id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 12 november 2004 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2004:ARR.20041112.3 Rolnummer: 2003-0044 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2005-03-10 Raadplegingen: 111 - laatst gezien 2026-07-01 01:16 Fiches 1 - 2 Vermits de arbeidsgerechten op de beslissing van de directeur-generaal een toetsing met volle rechtsmacht uitoefenen zijn zij zowel in rechte als in feite gevat en valt alles wat onder de beoordelingsbevoegdheid van deze administratieve instantie valt, met inbegrip van keuze van de administratieve sanctie, onder de controle van de rechter. Mits de eerbiediging van de rechten van verdediging en binnen het kader van het geding, zoals dit door partijen is bepaald, heeft de arbeidsrechter aldus de mogelijkheid de voorliggende feiten correct te kwalificeren en dienvolgens de sanctie toe te passen die geldt voor de aldus eventueel geherkwalificeerde inbreuk. In geval meerdere inbreuken worden weerhouden waarvoor een administratieve sanctie is voorzien, kan naar analogie toepassing worden gemaakt van artikel 65 SWB. Dit houdt in dat wanneer vastgesteld wordt dat de verschillende te weerhouden inbreuken de uiting zijn van één en dezelfde strafbare intentie en verbonden zijn door de eenheid van opzet er slechts één sanctie, met name de zwaarste, dient opgelegd te worden. De zwaarste sanctie dient naar analogie van het strafecht bepaald te worden enkel aan de hand van een vergelijking van de verschillende geldboeten waarin de wet van 30 juni 1971 zelf voorziet. Daarbij dient ook rekening te worden gehouden met de in artikel 11 van diezelfde wet voorziene verhoging van de geldboete met het aantal werknemers waarvoor de inbreuk kan weerhouden worden. De verzachtende omstandigheden waarvan sprake in artikel 1ter van de wet van 30 juni 1971 worden door de wetgever niet nader omschreven, zodat de rechter over de meest ruime bevoegdheid beschikt om te bepalen wat hieronder begrepen kan worden. De feitenrechter oordeelt vrij over het al dan niet aanvaarden van verzachtende omstandigheden. Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP-RECHT-WETGEVING . STRAFWETBOEK Administratieve geldboeten - sociale handhaving - toetsing met volle rechtsmacht - herkwalificatie door de rechter - sanctie - meedere inbreuken - eenheid van opzet - zwaarste sanctie - verzachtende omstandigheden. Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - 65 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Vrije woorden: ADMINISTATIEVE GELDBOETEN Sociale handhaving - toetsing met volle rechtsmacht - herkwalificatie door de rechter - sanctie - meerdere inbreuken - eenheid van opzet - zwaarste sanctie - verzachtende omstandigheden. Wettelijke bepalingen: Wet - 30-06-1971 - 1 Nota: Gerangschikt onder I C - artikel 65 en onder XII - artikel
- Tekst van de beslissing A.R. Nr. 2030044 OPENBARE TERECHTZITTING VAN TWAALF NOVEMBER TWEEDUIZEND EN VIER In de zaak: B.V.B.A. L.D.V., met zetel gevestigd te X, appellante, voor wie verschijnt: mr. K. B. loco mr. J. V. R., advocaat te X, tegen : De Directeur-generaal van de Studiedienst van het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid, gevestigd te X, geïntimeerde, voor wie verschijnt: mr. K. V. P. loco mr. A. L., advocaat te X. Na over de zaak te hebben beraadslaagd, wijst het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, het hiernavolgende arrest. Gelet op de zittingsbladen van 28 november 2003, 12 maart 2004, 10 september 2004 en van 24 september 2004; Gelet op de stukken van de rechtspleging, waaronder: x het tussenarrest van deze kamer van 28 november 2003, waarbij de heropening der debatten werd bevolen; x de conclusies voor geïntimeerde, ontvangen ter griffie van het Hof op 3 februari 2004; x het schriftelijk advies van het Openbaar Ministerie, neergelegd ter zitting van 24 september 2004, ter kennis gebracht aan partijen op 27 september 2004 in toepassing van artikel 767, ,§3, eerste lid van het Ger.W.; Gelet op het stuk in het naar behoren geïnventariseerde dossier van appellante Gehoord de partijen in de voordracht van hun conclusies en verweermiddelen tijdens de openbare terechtzittingen van 12aart 2004 en van 10 september
- Gehoord het schriftelijke advies van het Openbaar Ministerie op dezelfde openbare terechtzitting van 24 september
- Voorgaanden. Bij tussenarrest van deze kamer van 28 november 2003 werd de vordering ontvankelijk verklaard, doch alvorens verder recht te doen ten gronde werd de heropening der debatten bevolen teneinde: "... partijen toe te laten tegensprekelijk debat te voeren over de kwalificatie van E. R. en over de gevolgen van een eventuele verkeerde kwalificatie door geïntimeerde", "Het Hof wenst van deze heropening van de debatten gebruik te maken om aan geïntimeerde te vragen om een inzicht te verschaffen in het beleid dat hij hanteert met betrekking tot de techniek van sanctioneren die hij oplegt." "In een arrest van het Arbeidshof van Gent van 13 december 2000 (J.T.T. 2001, 64 of Soc. Kron. 2001, 423) stelt het Hof vast dat geïntimeerde, ondanks dat er sprake is van verschillende inbreuken, slechts één geldboete heeft opgelegd, toepassing makend van het beginsel vervat in artikel 65 S.W. Terwijl geïntimeerde in huidige zaak voor elke inbreuk afzonderlijk een geldboete oplegt. Het Hof wenst van geïntimeerde te vernemen, welk beleid of welke elementen zijn keuze bepalen voor het opleggen van één boete of voor het samenvoegen van verschillende boeten." In rechte: verdere uitwerking. In het tussenarrest van 28 november 2003 werd reeds geoordeeld dat van de drie door geïntimeerde weerhouden inbreuken, de inbreuken A en C bewezen zijn. Wat de inbreuk B betreft (het niet vermelden van E.R, werknemer-student, in het personeelsregister, uiterlijk op het tijdstip van de tewerkstelling (voor de beschrijving van de inbreuk in detail: zie in het administratieve dossier de kwestieuze beslissing van 30 mei 2002, blz. 2) vroeg het Hof zich in het genoemd tussenarrest af of er nu sprake is van een "student" dan wel van een "leerling". Verder was daarbij de vraag: "Indien moet aangenomen worden dat deze laatste (E.R.) geen student is maar een leerling, wat zijn dan de gevolgen van deze verkeerde kwalificatie naar de opgelegde boete toe?" Geïntimeerde merkt in zijn conclusies na tussenarrest van 3 februari 2004 op dat het Hof van Cassatie reeds oordeelde dat de overeenkomst voor tewerkstelling van een student die niet schriftelijk is opgesteld, niettemin een overeenkomst tot tewerkstelling van studenten is als bedoeld in titel VI van de Wet op de arbeidsovereenkomsten. Het Hof treft in het dossier van appellante een geschreven 'arbeidsovereenkomst voor deeltijdse arbeid met opleiding' aan, zodat de door geïntimeerde vooropgestelde hypothese (het niet voorhanden zijn van een schriftelijke overeenkomst) zich terzake niet voordoet. Verder verwijst geïntimeerde naar het tussenarrest, waarin reeds werd opgemerkt dat de 'overeenkomst voor deeltijdse arbeid met opleiding' tussen appellante en E.R. pas boven water is gekomen in het stadium van de huidige procedure, zodat hij met deze realiteit vooraf geen rekening kon houden. Geïntimeerde bevestigt dat de boete verschillend is naargelang men te doen heeft met een leerling of met een student. De boete voor het niet inschrijven van een leerling ligt hoger. Is E.R. te beschouwen als een leerling, dan verzwaart dit het dossier van appellante. Finaal gedraagt geïntimeerde zich naar de wijsheid van het Hof, wat de kwalificatie van E.R. betreft en de gevolgen daarvan. Appellante concludeert niet meer na het tussenarrest. Het Hof sluit zich aan bij het advies van het Openbaar Ministerie in deze kwestie: Artikel 1 van het Koninklijk Besluit van 23 oktober 1978 betreffende het bijhouden van sociale documenten voorziet dat het besluit van toepassing is op de werkgevers en de werknemers en dat 'de leerlingen' met werknemers worden gelijkgesteld. De door appellante inmiddels voorgelegde overtuigingsstukken betreffende de tewerkstelling van E.R., tonen aan dat deze laatste als een 'leerling' en niet als een student, diende te worden beschouwd. Uitgaande van de onjuiste kwalificatie als 'student' werd in de administratieve beslissing de inbreuk zoals voorzien in artikel 11, ,§2, eerste lid, d van het Koninklijk Besluit nr. 5 weerhouden en werd er bijgevolg een sanctie opgelegd op grond van artikel 1bis, ,§ 1, 5°, A, d van de wet van 30 april
- Nu echter gebleken is dat het om een 'leerling' gaat die niet werd ingeschreven in het personeelsregister, is er sprake van een inbreuk zoals voorzien in artikel 11, ,§3 van het Koninklijk Besluit nr. 5, zodat de wettelijk voorziene administratieve geldboete minimaal 1.875 EUR en maximaal 6.250 EUR bedraagt op grond van artikel 1bis, ,§1, 5°, B, f van de wet van 30 april
- De sanctionering op grond van artikel 1bis, ,§1, 5°, A, d van de wet van 30 april 1971 is bijgevolg ten onrechte gebeurd. In overeenstemming met artikel 583, eerste lid Ger. W. neemt de arbeidsrechtbank kennis van de toepassing van de administratieve sancties, bepaald bij de wet betreffende de administratieve geldboeten, toepasselijk in geval van inbreuk op sommige sociale wetten. De arbeidsgerechten oefenen op de beslissing van de Directeur-generaal een toetsing uit met volle rechtsmacht, wat betekent dat niets wat onder de beoordelingsbevoegdheid van deze ambtenaar valt buiten de controle van de rechtbank ligt (Arbitragehof, 18 november 1992, Arr. Nr. 72/92, B.S., 16 januari 1993, 695). Het arbeidsgerecht is zowel in rechte als in feite gevat en kan dan ook de feiten correct herkwalificeren (bij zoverre zij dezelfde zijn als deze die aan de Directeur-generaal werden meegedeeld en bij zoverre de rechten van verdediging werden geëerbiedigd) (P. WATERSCHOOT, De rechtspraak van het Arbeidshof te Gent in verband met de Wet Administratieve Geldboeten, in R.W. 2002-2003, 883). Mits het recht van verdediging wordt geëerbiedigd en binnen het kader van het geding, zoals dit door de partijen is bepaald, valt alles wat onder de beoordelingsbevoegdheid van de directeur valt, met inbegrip van de keuze van de administratieve sanctie, onder de controle van de rechter. Wanneer wordt erkend dat de rechter de mogelijkheid heeft om de voorliggende feiten correct te kwalificeren, volgt daar logischerwijze uit, mede omdat de bepalingen van de wet van 30 april 1971 van openbare orde zijn, dat hij ook de sanctie moet toepassen die geldt voor de aldus gekwalificeerde inbreuk. In onderhavige zaak hebben de partijen de mogelijkheid gekregen hun argumenten over een eventuele herkwalificatie van de kwestieuze feiten te laten kennen, zodat het recht van verdediging werd geëerbiedigd. Conclusie: E.R. is te beschouwen als een leerling in de zin van artikel 1 van het Koninklijk Besluit nr. 5 van 23 oktober 1978 betreffende het bijhouden van sociale documenten. Appellante diende bijgevolg E.R. in te schrijven in haar personeelsregister uiterlijk op het tijdstip van de tewerkstelling. Dit was niet gebeurd. Vermits artikel 1, tweede lid van het Koninklijk Besluit nr. 5 betreffende het bijhouden van sociale documenten, onder punt 1° C) de leerlingen gelijkstelt met de werknemers, was er voor geïntimeerde, achteraf beschouwd, geen reden om een inbreuk B in het leven te roepen, vermits het niet inschrijven van E.R. als gelijkgestelde werknemer in het personeelsregister kon opgenomen worden onder inbreuk A. Aldus komt inbreuk B te vervallen en dient inbreuk A, zoals geformuleerd in de kwestieuze beslissing van 30 mei 2002, blz. 2 (zie administratief dossier) te worden aangevuld en in fine te worden gelezen als volgt: - aantal personen, tewerkgesteld onder deze bepaling: drie, met name C. V., M. A. en R. E.. Blijven dus weerhouden de inbreuk A en de inbreuk C. Zoals in het tussenarrest van 28 november 2003 werd beslist, zijn deze inbreuken bewezen. De gepaste straf. Appellante is van oordeel dat de haar opgelegde boete niet in verhouding staat met de inbreuken. In dit verband stelde het Hof in zijn tussenarrest van 28 november 2003 al vast dat geïntimeerde voor elke inbreuk afzonderlijk een geldboete oplegt, terwijl in een andere zaak, behandeld door het Arbeidshof te Gent, geïntimeerde voor verschillende inbreuken slechts één geldboete had opgelegd met toepassing van artikel 65 Strafwetboek (SW). Het Hof verzocht geïntimeerde zijn beleid terzake nader toe te lichten. In zijn conclusies na tussenarrest van 3 februari 2004 geeft geïntimeerde in eerste instantie aan dat de toepassing van artikel 65 SW in se niet is voorzien in de Wet van 30 juni 1971 betreffende de administratieve geldboeten. Maar: een meerderheid van de arbeidsgerechten heeft de toepassing ervan aanvaard en de facto wordt dit artikel ook door hem toegepast. Hieruit leidt het Hof af dat geïntimeerde niet betwist dat er van artikel 65 SW toepassing kan worden gemaakt. Verder geeft geïntimeerde aan dat het al dan niet toepassen van artikel 65 SW behoort tot de soevereine appreciatie van de bevoegde ambtenaar én van de arbeidsgerechten. Hieruit leidt het Hof af dat geïntimeerde er geen bezwaar tegen heeft dat in casu het Hof toepassing zou maken van artikel 65 SW. Tenslotte verduidelijkt geïntimeerde dat hij in casu geen toepassing maakte van artikel 65 SW omdat de onderscheiden inbreuken telkenmale betrekking hebben op andere werknemers, waarvan de tewerkstelling werd vastgesteld bij twee onderscheiden controles. Dit is geen antwoord op de vraag van het Hof naar meer inzicht in het beleid dat geïntimeerde voert met betrekking tot het toepassen van artikel 65 SW. Het Hof kan met andere woorden niet toetsen of de beslissing in casu om geen toepassing te maken van artikel 65 SW, genomen is als een logisch uitvloeisel van een vooraf uitgedachte beleidsoptie, die in normale omstandigheden op objectieve gronden rust. Het Hof kan alleen vaststellen dat er geen sprake is van enig beleid terzake en dat de beslissing om geen toepassing te maken van artikel 65 SW eerder willekeurig werd genomen en pas post factum wordt verantwoord. Nu geïntimeerde heeft aangegeven dat hij de toepassing van artikel 65 SW in de materie van de administratieve geldboeten hanteert en nu uit het arrest van het Arbeidshof van Gent van 13 december 2000, geciteerd in het tussenarrest van 28 november 2003 blijkt dat geïntimeerde ook effectief artikel 65 SW toepast, moet het ook worden toegepast, telkens als de toepassingsvoorwaarden ervan zijn vervuld. Artikel 65 SW bepaalt: "... wanneer verschillende misdrijven die de opeenvolgende en voortgezette uitvoering zijn van een zelfde misdadig opzet, gelijktijdig worden voorgelegd aan een zelfde feitenrechter, wordt alleen de zwaarste straf uitgesproken." Het Hof is het eens met het Openbaar Ministerie dat in zijn advies voorhoudt dat in onderhavige zaak kan vastgesteld worden dat de verschillende inbreuken op de wet betreffende het bijhouden van de sociale documenten welke door appellante werden gepleegd, minstens getuigen van een zelfde ingesteldheid, namelijk het veronachtzamen van de plichten, voortvloeiende uit de desbetreffende wetgeving. In ieder geval is er sprake van een voortgezet misdrijf. De verschillende inbreuken kunnen weerhouden worden in hoofde van appellante, zijn de uiting van één en dezelfde strafbare intentie en zijn verbonden door de eenheid van opzet. Het is duidelijk dat de verschillende misdrijven (inbreuken A en C) worden voorgelegd aan dezelfde feitenrechter, thans dit Hof. Aldus zijn de toepassingsvoorwaarden van artikel 65 SW vervuld en dient, volgens het voorschrift van dit artikel, alleen de zwaarste straf te worden uitgesproken. Hoe wordt in casu uitgemaakt welke de zwaarste straf is? Om na te gaan welke straf de zwaarste is, moet er enkel een vergelijking worden gemaakt tussen de verschillende geldboeten waarin de Wet van 30 juni 1971 betreffende de administratieve geldboeten voorziet, omdat de toepassing van het aan artikel 65 SW ontleend principe hoe dan ook moet gesitueerd worden in het kader van die wet. De grootte van de penale sanctie voor een bepaald misdrijf is derhalve niet terzake dienend om te bepalen wat de zwaarste straf is bij het opleggen van een administratieve geldboete voor hetzelfde misdrijf (Arbh. Gent, 13 december 2000, J.T.T. 2001, 64 of Soc. Kron. 2001, 423). In casu is derhalve artikel 1bis, ,§1, 5°, B van de Wet van 30 juni 1971 betreffende de administratieve geldboeten relevant, dat een boete voorziet van 1.875 tot 6.250 EUR. Dit is een eerste component. Daarnaast bevat artikel 11 van dezelfde wet een tweede component. Artikel 11 voorziet namelijk dat de administratieve geldboete zoveel maal wordt toegepast als er personen in strijd met die bepalingen worden tewerkgesteld. Bijgevolg dient de straf samengesteld te worden uit deze twee componenten. (zie ook Cass., 5 juni 1979, Arr. Cass. 1978-1979, 1159, waarnaar door latere Cassatierechtspraak wordt verwezen) In casu wordt het verschil in de bestraffing van inbreuk A en van inbreuk C gemaakt door het aantal werknemers waarvoor de inbreuk werd vastgesteld. Voor inbreuk A waren dat drie werknemers: V. C., A.M.en E.R.. Voor inbreuk C waren dit er twee: M.B. en B.T.. De zwaarste straf is bijgevolg deze voor inbreuk A. Verzachtende omstandigheden? Deze vraag moet worden beoordeeld vanuit de toepassing van artikel 1ter van de Wet van 30 juni 1971 betreffende de administratieve geldboeten toepasselijk in geval van inbreuk op sommige sociale wetten. Dit artikel bepaalt: "In geval van beroep tegen de beslissing van de bevoegde ambtenaar kunnen de arbeidsgerechten, wanneer verzachtende omstandigheden aanwezig zijn, het bedrag van een opgelegde administratieve geldboete onder de in de artikelen 1 en 1bis vermelde minimumbedragen verminderen, zonder dat de geldboete lager mag zijn dan 40% van het minimum van de bij de voormelde artikelen bepaalde bedragen of, wanneer het de bij artikel 1 bis, 1°, a, bedoelde overtredingen betreft, zonder dat de geldboete lager mag zijn dan 80% van het minimum van het bij dit artikel bepaald bedrag." Om tot een herleiding van de effectief opgelegde boete te kunnen overgaan, moeten er verzachtende omstandigheden aanwezig zijn. De verzachtende omstandigheden worden door de wetgever niet omschreven. De strafrechter heeft de meest ruime bevoegdheid om te bepalen wat als verzachtende omstandigheid kan worden aanvaard en wat niet. Het aanvaarden van verzachtende omstandigheden door de strafrechter maakt steeds een gunstmaatregel uit die niet kan worden afgedwongen. De verdachte kan dienaangaande geen enkel recht laten gelden. De feitenrechter oordeelt daardoor volkomen vrij of een verzachtende omstandigheid dient te worden aanvaard. Mutatis mutandis geldt dit ook voor het opleggen van de administratieve geldboete (Arbh. Gent, 13 december 2000, J.T.T. 2001, 64 of Soc. Kron. 2001, 423). De feitelijke elementen en omstandigheden, die in deze zaak bij de beoordeling van de verzachtende omstandigheden in aanmerking worden genomen zijn de volgende: x uit de stukken van het administratief dossier blijkt dat de oprichtingsakte van de B.V.B.A. L.D.V. werd gepubliceerd op 16 juni 1999; x G.S., zaakvoerder van de B.V.B.A. verklaart op 6 oktober 1999 aan de sociaal controleur dat hij met zijn zaak is begonnen op 3 september
- Dit wordt door geïntimeerde niet weerlegd; x nauwelijks één maand later, op 6 oktober 1999, wordt appellante al gecontroleerd. Toen werd de volgende inbreuk weerhouden: het niet ingeschreven zijn van 2 werknemers in het personeelsregister; x de eerste is V.C. Zowel de zaakvoerder, G.S. als hijzelf verklaren dat het de eerste dag is dat hij als kok wordt tewerkgesteld; x de tweede is E.R., in dienst als leerling; x deze controle werd uitgevoerd door de Sociale Inspectie bij het Ministerie van Sociale Zaken, Volksgezondheid en Leefmilieu; x op 26 februari 2000 wordt een nieuwe controle uitgeoefend, ditmaal door de controledienst van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening; x er worden twee inbreuken vastgesteld: één werknemer is opnieuw niet ingeschreven in het personeelsregister en of het aanwezigheidsregister (A M) en voor twee werknemers is het aanvangsuur van de arbeidsdag niet ingeschreven in het aanwezigheidsregister (M B en B T.). Als verzachtende omstandigheden worden aangenomen: - het feit dat er een bijzonder korte tijdspanne is verlopen tussen het starten van de zaak op 3 september 1999 en de controle op 6 oktober
- De eigenaars van de zaak zijn Italianen, die de bijkomende moeilijkheid hebben dat ze zich in een vreemd land moeten aanpassen en hun weg moeten zoeken. Eén maand is dan bijzonder kort om helemaal volgens het boekje te functioneren; - de twee personeelsleden, die werkend werden aangetroffen, zonder te zijn ingeschreven in het personeelsregister bevinden zich op dat ogenblik in bijzondere omstandigheden: V.C. zou zijn eerste dag aan het werk zijn geweest. Er is geen enkel element in het dossier dat dit tegenspreekt. Bijgevolg mag de realiteit ervan worden aangenomen. Het is enigszins begrijpelijk dat administratief nog niet alles op punt stond de eerste dag van de tewerkstelling. E.R. anderzijds was ingeschakeld als leerling. De zaakvoerder meende dat voor hem alles in orde was. Gelet op het specifieke van deze toestand (die geïntimeerde zelfs de hele tijd verkeerd heeft ingeschat) was het niet zo evident om een correcte inschrijving van deze leerling voorhanden te hebben. (Het is pas in dit arrest dat er orde op zaken is gesteld). - het betrof een eerste inbreuk; - het was niet de Sociale Inspectie die een nacontrole deed op 26 februari 2000, maar wel de R.V.A. Van de vijf werknemers die werkend werden aangetroffen, zijn er vier opgenomen in het personeelsregister. Alleen A. M.was dat niet. De zaakvoerder legt uit dat maar af en toe op zijn diensten een beroep werd gedaan, wat niet door gegevens van het dossier wordt tegengesproken. De impact van een mogelijke intentie tot fraude is relatief; - het feit dat voor twee andere werknemers het beginuur niet was ingeschreven in het aanwezigheidsregister kan een onachtzaamheid zijn veroorzaakt door een gebrekkige kennis van de specifieke reglementering. Het was ook een eerste inbreuk. Het Hof kan bij de zaakvoerders van appellante geen vaste wil ontdekken om op systematische wijze fraude te willen plegen door personeel zwart tewerk te stellen. De inbreuken die werden vastgesteld, zijn eerder een gevolg van (Latijnse) slordigheid en onachtzaamheid en hun fraudegehalte is relatief. Daarom is het verantwoord de minimumboete, voorzien door artikel 1bis, ,§1, 5°, B van de Wet van 30 juni 1971 betreffende de administratieve geldboeten te verminderen tot 50%. x x x Rekening gehouden met de toepassing van artikel 65 SW en met verzachtende omstandigheden, dient de enkele administratieve geldboete aan appellante te worden opgelegd, bepaald te worden op: 1.875 EUR: 2 = 937,5 EUR x 3 = 2.812,5 EUR. Appellante verzoekt tenslotte om gemak van betaling. Zij geeft aan een kleine horecazaak te zijn, die, geconfronteerd met een administratieve boete, die in één keer te betalen valt, catastrofale gevolgen zou oplopen. Het Hof is van oordeel dat de boete drastisch werd verminderd en dat er ondertussen heel wat tijd verstreek die appellante toelieten, als een voorzichtig huisvader, om de nodige reserves aan te leggen. Bovendien legt appellante aan het Hof geen elementen voor die het Hof toelaten te oordelen of appellante 'ongelukkig en te goeder trouw' is en of de financiële situatie van appellante het betalen van de thans vastgestelde boete niet kan verdragen. Het verzoek tot afbetalingsfaciliteiten van appellante wordt afgewezen. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Gehoord de heer H. SLACHMUYLDERS, Substituut-generaal, in de voorlezing van zijn grotendeels gelijkluidend schriftelijke advies, gegeven ter openbare terechtzitting van 10 september
- Partijen hebben geen opmerkingen geformuleerd i.v.m. het advies. Recht doende op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond. Vernietigt het vonnis van de Arbeidsrechtbank te Turnhout van 16 december 2002, behalve in zoverre het uitspraak deed over de kosten. Opnieuw wijzende, herleidt de opgelegde administratieve geldboete tot een bedrag van TWEEDUIZEND ACHTHONDERDENTWAALF EUR en VIJFTIG EUROCENT en veroordeelt appellante tot betaling van dit bedrag aan geïntimeerde. Legt de kosten van hoger beroep, overeenkomstig artikel 1017, eerste lid van het Gerechtelijk Wetboek, ten laste van appellante. Vereffent de kosten aan de zijde van geïntimeerde op 279,62 EUR rechtsplegingsvergoeding beroep en 55,77 EUR aanvullende rechtsplegingsvergoeding beroep. De kosten aan de zijde van appellante werden niet begroot en alsdan door het Hof niet vereffend. Aldus gewezen en uitgesproken door de vierde kamer van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, op de openbare terechtzitting van twaalf november tweeduizend en vier, waar aanwezig waren: PDF document ECLI:BE:AHANT:2004:ARR.20041112.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div