← België

ECLI:BE:AHANT:2004:ARR.20041025.5

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 25 oktober 2004 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2004:ARR.20041025.5 Rolnummer: 2003-0658 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-06-14 Raadplegingen: 233 - laatst gezien 2026-07-01 22:58 Fiche 1 Overeenkomstig het bepaalde in artikel 1154 burgerlijk wetboek kunnen vervallen intresten van kapitalen intresten opbrengen, ofwel ten gevolge van een gerechtelijke aanmaning ofwel ten gevolge van een bijzondere overeenkomst, mits de aanmaning of de overeenkomst betrekking heeft op intresten die ten minste voor een heel jaar verschuldigd zijn. De neerlegging van een conclusie ter griffie kan gelden als een handeling die gelijkwaardig is aan de bij artikel 1154 burgerlijk wetboek vereiste gerechtelijke aanmaning, wanneer in die conclusie de aandacht van de schuldenaar wordt gevestigd op de kapitalisatie van de intrest. Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP-RECHT-WETGEVING . BURGERLIJK WETBOEK intresten - kapitalisatie - kapitaal - begrip - artikel 1154 van het burgerlijk wetboek. Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 1154 Fiche 2 Op grond van de in de schoot van het Aanvullend Nationaal Paritair Comité voor Bedienden nr. 218 gesloten collectieve arbeidsovereenkomsten kan niet besloten worden dat de zogenaamde niet gebaremiseerde bedienden uitgesloten zijn van het recht op een eindejaarspremie. Vrije woorden: COLLECTIEVE ARBEIDSVERHOUDINGEN . PARITAIRE COMITES eindejaarspremie - aanvullend nationaal paritair comité voor bedienden 218 - toepassingsgebied - niet gebaremiseerde bedienden niet uitgesloten. Wettelijke bepalingen: Collectieve arbeidsovereenkomst - 29-05-1989 - 5 Fiche 3 De werkgeversbijdragen in de groepsverzekering maken deel uit van de verdiende brutowedde in de zin van artikel 46 van het Vakantiebesluit. Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID VOOR WERKNEMERS . JAARLIJKSE VAKANTIE vakantiegeld - berekening - vakantiegeld einde dienst - werkgeversbijdragen in groepsverzekering. Wettelijke bepalingen: Gecoordineerde Wetten - 28-06-1971 - 9 Koninklijk Besluit - 30-03-1967 - 46 Fiche 4 Onder brutowedde in de zin van artikel 46 van het Vakantiebesluit moet worden verstaan : het loon of de in geld waardeerbare voordelen die betaald worden als tegenprestatie van arbeid die ter uitvoering van een arbeidsovereenkomst wordt verricht. Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID VOOR WERKNEMERS . JAARLIJKSE VAKANTIE vakantiegeld - berekening - vakantiegeld einde dienst - begrip brutowedde - tegenprestatie voor arbeid. Wettelijke bepalingen: Gecoordineerde Wetten - 28-06-1971 - 9 Koninklijk Besluit - 30-03-1967 - 46 Fiche 5 Het K.B. van 18 februari 2003, op grond waarvan de werkgeversbijdragen in de groepsverzekering niet langer onderworpen zijn aan de heffing van socialezekerheidsbijdragen, is niet te aanzien als een interpretatief K.B. en heeft dus evenmin een retroactieve werking. Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID VOOR WERKNEMERS . JAARLIJKSE VAKANTIE Vakantiegeld - KB 18 februari 2003 - geen interpretatief KB - geen retroactieve werking. Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 30-03-1967 - 38BIS Fiche 6 De verordening 1408/71 is niet van toepassing op de jaarlijkse vakantie en is evenmin dienend om na te gaan welke wetgeving van toepassing is voor de betaling van vakantiegeld. Het enkele feit dat een bepaalde prestatie door de nationale wetgeving als socialezekerheidsuitkering wordt aangemerkt, maakt niet automatisch de verordening van toepassing. Vrije woorden: INTERNATIONALE VERDRAGEN EN VERORDENINGEN Verordening 1408/71 - europese economische gemeenschap - bediende - opzeggingsvergoeding - lopend loon - vakantiegeld - geen socialezekerheidsprestaties. Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 14-06-1971 - 14,L2,b,(i) Nota: Gerangschikt onder I B - artikel 1154, IV C - art. 5, VII G - artikel 9

(2x), VII G - artikel 38 bis en onder IX D 3 - artikel 14, lid 2, b, (i). Annotaties Publicaties: JOURNAL DES TRIBUNAUX DU TRAVAIL - - 2005(00913,P.147-150) RECHTSKUNDIG WEEKBLAD - - 2005
(06)(00015,P.590-592) SOCIAALRECHTELIJKE KRONIEKEN - - 2006(00002,P.91-92) Tekst van de beslissing A.R. 2030658 OPENBARE TERECHTZITTING VAN VIJFENTWINTIG OKTOBER TWEEDUIZEND EN VIER N.V. DR. M. A. B., appellante, incidenteel geïntimeerde vertegenwoordigd door mr. K. GOYENS, advocaat te Brussel, tegen : M. V. B., geïntimeerde, incidenteel appellant vertegenwoordigd door mr. H. VANDEKERCKHOVE, advocaat te Antwerpen. Het Hof, na de zaak in beraad te hebben genomen, spreekt in openbare terechtzitting en in de Nederlandse taal het volgend arrest uit. Gelet op de uiteenzetting van de middelen van partijen ter openbare zitting van 27 september 2004. Gelet op de processen-verbaal van de openbare terechtzitting van 1 december 2003 en 27 september 2004. I. STUKKEN VAN DE RECHTSPLEGING Gelet op de stukken van de rechtspleging, in het bijzonder: x het eensluidend verklaard afschrift van het op 1 oktober 2003 op tegenspraak gewezen vonnis van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen, waarvan geen bewijs van betekening wordt bijgebracht; x het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van dit Hof op 14 november 2003; x de conclusies van partijen, ontvangen ter griffie van dit Hof op 19 januari 2004 voor de heer V.B. en op 6 mei 2004 voor de N.V. Dr. M. A. B., hierna de N.V. genoemd; x de beschikking d.d. 5 april 2004 overeenkomstig artikel 747 ,§2 van het Gerechtelijk Wetboek. II. PROCEDURE IN EERSTE AANLEG Met inleidende dagvaarding, betekend op 17 september 2002, vorderde de heer V.B. de veroordeling van de N.V. tot betaling van een totaal bedrag van 117.652,10 EUR, te vermeerderen met de wettelijke intresten op de corresponderende netto bedragen vanaf 6 juni 2002 en de gerechtelijke intresten, rekening houdend met en onder aftrek van een netto bedrag van 27.642,24 EUR betaald op 9 september 2002 ten titel van opzeggingsvergoeding. Bij aanvullende en tevens syntheseconclusie ontvangen ter griffie van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen op 30 mei 2003 vorderde de heer V.B. de N.V. te veroordelen tot betaling van: - een bruto opzeggingsvergoeding van 85.597,69 EUR, te vermeerderen met een wettelijke intrest op het netto corresponderende bedrag vanaf 6 juni 2002, en rekening houdend met een betaling van een netto bedrag van 27.642,24 EUR op 9 september 2002 en van een netto bedrag van 2.047,60 EUR op 17 februari 2003; - vertrekvakantiegelden 2001: 2.991,20 EUR en 2002 4.975,23 EUR enkel en dubbel vakantiegeld op voordelen voor 1998 tot en met 2002: 5.018,00 EUR, te vermeerderen met de wettelijke intresten op het netto corresponderende bedrag vanaf 27 juni 2002; - achterstallige eindejaarspremies voor de jaren 2002 t.e.m. 2002 voor een bedrag van 14.246,69 EUR, te vermeerderen met de wettelijke intresten op het netto corresponderende bedrag vanaf 6 juni 2002; - vertrekvakantiegelden op deze premies ten beloop van 1.228,87 EUR, te vermeerderen met de wettelijke intresten op het netto corresponderende bedrag vanaf 27 juni 2002. Bij bestreden vonnis van 1 oktober 2003 verklaarde de eerste rechter de vordering ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond. De N.V. werd veroordeeld tot betaling van: - 22.459,92 EUR bruto aanvullende opzeggingsvergoeding - 14.246,69 EUR bruto oudejaarspremie te vermeerderen met de wettelijke intresten vanaf 6 juni 2002 - 1.228,87 EUR bruto vakantiegeld op de eindejaarspremie deze bruto bedragen te verminderen met de wettelijk verplichte sociale en fiscale inhoudingen, voor zover deze verschuldigd zijn, te vermeerderen met de gerechtelijke intresten vanaf 17 september 2002 te berekenen op het netto opeisbaar gedeelte. Alvorens verder recht te spreken over de vordering m.b.t. de vakantiegelden, heropende de eerste rechter de debatten om de N.V. toe te laten een correcte berekening voor te leggen m.b.t. het totaal verschuldigd bedrag sinds het begin van de tewerkstelling en dit volgens de Belgische vakantiewetten alsmede een overzicht van de reeds betaalde bedragen gedurende de hele periode van tewerkstelling. III. EISEN IN HOGER BEROEP De vordering in hoger beroep van de N.V. strekt ertoe het bestreden vonnis te horen teniet doen in de mate dat de vordering van de heer V.B. tot het bekomen van een aanvullende opzeggingsvergoeding, eindejaarspremie en vakantiegeld op de eindejaarspremie ontvankelijk en gegrond werd verklaard en de N.V. werd veroordeeld tot betaling van een aanvullende opzeggingsvergoeding van 22.459,92 EUR bruto, een bedrag van 14.246,69 EUR bruto eindejaarspremie (beide bedragen te vermeerderen met de wettelijke intresten vanaf 6 juni 2002) en 1.228,87 EUR bruto ten titel van vakantiegeld op de eindejaarspremie, alle bedragen te vermeerderen met de gerechtelijke intresten vanaf 17 september 2002, te berekenen op het netto opeisbare gedeelte. Verder vordert de N.V. te zeggen voor recht dat zij aan de heer V.B. geen vakantiegeld (vertrekvakantiegeld noch vakantiegeld op voordelen) meer verschuldigd is en ten slotte de heer V.B. te veroordelen tot de kosten van het geding. Bij conclusie van 19 januari 2004 vordert de heer V.B. het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren, het bestreden vonnis te bevestigen en bijkomend en in totaal de N.V. te veroordelen tot betaling van: - een bruto opzeggingsvergoeding van 85.597,69 EUR, te vermeerderen met een wettelijke intrest op het netto corresponderende bedrag vanaf 6 juni 2002, en rekening houdend met een betaling van een netto bedrag van 27.642,24 EUR op 9 september 2002 en van een netto bedrag van 2.047,60 EUR op 17 februari 2003 - ten titel van vertrekvakantiegeld 2003 een bruto bedrag van 3.173,17 EUR - ten titel van dubbel vakantiegeld op andere voordelen: voor 1998: 458,08 EUR voor 1999: 794,11 EUR voor 2000: 794,11 EUR - voor de jaren 2001 en 2002, enkel en dubbel vakantiegeld (vertrekvakantiegeld): voor 2001: 1.624,22 EUR voor 2002: 676,76 EUR al de vakantiegelden te vermeerderen met de wettelijke intresten op het netto corresponderende bedrag vanaf 27 juni 2002 - achterstallige eindejaarspremies voor de jaren 2002 t.e.m. 2002 voor een bedrag van 14.246,69 EUR, te vermeerderen met de wettelijke intresten op het netto corresponderende bedrag vanaf 6 juni 2002 - vakantiegelden op deze premies ten beloop van 1.228,87 EUR, te vermeerderen met de wettelijke intresten op het netto corresponderende bedrag vanaf 27 juni 2002. Tevens vordert de heer V.B. bij de berekening van de intresten op alle hogervermelde bedragen rekening te houden met een kapitalisatie hiervan op 20 januari 2004 en de N.V. te veroordelen tot de kosten van het geding. IV. ONTVANKELIJKHEID Het hoger beroep en het incidenteel beroep werden tijdig en met een naar de vorm regelmatige akte ingesteld, zodat ze ontvankelijk zijn. V. TEN GRONDE 1. De feiten De N.V. is een Belgische firma met maatschappelijke zetel te Aartselaar. De heer V.B. trad met een arbeidsovereenkomst van 18 mei 1998 in dienst van de N.V. als verantwoordelijke voor de verkoopafdeling en de marketingafdeling voor België, Nederland en Luxemburg. Sinds januari 1999 werd hij gepromoveerd tot general manager Benelux. Nadien kwam daar tevens de functie van sales manager voor de Benelux, de Duitse, Oostenrijkse en Zwitserse markt bij. Vanaf 1 april 2001 droeg hij de titel van "general manager BNL,GE". De heer V.B. heeft de Nederlandse nationaliteit. Gedurende zijn loopbaan woonde hij in Nederland en werkte hij zowel in België als in Nederland. Hij ontvangt een bruto aanvangssalaris van 9.259,26 NLG per maand en een onkostenvergoeding van 300 NLG (136,13 EUR) netto per maand. Artikel 7 van de arbeidsovereenkomst bepaalt dat de heer V.B. een bruto vakantietoeslag ontvangt van 8 % per jaar van het bruto jaarsalaris. Het recht wordt opgebouwd naar evenredigheid van de duur van het dienstverband gedurende het vakantiejaar dat loopt van 1 juli tot en met 30 juni. Gedurende heel zijn loopbaan bij de N.V. werd de heer V.B. onderworpen aan de Nederlandse sociale zekerheid. Hij ontving steeds vakantiegeld volgens de Nederlandse wetgeving. Bij aangetekend schrijven van 6 juni 2002 werd een einde gesteld aan de arbeidsovereenkomst door de N.V. met onmiddellijke ingang. De heer V.B. ontving een compenserende opzeggingsvergoeding gelijk aan het loon van acht maanden ten beloop van 57 588,00 EUR. Met dagvaarding van 17 september 2002 vorderde de heer V.B. de betaling van de hiervoor sub II vermelde bedragen. Met vonnis van 1 oktober 2003 besliste de eerste rechter hetgeen is weergegeven onder punt II van dit arrest. Tegen dit vonnis stelde de N.V. op 14 november 2003 hoger beroep in. Hoewel dit niet uitdrukkelijk als dusdanig is vermeld, stelde de heer V.B. met conclusie van 19 januari 2004 beperkt incidenteel beroep in. 2. De beoordeling 2.1. de aanvullende opzeggingsvergoeding 2.1.1. het toepasselijke recht Tussen partijen wordt niet betwist dat, voor de beoordeling van de vraag of en desgevallend in welke mate de heer V.B. aanspraak kan maken op een aanvullende opzeggingsvergoeding, hun rechtsverhouding wordt beheerst door het Belgisch recht. Krachtens artikel 39 van de Arbeidsovereenkomstenwet moet de partij die de overeenkomst zonder dringende reden of zonder inachtneming van de opzeggingstermijn vastgesteld in de artikelen 59, 82, 83, 84 en 115 beëindigt aan de andere partij een vergoeding betalen die gelijk is aan het lopend loon dat overeenstemt hetzij met de duur van de opzeggingstermijn, hetzij met de resterende duur van die termijn. De opzeggingsvergoeding behelst niet alleen het lopend loon, maar ook de voordelen verworven krachtens de arbeidsovereenkomst. Het bedrag van de vergoeding wordt berekend met inachtneming van het loon waarop de werknemer aanspraak heeft op grond van de arbeidsovereenkomst. Het dubbel en aanvullend vakantiegeld zijn verdiensten verworven krachtens de arbeidsovereenkomst en moeten derhalve in aanmerking genomen worden voor de berekening van de opzeggingsvergoeding. In deze rijst de vraag of, voor de berekening van het lopend loon, ook het vakantiegeld in aanmerking moet worden genomen, rekening gehouden met het door partijen niet betwiste feit dat de heer V.B. tijdens zijn tewerkstelling voor de N.V. onderworpen was aan het Nederlandse socialezekerheidsrecht. Het Hof oordeelt ter zake als volgt. Tussen partijen wordt niet betwist dat het Belgisch arbeidsrecht van toepassing is op huidig geschil. Evenmin is betwist dat de heer V.B. tijdens zijn tewerkstelling op grond van artikel 14, lid 2, b, (
  1. i)van de Verordening 1408/71 EG ressorteerde onder het Nederlandse socialezekerheidsrecht. De Verordening 1408/71 EG is niet van toepassing op de jaarlijkse vakantie en is evenmin dienend om na te gaan welke wetgeving van toepassing is voor de betaling van vakantiegeld. (N. GYBELS, Jaarlijkse vakantie en grensoverschrijdende tewerkstelling, in: Actuele Problemen van Jaarlijkse Vakantie, D. Ryckx en J. Nietvelt (eds.), blz. 51 en 56) De materiële werkingssfeer van deze Verordening wordt geregeld in artikel 4. Het Hof van Justitie heeft reeds meermaals beslist dat het onderscheid tussen prestaties die van de werkingssfeer van de Verordening 1408/71 zijn uitgesloten en prestaties die daar wel onder vallen, in de eerste plaats gegrond is op de constitutieve elementen van elke prestatie. Dat een prestatie al dan niet door de nationale wetgeving als socialezekerheidsuitkering wordt aangemerkt, maakt niet automatisch de Verordening van toepassing. (Y. Jorens, Overzicht van de rechtspraak van het Hof van Justitie inzake Europese Sociale Zekerheidsrecht, J.T.T., 1991, 273) De lijst van de in artikel 4, lid 1 van de Verordening opgesomde prestaties is limitatief, zodat een daarin niet opgesomde tak van de sociale zekerheid als dusdanig niet valt onder het toepassingsgebied. De jaarlijkse vakantie is niet vermeld in voornoemd artikel 4, zodat de desbetreffende regeling er niet onder ressorteert. Terecht laat de heer V.B. bovendien gelden dat het Belgisch stelsel van de jaarlijkse vakantie, althans voor wat de bedienden betreft, niet behoort tot de sociale zekerheid maar tot het arbeidsrecht. (Arbh. Brussel, 20 februari 1997, Soc. Kron., 1997, 604) Aangezien partijen het eens zijn over het feit dat de arbeidsovereenkomst beheerst wordt door het Belgisch recht, dient het recht op vakantiegeld beoordeeld te worden naar Belgisch recht. Voor het overige kan het Hof zich vinden in de overige desbetreffend door de eerste rechter geformuleerde argumenten (het bestreden vonnis blz. 4-6 punt 1) Voor de becijfering van het lopend loon ter berekening van de opzeggingsvergoeding moet bijgevolg rekening gehouden worden met het vakantiegeld. 2.1.2. de becijfering van het lopend loon Tussen partijen bestaat geen betwisting dat het vast loon (6 433,80 EUR per maand) en de werkgeversbijdragen zowel in de groepsverzekering (397,06 EUR per maand) als in de ziektekostenverzekering (113,45 EUR per maand) als lopend loon in aanmerking moeten worden genomen. Voor wat betreft het voordeel van het privé-gebruik van de bedrijfswagen is het Hof samen met de eerste rechter van oordeel dat daarvoor een bedrag in aanmerking moet genomen worden van 371,84 EUR per maand, rekening gehouden met het feit dat de heer V.B. ongelimiteerd gebruik mocht maken van een BMW 525 samen met een tankkaart, wat overeenstemt met de werkelijke waarde van dit voordeel. Betwisting bestaat verder over de vraag of dubbel vakantiegeld verschuldigd is op het voordeel van de werkgeversbijdragen in de verzekeringen en op het voordeel van het privé-gebruik van de bedrijfswagen. Om de hierna sub 2.3. uiteengezette redenen moet dit voordeel in aanmerking worden genomen voor de berekening van het vakantiegeld, dat op zijn beurt een voordeel uitmaakt dat moet worden opgenomen in het basisjaarloon. Ten slotte bestaat nog betwisting over de vraag of de heer V.B. aanspraak kon maken op een eindejaarspremie en of dit als lopend loon moet worden aangezien. Om de hierna sub 2.2 uiteengezette redenen moet dit voordeel, waarvan de omvang niet wordt betwist, eveneens opgenomen worden in het basisjaarloon. Bijgevolg bedroeg het lopend loon van de heer V.B. op het tijdstip van het ontslag 100 958,44 EUR, zoals ook de eerste rechter terecht besliste. 2.1.3. de duur van de opzeggingstermijn en de daarmee overeenstemmende omvang van de aanvullende opzeggingsvergoeding In casu werd de arbeidsovereenkomst eenzijdig met onmiddellijke ingang en zonder inachtneming van een opzeggingstermijn door de N.V. beëindigd. In dat geval is, krachtens artikel 39 van de Arbeidsovereenkomstenwet, de N.V. gehouden om aan de heer V.B. een vergoeding te betalen gelijk aan het lopend loon dat overeenstemt met de duur van de opzeggingstermijn. Wanneer, zoals te dezen, het jaarlijks loon van de bediende de in artikel 82 ,§ 3 van de Arbeidsovereenkomstenwet bepaalde grens overschrijdt, dan worden de door de werkgever en de bediende in acht te nemen opzeggingstermijnen vastgesteld hetzij bij overeenkomst, gesloten ten vroegste op het ogenblik waarop de opzegging wordt gegeven, hetzij door de rechter. Aangezien geen overeenkomst tussen partijen werd gesloten, dient de rechter de duur van de opzeggingstermijn vast te stellen. De rechter stelt op onaantastbare wijze de duur van de opzeggingstermijn vast met inachtneming van de elementen eigen aan de zaak op het ogenblik van het ontslag. Hierbij moet worden aangestipt dat de rechter, bij het vaststellen van de opzeggingstermijn ten aanzien van een bediende, bedoeld in artikel 82, ,§ 3, van de Arbeidsovereenkomstenwet, rekening dient te houden, enerzijds met omstandigheden die bestonden op het ogenblik van de kennisgeving van het ontslag en, anderzijds, in zoverre deze omstandigheden de voor de bediende bestaande kans om een gelijkwaardige betrekking te vinden, beïnvloeden. (Cass., 3 februari 2003, R.W., 2003-2004, 499, noot Van Limberghen) De rechter moet onder meer rekening houden met de kans voor de bediende om spoedig een aangepaste en evenwaardige betrekking te vinden. Die kans moet beoordeeld worden op het tijdstip waarop de opzegging of het ontslag wordt gegeven. De rechter kan, bij het beoordelen van de plaatsingskansen van de bediende, rekening houden met diens functie, leeftijd, anciënniteit en loon op het ogenblik van het ontslag. Geen rekening kan worden gehouden met de door de N.V. aangevoerde gegevens dat de heer V.B. vrijwel onmiddellijk na zijn ontslag terug werk heeft gevonden bij een concurrent van de N.V. en dat hij na zijn ontslag werknemers van de N.V. heeft gepolst over hun interesse om over te stappen naar zijn nieuwe werkgever. De opzeggingsvergoeding is immers een forfaitaire vergoeding en is dus niet afhankelijk van de duur die de werknemer daadwerkelijk nodig heeft om spoedig een passende betrekking te vinden. Verder kan geen rekening gehouden worden met feiten die zich hebben voorgedaan na het ontslag. De heer V.B. bekleedde op het ogenblik van het ontslag de functie van algemeen directeur, was 37 jaar oud, had een anciënniteit van 4 jaar en genoot van een jaarlijks loon van 100 958,44 EUR. Wanneer de juiste waarde wordt toegekend aan de hiervoor vermelde parameters, dan diende de N.V. een opzeggingstermijn in acht te nemen van 10 maanden, zijnde de termijn die de heer V.B. in staat moest stellen spoedig een passende en gelijkwaardige dienstbetrekking te vinden. De door de N.V. aan de heer V.B. verschuldigde opzeggingsvergoeding bedroeg derhalve (100 958,44 : 12) x 10 = 84 132,03 EUR. Op het met dit brutobedrag overeenstemmende nettobedrag moet het met een brutobedrag van 61 672,11 EUR overeenstemmend nettobedrag in mindering worden gebracht. Volgens de stukken van de N.V. (stukken 4 en 5) bedraagt het daarmee overeenstemmende nettobedrag 29 689,84 EUR (27 642,24 EUR + 2 047,60 EUR) In die zin dient het bestreden vonnis te worden gewijzigd op de wijze zoals bepaald in het beschikkend gedeelte van dit arrest. 2.2. eindejaarspremies De heer V.B. vordert de betaling van eindejaarspremies voor de jaren 2000, 2001 en 2002. De door hem desbetreffend aangevoerde rechtsgrond zijn de collectieve arbeidsovereenkomsten betreffende de loon- en arbeidsvoorwaarden gesloten in het Aanvullend Nationaal Paritair Comité voor Bedienden nr. 218, onder hetwelk de N.V. voor haar bedienden ressorteert (en wat door de N.V. niet wordt betwist). Verwijzend naar drie arresten van het Hof van Cassatie (16 januari 1989, R.W., 1988-89, 1088; J.T.T. 1989, 332, noot C. Wantiez; 11 februari 1982, R.W. 1982-83, 2208; 18 oktober 1976, Arr. Cass., 1977, 191) en een arrest van het Arbeidshof te Brussel (28 maart 1997, J.T.T. 1997, 399) houdt de N.V. voor dat de bepalingen van de desbetreffende collectieve arbeidsovereenkomsten die een recht op eindejaarspremie toekennen enkel van toepassing zijn op de bedienden die behoren tot één van de beroepenklassen zoals aangewezen in de collectieve arbeidsovereenkomst van 29 mei 1989 betreffende de arbeids- en beloningsvoorwaarden, algemeen verbindend verklaard bij K.B. van 6 augustus 1990, de zogenaamde "gebaremiseerde bedienden". Nu de heer V.B. als kaderlid niet behoort tot een van de beroepenklassen die in artikel 2 van het hoofdstuk II van die C.A.O. zijn voorzien, kan hij volgens de N.V. geen aanspraak maken op de betaling van de door hem gevorderde eindejaarspremies. Het Hof oordeelt ter zake als volgt. Artikel 1, behorend tot het hoofdstuk I "Toepassingsgebied" van de hiervoor vermelde C.A.O. van 29 mei 1989, zoals herhaaldelijk gewijzigd, voorziet dat deze collectieve arbeidsovereenkomst van toepassing is op de werkgevers en de bedienden van de ondernemingen welke tot de bevoegdheid behoren van het Aanvullend Nationaal Paritair Comité voor Bedienden en dat onder "bedienden" wordt verstaan, de mannelijke en vrouwelijke bedienden. Artikel 2, behorend tot het hoofdstuk II "Beroepsindeling", voorziet dat de functies van de bedienden in vier klassen worden ingedeeld die door de daarna bepaalde maatstaven worden bepaald. Volgens artikel 5, behorend tot hoofdstuk III "Bezoldigingen", wordt, voor zover voldaan is aan een aantal voorwaarden, een premie gelijk aan het maandloon betaald "aan de bedienden". Verder wordt in dit artikel nog bepaald dat recht hebben op de premie berekend naar rato van de prestaties van het lopend werkjaar, wanneer zij de onderneming verlaten vóór de datum van betaling van de premie en voor zover zij een anciënniteit hebben van zes maanden op het ogenblik van hun vertrek, onder anderen "de bedienden die, behalve om dringende reden, ...". Ten slotte wordt de eindejaarspremie eveneens naar rato betaald aan "de bedienden" die werden aangeworven binnen het kader van een contract voor bepaalde duur van minstens zes maanden en die de onderneming verlaten vóór de betaling van de premie. Uit voormelde bepalingen volgt dat in de regel de betreffende collectieve arbeidsovereenkomst van toepassing is op de bedienden zonder enig onderscheid en dat aan alle bedienden die aan de gestelde voorwaarden voldoen, een eindejaarspremie wordt toegekend gelijk aan het maandloon (behoudens de handelsvertegenwoordigers voor wie een bijzondere becijfering geldt) of een pro rata eindejaarspremie naar rato van de geleverde prestaties. Dat het recht op de toekenning van een (pro rata) eindejaarspremie enkel voorbehouden zou zijn voor de bedienden die in een van de klassen zoals vermeld in artikel 2 van de collectieve arbeidsovereenkomst zijn ingedeeld, vindt naar het oordeel van het Hof geen steun in de bepalingen van die collectieve arbeidsovereenkomst. Het artikel 5 waarin het recht op een (pro rata) eindejaarspremie is voorzien stelt, geïsoleerd noch samen genomen met de andere bepalingen van de collectieve arbeidsovereenkomst, niet als vereiste dat de bediende tot een van de klassen zoals voorzien in artikel 2 van de collectieve arbeidsovereenkomst zou behoren opdat hij aanspraak zou kunnen maken op de betaling van de premie. Dat ook de voorzitter van het betreffende paritair comité (die volgens artikel 40 van de CAO-wet onafhankelijk staat tegenover de belangen waarmee het paritair comité te maken heeft) van mening is dat in de collectieve arbeidsovereenkomst geen onderscheid wordt gemaakt tussen de zogenaamde "gebaremiseerden en niet gebaremiseerden", ondersteunt mede de opinie van het Hof. De heer V.B. kan zich bijgevolg beroepen op artikel 5 van de collectieve arbeidsovereenkomst van 29 mei 1989 om de betaling van eindejaarspremies te vorderen. Nu de N.V. niet betwist dat de heer V.B. de door voornoemd artikel 5 gestelde voorwaarden vervult net zo min als de becijfering van de gevorderde eindejaarspremies, is de eis van de heer V.B. gegrond. Evenmin is betwist dat naar Belgisch recht op de eindejaarspremie vakantiegeld einde dienst verschuldigd is (zie verder punt 2.3.) Het is dan ook terecht dat de eerste rechter dit onderdeel van de eis gegrond heeft verklaard. 2.3. vakantiegeld einde dienst Zoals hiervoor onder punt 2.1.1. is gebleken, is het Belgisch recht van toepassing, ook voor wat de toekenning van het vakantiegeld betreft. Krachtens artikel 46, eerste en tweede lid, van het K.B. van 30 maart 1967 tot bepaling van de algemene uitvoeringsmodaliteiten van de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers, hierna Vakantiebesluit genoemd, betaalt de werkgever, wanneer het contract van de bediende een einde neemt, bij zijn vertrek, een percentage van de bij hem tijdens het lopende vakantiedienstjaar verdiende bruto wedde en, wanneer de bediende de op het vorig dienstjaar betrekking hebbende vakantie nog niet genoten heeft, een percentage van de bij hem tijdens dat vorig vakantiedienstjaar verdiende bruto wedde, eventueel verhoogd met een fictieve wedde voor met effectief gewerkte dagen gelijkgestelde dagen van arbeidsonderbreking. Voor de berekening van het vakantiegeld moet de term "bruto wedde" worden begrepen als het loon of de in geld waardeerbare voordelen die betaald worden als tegenprestatie van arbeid die ter uitvoering van een arbeidsovereenkomst wordt verricht. (Cass., 4 februari 2002, R.W., 2001-2002, 1356; Cass., 4 februari 2002, R.W., 2002-2003, 293, noot; De Vos, M., Verduidelijking van sociaalrechtelijke loonbegrippen via de casus groepsverzekering. Het Hof van Cassatie stelt orde op zaken, R.W., 2002-2003, 286, nr. 4-5; Lenaerts, H., concl. vóór Cass., 28 oktober 1985, A.C., 1985-86, nr. 130; Ryckx, D., Vakantiegeld bij het einde van de dienstbetrekking en bij de nieuwe werkgever: enkele knelpunten, in: Actuele Problemen van Jaarlijkse Vakantie, Ryckx, D. en Nietvelt, J. (eds.), Intersentia Rechtswetenschappen, Antwerpen - Groningen, 2001, blz. 102-112; De Vos, M., De loonbegrippen ter berekening van het vakantiegeld voor bedienden na het K.B. van 18 februari 2003, J.T.T. 2003, 170, nr. 7) Het toegelaten privé-gebruik van een firmawagen vormt onmiskenbaar een in geld waardeerbaar voordeel dat in aanmerking moet worden genomen voor de berekening van het verschuldigde vakantiegeld. Ook geldsommen die aan derden worden uitbetaald door de werkgever, wanneer de werknemer aanspraak kan maken op de betaling ervan en hij zijn recht stoelt op de arbeidsovereenkomst, zoals de door de werkgever in uitvoering van een reglement dat deel uitmaakt van de arbeidsovereenkomst betaalde bijdragen of premies voor een groepsverzekering, bestemd om een pensioenfonds te spijzen, maken deel uit van het loon in de zin van de Loonbeschermingswet en maken, als krachtens de arbeidsovereenkomst verworven verdiensten, in geld waardeerbare voordelen uit die betaald worden als tegenprestatie voor de in het kader van de arbeidsovereenkomst verrichte arbeid. (Cass., 4 februari 2002, R.W., 2001-2002, 1356) Artikel 2, derde lid, c, van de Loonbeschermingswet doet hieraan geen afbreuk, vermits deze bepaling betrekking heeft op de langs het pensioenfonds of de pensioenverzekering uitgekeerde aanvullende pensioenuitkeringen zélf en niet op de hierboven bedoelde premies of bijdragen. Volgens de bepalingen van de Vakantiewet en het Vakantiebesluit, vormen enkel voor arbeiders "de bezoldigingen van het vakantiedienstjaar, die als basis gediend hebben voor de berekening van de verschuldigde bijdrage voor de samenstelling van bedoeld vakantiegeld" de berekeningsbasis voor het verschuldigde vakantiegeld. (zie art. 9, eerste lid Vakantiewet) Voor wat betreft de bedienden, heeft de Koning gebruik gemaakt van de in artikel 9, tweede lid Vakantiewet geboden mogelijkheid om een andere basis of wijze van berekening voor te schrijven, dan deze bepaald voor de arbeiders. Daarbij werd vóór de invoering van artikel 38 bis van het Vakantiebesluit bij K.B. van 18 februari 2003 niet gerefereerd aan de berekeningsbasis voor de socialezekerheidsbijdragen en werd een autonoom loonbegrip gehanteerd, met de betekenis zoals hiervoor reeds aangegeven. Dat de wetgever bij K. B. van 18 februari 2003 een artikel 38 bis heeft toegevoegd aan het Vakantiebesluit, volgens hetwelk het deel van de bezoldiging dat niet als basis dient voor de berekening van de socialezekerheidsbijdragen bedoeld in artikel 38, ,§ 2 of ,§ 3, van de Wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers niet in aanmerking (wordt) genomen voor het berekenen van het vakantiegeld, is in casu niet dienend. Het betreffende artikel 38 bis is immers pas vanaf 6 maart 2003 in werking getreden en werkt niet retroactief voor het verleden. De niet-terugwerkende kracht van de verordeningsbesluiten is een algemeen rechtsbeginsel dat de individuele belangen en de rechtszekerheid waarborgt. (Cass., 22 januari 1996, A.C., 1996, 44; Pas., 1996, I, 44). Wanneer de rechter een nieuwe bepaling van een verordeningsbesluit toepast op een toestand die voltrokken was voordat die bepaling effect sorteert, wordt voormeld algemeen rechtsbeginsel geschonden. Het bij K.B. van 18 februari 2003 ingevoegde artikel 38 bis is in werking getreden zonder overgangsbepalingen en heeft dus onmiddellijke uitwerking. (POPELIER, P., Toepassing van de wet in de tijd, in A.P.R., Antwerpen, Kluwer, 1999, 38 e.v.). Dit betekent dat het toepasselijk is op alle vakantiegelden die betaalbaar worden na de inwerkingtreding ervan. (DE VOS, M., De loonbegrippen ter berekening van het vakantiegeld voor bedienden na het K.B. van 18 februari 2003, J.T.T. 2003, 169, nr. 8) Ten overvloede kan worden opgemerkt dat ook in de aanhef van het K.B. volgende zinsnede, die aan duidelijkheid niet te wensen overlaat, werd vermeld: "Overwegende dat deze bepaling uitwerking zal hebben voor de berekening van de vakantiegelden van 2003....". Bedoeld K.B. van 18 februari 2003 kan naar het oordeel van het Hof ook niet gekwalificeerd worden als een interpretatief K.B. dat een authentieke interpretatie geeft van het K.B. van 30 maart 1967 en uitwerking heeft tot op het moment dat laatstgenoemd K.B. in werking trad. Hoewel in het verslag aan de Koning staat vermeld dat het K.B. van 18 februari 2003 beoogt een verduidelijking aan te brengen aan de bestaande reglementering inzake de berekeningsbasis voor het vakantiegeld voor de bedienden, zijn er verschillende andere elementen die erop wijzen dat geen authentieke interpretatie, maar wel degelijk een wijziging van de bestaande reglementering voor de toekomst werd beoogd en doorgevoerd. Zo vermeldt de titel van dit K.B.: "Koninklijk Besluit tot wijziging (onderlijning toegevoegd) van het Koninklijk Besluit van 30 maart 1967" en niet "Koninklijk Besluit tot interpretatie of uitlegging" van laatstgenoemd K.B. In de aanhef van het K.B. van 18 februari 2003 werd het verzoek om spoedbehandeling als volgt gemotiveerd: " Gelet op het verzoek om spoedbehandeling gemotiveerd door de omstandigheid dat de overwogen maatregel in het kader van het interprofessioneel akkoord 2003-2004 werd vastgesteld. Overwegende dat deze bepaling uitwerking zal hebben voor de berekening van de vakantiegelden van 2003 moeten de betrokkenen onverwijld op de hoogte gebracht worden van de draagwijdte van de voorgestelde maatregel teneinde de rechtszekerheid te garanderen". Ook dit valt moeilijk te rijmen met de bedoeling om een interpretatief K.B. uit te vaardigen. Belangrijker is echter de vaststelling dat in het K.B. van 18 februari 2003 geen afstand wordt genomen van de in het verslag aan de Koning vermelde en door dit Hof bijgetreden interpretatie die het Hof van Cassatie heeft gegeven van de term "bruto wedde" in het Vakantiebesluit, dat ook geen definitie of uitlegging van dit begrip wordt gegeven, maar dat een deel van wat als bruto wedde moet worden beschouwd, wordt uitgesloten uit de berekeningsbasis van het vakantiegeld. Het nieuwe artikel 38 bis van het Vakantiebesluit voldoet dan ook niet aan de vereiste dat het enkel een rechtsvraag oplost waarvan het antwoord onzeker of betwist was én door de rechter kon worden gevonden. (Cass. 4 november 1996, Arr. Cass., 1996, 981 en 986) Ten overvloede kan in dit verband nog worden aangestipt dat de werkgeversbijdragen in de groepsverzekering, in tegenstelling tot het voordeel verbonden aan het privé-gebruik van een firmawagen - althans vóór het K.B. van 27 april 2004 (waarbij artikel 19, ,§ 2 van het K.B. van 28 november 1969 aangevuld werd met een 20°) - nog steeds deel uitmaakten van de bezoldiging die als basis dient voor de berekening van de socialezekerheidsbijdragen bedoeld in artikel 38, ,§ 2 of ,§ 3 van de RSZ-wet. (BRIERS, I., " Het loonbegrip in de aanvullende sociale zekerheid", in VAN STEENBERGHE J. en JORENS Y., "Recht en sociale zekerheid 2 Het loonbegrip", Die Keure, 1995, 242; DE VOS M., o.c.,171) Wat de becijfering van het voordeel verbonden aan het privé-gebruik van de firmawagen betreft, kan verwezen worden naar de overwegingen onder punt 2.1.2. van dit arrest. Dat vakantiegeld einde dienst verschuldigd is op de eindejaarspremies, indien die verschuldigd zouden zijn, wordt door de N.V. niet betwist. Rekening gehouden met de door het Hof in aanmerking genomen voordelen en de omvang ervan, is de eis van de heer V.B. gegrond, behoudens voor wat betreft vakantiegeld einde dienst voor het dienstjaar 2001, waarvoor slechts een bedrag van 1 412,46 EUR verschuldigd blijft, gelet op het feit dat de heer V.B. in 2002 reeds vijf vakantiedagen had opgenomen, wat hij in conclusies van 19 januari 2004 (blz. 10, punt 3.17) erkent. Het bedrag van 1 412,46 EUR is als volgt becijferd: (10 588,20 EUR x 8% x 15/20) + (10 588,20 x 7,34%). Alle overige door de N.V. aangevoerde feiten en middelen doen naar het oordeel van het Hof geen afbreuk aan voorgaande overwegingen en besluitvorming. 2.4. kapitalisatie van intresten Met conclusie van 19 januari 2004 vordert de heer V.B. de kapitalisatie van de door de N.V. verschuldigde intresten. De N.V. is van oordeel dat bedragen die in rechte voor een rechtbank gevorderd worden en waarvan de oorzaak ernstig betwist wordt, geen "kapitaal" zijn in de zin van artikel 1154 van het Burgerlijk Wetboek. Omdat er in casu ernstige betwisting bestaat over de verschuldigdheid van de door de heer V.B. gevorderde bedragen, kan geen kapitalisatie van de intresten worden toegestaan. Deze argumenten overtuigen het Hof evenwel niet en wel om volgende redenen. Overeenkomstig het bepaalde in artikel 1154 B.W. kunnen vervallen intresten van kapitalen intresten opbrengen, ofwel ten gevolge van een gerechtelijke aanmaning ofwel ten gevolge van een bijzondere overeenkomst, mits de aanmaning of de overeenkomst betrekking heeft op intresten die ten minste voor een heel jaar verschuldigd zijn. De neerlegging van een conclusie ter griffie kan gelden als een handeling die gelijkwaardig is aan de bij artikel 1154 B.W. vereiste gerechtelijke aanmaning, wanneer in die conclusie de aandacht van de schuldenaar wordt gevestigd op de kapitalisatie van de intrest. (Cass., 18 juni 1981, Pas., 1981, I, 1200; Cass., 17 januari 1992, Arr. Cass., 1991-92, 436) Deze wetsbepaling kan ook toepassing krijgen inzake wettelijke intrest van een vergoeding die wordt toegekend wegens de onregelmatigheid van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst en mitsdien een verbintenis uit overeenkomst betreft. Dit geldt a fortiori inzake de wettelijke of moratoire intrest verschuldigd op achterstallig loon en vakantiegelden, die evenzeer verbintenissen uit de arbeidsovereenkomst betreffen. Artikel 1154 B.W. vereist daarbij geenszins dat het bedrag van de hoofdschuld vaststaat opdat kapitalisatie mogelijk zou zijn en kapitalisatie van intresten wordt niet uitgesloten door het feit dat het bedrag van de hoofdschuld nog betwist wordt. (Cass., 16 december 2002, S020042N ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021216.12, http://www.cass.
  2. be)Nu aan alle wettelijke voorwaarden is voldaan past het dat de kapitalisatie van de intresten wordt toegestaan op de wijze zoals hierna bepaald in het beschikkend gedeelte van dit arrest. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waarvan de voorschriften werden nageleefd. Na beraadslaging, rechtsprekend op tegenspraak, Verklaart het hoger beroep en het incidenteel beroep ontvankelijk en als volgt gegrond, Vernietigt het vonnis van 1 oktober 2003 van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen, En opnieuw rechtsprekend, Verklaart de eis van de heer V.B. ontvankelijk en als volgt gegrond: Veroordeelt de N.V. om aan de heer V.B. te betalen: - 84 132,03 EUR ten titel van aanvullende opzeggingsvergoeding, te verminderen met de wettelijk verplichte sociale en fiscale inhoudingen, en vervolgens te verminderen met een reeds uitbetaald nettobedrag van 29 689,84 EUR - de wettelijke verwijlintresten vanaf 6 juni 2002 tot 8 september 2002 op het netto equivalent van een bruto opzeggingsvergoeding van 84 132,03 EUR - de wettelijke verwijlintresten vanaf 9 september 2002 tot 16 februari 2003 op het netto equivalent van een bruto opzeggingsvergoeding van 84 132,03 EUR verminderd met een bedrag van 27 642,24 EUR - de wettelijke verwijlintresten vanaf 17 februari 2003 en de gerechtelijke intresten op het netto equivalent van een bruto opzeggingsvergoeding van 84 132,03 EUR, verminderd met een bedrag van 29 689,84 EUR; - 3 173,17 EUR vakantiegeld einde dienst, dienstjaar 2002 - 1 412,46 EUR vakantiegeld einde dienst, dienstjaar 2001, op voordelen - 676,76 EUR vakantiegeld einde dienst, dienstjaar 2002, op voordelen - 458,08 EUR dubbel vakantiegeld op voordelen 1998 - 794,11 EUR dubbel vakantiegeld op voordelen 1999 - 794,11 EUR dubbel vakantiegeld op voordelen 2000, - 1 228,87 EUR vakantiegeld op eindejaarspremies deze vakantiegelden te verminderen met de wettelijk verplichte sociale en fiscale inhoudingen en te vermeerderen met de verwijlintresten vanaf 27 juni 2002; - 14 246,69 EUR ten titel van eindejaarspremies 2000 tot 2002, verminderd met de wettelijk verplichte sociale en fiscale inhoudingen en te vermeerderen met de wettelijke verwijlintresten vanaf 6 juni 2002, zoals gevorderd; Zegt voor recht dat de door de N.V. verschuldigde intresten worden gekapitaliseerd op 19 januari 2004 en dat de aldus gekapitaliseerde intresten bij de hoofdsommen worden gevoegd en opnieuw intrest afwerpen. Wijst de heer V.B. af van het meer of anders gevorderde. Verwijst de N.V. en de heer V.B. respectievelijk in 95% en in 5% van de kosten van beide instanties. Vereffent deze aan de zijde van de N.V. op 205,25 EUR (rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg) en 279,62 EUR (rechtsplegingsvergoeding hoger beroep). Vereffent deze aan de zijde van de heer V.B. op 125,75 EUR (dagvaarding), 205,25 EUR (rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg) en 279,62 EUR (rechtsplegingsvergoeding hoger beroep). Aldus gewezen en uitgesproken door de tweede kamer van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen in openbare terechtzitting van vijfentwintig oktober tweeduizend en vier, waar aanwezig waren : PDF document ECLI:BE:AHANT:2004:ARR.20041025.5 Gerelateerde publicatie(
  3. s)citeert: ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021216.12 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.