier van appellante op incidenteel beroep). In die omstandigheden kunnen de intresten derhalve worden toegekend vanaf 30 juli
- OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Gehoord de heer F. Slachmuylders, Substituut-generaal, in de voorlezing van zijn schriftelijke advies, gegeven ter openbare terechtzitting van 10 september 2004, waarover partijen geen opmerkingen hebben geformuleerd. Recht doende op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. Verklaart het incidenteel beroep ontvankelijk en gegrond. Veroordeelt de R.S.Z. om aan appellante op incidenteel beroep te betalen het bedrag van achtenveertigduizend negenhonderdvijftien euro en zevenveertig eurocent (48.915,47 EUR), te vermeerderen met de verwijlintresten vanaf 30 juli 1994 en de gerechtelijke intresten. Vernietigt het vonnis van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen van 17 juni 2002 omdat de volledige vordering van geïntimeerde niet werd toegekend. Legt de kosten van beide instanties, overeenkomstig artikel 1017, eerste lid van het Gerechtelijk Wetboek, ten laste van de R.S.Z. Vereffent de kosten aan de zijde van de N.V. op 95,02 EUR dagvaarding, 196,33 EUR rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg en 273,67 EUR rechtsplegingsvergoeding beroep en aan de zijde van de R.S.Z. op 196,33 EUR rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg en 273,67 EUR rechtsplegingsvergoeding beroep. Aldus gewezen en uitgesproken door de vierde kamer van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, op de openbare terechtzitting van tweeëntwintig oktober tweeduizend en vier, waar aanwezig waren: PDF document ECLI:BE:AHANT:2004:ARR.20041022.14 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div