id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 16 november 2004 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2004:ARR.20041116.14 Rolnummer: 2003-0080 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-03-20 Raadplegingen: 296 - laatst gezien 2026-07-02 07:34 Fiches 1 - 2 De verjaringstermijn van artikel 7, ,§ 13 van de Besluitwet van 28 december 1944 loopt slechts naar aanleiding van de beslissing van de RVA (formulier C29) waarbij de terugvordering bevolen wordt van onrechtmatig genoten en onverschuldigd betaalde werkloosheidsuitkeringen en de omstandigheid dat de beslissing niet het bedrag van die uitkeringen vermeldt doet daaraan geen afbreuk. Het verjaringsstuitend karakter van die beslissing, die aan de RVA een uitvoerbare titel verschaft (privlilège du préalable), wordt niet ongedaan gemaakt door het verhaal van de werkloze. De beslissing van de RVA waarbij tot effectieve inning wordt overgegaan (formulier C13) is niet onderworpen aan hoger genoemde verjaringstermijn, doch aan de gemeenterechtelijke verjaringstermijn van het Burgerlijk Wetboek. Artikel 2277 van het Burgerlijk Wetboek is in geen geval van toepassing op de terugvordering van de ten onrechte betaalde werkloosheidsuitkeringen, vermits de verplichting van de werkloze niet bestaat in periodieke prestaties doch in de verplichting tot terugbetaling van onrechtmatig ontvangen bedragen. Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP-RECHT-WETGEVING . BURGERLIJK WETBOEK Werkloosheid - terugvordering - verjaring Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - 2277 - 35 ELI link Pub nr 1804032155 Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID VOOR WERKNEMERS . ALGEMENE REGELING Werkloosheid - terugvordering - verjaring Wettelijke bepalingen: Besluitwet - 28-12-1944 - 7§13 - 01 ELI link Pub nr 1944122850 Wet - 27-06-1969 - 42 - 04 ELI link Pub nr 1969062710 Nota: Gerangschikt onder IB - art. 2277 en onder VIIA - art. 42 Annotaties Publicaties: SOCIAALRECHTELIJKE KRONIEKEN - - 2005(00009,P.544-545) Tekst van de beslissing Vierde kamer Eindarrest op tegenspraak Werkloosheidsuitkering ARBEIDSHOF TE ANTWERPEN Afdeling Antwerpen ARREST A.R. 2030080 OPENBARE TERECHTZITTING VAN ZESTIEN NOVEMBER TWEE-DUIZEND EN VIER In de zaak van: mevrouw G. E., appellante, vertegenwoordigd door mr. I. D. loco mr. L. E., advocaat te Antwerpen, tegen : de RIJKSDIENST VOOR ARBEIDSVOORZIENING, gevestigd te 1000 Brussel, Keizerslaan 7, geïntimeerde, vertegenwoordigd door mr. F. I., advocaat te Antwerpen. Na over de zaak beraadslaagd te hebben, heeft de vierde kamer van het Arbeids-hof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, het volgende arrest uitgesproken. Gelet op de zittingsbladen d.d. 5 maart 2003, 21 september 2004 en 5 oktober
- Rekening houdend met de akten van de rechtspleging, onder meer: x het eensluidend verklaard afschrift van het vonnis, op 13 januari 2003 uitge-sproken door de zevende kamer van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen, overeenkomstig artikel 792, tweede lid, Ger. W., aan G. E. ter kennis gebracht bij gerechtsbrief op 15 januari 2003; x het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit Hof op 31 januari 2003 en ter kennis gebracht overeenkomstig artikel 1056 Ger. W. op 3 februari 2003; x de conclusies voor de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, ontvangen ter griffie van dit Hof op 5 juni 2003; x de conclusies voor G. E., ontvangen ter griffie van dit Hof op 28 juli 2003; x de aanvullende conclusies voor de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, ontvangen ter griffie van dit Hof op 10 november 2003; x het afschrift van het schriftelijk advies van het Openbaar Ministerie, gelezen en neergelegd ter zitting van 5 oktober 2004, bij gerechtsbrief overeenkom-stig artikel 767, ,§3, eerste lid, Ger. W., aan partijen ter kennis gebracht op 6 oktober 2004; x de repliekconclusies voor G. E., neergelegd ter griffie van dit Hof op 19 oktober
- Partijen werden gehoord op de openbare terechtzitting van 21 september
- Ontvankelijkheid Met een verzoekschrift, ontvangen ter griffie van dit Hof op 31 januari 2003, te-kende G. E. hoger beroep aan tegen een vonnis van 13 januari 2003 (A.R. 264.372) van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen. Het vonnis werd aan G. E. ter kennis gebracht overeenkomstig artikel 792, tweede lid, Ger. W., bij gerechtsbrief op 15 januari
- Het hoger beroep werd tijdig ingesteld, is regelmatig naar de vorm en derhalve ontvankelijk.
- Feiten en voorafgaande procedure De directeur van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening van het Werkloos-heidsbureau Antwerpen besliste op 23 juni 1995, gelet op de artikelen 44, 45, 50, 139, 142, 143, 144, 146, 153, 154, 157, 158, 159, 169 en 175 van het K.B. van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering, en op artikel 7, ,§13, van de Besluitwet van 28 december 1944: x G. E. vanaf 3 december 1990 t/m 12 maart 1993 uit te sluiten van het recht op uitkeringen (art. 44 en 45, K.B.); x haar vanaf 14 april 1994 uit te sluiten van het recht op uitkeringen (art. 48 - 50, K.B.); x haar vanaf 26 juni 1995 voor een periode van 13 weken uit te sluiten van het recht op uitkeringen. Gelet op de ernst van de feiten is deze sanctie gerecht-vaardigd. Een ziekteperiode verlengt op evenredige wijze de duur van deze administratieve sanctie (art. 153, 157 en 158, K.B.); x haar vanaf 26 juni 1995 voor een periode van 13 weken uit te sluiten van het recht op uitkeringen. Gelet op de ernst van de feiten is deze sanctie gerecht-vaardigd. Een ziekteperiode verlengt op evenredige wijze de duur van deze administratieve sanctie (art. 153, 157 en 158, K.B.); x haar vanaf 26 juni 1995 voor een periode van 13 weken uit te sluiten van het recht op uitkeringen. Gelet op de ernst van de feiten is deze sanctie gerecht-vaardigd. Een ziekteperiode verlengt op evenredige wijze de duur van deze administratieve sanctie (art. 154, 157 en 158, K.B.). Wanneer meerdere ad-ministratieve sancties terzelfder tijd moeten ingaan, wordt de totale duur van de uitsluiting verkregen door de duur van die sancties samen te tellen (art. 159, K.B.). De totale duur van de opgelegde sanctie bedraagt dus 39 weken; x het dossier voor gevolggeving over te maken aan de arbeidsauditeur (art. 175, K.B.); x de eventueel ten onrechte genoten uitkeringen terug te vorderen (art. 169, K.B.). Ingevolge arglist dient de terugvordering uitgebreid te worden. De ten onrechte genoten uitkeringen dienen te worden terugbetaald voor de peri-ode van 3 december 1990 t/m 12 maart 1993 en vanaf 14 april 1994 (art. 7, ,§13, Besluitwet). De directeur nam deze beslissing op grond van volgende overwegingen: "U maakt vanaf 03.12.90 aanspraak op uitkeringen. De werknemer heeft recht op werkloosheidsuitkeringen wanneer hij gedu-rende zijn werkloosheid geen arbeid verricht voor zichzelf noch voor der-den die ingeschakeld kan worden in het economisch ruilverkeer van goe-deren en diensten, tenzij die arbeid zich beperkt tot het gewone beheer van eigen bezit (artikel 45 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering). U werkte tijdens uw werkloosheid voor eigen rekening. Uit de vaststellin-gen van de controledienst van de R.V.A. is gebleken dat u tijdens de periode van 21.12.83 tot en met 12.03.93 zaakvoerster was van de firma A. M. - E. Deze activiteit is ingeschakeld in het economisch ruilverkeer van goederen en diensten. Bovendien gaat het niet om het gewone beheer van eigen be-zit. U voldoet dus niet aan de bovenvermelde voorwaarden van artikel 45 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 en kunt dus vanaf 03.12.90 tot en met 12.03.93 geen aanspraak maken op werkloosheidsuitkeringen. De werkloze die met een zelfstandige samenwoont kan slechts uitkeringen genieten indien hij hiervan aangifte doet op het tijdstip van de uitkerings-aanvraag of bij de aanvang van het samenwonen. Deze aangifte is even-wel niet vereist wanneer de werkloze niet in staat is de zelfstandige met wie hij samenwoont aanmerkelijk te helpen (artikel 50, eerste lid van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsregle-mentering). U deed geen aangifte van uw samenwoonst met een zelfstandige. U be-wijst niet dat u deze persoon niet aanmerkelijk kunt helpen. U voldoet bij-gevolg vanaf 14.04.1994 niet aan de voorwaarden van het bovenvermeld artikel 50, eerste lid. Wat de administratieve sanctie in de zin van artikel 153 van het bovenver-meld K.B. betreft U deed geen aangifte van uw zelfstandige activiteit als zaakvoerster in de periode van 21.12.83 tot en met 12.03.
- De werkloze die onverschuldig-de uitkeringen heeft of kan ontvangen doordat hij een onjuiste of onvolle-dige verklaring heeft afgelegd of een verplichte verklaring niet of te laat heeft afgelegd, wordt van het genot van de uitkeringen uitgesloten gedu-rende ten minste één week en ten hoogste dertien weken (art. 153, eerste lid van het bovenvermeld K.B.). U deed geen aangifte van uw zelfstandige activiteit van uw dochter. De werkloze die onverschuldigde uitkeringen heeft of kan ontvangen doordat hij een onjuiste of onvolledige verklaring heeft afgelegd of een verplichte verklaring niet of te laat heeft afgelegd, wordt van het genot van de uit-keringen uitgesloten gedurende ten minste één week en ten hoogste dertien weken (art. 153, eerste lid van het bovenvermeld K.B.). Wat de administratieve sanctie in de zin van artikel 154 van het boven-vermeld K.B. betreft Aangezien er is vastgesteld dat u een activiteit verricht voor eigen reke-ning die ingeschakeld kan worden in het economisch ruilverkeer van goe-deren en diensten en niet beperkt is tot het gewone beheer van het eigen bezit, wordt u geacht arbeid te hebben verricht in de zin van artikel 45 van het bovenvermeld K.B. Vóór de aanvang van de activiteit bedoeld in artikel 45, moest u hiervan met onuitwisbare inkt melding maken op uw controlekaart (art. 71, eerste lid, 4° van het bovenvermeld K.B.). U hebt dit niet gedaan en zou dus d.m.v. uw controlekaart voor de betreffende arbeidsperiode ten onrechte uitkeringen kunnen ontvangen. U was immers niet vrijgesteld van deze melding aangezien u niet voldoet aan de bepalingen van artikel 48 van het bovenvermeld K.B. De werkloze die onverschuldigde uitkeringen heeft verkregen of kan ont-vangen doordat hij zich niet heeft gedragen naar de bepalingen van artikel 71, eerste lid, 3° of 4° van het bovenvermeld K.B., wordt van het genot van de uitkeringen uitgesloten gedurende ten minste 4 en ten hoogste 26 weken (art. 154, eerste lid, 1° van het bovenvermeld K.B.). Wat het strafrechtelijk aspect van de door u begane overtreding betreft De werkloze bedoeld in artikel 154, die gehandeld heeft met bedrieglijk in-zicht, kan strafrechtelijk vervolgd worden (art. 175 ,§1, 2° van het boven-vermeld K.B.). Daarom wordt uw dossier overgemaakt aan de Arbeids-auditeur. Wat de terugvordering betreft Elke onrechtmatig ontvangen som dient te worden terugbetaald (art. 169, eerste lid van het bovenvermeld K.B.). Het recht van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening om de terugbetaling van onverschuldigd betaalde uitkeringen te bevelen verjaart na vijf jaar wanneer de onverschuldigde betaling het gevolg is van arglist of bedrog van de werkloze. Deze verjaringstermijn gaat in de eerste dag van het ka-lenderkwartaal dat volgt op dat waarin de uitbetaling werd gedaan (arti-kel 7, ,§13, tweede en derde lid van de Besluitwet van 28 december 1944). Aangezien het feit dat de uitkeringen onrechtmatig verkregen werden als gevolg van bedrieglijk inzicht dienen de ten onrechte genoten uitkeringen teruggevorderd te worden vanaf 03.12.90 tot en met 12.03.93 en vanaf 14.04.94." G. E. tekende tegen voornoemde beslissing verhaal aan bij de Arbeids-rechtbank te Antwerpen met een verzoekschrift, neergelegd ter griffie op 17 juli
- Bij vonnis van de Correctionele Rechtbank te Antwerpen van 2 december 1997 werd G. E. veroordeeld wegens inbreuken op de werkloosheidsreglementering voor de vermengde feiten A, B en C, tot een geldboete van 150 BEF (3,71 EUR). In graad van hoger beroep werd zij vrijgesproken voor feit A (gepleegd tussen 2 december 1990 en 1 juni 1992), en veroordeeld voor de feiten B (gepleegd tus-sen 31 mei 1992 en 13 maart 1993 en op 14 april 1994) en voor feit C (ge-pleegd tussen 31 mei 1992 en 13 maart 1993) tot een geldboete van 150 BEF (3,71 EUR). De eerste rechter verklaarde in haar vonnis van 13 januari 2003 de vordering ontvankelijk, doch ongegrond en bevestigde de administratieve beslissing van 23 juni
- G. E. stelde tegen dit vonnis hoger beroep in met een verzoekschrift, ontvangen ter griffie van het Arbeidshof op 31 januari
- Eisen in hoger beroep G. E. vordert het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren, het vonnis a quo te vernietigen en, opnieuw recht doende, de administratieve beslissing van 23 juni 1995 te vernietigen. De Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening vordert het hoger beroep ontvankelijk, doch ongegrond te verklaren en het vonnis a quo integraal te bevestigen.
- Ten gronde: de verjaring De betwisting blijft beperkt tot de problematiek van de verjaring van de terug-betaling van de onverschuldigd betaalde werkloosheidsuitkeringen. Artikel 7, ,§13, van de Besluitwet van 28 december 1944 bepaalt dat het recht van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening om de terugbetaling van onver-schuldigd betaalde werkloosheidsuitkeringen te bevelen, alsmede de rechtsvor-deringen van de uitbetalingsinstellingen tot terugbetaling van onverschuldigd betaalde werkloosheidsuitkeringen, verjaren na 3 jaar, en na 5 jaar, wanneer de onverschuldigde betaling het gevolg is van arglist of bedrog van de werkloze. Verder schrijft dit artikel voor dat deze verjaringstermijnen ingaan de eerste dag van het kalenderkwartaal dat volgt op dat waarin de uitbetaling gedaan werd; wanneer de uitbetaalde werkloosheidsuitkeringen onverschuldigd worden om-wille van de toekenning of de vermeerdering van een voordeel dat, geheel of gedeeltelijk, niet samen kan genoten worden met de werkloosheidsuitkeringen, gaat de verjaringstermijn in de eerste dag van het kalenderkwartaal dat volgt op datgene waarin dat voordeel of die vermeerdering werd betaald. Ook wordt in ditzelfde artikel bepaald dat, onverminderd de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek, deze verjaringstermijnen kunnen gestuit worden door een ter post aangetekende brief. Samen met het Openbaar Ministerie deelt het Hof geenszins het standpunt van G. E. die van oordeel is dat er, na de stuiting van de verjaring door de bestreden beslissing van 23 juni 1995, een nieuwe verjaringstermijn begon te lopen die door de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening niet tijdig en rechtsgeldig werd gestuit, zodat verjaring was ingetreden. Volgens G. E. is de effectieve terugvordering van de onverschuldigd betaalde werkloosheidsuitkeringen het gevolg van de uitoefening van het recht om terugbetaling te bevelen of de uitvoering van de beslissing tot terugvordering, en dient deze effectieve terugvordering door de Rijksdienst voor Arbeids-voorziening, net zo goed als de beslissing tot terugvordering, te geschieden bin-nen de verjaringstermijnen bepaald in artikel 7, ,§13, van de Besluitwet van 28 december
- Het Hof is van oordeel dat het onderscheid dat G. E. maakt tussen de terugvorderingsbeslissing en de effectieve terugvordering niet relevant is voor de toepassing van de verjaringstermijnen van artikel 7, ,§13, van de Besluitwet van 28 december
- Uit bovenvernoemd artikel 7, ,§13, blijkt dat deze bepaling betrekking heeft op het recht van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening om de terugbetaling van onverschuldigd betaalde werkloosheidsuitkeringen te bevelen. Hieruit blijkt dat de bedoelde verjaringstermijn slechts loopt naar aanleiding of ten aanzien van de beslissing van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening waarbij de terugvordering van de onrechtmatig genoten en onverschuldigd be-taalde werkloosheidsuitkeringen bevolen wordt en dat de omstandigheid dat die beslissing het bedrag van die uitkeringen niet vermeldt, daaraan geen afbreuk doet. (Cass., 3de kamer, 30 januari 1995, S940076N ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19950130.4). In deze optiek is het met betrekking tot een eventuele verjaring van belang te weten of de bestreden beslissing van 23 juni 1995 al dan niet een tijdig en rechtsgeldig stuitend karakter heeft. Samen met het Openbaar Ministerie is het Hof van oordeel dat, vanaf de beslis-sing van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, die constitutief is voor het onverschuldigd karakter van de betaling van de werkloosheidsuitkeringen aan G. E., er niet onmiddellijk een nieuwe gelijksoortige verjaringstermijn ten nadele van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening kan beginnen lopen. De bewuste wilsuiting van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, met name dat hij de verdere uitoefening van zijn recht wenst, te weten de terugvordering van onverschuldigd betaalde werkloosheidsuitkeringen, blijkt manifest uit de bestreden administratieve beslissing van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorzie-ning, die binnen de termijn van voornoemd artikel 7, ,§13, werd genomen. Het volstaat niet voor een werkloze van beroep in te stellen bij de arbeidsrecht-bank tegen een beslissing van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening ten einde het tijdig, rechtsgeldig verjaringstuitend karakter van deze beslissing, op het ogenblik dat deze ter kennis wordt gebracht van de werkloze, opnieuw in vraag te stellen. Het Hof deelt de redenering die het Openbaar Ministerie in dit verband voorop-stelt: "Dergelijke zienswijze werkt ordeverstorend ten aanzien van de rust die het juridisch fenomeen van de verjaring wil bewerkstelligen. De onzekerheid die ontstaat tussen het tijdstip van de inleiding van de zaak door de werkloze (onzekerheid waarvoor hij gekozen heeft door de administratieve beslissing te betwisten) en het tijdstip van het vonnis, is geen onzekerheid die moet worden opgelost door de verjaring maar door de loyale houding van partijen om zo snel mogelijk tot een eindbeslissing te komen. In tegenstelling met wat wordt beweerd door appellante loopt er na de administratieve beslissing van 23 juni 1995, waarin expliciet de terugbe-taling van de ten onrechte genoten werkloosheidsuitkeringen in het voor-uitzicht wordt gesteld voor een welbepaalde periode, niet onmiddellijk een nieuwe verjaringstermijn ten nadele van de R.V.A. Door het nemen van de beslissing C29 beschikt de R.V.A. over een uitvoerbare titel (privi-lège du préalable) die niet ongedaan wordt gemaakt, enkel en alleen om-dat er door de werkloze verhaal werd ingesteld tegen deze beslissing. Door tijdig een beslissing te nemen heeft de R.V.A. het nadelige effect van de verjaring van zijn terugvordering afgewend. Door deel te nemen aan de openbare macht, geniet de R.V.A. het privilège du préalable, dit wil zeggen de bevoegdheid om voor zichzelf een onmid-dellijk uitvoerbare titel op te maken zonder zich voorafgaandelijk tot de rechterlijke macht te wenden, en geniet de R.V.A. het voorrecht van de ambtshalve tenuitvoerlegging, met name de bevoegdheid om zelf de ten-uitvoerlegging, door dwangbevel, van zijn uitvoerbare titel tot stand te brengen, desnoods door de openbare macht aan te wenden." Overeenkomstig de bepalingen van artikel 170 van het Werkloosheidsbesluit kan de terugvordering van ten onrechte betaalde sommen bevolen worden door de directeur of door de bevoegde rechtsmacht. Het feit dat de beslissing nog niet definitief is, omdat ze werd aangevochten door de werkloze, tast haar uitvoerbaar karakter evenwel niet aan. De Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening kan zijn beslissing uitvoeren, ondanks het verhaal van de werkloze. Dit impliceert dat de afwending van de verjaring onaangetast blijft. Door een beslissing tot terugvordering te nemen binnen de loop van de verja-ringstermijn, verhindert de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening dat de werklo-ze zich nog kan beroepen op het verweermiddel van de bevrijding van de rechtsvordering van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening tot terugbetaling van de ten onrechte genoten uitkeringen. De verjaring van de terugvordering is dus onvoltrokken, niet door het door de werkloze ingestelde verhaal, maar door de uitvoerbare beslissing van 23 juni 1995 zelf. Het formulier C31 van 28 januari 2003, waarbij tot effectieve inning van de on-rechtmatig genoten uitkeringen werd overgegaan, is niet onderworpen aan de bepalingen van voornoemd artikel 7, ,§13, van de Besluitwet van 28 december
- In dit artikel is geen sprake van een "inningstermijn". De gemeenrechtelijke verjaringstermijn is ter zake van toepassing na het defini-tief worden van de rechterlijke uitspraak. De verjaringstermijn van de rechtsvordering tot tenuitvoerlegging van de rech-terlijke uitspraak tot veroordeling bedroeg vroeger 30 jaar en verloopt thans na 10 jaar na huidig arrest. De verwijzing door G. E. naar het arrest van het Arbitragehof van 12 februari 2003 is niet relevant. In casu is wel degelijk de verjaringstermijn van 3 en 5 jaar, vastgesteld in artikel 7, ,§13, van de Besluitwet van 28 december 1944, van toepassing, zij het dan in een andere interpretatie dan deze van G. E., die ten onrechte stelt dat deze verjaringstermijn opnieuw begint te lopen vanaf het ogenblik dat de administratieve beslissing aan haar ter kennis werd gebracht. De verwijzing door G. E. naar het arrest van het Arbeidshof te Antwerpen van 10 oktober 2000 is evenmin ter zake dienend. Uit een arrest van het Hof van Cassatie van 21 mei 2001 blijkt dat de bepaling van artikel 2277 van het Burgerlijk Wetboek niet toepasselijk is op ten onrechte betaalde bedragen, vermits de verplichting van de verkrijger niet bestaat in peri-odieke uitkeringen, maar wel in een verplichting tot teruggave van onrechtmatig ontvangen bedragen, een verplichting die niet te vergelijken is met de schuld van periodieke uitkeringen, vermits zij niet voortvloeit uit de bepalingen inzake betaling ervan, maar wel uit de regels betreffende de betaling van onverschul-digde bedragen. (Cass., 21 mei 2001, 3de kamer, nr. S.00.0164.N ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010521.5). Intussen betwist de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening niet langer dat er wèl verjaring is ingetreden van de terugvordering ten laste van G. E. met betrekking tot de werkloosheidsuitkeringen die werden uitbetaald vóór 31 mei
- Inderdaad blijkt uit het arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen van 22 juni 2000 dat G. E. vrijgesproken werd van feit A 1 en 2, gepleegd tussen 2 december 1990 en 1 juni 1992, doch wel schuldig werd bevonden en ver-oordeeld met betrekking tot de feiten B en C, waarvan de begindatum van het gepleegde feit bepaald werd op 31 mei
- Het vonnis a quo dient op dit punt te worden hervormd. Op die gronden, Het Hof, Heeft kennis genomen van het eensluidend schriftelijk advies, uitgebracht door de heer P. VAN DEN BON, Advocaat-generaal, op de openbare terechtzitting van 5 oktober
- Houdt rekening met de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalge-bruik in gerechtszaken. Doet uitspraak op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond. Hervormt het vonnis van 13 januari 2003 (A.R. 264.372) van de Arbeidsrecht-bank te Antwerpen en verklaart de terugvordering met betrekking tot de werk-loosheidsuitkeringen, betaald vóór 31 mei 1992, vervallen door verjaring. Bevestigt het vonnis voor het overige. Legt de kosten van het hoger beroep, overeenkomstig artikel 1017, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, ten laste van de Rijksdienst voor Arbeidsvoor-ziening, door G. E. begroot op 55,76 EUR uitgavenvergoeding verzoekschrift en 133,88 EUR rechtsplegingsvergoeding, en door het Hof vereffend op 55,77 EUR uitgavenvergoeding verzoekschrift en 139,81 EUR rechtsplegingsvergoe-ding; de kosten van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening worden door het Hof niet vereffend daar geen kostenopgave wordt ingediend. Aldus gewezen en uitgesproken door de vierde kamer van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, in openbare terechtzitting op zestien november tweeduizend en vier. Het Hof bestond uit: mevrouw C. VERCAMMEN, kamervoorzitter, de heer F. LAMBERT, raadsheer in sociale zaken als werkgever, de heer C. HOREMANS, raadsheer in sociale zaken als werknemer, de heer R. SMETS, griffier. PDF document ECLI:BE:AHANT:2004:ARR.20041116.14 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19950130.4 ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010521.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div