id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 25 oktober 2004 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2004:ARR.20041025.3 Rolnummer: 2003-0321 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2005-11-29 Raadplegingen: 116 - laatst gezien 2026-07-01 01:09 Fiche Indien een gerechtelijke beslissing de afwijzing van de toekenning van de wettelijke rente ingevolge het overlijden van het slachtoffer van een beroepsziekte omzet in een beslissing tot toekenning van deze rente, is artikel 20 van het Handvest van de sociaal verzekerde van toepassing, zodat er nalatigheidsintrest is verschuldigd vanaf de dagvaarding. Vrije woorden: HANDVEST VAN DE SOCIAAL VERZEKERDE toekenningsprocedure - intrest - beroepsziekte - overlijden - wettelijke rente - nalatigheidsintrest. Wettelijke bepalingen: Wet - 11-04-1995 - 20 - 44 ELI link Pub nr 1995022286 Annotaties Publicaties: SOCIAALRECHTELIJKE KRONIEKEN - - 2005(00007,P.410-411) Tekst van de beslissing Rep. nr. Eindarrest op tegenspraak Derde kamer Beroepsziekte ARBEIDSHOF TE ANTWERPEN Afdeling Antwerpen ARREST A.R. 2030321 OPENBARE TERECHTZITTING VAN VIJFENTWINTIG OKTOBER TWEEDUIZEND EN VIER In de zaak: FONDS VOOR BEROEPSZIEKTEN, openbare instelling onder toezicht van de Minister van Sociale Voorzorg, met burelen gevestigd te 1210 Brussel, Sterrekundelaan 1, appellant, verschijnend bij mr. A.M. SWINNEN, loco mr. E. LAEVENS, advocaat te 1000 Brussel, tegen :
- F. E., in eigen naam, wonende te 2260 Antwerpen, Steynstraat 108,
- F. E., in haar hoedanigheid van ouder en wettelijke beheerster over de persoon en de goederen van haar minderjarige kinderen : - I. B., - Y. B.,
- A. B.,
- B. B.,
- I. B.,
- M. B. in hun hoedanigheid van wettige erfgenamen van wijlen D.H.M.K.B., geïntimeerden, verschijnend bij mr. F. IMPENS, advocaat te 2000 Antwerpen. Het Arbeidshof te Antwerpen, Afdeling Antwerpen, na de zaak in beraad te hebben genomen, spreekt in openbare terechtzitting en in de Nederlandse taal het volgend arrest uit. Gelet op het proces-verbaal van openbare terechtzittingen d.d. 26 april 2004 en 27 september
- Gelet op de stukken van het dossier van de rechtspleging, onder meer: - het tussenarrest door deze kamer van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, tussen partijen gewezen op 26 april 2004 waarbij de heropening der debatten werd bevolen; x de regelmatige oproeping van partijen in toepassing van artikel 775 van het Gerechtelijk Wetboek voor de openbare terechtzitting van 27 september 2004; x de conclusies na tussenarrest voor appellant, ontvangen ter griffie van dit Hof op 20 september
- De zaak werd hernomen en partijen werden gehoord in hun middelen en besluiten op de openbare terechtzitting van 27 september 2004, waarna de debatten werden gesloten en het Hof de zaak in beraad nam.
- Feiten en voorgaanden Het Hof verwijst hiervoor naar het tussenarrest van dit Hof van 26 april 2004 waarin de historiek van het geschil werd beschreven en waarbij : - het hoger beroep niet toelaatbaar werd verklaard in zoverre het ingesteld wordt tegen de erfgenamen I. B. en M. B.; - het hoger beroep ongegrond werd verklaard in zoverre het hoger beroep betrekking heeft op de uitspraak van de eerste rechter omtrent de betaling van de wettelijke rente aan F. E. in haar hoedanigheid van ouder en wettelijke beheerster over de persoon en de goederen van I. en Y. B. en aan A. B. en B. B. ingevolge het overlijden van D. B., te verhogen met de gerechtelijke intresten vanaf 17 november 2000 tot aan de dag van betaling; - dienvolgens hieromtrent het bestreden vonnis werd bevestigd; - in zoverre het hoger beroep betrekking heeft op de uitspraak van de eerste rechter omtrent de wettelijke intresten, de heropening der debatten werd bevolen; - de uitspraak over de kosten werd aangehouden. Vooraleer verder recht te spreken over het hoger beroep, heeft het Arbeidshof te Antwerpen in haar tussenarrest van 26 april 2004 de heropening der debatten bevolen teneinde de partijen toe te laten standpunt in te nemen omtrent de gevorderde wettelijke intresten gezien het arrest van het Arbitragehof d.d. 8 mei
- Eisen in hoger beroep na heropening der debatten Appellant vordert in hoofdorde te zeggen voor recht dat geen laattijdigheidsintresten zijn verschuldigd en in ondergeschikte orde te zeggen voor recht dat de vordering tot toekenning van laattijdigheidsintresten zonder voorwerp is. Geïntimeerde gedraagt zich op de openbare terechtzitting van 27 september 2004 naar de wijsheid van het Hof.
- Beoordeling door het Hof Appellant stelde beperkt hoger beroep in tegen het eindvonnis van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen van 9 januari
- Na tussenarrest van dit Hof van 26 april 2004 blijft nog enkel ter discussie of naast de gerechtelijke intresten ook nog wettelijke intresten verschuldigd zijn op de toegekende wettelijke rente, vanaf de vervaldatum. Appellant is van oordeel dat bij ontstentenis van een uitdrukkelijke bepaling in de Beroepsziektewet op de door hem verschuldigde vergoedingen slechts gerechtelijke intresten verschuldigd zijn en geen wettelijke intresten zoals voorzien in artikel 42 van de Arbeidsongevallenwet. In het tussenarrest van dit Hof van 26 april 2004 werd verwezen naar artikel 20 van de Wet van 11 april 1995 tot invoering van het "handvest" van de sociaal verzekerde en naar het arrest nr. 78/2002 van 8 mei 2002 van het Arbitragehof, en meer in het bijzonder naar de overweging sub B.6.
- Appellant argumenteert in hoofdorde dat het Handvest in casu niet van toepassing is aangezien het geen "beslissing tot toekenning" betreft maar een afwijzende beslissing betreft, en dat bijgevolg het arrest van het arbitragehof d.d. 8 mei 2002 niet van toepassing is. In ondergeschikte orde betoogt appellant, voorzover het Hof toch zou oordelen dat het Handvest van toepassing zou zijn, dat de startdatum van de gerechtelijke intresten zich situeert vóór de startdatum van de intresten van het Handvest, zodat de vordering tot toekenning van de intresten van het Handvest zonder voorwerp is. Tussen partijen bestaat er geen betwisting over het feit dat de wettelijke rente wordt toegekend aan F. E. in haar hoedanigheid van ouder en wettelijk beheerster over de persoon en de goederen van I. en Y. B. en aan A. B. en B. B. ingevolge het overlijden van D. B., te verhogen met de gerechtelijke intresten vanaf 17 november 2000 (datum van de inleidende dagvaarding) tot aan de dag van betaling. De wet van 11 april 1995 inzake het Handvest van de Sociaal Verzekerde is op 1 januari 1997 in voege getreden en is van toepassing op de regelingen van sociale zekerheid. Artikel 20 van het Handvest voert het principe in dat sociale zekerheidsprestaties van rechtswege verwijlintresten opbrengen. Dit was trouwens één van de voornaamste nieuwigheden van het Handvest. Naar aanleiding van een prejudiciële vraag van het Arbeidshof te Luik heeft het Arbitragehof op 8 mei 2002 een arrest gewezen betreffende artikel 20 van het Handvest van de Sociaal Verzekerde inzake een geschil met betrekking tot de beroepsziekten. Het Arbitragehof stelde voor recht dat: "Artikel 20 van de wet van 11 april 1995 tot invoering van het "handvest" van de Sociaal Verzekerde schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, wanneer het in die zin wordt geïnterpreteerd dat het niet van toepassing is op de Sociaal Verzekerde rechthebbenden wier prestaties worden uitbetaald ter uitvoering van een uitvoerbare rechterlijke beslissing waarbij de administra-tieve beslissing tot weigering van erkenning van de verzwaring van de arbeidsongeschiktheid teniet wordt gedaan. Dezelfde bepaling schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet, wanneer zij in die zin wordt geïnterpreteerd dat zij van toepassing is op de Sociaal Verzekerde rechthebbenden wier prestaties worden uitbetaald ter uitvoering van een uitvoerbare rechterlijke beslissing waarbij de administra-tieve beslissing tot weigering van erkenning van de verzwaring van de arbeidsongeschiktheid teniet wordt gedaan." In het bijzonder haalde het Arbitragehof in zijn overweging sub B.6.
- het volgende aan: "Aangezien de verwijlintresten strekken tot het herstel van de schade die wegens de vertraging in de uitvoering van een verbintenis wordt geleden, verantwoordt niets dat de sociaal verzekerde die nadeel heeft van een vergissing van het bestuur verschillend wordt behandeld ten opzichte van diegene die door vertraging bij het bestuur schade lijdt." Het Arbitragehof heeft dus geoordeeld dat ook al gaat het om een weigeringsbeslissing die door een gerechtelijke beslissing wordt omgezet in een toekenningsbeslissing, er toepassing moet worden gemaakt van artikel 20 van het Handvest. In voorliggend geval werd eveneens een afwijzingsbeslissing door een gerechtelijke beslissing omgezet in een toekenningsbeslissing. Het Handvest is bijgevolg van toepassing. Artikel 10 van het Handvest stelt als principe dat de instelling van Sociale Zekerheid vier maanden tijd heeft om te beslissen en artikel 12 vier maanden om te betalen. In casu werd een aanvraag ingediend op 27 maart 2000 (datum van overlijden). Rekening houdend met wat voorafgaat, dienen de vergoedingen ten laatste te worden betaald op 27 november 2000 (= vervaldatum). Geïntimeerden gingen over tot dagvaarding op 17 november 2000, zodat de gerechtelijke intresten lopen vanaf 17 november
- Aangezien de startdatum van de gerechtelijke intresten (17 november 2000) zich situeert voor de startdatum van de wettelijke intresten (27 november 2000) kunnen deze laatste niet toegekend worden, aangezien de wettelijke intresten worden "geabsorbeerd" door de gerechtelijke intresten, die in dit geval eerder beginnen te lopen. Het hoger beroep is op dit punt gegrond. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Rechtsprekend op tegenspraak. Het tussenarrest van deze kamer d.d. 26 april 2004 verder uitwerkend: Verklaart het hoger beroep met betrekking tot de wettelijke intresten gegrond. Hervormt dienvolgens hieromtrent het bestreden vonnis van 9 januari 2003 van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen. Opnieuw rechtsprekend. Veroordeelt appellant tot betaling aan bovenvermelde geïntimeerden (1° tot en met 4° geïntimeerde) van de wettelijke rente ingevolge het overlijden van de heer Boukamza Driss, te verhogen met de gerechtelijke intresten vanaf 17 november 2000 tot aan de dag van betaling. Zegt voor recht dat de gevorderde wettelijke intresten zonder voorwerp zijn. Verwijst appellant in de kosten van het hoger beroep. Vereffent deze kosten aan de zijde van geïntimeerden op 139,81 EUR rechtsplegingsvergoeding en op 58,25 EUR uitgavenvergoeding. Laat de kosten onvereffend aan de zijde van appellant bij gebrek aan neergelegde kostenbegroting. Aldus gewezen en uitgesproken door de derde kamer van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, zitting houdend in openbare terechtzitting te Antwerpen op vijfentwintig oktober tweeduizend en vier, waar aanwezig waren: mevrouw M. ZEGERS, Raadsheer wnd. Voorzitter, de heer M. VAN GORP, Raadsheer in sociale zaken als werkgever, de heer L. VAN NESPEN, Raadsheer in sociale zaken als werknemer, de heer J. VERELST, Griffier. PDF document ECLI:BE:AHANT:2004:ARR.20041025.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div