id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 22 oktober 2004 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2004:ARR.20041022.16 Rolnummer: 2000-0404 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-03-17 Raadplegingen: 126 - laatst gezien 2026-07-01 01:08 Fiches 1 - 2 De beslissing van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid om op grond van artikel 30 ter, ,§ 5 en 6 van de RSZ-wet om de maximumsanctie toe te passen, welke per brief wordt medegedeeld aan de betrokken hoofdaannemer, is geen bestuurshandeling in de zin van artikel 1 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen. Deze mededeling is slechts een informatieve of voorbereidende handeling op de door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid voorgenomen gerechtelijke vervolging en kan niet beschouwd worden als een beslissing die gezagshalve, zonder toestemming van de betrokkene, rechten of verplichtingen creëert, daarom verbindend en uitvoerbaar is en het "privilège du préalable" geniet. De arbeidsrechtbanken en -hoven oefenen een controle met volle rechtsmacht uit inzake de toepassing van artikel 30ter, ,§,§ 5 en ,§ 6 van de RSZ-wet, zoals dit bestond voor de wijziging van 26 december
- Dit houdt in dat de rechter kan nagaan of de door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid gevorderde sanctie wegens niet-naleving van de meldingsplicht beantwoordt onder meer aan het evenredigheidsbeginsel zodat hij in voorkomend geval de geldboete kan moduleren, dit wil zeggen opheffen in de gevallen bedoeld in artikel 30 ter, ,§ 6, C, 2de lid of verminderen binnen de in artikel 30 ter, ,§ 6, B bedoelde grenzen. Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP-RECHT-WETGEVING . ADMINISTRATIEF RECHT motivering - wet van 29 juli 1991 - mededeling sanctie - geen bestuurshandeling. Wettelijke bepalingen: Wet - 29-07-1991 - 2 Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID VOOR WERKNEMERS . ALGEMENE REGELING burgerlijke sancties - meldingsplicht hoofdaannemer - sanctie - controle met volle rechtsmacht. Wettelijke bepalingen: Wet - 27-06-1969 - 30,ter,§5,6 Nota: Gerangschikt onder I L - artikel 2 en onder VII A - artikel 30 ter, ,§ 5 en ,§
- Annotaties Publicaties: JOURNAL DES TRIBUNAUX DU TRAVAIL - - 2005(00931,P.485-486) Tekst van de beslissing A.R. 2000404 OPENBARE TERECHTZITTING VAN TWEEENTWINTIG OKTOBER TWEEDUIZEND EN VIER In de zaak van: mr. L.P. en mr. H. V. D., optredend in hun hoedanigheid van curatoren van het faillissement van de N.V. S, appellanten qualitate qua, met kantoren gevestigd te O. (mr. P.) en te M. (mr. V. D.), voor wie verschijnt : mr. I. V. L., advocaat te W. tegen : RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, openbare instelling, met zetel voorheen gevestigd te 1000 Brus-sel, Waterloolaan 76, en thans te 1060 Brussel, Victor Hortaplein 11, geïntimeerde, voor wie verschijnt: mr. H. D. K. loco mr. P. D., advocaat te Z. Na over de zaak te hebben beraadslaagd, heeft de vierde kamer van het Arbeids-hof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, het volgende arrest uitgesproken. Gelet op de zittingsbladen van 7 juni 2000, van 8 maart 2002, van 4 maart 2004, van 25 juni 2004 en van 10 september
- Rekening gehouden met de akten van de rechtspleging, waaronder: x het eensluidend verklaarde afschrift van het vonnis, op 9 maart 2000 uitge-sproken door de tweede kamer van de Arbeidsrechtbank te Turnhout (A.R. 63.264), waarvan geen akte van betekening voorligt; x het verzoekschrift in hoger beroep, neergelegd ter griffie van dit Hof op 15 mei 2000 en ter kennis gebracht overeenkomstig artikel 1056 Ger. W. op 15 mei 2000; x de conclusies voor de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, ontvangen ter grif-fie van dit Hof op 8 september 2000; x de aanvullende conclusies voor de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, ontvangen ter griffie van dit Hof op 17 juli 2001; x de conclusies voor de curatoren over het faillissement van de N.V. S., neergelegd ter griffie van dit Hof op 13 december 2001; x de recapitulatieve conclusies voor de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, ontvangen ter griffie van dit Hof op 30 januari 2002; x de recapitulatieve conclusies voor de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, ontvangen ter griffie van dit Hof op 7 augustus 2003; x het verzoekschrift in toepassing van artikel 747, ,§2 van het Gerechtelijk Wetboek van mr. P. Derveaux, ontvangen ter griffie van dit Hof op 24 september 2004; x de beschikking van mevrouw B. Homans, Eerste Voorzitter, in toepassing van artikel 747, ,§2 van het Gerechtelijk Wetboek van 14 oktober 2003; x de recapitulatieve conclusies voor geïntimeerde, ontvangen ter griffie van dit Hof op 28 mei 2004; x het schriftelijk advies van het Openbaar Ministerie, neergelegd ter zitting van 10 september 2004, ter kennis gebracht aan partijen in toepassing van artikel 767, ,§3, eerste lid van het Gerechtelijk Wetboek op 13 september 2004; x de stukken van het administratief dossier; x de stukken in het naar behoren geïnventariseerd dossier van partijen Partijen werden gehoord op de openbare terechtzitting van 26 juni
- Ontvankelijkheid Het hoger beroep is naar tijd en vorm regelmatig ingesteld en de ontvankelijk-heid ervan wordt niet betwist. Het hoger beroep wordt ontvankelijk verklaard.
- Feiten en voorafgaande procedure De N.V. S. kreeg, volgens verklaring, in 1995 de opdracht om te Oud-Turn-hout de Vrije Basisschool Reuzepas te verbouwen. Bij een gemeenschappelijke controle van de werf op 20 maart 1997 door de inspectie van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, de Sociale Inspectie, de Inspectie der sociale wetten en de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, werd ondermeer vastgesteld dat de werf niet voorafgaandelijk was gemeld door de N.V. S. en dat er evenmin was gemeld dat voor een gedeelte van de werkzaamheden beroep was gedaan op de N.V. Gecuver te Turnhout, ogenschijnlijk een zuster-firma van de N.V. S.. Genoemde N.V. Gecuver leek ook niet het bewijs te kunnen leveren van haar erkenning als aannemer. Bovendien werd vastgesteld dat de enige werknemer van de laatstgenoemde firma, de heer VAN GUCHT Roger, geen sociale identiteitskaart of een aanvraag tot het verkrijgen van deze kaart kon voorleggen. Voornoemde werknemer was ook nog werkloos geweest tot en met 19 maart 1997, maar kon op het ogenblik van de controle geen controlekaart voorleggen. Met aangetekend verzonden brief van 23 juni 1997 droeg de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid zorg voor de notificatie van deze werfcontrole aan de N.V. S., met de mededeling dat werd vastgesteld dat deze firma had nagelaten de meldingsplicht zoals voorzien in artikel 30ter, ,§5 van de Wet van 27 juni 1969 na te leven en ook dat de op de werf aangetroffen werknemer van de N.V. GECUVER niet in het bezit was van een geldige sociale identiteitskaart of van een aanvraag tot het verkrijgen van een sociale identiteitskaart. Met aangetekend schrijven van 17 november 1997 werd er door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid op gewezen dat voor werken die betrekking hadden op één of meerdere activiteiten die behoorden tot het paritair comité van het bouwbedrijf en die op 1 januari 1995 in uitvoering waren of na die datum begonnen waren, elke hoofdaannemer op grond van het voormalige artikel 30ter, ,§5 van de Wet van 27 juni 1969 de verplichting had om aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid alle inlichtingen te verstrekken die nodig waren om de belangrijkheid van de werf te ramen en, in voorkomend geval, in welk stadium ook, de onderaannemers ervan te identificeren. In dit schrijven werd ook meegedeeld aan de N.V. S. dat wegens de niet-naleving van deze meldingsplicht de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid op grond van artikel 30ter, ,§6 van diezelfde wet aanspraak kon maken op de betaling van een bedrag van 815.128 BEF of EUR 20 206,50, zijnde 5% van het totale bedrag van de werken (16.302.566 BEF of EUR 40 4130,05, exclusief BTW) die niet aan de Rijksdienst werden gemeld, en dat bij gebreke aan enige reactie binnen de termijn van dertig dagen deze vordering bij dagvaarding aanhangig zou gemaakt worden voor de bevoegde arbeidsrechtbank. In de brief van de raadsman van de N.V. S. van 11 december 1997 worden de vastgestelde inbreuken erkend, maar beroept men zich op onwetendheid en goede trouw om voor te houden dat een waarschuwing voldoende is als sanctie voor de niet-naleving van de meldingsplicht. Bovendien wordt verwezen naar het feit dat zij te laat een gunstig attest had ontvangen wat betreft de stand van haar R.S.Z.-rekening, zodat zij in de onmogelijkheid was mee te dingen in een openbare aanbesteding. De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid vorderde bij dagvaarding van 9 juli 1998 de betaling van 5% van 16.302.566 ex BEF (404 130,05 EUR), zijnde het glo-baal bedrag van de niet gemelde werken of 815.128 ex BEF (20 206,50 EUR).
- Het bestreden vonnis De eerste rechter, bij vonnis van 9 maart 2000, verklaarde de hoofdeis ontvan-kelijk en gegrond en veroordeelde de N.V. S. om aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid de som van 815.128 ex BEF (20 206,50 EUR) te betalen, vermeerderd met de wettelijke verwijlintresten vanaf 17 november 1997 en de gerechtelijke intresten. De tegenvordering, die er toe strekte de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid te veroordelen tot een schadevergoeding van 1.000.000 ex BEF (24 789,35 EUR) wegens het mislopen van een openbare aanbesteding, werd ontvankelijk, doch ongegrond verklaard; de N.V. S. werd verwezen in de kosten van het geding.
- Grieven en eisen in hoger beroep De N.V. S. stelt hoger beroep in op 15 mei 2000 met als grieven dat het evenredigheidsbeginsel en de motiveringsplicht (waarom koos de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid niet voor een waarschuwing?) zijn geschonden en dat de oorspronkelijke tegenvordering onterecht werd afgewezen. De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid concludeerde tot het ongegrond zijn van het hoger beroep.
- Verder verloop van de beroepsprocedure. Op 26 oktober 2001 meldde mr. L. Vermeulen, toenmalig raadsman van de N.V. S., dat deze firma failliet werd verklaard. Op zitting van 8 maart 2002 werd de zaak naar de bijzondere rol gestuurd in afwachting van een uitspraak van het Arbitragehof in deze problematiek. Op 6 november 2002 velde het Ar-bitragehof zijn arrest (157/2002). De curatoren vorderen in conclusies het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren, het vonnis a quo te wijzigen en, opnieuw recht doende, de oorspronkelijke hoofdeis van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid ontvankelijk, doch ongegrond te verklaren en de oorspronkelijke tegeneis ontvankelijk en gegrond te verklaren; de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid te veroordelen tot de kosten van beide instanties. De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid handhaaft zijn standpunt en vordert het hoger beroep ontvankelijk, doch ongegrond te verklaren en tegenpartij te ver-oordelen tot de kosten.
- Beoordeling ten gronde. De oorspronkelijke hoofdvordering. Het geschil hier wordt beheerst door artikel 30ter ,§5 van de Wet van 27 juni 1969 tot herziening van de Besluitwet van 28 december 1944, betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, in de (oude) versie van vóór de wijziging van 26 december 1998 (B.S. 31 december 1998). Dit wetsartikel voorziet dat elke hoofdaannemer, vooraleer een werf te beginnen, aan de R.S.Z. alle inlichtingen moet verstrekken die nodig zijn om de belangrijkheid van de werf te ramen en er de onderaannemers van te identificeren. Een hoofdaannemer die aan deze meldingsplicht tekort schiet, kan door de R.S.Z. worden gesanctionneerd met een geldelijke sanctie, die minstens gelijk is aan 5% van het totaal bedrag der werkzaamheden, exclusief de B.T.W., die niet aan de R.S.Z. werden gemeld en maximaal 5% van het totaal bedrag van alle werkzaamheden die hem op de betrokken werf zijn toevertrouwd, ook exclusief B.T.W. (artikel 30ter, ,§6 van de R.S.Z.-wet). In casu betwist de curatele niet dat de N.V. S. in gebreke bleef om de ganse werf in Meersel Dreef aan de R.S.Z. te melden, maar zij is wel van oordeel dat de R.S.Z. overdrijft door hier de maximumsanctie op te leggen. Hierdoor zou het evenredigheidsprincipe niet zijn gerespecteerd. Zij vraagt dat de rechter zou vonnissen dat in dit geval een waarschuwing volstond, minstens dat hij zou afstappen van de opgelegde maximumsanctie. In zijn arrest van 6 november 2002 (157/2002) oordeelt het Arbitragehof uitdrukkelijk dat de in geding zijnde bepaling de arbeidsrechtbank niet verbiedt om een controle met volle rechtsmacht uit te oefenen (Voor een ruimere context, verwijst het Hof graag naar de uitstekende passage terzake in het advies van het Openbaar Ministerie onder punt 4.1.2.). Onder een 'controle met volle rechtsmacht' begrijpt het Arbitragehof dat de rechter kan nagaan of de beslissing van de administratie in rechte en in feite verantwoord is en of de wettelijke bepalingen en algemene beginselen die de administratie in acht moet nemen, waaronder het evenredigheidsbeginsel, zijn geëerbiedigd. In voorkomend geval zal hij de geldboete kunnen moduleren, dit wil zeggen opheffen in de gevallen bedoeld in artikel 30ter, ,§6, C, tweede lid of verminderen binnen de in artikel 30ter, ,§6, B, bedoelde grenzen. Partijen betwisten niet (langer) dat de arbeidsgerechten, zo ook dit Hof, deze controle kunnen uitoefenen. x x x De motiveringsplicht. De curatele voert in eerste instantie aan dat de beslissing van de R.S.Z. van 17 november 1997 om maar meteen de zwaarste sanctie toe te passen en zich niet tevreden te stellen met een waarschuwing, niet is gemotiveerd wat in strijd is met artikel 2 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen. Het Hof kan zich terzake aansluiten bij het advies van het Openbaar Ministerie, dat tot het volgende besluit komt: Op grond van artikel 1 van deze wet (van 29 juli 1991) dient voor de toepassing ervan onder bestuurshandeling begrepen te worden de eenzijdige rechtshandeling met individuele strekking die uitgaat van een bestuur en die beoogt rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden of voor een ander bestuur. Naar mening van mijn ambt dient dan ook onderzocht te worden of de betrokken handeling wel beschouwd kan worden als een bestuurshandeling welke geviseerd wordt door de wet van 29 juli 1991, vraag die in de conclusies van partijen niet al te zeer aan bod is gekomen. Immers, niet elke administratieve handeling die door een bestuur wordt gesteld is een rechtshandeling die in het kader van vernoemde wet uitdrukkelijk moet worden gemotiveerd. Het toepassingsgebied van de wet is beperkt tot de 'administratieve rechtshandelingen' in de traditionele betekenis, met name deze beslissingen van een of andere administratieve overheid die gezagshalve, zonder toestemming van de betrokkene, rechten of verplichtingen scheppen en daarom eenzijdig verbindend en uitvoerbaar zijn en het 'privilège du préalable' genieten. ( P. VAN ORSHOVEN, 'De uitdrukkelijke motivering van administratieve rechtshandelingen', R.W. 1991-92, kol. 489-490; zie ook Gedr. St., Kamer, 1990-91, nr. 1595-4, p. 2; Gedr. St., Senaat, B.Z., 1988, nr. 215-3, p. 31) Het moet bijgevolg gaan om een beslissing die direct rechtsgevolgen teweegbrengt en een uitvoerbare kracht heeft, waarbij het bestuur zich kan beroepen op het voorrecht van de directe tenuitvoerlegging en zich niet eerst tot de rechter hoeft te wenden alvorens zijn beslissing te kunnen uitvoeren.( J. VANDE LANOTTE & C. CEREXHE, 'De motiveringsplicht van bestuurshandelingen', uitg. Die Keure - 1992, blz. 23-24) Noch de brief van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid van 17 november 1997, noch die van 23 juni 1997 beantwoorden aan deze omschrijving van het begrip 'bestuurshandeling'. In deze brieven van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid liggen zeker geen van rechtswege uitvoerbare beslissingen vervat. Met deze brieven had geïntimeerde enkel de bedoeling aan de N.V. S. te laten weten welke geldsom naar zijn mening door deze laatste verschuldigd was op grond van artikel 30ter, ,§6 van de wet van 27 juni
- Het betrof met andere woorden niets anders dan een ingebrekestelling. In de brieven waarvan sprake werd uitdrukkelijk voorzien dat bij gebreke aan akkoord de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid de intentie had om dit bedrag gerechtelijk in te vorderen bij de arbeidsrechtbank ten einde aldus een uitvoerbare titel te verwerven. De verzending van deze brieven dient derhalve gezien te worden als een louter informatieve of voorbereidende handeling op de door geïntimeerde voorgenomen gerechtelijke vervolging, dit alles ten gevolge van het door geïntimeerde ingenomen standpunt over de hoegrootheid van het bedrag dat op grond van het destijds geldende artikel 30ter, ,§6 van de wet van 27 juni 1969 verschuldigd was door de N.V. S.. Dergelijke handelingen kunnen niet beschouwd worden als bestuurshandelingen in de zin van artikel 1 van de wet van 29 juli
- (cfr. Cass. 25 april 1997, Arr. Cass. 1997, nr. 202, blz. 489 e.v; Cass. 18 december 2000, Soc.Kron. 2001, 192.) Er is geen aanleiding om, wegens schending van de motiveringsplicht voorzien in de Wet van 29 juli 1991, welke bestuurshandeling dan ook te vernietigen. x x x Is hier de beslissing van de administratie in rechte en in feite verantwoord? Bij de Inspectie van 20 maart 1997 werd vastgesteld dat de N.V. S. de bouw van de Vrije Basisschool Reuzepas aan de R.S.Z. niet had gemeld. De N.V. S. heeft dit altijd toegegeven. Over de feiten bestaat er aldus geen discussie. Op deze situatie paste de R.S.Z. een sanctie toe, voorzien in het relevante artikel 30ter, ,§6 B. In feite en in rechte deed de R.S.Z. niets verkeerd. Er blijft enkel de vraag of de door de R.S.Z. gekozen sanctie in dit geval verantwoord was. Zijn de wettelijke bepalingen en algemene beginselen die de administratie in acht moet nemen, waaronder het evenredigheidsbeginsel, geëerbiedigd? Bij het antwoord op deze vraag is het belangrijk de doelstelling van de wetgeving in verband met de meldingsplicht voor ogen te houden. De R.S.Z. stipt in dit verband aan dat zijn beleid terzake erop gericht is een wetgeving van openbare orde te handhaven en het algemeen belang te beschermen door te streven naar een efficiënte bestrijding van de sociale fraude via een rigoureuze toepassing van de wetgeving. Hiermee geeft de R.S.Z. aan dat de wetgeving niet louter bedoeld is om de individuele overtreder te straffen maar dat elke opgelegde boete ook een ontradingseffect moet hebben in een algemene context. Dit beleid wordt door het Arbitragehof in zijn voornoemd arrest van 6 november 2002 niet afgekeurd (lees overweging B.10) en ook het Hof is er zich van bewust dat de bestrijding van de fraude, waarnaar men jaren heeft gevraagd, op een ernstige wijze moet gebeuren. De curatele is van mening dat de opgelegde en zwaarste sanctie niet evenredig is met de door de N.V. S. begane inbreuk. Meer bepaald verwijst zij naar de mogelijkheid die het toenmalige artikel 30ter ,§6, C voorzag, namelijk het geven van een waarschuwing wanneer het een eerste inbreuk betrof. De curatele laat er geen twijfel over bestaan dat het hier inderdaad een eerste inbreuk betrof. Tevoren, zo houdt zij vol, was zij niet actief op werven waarvoor de meldingsplicht gold. Zij was onwetend over het bestaan van de meldingsplicht. Het gebrek aan kennis in hoofde van de N.V. S. en haar zaakvoerders van de betrokken regelgeving kan alleszins niet worden aanvaard daar van haar als aannemer van bouwwerken verwacht mag worden dat zij voldoende geïnformeerd was inzake de wettelijke bepalingen. Als aannemer die actief is in de bouwsector moet men er van op de hoogte zijn dat er een aantal controlemaatregelen bestaan. Daar de meldingsplicht voornamelijk de effectieve bestrijding van sociale fraude tot doel heeft, is het van belang vast te stellen of er aanwijzingen zijn dat de N.V. S. sociale fraude heeft willen plegen. Hoewel de curatele zich beroept op de goede trouw van de zaakvoerders van de N.V. S., heeft het onderzoek aangetoond dat niet alleen de meldingsplicht niet was nageleefd maar dat ook overtredingen werden begaan op de sociale wetgeving. Meer in het bijzonder werd een werknemer op de werf aangetroffen die niet in het bezit was van een sociale identiteitskaart en die als gerechtigde op werkloosheidsuitkeringen niet in het bezit was van zijn controlekaart van de maand maart 1997 op het ogenblik van de vaststellingen. Dit laat toe te besluiten dat er geen verzachtende of uitzonderlijke omstandigheden kunnen weerhouden worden die een vermindering van het maximum van de wettelijk voorziene sanctie kunnen verantwoorden. Het beroep met betrekking tot de oorspronkelijke hoofdeis is ongegrond. De oorspronkelijke tegenvordering. Verder strekt het hoger beroep van de N.V. S. ertoe de oorspronkelijke tegenvordering te horen toewijzen en de R.S.Z. te veroordelen om aan de curatele te betalen een bedrag van 1.000.000 ex BEF, te verhogen met de intresten. Deze vordering is gegrond op de beweerde fout van de R.S.Z. waardoor de N.V. S. niet aan een openbare aanbesteding kon deelnemen. De curatele geeft aan: x dat de N.V. S. einde augustus 1997 een ongunstig attest ontving vanwege de R.S.Z.; x dat er onmiddellijk telefonisch contact werd genomen, waaruit bleek dat de door de N.V. S. gedane betalingen verkeerd waren geboekt; x dat de betalingen door de R.S.Z. correct werden geïmputeerd op 1 september 1997; x dat hiervan een bericht werd opgesteld op 3 september 1997; x dat desondanks pas op 22 oktober 1997 een nieuw en gunstig attest werd afgeleverd door de R.S.Z.; x dat intussen de N.V. S. op 11 september 1997 niet had kunnen deelnemen aan de openbare aanbesteding. De eerste rechter gaf correct aan dat de curatele niet het bewijs levert dat de N.V. S. belet werd deel te nemen aan de openbare aanbesteding omwille van het optreden van de R.S.Z. Stuk 1 in het bundel van de curatele toont wel aan dat er een openbare aanbesteding plaatsvond op 11 september 1997 maar niet dat de N.V. S. vast van plan was hierop in te schrijven en enkel omwille van het ontbreken van een gunstig R.S.Z. attest haar kans verspeelde. Bovendien kon de N.V. S. vanaf 3 september 1997, dus op tijd aantonen dat er een vergissing in het spel was, wat allicht tot enige soepelheid had geleid bij de opdrachtgever. Er is dus geen causaal verband bewezen tussen de nalatigheid van de R.S.Z. en de eventuele schade die de N.V. S. zou hebben opgelopen. Aldus is er niet voldaan aan één van de voorwaarden van artikel 1382 B.W. waarop de vordering van de curatele is gebaseerd. De oorspronkelijke tegenvordering is ongegrond. Het terzake ingestelde hoger beroep is eveneens ongegrond. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Gehoord de heer F. SLACHMUYLDERS, Substituut-generaal, in de lezing van zijn gelijkluidend schriftelijke advies, gegeven ter openbare terechtzitting van 10 september 2004, waarover partijen geen opmerkingen hebben geformuleerd. Recht doende op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. Bevestigt het vonnis van de Arbeidsrechtbank van Turnhout van 9 maart 2000 met dien verstande dat het beschikkende gedeelte ervan, omwille van het tussen gekomen faillissement van de N.V. S., wat de vordering van de R.S.Z. betreft, thans moet gelezen worden als volgt. Begroot de vordering van de R.S.Z. op het passief van het faillissement van de N.V. S. op een bedrag van TWINTIGDUIZEND TWEEHONDERD EN ZES EUR en VIJFTIG EUROCENT, te vermeerderen met de verwijlintresten vanaf 17 november 1997 tot op de dag van het faillissement en met de kosten. Vereffent de kosten in hoger beroep aan de zijde van geïntimeerde op 279,82 EUR rechtsplegingsvergoeding beroep en aan de zijde van appellanten op 279,62 EUR rechtsplegingsvergoeding beroep en 53,29 EUR uitgavenvergoeding. Verwijst de zaak naar de Rechtbank van Koophandel in Turnhout voor opname in het passief van het faillissement van de N.V. S.. Aldus gewezen en uitgesproken door de vierde kamer van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, in openbare terechtzitting op tweeëntwintig oktober tweeduizend en vier, waar aanwezig waren: PDF document ECLI:BE:AHANT:2004:ARR.20041022.16 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div