id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 05 november 2004 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2004:ARR.20041105.1 Rolnummer: 2002-0716 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2005-03-10 Raadplegingen: 267 - laatst gezien 2026-07-04 10:26 Fiches 1 - 3 Het bewijs van de "ontstentenis van openbaarmaking van de werkroosters" moet worden geleverd door de instelling die is belast met de inning van de bijdragen. De rechter is ertoe gehouden kennis te nemen van alle stukken die hem worden voorgelegd, ongeacht het dossier waarvan ze deel uitmaken. Door de aangifte van zijn tewerkstelling bij de RVA heeft de bruggepensioneerde deze tewerkstelling openbaar gemaakt en vatbaar voor controle. Het feit dat de RVA noch enige andere overheidsinstelling gedurende gans de periode van deze tewerkstelling, die toch ruim drie jaar heeft geduurd, door een controle aan het licht heeft gebracht dat deze tewerkstelling niet deeltijds zou geweest zijn en het feit dat alle andere elementen die appellante bijbrengt, elementen die praktische allemaal werden opgemaakt in tempore non suspecto, deze deeltijdse tewerkstelling consequent ondersteunen, zijn een voldoende bewijs van het deeltijds karakter van de tewerkstelling van betrokkene. Vrije woorden: DE ARBEIDSOVEREENKOMSTEN . ALGEMENE REGELING VAN DE ARBEIDSOVEREENKOMSTEN inning en invordering van de bijdragen - aangifte en betaling - vermoeden arbeid te hebben verricht in het kader van een arbeidsovereenkomst voor arbeid als voltijdse werknemer. Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 11bis Wet - 22-12-1989 - 157 Nota: Gerangschikt onder II AAN - artikel 11 bis, III G - artikel 15 en onder VII A - artikel 22 ter Vrije woorden: ARBEIDSREGLEMENTERING . ARBEIDSREGLEMENT bekendmaking van het arbeidsreglement - vermoeden arbeid te hebben verricht in het kader van een arbeidsovereenkomst voor arbeid als voltijdse werknemer. Wettelijke bepalingen: Wet - 08-04-1965 - 15 Wet - 22-12-1989 - 157 Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID VOOR WERKNEMERS . ALGEMENE REGELING inning en invordering van de bijdragen - aangifte en betaling - vermoeden arbeid te hebben verricht in het kader van een arbeidsovereenkomst voor arbeid als voltijdse werknemer. Wettelijke bepalingen: Wet - 27-06-1969 - 22ter Nota: Gerangschikt onder II AAN - artikel 11 bis, III G - artikel 15 en onder VII A - artikel 22 ter. Tekst van de beslissing ARREST A.R. Nr. 2020716 OPENBARE TERECHTZITTING VAN VIJF NOVEMBER TWEEDUIZEND EN VIER In de zaak: N.V. ETN. V.D.H. en C°, met zetel gevestigd te X, appellante, voor wie verschijnt: mr. L. TIMMERMANS loco mr. P. STRUYVEN, advocaat te 1050 BRUSSEL, tegen : RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, met zetel gevestigd te 1060 BRUSSEL, Victor Hortaplein 11, geïntimeerde, voor wie verschijnt: mr. D. DE GREEF, advocaat te 1731 ASSE. Na over de zaak te hebben beraadslaagd, wijst het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, het hiernavolgende arrest. Gelet op de zittingsbladen van 8 januari 2003, van 6 juni 2003, van 17 september 2004 en van 15 oktober 2004; Gelet op de stukken van de rechtspleging, waaronder: x het voor eensluidend verklaarde afschrift van het vonnis van 28 juni 1999, op tegenspraak gewezen door de Arbeidsrechtbank te Brussel; x het arrest van het Arbeidshof te Brussel van 21 december 2000; x het arrest van het Hof van Cassatie van 18 februari 2002 waarbij de zaak naar het Arbeidshof te Antwerpen werd verzonden; x de betekening van het cassatiearrest van 18 februari 2002 met dagvaarding van mr. Hugo Van Bever, gerechtsdeurwaarder te Sint-Pieters-Leeuw, van 17 december 2002, per aangetekende post ontvangen ter griffie van dit Hof op 30 december 2002; x de conclusies voor geïntimeerde, ontvangen ter griffie van het Hof op 21 maart 2003; x de conclusies voor appellante, ontvangen ter griffie van het Hof op 27 augustus 2003; x de aanvullende conclusies voor geïntimeerde, ontvangen ter griffie van dit Hof op 23 september 2003; x de aanvullende conclusies voor appellante, ontvangen ter griffie van dit Hof op 23 oktober 2003; x het verzoekschrift op grond van artikel 750, ,§2 van het Ger.W. van appellante, ontvangen ter griffie van dit Hof op 20 januari
- Gelet op de stukken van het administratief dossier. Gelet op de stukken in het naar behoren geïnventariseerde dossier van partijen. Gehoord de partijen in de voordracht van hun conclusies en verweermiddelen tijdens de openbare terechtzitting van 17 september
- Gehoord het mondelinge advies van het Openbaar Ministerie op de openbare terechtzitting van 17 september
- De ontvankelijkheid. Het Arbeidshof te Brussel verklaarde destijds het hoger beroep naar termijn en vorm regelmatig. De ontvankelijkheid ervan werd niet betwist. Het voorschrift van artikel 1110 van het Gerechtelijk Wetboek werd bovendien nageleefd. Het hoger beroep is ontvankelijk. Feiten en Voorgaanden. De hele problematiek in deze zaak draait rond de vraag of R. S. als vrachtwagenchauffeur in dienst van de N.V. Etn. V.d.h. en C° deeltijds dan wel voltijds was tewerkgesteld. Appellante, die voorhoudt zich ervan bewust te zijn dat R.s. een brugpensioen genoot, houdt vol dat de overeenkomst die zij met R.s. afsloot voor prestaties a rato van 16 uur per week ook effectief werd uitgevoerd zoals werd afgesproken. De R.S.Z. meent dat er sprake is van voltijdse tewerkstelling op basis van wettelijke vermoedens, die door appellante niet worden weerlegd. De Arbeidsrechtbank van Brussel was van oordeel dat de R.S.Z. zich zowel kon steunen op het vermoeden van artikel 171 van de Programmawet van 22 december 1989 als op het vermoeden van artikel 22-ter van de R.S.Z.-wet. De rechtbank oordeelde dat appellante niet kon toegelaten worden tot het tegenbewijs en kende de vordering van de R.S.Z. toe. Het Arbeidshof te Brussel bevestigde deze beslissing. Bij arrest van 18 februari 2002 verbrak het Hof van Cassatie het arrest van het Arbeidshof van Brussel op grond van o.a. de volgende overweging: "Overwegende dat het arrest eiseres niet toelaatbaar tot het leveren van het tegenbewijs ten aanzien van het in artikel 22 ter van de wet van 27 juni 1969 gestelde vermoeden van tewerkstelling in het kader van een arbeidsovereenkomst voor voltijdse arbeid, op grond dat "artikel 22ter van de R.S.Z.-wet (...) impliciet (werd) gewijzigd door het gewijzigd artikel 171, lid 2, van de Programmawet van 22 december 1989", zoals van toepassing in de periode van 11 augustus 1991 tot en met 30 april 1997, en eiseres krachtens een onweerlegbaar vermoeden veroordeelt tot het betalen van sociale- zekerheidsbijdragen, berekend op basis van voltijdse arbeidsprestaties van haar werknemer R. S. in de periode van 1 september 1993 tot 25 november 1996; dat het arrest aldus de artikelen 14 en 22ter van de wet van 27 juni 1969, en de artikelen 23, eerste en tweede lid, en 28, ,§1, van de wet van 29 juni 1981 schendt". Het Hof van Cassatie verzond de zaak naar dit Arbeidshof. In Rechte. Na het arrest van het Hof van Cassatie bestaat er tussen de partijen geen betwisting meer over het uitgangspunt dat hun geschil enkel dient te worden beoordeeld vanuit de toepassing van artikel 22 ter van de R.S.Z. wet (Wet van 27 juni 1969 tot herziening van de Besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders). Dit artikel 22 ter, ingevoegd bij de Wet van 22 december 1989, art. 181, 005 en in werking getreden op 9 januari 1990, bepaalt: Behoudens bewijs van het tegendeel dat door de werkgever wordt aangebracht, worden de deeltijdse werknemers vermoed, bij ontstentenis van inschrijving in de documenten bedoeld bij de artikelen 160, 162, 163 en 165 van de programmawet van 22 december 1989 of bij gebrek aan gebruik van de apparaten bedoeld bij artikel 164 van dezelfde wet, hun prestaties te hebben uitgevoerd volgens de werkroosters die werden openbaar gemaakt zoals bepaald in de artikelen 157 tot 159 van dezelfde wet. Bij ontstentenis van openbaarmaking van de werkroosters worden de deeltijdse werknemers vermoed arbeid te hebben verricht in het kader van een arbeidsovereenkomst voor voltijdse arbeid. De R.S.Z. steunt zijn vordering op het laatste vermoeden van artikel 22 ter. Het eerste wat moet bewezen zijn, is de 'ontstentenis van openbaarmaking van de werkroosters'. Welke openbaarmaking? Deze die werd bepaald in de artikelen 157 tot 159 van de Programmawet van 22 december
- Artikel 157 bepaalt: Een afschrift van de arbeidsovereenkomst van de deeltijdse werknemer, schriftelijk vastgesteld overeenkomstig artikel 11bis van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, of een uittreksel van die arbeidsovereenkomst met de werkroosters en met de identiteit van de deeltijdse werknemer waarop deze van toepassing zijn, alsmede zijn handtekening en die van de werkgever, moet worden bewaard op de plaats waar het arbeidsreglement kan geraadpleegd worden met toepassing van artikel 15 van de wet van 8 april 1965 tot instelling van de arbeidsreglementen. Artikel 15 van de Wet van 8 april 1965 tot instelling van de arbeidsreglementen laat er geen twijfel over bestaan dat 'de plaats waar het arbeidsreglement kan geraadpleegd worden' de werkplaats is waar de werknemers zijn tewerkgesteld. In casu is dat de exploitatiezetel aan de X. Opdat er in casu sprake zou zijn van 'ontstentenis van openbaarmaking van de werkroosters' moet de R.S.Z. bewijzen dat gedurende de tewerkstelling van R.s. bij appellante het voorschrift van artikel 157 van de bedoelde programmawet niet werd nageleefd. Het specifieke aan deze zaak is dat gedurende de tewerkstelling van R.s. er bij appellante geen controle van de R.S.Z. plaatsvond naar diens tewerkstelling. Eerder toevallig en zijdelings (via een wegcontrole in Machelen op 15 mei 1996 waarbij een tachograafschijf op zijn naam werd aangetroffen in een vrachtwagen van appellante) heeft de tewerkstelling van R.s. de aandacht van de Arbeidsauditeur getrokken. Het is op vraag van de Arbeidsauditeur te Brussel van 8 oktober 1996 dat de Sociale Inspectie een onderzoek heeft ingesteld. De eerste stap in dit onderzoek die in het dossier is terug te vinden, is het verhoor, pas op 19 februari 1997, van de zaakvoerder van appellante, J. V.d.h.. Op dat ogenblik was R.s. reeds uit dienst bij appellante sedert 29 november
- Nu de Sociale Inspectie tijdens de tewerkstelling zelf van R.s. geen vaststellingen heeft gedaan, moet het bewijs van de 'ontstentenis van openbaarmaking van de werkroosters' uit andere elementen van het dossier worden afgeleid. Het Hof stelt vast dat noch in het administratief dossier dat wordt voorgelegd, noch in het dossier van de R.S.Z. enig stuk of enig gegeven is terug te vinden dat naar recht het bewijs levert van de 'ontstentenis van openbaarmaking van de werkroosters'. Het administratief dossier bevat enkel procedurestukken en rechtspraak. Het dossier van de R.S.Z. bevat enkel een kopie van het onderzoeksverslag dat op zichzelf vanzelfsprekend geen bewijs vormt omdat het een eigen stuk van de R.S.Z. betreft. Een partij kan zichzelf in functie van zijn vordering geen bewijs verschaffen. Het is veelzeggend dat, na het procedureverloop dat dit dossier heeft gekend, de partij die in eerste instantie ertoe gehouden is een inbreuk op artikel 157 van de genoemde Programmawet te bewijzen, in gebreke blijft dit bewijs voor te leggen. Het Hof is er echter toe gehouden kennis te nemen van alle stukken die hem worden voorgelegd. In het dossier van appellante zelf treft het Hof het verhoor aan van haar zaakvoerder, J V.d.h., van 19 februari
- Deze verklaart aan de adjunct-inspecteur: "De heer S Rt was in mijn dienst van 1/9/93 tot 25/11/96 als deeltijds chauffeur. Hij presteerde 8 uur per dag en twee dagen per week. Vandaag werken alle chauffeurs voltijds. Maar in die periode had ik onvoldoende werk om S voltijds tewerk te stellen, daarbij kwam ook het feit dat deze persoon niet meer mocht werken ingevolge zijn statuut van bruggepensioneerde. Ik toon u de inlichtingenfiche die opgesteld werd bij de aanwerving en geef u hiervan een fotokopie. Er werd geen arbeidsovereenkomst opgesteld tussen ons, ik heb geen arbeidsreglement, maar dit punt is mijn boekhouder aan het recht zetten. In de praktijk kwam het er op neer dat ik hem opbelde als ik hem nodig had. Ik bezit dus geen andere documenten dan de inlichtingenfiche. Ik bevestig u formeel, dat deze persoon nooit meer heeft gepresteerd en ben dan ook niet akkoord om zijn prestaties voltijds aan te geven ingevolge het ontbreken van de schriftelijke overeenkomst en bekendmaking van de arbeidsroosters." Deze verklaring laat aan duidelijkheid niets te wensen over: er werd voor de tewerkstelling van R.s. door appellante geen schriftelijke arbeidsovereenkomst opgemaakt en op 19 februari 1997 was er nog geen arbeidsreglement bij appellante voorhanden. Wat er niet was, kon ook niet openbaar gemaakt worden. Enkel dus de eigen verklaring van haar zaakvoerder van 19 februari 1997, die appellante zelf voorlegt, levert terzake het bewijs op dat er inderdaad sprake is van een 'ontstentenis van openbaarmaking van de werkroosters' in de zin van artikel 157 van de Programmawet van 22 december
- x x x Er is tussen partijen geen betwisting (meer) dat het vermoeden van voltijdse tewerkstelling, door artikel 22 ter van de R.S.Z.-wet in het leven geroepen, weerlegbaar is. Het volstaat te bewijzen dat de deeltijdse werknemer geen arbeid heeft verricht in het kader van een arbeidsovereenkomst voor voltijdse arbeid. (zie Cass., 3 februari 2003, A.R. nr. S.02.0081.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030203.12 te consulteren via www.just.fgov.be > welkom > Rechtsbronnen - rechtspraak > invoeren: jurisdictie en datum > aanklikken: lijst > nr. RCO 3234_1). Het bewijs moet worden aangebracht door de werkgever, in casu appellante. In haar conclusies van 27 augustus 2003 (processtuk 8) somt appellante een aantal bewijselementen op, die alle consequent met elkaar, wijzen op slechts een deeltijdse tewerkstelling van R.s.. Terecht onderstreept appellante dat goede trouw wordt vermoed en kwade trouw moet bewezen worden. Dit is in casu van belang omdat de aangebrachte bewijselementen voortkomen van personen (zoals R.s. zelf) of organisaties (zoals de boekhouder) die dicht bij appellante staan. Het Hof houdt bij de beoordeling van het bewijsmateriaal goed in het achterhoofd dat de bal van de vermoedelijk voltijdse tewerkstelling door de R.S.Z. pas aan het rollen is gebracht ná de tewerkstelling van R.s. bij appellante. Tijdens de tewerkstelling van R.s. liet niets vermoeden dat de R.S.Z. achteraf tot de actie zou overgaan zodat er ook voor appellante geen reden was om zich op dat ogenblik tegen deze actie in te dekken. De elementen. R.s. was zelf vragende partij om slechts deeltijds te werken. Dit blijkt uit de verklaring die R.s. ondertekende op 16 januari 1998 (stuk 21 van appellante). Deze verklaring dateert van kort na de inleidende dagvaarding. Aldus is ze niet ondertekend in tempore non suspecto. Dat belet evenwel niet dat ze een zekere contextwaarde heeft. Ze maakt duidelijk en aannemelijk waarom R.s. zelf vroeg om slechts deeltijds tewerkgesteld te worden (de combinatie namelijk tussen brugpensioen en bijverdienste). Er zijn in het dossier geen elementen die dit tegenspreken. Op zichzelf bewijst deze verklaring nochtans niet dat R.s. ook effectief slechts deeltijds werkte. De R.S.Z. laat gelden dat appellante geen behoefte had aan deeltijdse chauffeurs. Verklaarde haar zaakvoerder immers niet dat de tewerkstelling in de firma op 19 februari 1997 in principe voltijds was? De zaakvoerder van appellante geeft in zijn verklaring van 19 februari 1997 twee redenen op waarom R.s. deeltijds werd aangenomen: er was onvoldoende werk om hem voltijds tewerk te stellen en R.s. had er uitdrukkelijk om gevraagd. In conclusies zal appellante daar aan toevoegen dat deeltijdse prestaties ook goed te combineren waren met een stilstand van de vrachtwagens, bijvoorbeeld om te worden onderhouden. Zij wijst er ook op dat zij een kleine firma is, waar de bestuurders zelf ook het stuur ter hand nemen. Of dit alles zich op het werkveld inderdaad afspeelde zoals wordt voorgehouden, volgt niet uit deze elementen. Maar ook de R.S.Z. maakt haar bewering niet hard dat appellante geen behoefte had aan deeltijdse tewerkstelling. Op deze bewering reageert appellante met een tegenbewering. Het geheel is neutraal en kan de beoordeling over het al dan niet voorhanden zijn van deeltijdse prestaties van R.s. niet beïnvloeden. R.s. deed van zijn deeltijdse bijverdienste zelf aangifte bij de R.V.A. Dit blijkt genoegzaam uit de stukken 9 en 10 in het dossier van appellante. Appellante ziet in deze aangifte een bewijs van de correcte houding van R.s.. Als het zijn bedoeling was om "in het zwart" iets bij te verdienen, dan zou hij het toch niet in zijn hoofd hebben gehaald om zijn bijverdienste te gaan aangeven bij de R.V.A. In die aangifte is er sprake van een bijverdienste van slechts 16 uren per week. De R.S.Z. antwoordt dat het best denkbaar is dat R.s. bovenop zijn 'officiële' deeltijdse prestaties nog bijkomende prestaties in het zwart leverde voor appellante, zodat zijn aangifte bij de R.V.A. geen sluitend bewijs is van deeltijdse tewerkstelling. De aangifte door R.s. van zijn prestaties bij de R.V.A. gebeurde bij het begin van zijn tewerkstelling bij appellante in een onverdachte periode en geen enkel element in het dossier wijst er op dat dit met een verkeerde bedoeling gebeurde of onwaarachtig was. In ieder geval maakt R.s. door deze aangifte zijn tewerkstelling openbaar. Hij brengt ze in het daglicht. Werken in combinatie met brugpensioen hoort voor de overheid een fraudegevoelige combinatie te zijn, waar waakzaamheid is geboden. In principe zal o.a. de R.V.A. een oogje in het zeil houden. Ook bij de R.S.Z. zou er een lampje moeten gaan branden wanneer er bij hem aangifte gebeurt van deeltijdse prestaties van een werknemer die de pensioenleeftijd nadert. Hoe dan ook, het feit dat R.s. zijn tewerkstelling bij appellante letterlijk 'aan het licht' brengt bij de R.V.A., beantwoordt eigenlijk aan de doelstelling die ook achter artikel 22 ter van de R.S.Z.-wet zit. De R.S.Z. omschrijft deze doelstelling in zijn conclusies als volgt: De wetgever is beducht voor het zwartwerk dat erin bestaat officiële deeltijdse arbeid te combineren met verdoken bijkomende prestaties waarvan de verloning zonder de vereiste sociale en fiscale inhoudingen blijft en die daarenboven ten onrechte met werkloosheidsuitkeringen zou kunnen worden gecumuleerd. Om dergelijk zwartwerk te vermijden legt de wetgever de verplichting tot bekendmaking van deeltijdwerkroosters op. Op deze wijze beoogt de wetgever misbruik op het vlak van sociale zekerheidsuitkeringen te voorkomen door het mogelijk maken van controle op de werkelijke arbeidsprestaties. De techniek die de overheid hanteert om het zwartwerk te bestrijden is de bekendmaking van de prestaties zodat controle mogelijk wordt. Niettegenstaande in casu appellante de werkroosters van R.s. niet openbaar had gemaakt, komt het gegeven dat R.s. zijn prestaties had aangegeven bij de R.V.A., weliswaar vanuit een andere bedoeling, dicht in de buurt van de ratio die achter de regel steekt, die de bekendmaking van de werkroosters voorschrijft. Door deze aangifte immers is de overheid ingelicht over het risico op zwartwerk dat zich in de tewerkstelling van R.s. kon voordoen. Niets belette deze overheid dan ook om deze tewerkstelling nauwlettend in het oog te houden en te controleren. De aangifte bij de R.V.A. van de prestaties van R.s. bij appellante, is voor het Hof wél een element dat de bewering van appellante dat deze prestaties deeltijds waren, ondersteunt. Temeer, omdat appellante bij deze aangifte geen partij was. Het argument van de R.S.Z. dat niets belet om bovenop de aangegeven prestaties nog zwartwerk te presteren, is geen argument ad hoc. Immers ook wanneer de deeltijdse werkroosters reglementair zijn openbaar gemaakt, kan de betrokken werknemer extra in het zwart presteren. De individuele loonfiches bevatten een afrekening van deeltijdse prestaties. Appellante brengt een volledig overzicht bij van de individuele loonfiches over gans de periode van tewerkstelling van R.s. (haar stukken 12 t.e.m. 15). Dit overzicht laat consequent een deeltijdse tewerkstelling zien voor R.s.. De fiscale fiches 281.10 werden conform deze loonfiches opgemaakt (de stukken 16 en 17 van appellante). De R.S.Z. voert aan dat het hier gaat om eigen stukken van appellante die perfect een illustratie kunnen zijn van een gesimuleerde toestand. Werkgevers die personeelsleden in het zwart tewerkstellen zullen er wel over waken dat hun papieren in orde zijn. Het Hof stelt vast dat de opgemaakte fiches consequent zijn met de door appellante voorgehouden bewering van deeltijdse tewerkstelling van R.s.. Zij werden opgemaakt in tempore non suspecto. Het klopt dat deze documenten worden opgemaakt om een officiële rol te spelen, zodanig dat men bij de opmaak nadenkt over alle mogelijke gevolgen ervan. Daarom noopt hun bewijswaarde tot voorzichtigheid omdat het eigen stukken zijn van de partij die moet bewijzen. Op zichzelf staande zijn het daarom geen voldoende bewijzen. De werkschema's laten slechts deeltijdse prestaties zien. De R.S.Z. handhaaft ook hier zijn kritiek dat deze werkschema's de illustratie kunnen zijn van een gesimuleerde toestand. Het Hof stelt vast dat appellante eens temeer volledig is in het bijbrengen van het materiaal. De stukken 19 van haar bundel bevatten per maand een overzicht van de dagprestaties van verschillende werknemers, waaronder R.s.. Ook hier geldt weer dat de werkschema's werden opgemaakt in tempore non suspecto. De werkschema's zijn niet bedoeld om ter beschikking te worden gesteld van officiële instanties. Het zijn eerder interne documenten. Ze bevatten gedetailleerde documentatie. Hier is de kans groter dat de waakzaamheid verslapt om, zoals de R.S.Z. voorhoudt, een gesimuleerde toestand overeind te houden. Toch zijn deze werkschema's perfect consequent wat de deeltijdse tewerkstelling van R.s. betreft. Ze vormen geen volstrekt bewijs, omwille van hun eenzijdig karakter, maar ze vormen wel een element ter ondersteuning. Het personeelsregister en de boekhoudramen. Appellante legt onder stuk 37 van haar dossier een kopie neer van het personeelsregister. Bij werknemer 5, R.s., staat in de laatste kolom 'opmerkingen' bijgeschreven: 16 uur per week. De R.S.Z. noemt ook dit stuk een eigen stuk van appellante en hecht er geen bewijswaarde aan. Het Hof is niet geheel zeker dat de vermelding '16 uur per week' in de laatste kolom werd ingeschreven op hetzelfde ogenblik dat R.s. in het personeelsregister werd opgenomen. Uit de voorgelegde kopie kan dit niet worden afgeleid. Omwille van deze onzekerheid neemt het Hof dit element niet mee in zijn beoordeling over het bijgebrachte bewijs. De boekhoudramen zijn interne documenten van appellante, die gedetailleerde documentatie bevat. Ze zijn consequent met het deeltijds karakter van de tewerkstelling van R.s.. Net als de werkschema's vormen ze geen volstrekt bewijs, omwille van hun eenzijdig karakter, maar zijn ze eens temeer een element ter ondersteuning. De overeenkomst van beëindiging van de tewerkstelling van R.s. verwijst naar een deeltijdse tewerkstelling van 16 uur per week. Appellante legt deze overeenkomst neer onder het stuk 20 van haar dossier. De R.S.Z. houdt opnieuw voor dat dit document "niets meer is dan een officiële indruk die werkgever en werknemer hebben willen weergeven over de tussen hen bestaande arbeidsrelatie." Het Hof is van oordeel dat het hier niet gaat over een louter eenzijdig stuk van appellante. Appellante was niet bij machte om dit stuk alleen op te maken. De handtekening en dus de medewerking van R.s. was vereist. Toch beseft het Hof dat R.s. in zijn specifieke situatie van bruggepensioneerde er belang kon bij hebben dat zijn tewerkstelling als deeltijds werd omschreven. De overeenkomst werd opgemaakt in tempore non suspecto. Het is geen bewijs op zich maar het ondersteunt de stelling van appellante. R.s. heeft de vakantiecheques die werden uitgereikt op basis van een voltijdse tewerkstelling nooit geïnd. Appellante legt deze ongeïnde cheques neer onder de stukken 27 en 28 van haar dossier. De R.S.Z. houdt voor dat appellante niet bewijst dat deze cheques ongeïnd zijn gebleven. Na nazicht van de stukken zelf, komt het Hof tot het besluit dat wel degelijk R.s. de vakantiecheques die appellante thans voorlegt niet ter incasso heeft aangeboden. Deze cheques werden hem aangeboden op een ogenblik dat hij geen relatie meer had met appellante. Dus van enige beïnvloeding vanwege appellante is er geen sprake. Zoals hoger al werd gezegd, kon R.s. een eigen belang hebben om zijn tewerkstelling bij appellante niet groter te laten zijn dan deeltijds omwille van zijn brugpensioen. Maar even goed was deze tewerkstelling in de werkelijkheid niet groter dan deeltijds en was R.s. volledig te goeder trouw. Het weigeren van de vakantiecheques blijft een sterk signaal van R.s. dat hij er op staat dat zijn tewerkstelling bij appellante deeltijds was. Een volstrekt bewijs daarvan is het echter niet. Aan R.s. werd het brugpensioen steeds uitbetaald en de R.V.A. heeft geen terugvorderingen gedaan. In tegenstelling met wat de R.S.Z. terzake oppert, is dit element wél van belang in de huidige beoordeling. Hogerop in dit arrest werd al aangegeven dat R.s. zijn tewerkstelling bij appellante in de openbaarheid bracht. Hiermee kwam hij tegemoet aan het vereiste van bekendmaking, een vereiste dat ook in artikel 22 ter R.S.Z.-wet verscholen ligt. Hij maakte ook controle mogelijk. Het feit dat de R.V.A. zijn toestand aanvaardde, blijkbaar geen controle deed en bleef uitbetalen, is toch moeilijk verzoenbaar met (slechts) een vermoeden dat R.s. voltijds presteerde waardoor hij R.V.A.-matig niet meer gerechtigd was. Deze houding van vertrouwen, die een collega-overheid van de R.S.Z. heel de tijd bleef volhouden, ondanks dat hij perfect op de hoogte was van het risico van zwartwerk van R.s., is voor het Hof een bewijs dat er met zijn deeltijdse tewerkstelling niets mis was. Conclusie. Het Hof is van oordeel dat R.s. door de aangifte van zijn tewerkstelling bij de R.V.A. deze tewerkstelling openbaar heeft gemaakt en voor controle vatbaar. Het feit dat de R.V.A. noch enige andere overheidsinstelling gedurende gans de periode van deze tewerkstelling, die toch ruim drie jaar heeft geduurd, door een controle aan het licht heeft gebracht dat deze tewerkstelling niet deeltijds zou geweest zijn en het feit dat alle andere elementen die appellante bijbrengt, elementen die praktisch allemaal werden opgemaakt in tempore non suspecto, deze deeltijdse tewerkstelling consequent ondersteunen, zijn voor het Hof een voldoende bewijs van het deeltijds karakter van de tewerkstelling van R.s.. Het Hof vindt in het dossier overigens geen enkel element terug dat zijn argwaan opwekt of dat het uitgangspunt van appellante tegenspreekt. Het vermoeden van artikel 22 ter van de R.S.Z.-wet is hiermee voldoende weerlegd. De oorspronkelijke vordering van de R.S.Z. is ongegrond. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Gehoord de heer J. DEKEERSMAEKER, Substituut-generaal, in zijn mondelinge advies, gegeven ter openbare terechtzitting van 17 september 2004, waarover de raadsman van geïntimeerde verklaarde geen opmerkingen te hebben. De raadsman van appellante werd gehoord in haar opmerkingen i.v.m. het advies. Recht doende op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond. Vernietigt het vonnis van de Arbeidsrechtbank te Brussel van 28 juni
- Beslist opnieuw en verklaart de oorspronkelijke vordering van de R.S.Z. ontvankelijk doch ongegrond en wijst hem er van af. Legt de kosten van allee instanties, overeenkomstig artikel 1017, eerste lid van het Gerechtelijk Wetboek, ten laste van de R.S.Z. Vereffent de kosten aan de zijde x van appellante op 187,40 EUR rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg, 243,93 EUR rechtsplegingsvergoeding beroep Brussel, 113,66 EUR Cassatie en 279,62 EUR rechtsplegingsvergoeding beroep Antwerpen; x van geïntimeerde op 115,77 EUR dagvaarding, 187,40 EUR rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg, 243,93 EUR rechtsplegingsvergoeding beroep Brussel en 279,62 EUR rechtsplegingsvergoeding beroep Antwerpen. Aldus gewezen en uitgesproken door de vierde kamer van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, op de openbare terechtzitting van vijf november tweeduizend en vier, waar aanwezig waren: PDF document ECLI:BE:AHANT:2004:ARR.20041105.1 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030203.12 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div