← België

ECLI:BE:AHANT:2004:ARR.20041123.5

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 23 november 2004 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2004:ARR.20041123.5 Rolnummer: 2004-0211 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-06-23 Raadplegingen: 123 - laatst gezien 2026-07-01 01:21 Fiches 1 - 3 Indien de aanvrager, die onder de toepassing van het Staatlozenverdrag van 28 september 1954 valt, de voorwaarden vervult om het leefloon te krijgen, dan moet dit bij voorrang worden toegekend, zonder dat het OCMW de voor het bekomen van een leefloon ingediende aanvraag als een aanvraag tot het bekomen van maatschappelijke steun geënt op de OCMW-wet, dient te benaderen; het recht op leefloon heeft in se voorrang op het residuaire recht op maatschappelijke dienstverlening. Het gegeven dat betrokkenen in het kader van hun asielaanvraag aan het Klein Kasteeltje werden toegewezen, en het gegeven dat zij als staatlozen niet in het vreemdelingenregister zijn ingeschreven, doet geen afbreuk aan de op de toepasselijke wetgeving - de Wet Maatschappelijke Integratie, met verwijzing naar de wet van 2 april 1965 - gesteunde bevoegdheidsbepaling van het OCMW, die bepaald wordt aan de hand van de effectieve verblijfplaats van de bijstandsbehoeftige. Vrije woorden: ARBEIDSREGLEMENTERING . BESCHERMING VAN HET LOON Werkingssfeer - leefloon - voorrang op maatschappelijke dienstverlening - bevoegd OCMW - staatlozen Wettelijke bepalingen: Wet - 12-04-1965 - 1,lid1,1°en - 01 ELI link Pub nr 1965041228 Vrije woorden: SOCIALE VOORZORG . OPENBARE CENTRA VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN Taken van het OCMW - algemene taken en uitvoering - leefloon - voorrang op maatschappelijke dienstverlening - bevoegd OCMW - staatlozen Wettelijke bepalingen: Wet - 08-07-1965 - 57,§2 - 01 Link Justel databank 19650708-01 Nota: Gerangschikt onder III H - artikel 1, lid 1, 1° en 2°, onder X E - artikel 57, ,§ 2 en onder X GN - artikel 3 Vrije woorden: SOCIALE VOORZORG . RECHT OP BESTAANSMINIMUM . RECHT OP MAATSCHAPPELIJKE INTEGRATIE Leefloon - voorrang op maatschappelijke dienstverlening - bevoegd OCMW - staatlozen Wettelijke bepalingen: Wet - 26-05-2002 - 3 - 47 ELI link Pub nr 2002022559 Nota: Gerangschikt onder III H - artikel 1, lid 1, 1° en 2°, onder X E - artikel 57, ,§ 2 en onder X G N - artikel 3 Annotaties Publicaties: SOCIAALRECHTELIJKE KRONIEKEN - TORFS, D. - 2006(00004,P.212-216) Tekst van de beslissing ARBEIDSHOF TE ANTWERPEN Vierde Kamer Tegensprekelijk eindarrest (verwijzing naar Arbeidsrechtbank te Hasselt - art. 1068, lid Ger. W.) O.C.M.W. Arbeidshof te Antwerpen AFDELING HASSELT ARREST A.R. 2040211 OPENBARE TERECHTZITTING VAN DRIEËNTWINTIG NOVEMBER TWEEDUIZEND EN VIER. In de zaak: HET OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN VAN EN TE HASSELT, met zetel te 3500 Hasselt, A. Rodenbachstraat nr. 20, appellant, verschijnend bij mr. B. K., advocaat te Hasselt; tegen : 1. I. G., 2. N. G., Beiden wonende te x, geïntimeerden, verschijnend bij mr. H. D. P., advocaat te Ieper. Na over de zaak beraadslaagd te hebben wijst het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, in openbare zitting en in de Nederlandse taal het hierna volgend arrest: Gelet op de uiteenzetting van de middelen van partijen tijdens de openbare terechtzitting van 26 oktober 2004. Gelet op de processen-verbaal van de openbare terechtzitting van 2 september 2004 en 26 oktober 2004. I. RECHTSPLEGINGSSTUKKEN Gelet op de stukken van de rechtspleging, in het bijzonder: - het bestreden tussenvonnis van de Arbeidsrechtbank te Hasselt gewezen op tegenspraak tussen partijen op 21 mei 2004 en hen behoorlijk ter kennis gebracht bij gerechtsbrief van 26 mei 2004 conform artikel 775 van het Gerechtelijk Wetboek; - het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, op 24 juni 2004; - de conclusies van geïntimeerde ontvangen ter griffie op 23 juli 2004. II. ONTVANKELIJKHEID VAN HET HOGER BEROEP Met een verzoekschrift, op 24 juni 2004 neergelegd ter griffie van dit Hof, tekende appellant hoger beroep aan tegen een tussenvonnis (A.R.204/0001) van 21 mei 2004 van de Arbeidsrechtbank te Hasselt. Bedoeld vonnis werd in toepassing van artikel 775 Gerechtelijk Wetboek bij gerechtsbrief van 26 mei 2004 ter kennis gebracht aan partijen. Het hoger beroep werd tijdig ingesteld en is regelmatig naar de vorm. Het hoger beroep is ontvankelijk. III. FEITEN EN VOORAFGAANDE RECHTSPLEGING 1. De echtelieden I. G. en N. G., huidige geïntimeerden, zijn afkomstig uit Letland, en zij beweren slachtoffers te zijn van de Letlandse wetgeving ten gevolge waarvan kennelijk de zogenaamde "geïmporteerde burgers" (in het bijzonder afstammelingen van gewezen Sovjetmilitairen) niet als Letse staatsburgers worden erkend. Op 10 december 1999 diende de heer I. G. in België onder de naam "Z." een eerste maal een asielaanvraag in, doch deze aanvraag werd afgewezen op 26 juli 2000 om reden dat eerste geïntimeerde niet op het interview was komen opdagen. Op 5 oktober 2000 dienden beide geïntimeerden een nieuwe asielaanvraag in en werden in het kader van het spreidingsplan aan de gemeente Grimbergen toegewezen. Zij genoten sedert oktober 2000 financiële steun van het O.C.M.W. van Grimbergen. In december 2000 vestigden geïntimeerden zich in Hasselt. Op 4 maart 2003 tekende geïntimeerden beroep aan bij de Raad van State tegen de beslissing van 30 januari 2003 van het Commissariaat-generaal voor Vluchtelingen en Staatlozen waarbij het verblijf in België geweigerd werd. Tot op heden zou de Raad van State in die zaak nog geen uitspraak hebben verleend. Op 20 mei 2003 besliste het O.C.M.W. van Grimbergen om de maatschappelijke dienstverlening aan geïntimeerden stop te zetten vanaf 7 mei 2003, gelet op het feit dat betrokkenen sedert 7 mei 2003 werden toegewezen aan het opvangcentrum Klein Kasteeltje. Geïntimeerden werden bij een in kracht van gewijsde getreden vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg van Hasselt dd. 15 juli 2003 als staatslozen erkend. 2. Op 14 november 2003 dienden geïntimeerden bij het O.C.M.W. van Hasselt elk een onderscheiden aanvraag om toekenning van leefloon in. Op 4 december 2003 besliste het O.C.M.W. van Hasselt om reden van onbevoegdheid geen leefloon aan geïntimeerden toe te kennen vanaf 14 november 2003. Deze O.C.M.W.-beslissingen werden op 5 december 2003 betekend en als volgt gemotiveerd: - u deed een aanvraag voor het bekomen van leefloon op 14.11.2003 - u bezit het statuut als staatsloze, hierdoor is de nationaliteitsvoorwaarde vervult om eventueel aanspraak te kunnen maken op leefloon - u bent naar België gekomen als politiek vluchteling en werd aanvankelijk ingeschreven in het wachtregister van de gemeente Grimbergen - uw asielverzoek werd inmiddels afgewezen door de Dienst Vreemdelingenzaken. Tegen deze beslissing werd beroep aangetekend, maar de beslissing werd bevestigd. U tekende hoger beroep aan bij de Raad van State. Deze procedure is nog hangende - met ingang van 18.09.2003 werd het Klein Kasteeltje te Brussel aangeduid als verplichte plaats van inschrijving, uw statuut als staatsloze wijzigt hieraan niets - zolang u als staatsloze niet bent ingeschreven in het vreemdelingenregister blijft de verplichte plaats van inschrijving gelden - ons O.C.M.W. is bijgevolg niet bevoegd om leefloon toe te kennen". 3. Tegen deze beslissingen stelden geïntimeerden apart beroep in bij de Arbeidsrechtbank van Hasselt, beroep dat erop gericht was om een leefloon vanwege het O.C.M.W. te zien bekomen. Bij vonnis van 21 mei 2004 voegde de Arbeidsrechtbank van Hasselt beide vorderingen samen, verklaarde ze onontvankelijk (?) en gegrond, vernietigde de bestreden beslissingen van 4 december 2003 en zegde voor recht dat appellant het bevoegd O.C.M.W. is om kennis te nemen van de aanvraag om leefloon van beide geïntimeerden; beval een heropening der debatten om het O.C.M.W. "toe te laten een sociaal onderzoek te voeren ten einde na te gaan of geïntimeerden alle wettelijke voorwaarden vervullen om aanspraak te kunnen maken op leefloon". 4. Tegen dit tussenvonnis van 21 mei 2004 van de Arbeidsrechtbank van Hasselt stelde appellant hoger beroep in bij dit Arbeidshof. IV. EISEN IN HOGER BEROEP EN SAMENGEVAT STANDPUNT VAN PARTIJEN 1. Appellant vordert in zijn verzoekschrift tot hoger beroep het beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren; het bestreden vonnis teniet te doen; de bestreden beslissingen te bevestigen en de kosten als naar recht te begroten. Samengevat roept appellant in het verzoekschrift tot hoger beroep ter ondersteuning van zijn vordering onder meer in: - dat het door geïntimeerden bij de Arbeidsrechtbank ingestelde beroep niet toelaatbaar en/of onontvankelijk was omdat zij dit instelden onder de naam G./G., daar waar het in werkelijkheid om Z. zou gaan; - dat geïntimeerden niet vallen onder de toepassing van het Verdrag van New York van 28 september 1954, maar dat zij als kandidaat-vluchtelingen in de zin van het Internationaal Vluchtelingenverdrag van 28 juli 1951 moeten worden beschouwd, zodat derhalve niet aan de voorwaarden van artikel 3 van de Wet op het Leefloon van 26 mei 2002 is voldaan; - dat het statuut van staatsloze niets wijzigt aan het verblijfsstatuut van geïntimeerden; geïntimeerden werden aan het Klein Kasteeltje toegewezen zodat het O.C.M.W. van Hasselt niet bevoegd is en zodat geïntimeerden zich tot het Klein Kasteeltje moeten wenden. 2. Geïntimeerden stellen geen incidenteel beroep in. Zij verzoeken het Hof om het beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren; het bestreden vonnis te bevestigen en appellant te veroordelen tot de kosten. Samengevat voeren geïntimeerden onder meer aan: - dat de verschillende schrijfwijze van de naam van geïntimeerden zonder invloed is en dat de eerste rechters terecht de vordering ontvankelijk hebben verklaard; - dat appellant ten onrechte voorhoudt dat geïntimeerden als vluchteling moeten worden beschouwd; zolang over de asielaanvraag (aanvraag tot erkenning als vluchteling) geen definitieve beslissing is gevallen, is het Vluchtelingenverdrag op geïntimeerden niet van toepassing, maar wel het Staatslozenverdrag; - dat volgens het Hof van Cassatie het Staatslozenverdrag een rechtstreekse werking heeft; - dat het recht op leefloon primeert op het recht op maatschappelijke dienstverlening; - dat geïntimeerden op het grondgebied van de stad Hasselt wonen en dat het O.C.M.W. van Hasselt het voor de toekenning van een leefloon bevoegde O.C.M.W. is; - dat het feit dat de Minister in gebreke blijft om geïntimeerden te regulariseren (d.m.v. een inschrijving in het Vreemdelingenregister) niet in het nadeel van geïntimeerden kan uitvallen; eventueel anders oordelen zou strijdig zijn met het gelijkheidsbeginsel. V. BEOORDELING V.a. Nopens de ontvankelijkheid van het door geïntimeerden bij de Arbeidsrechtbank ingestelde beroep 1. Appellant houdt voor dat de naam en identiteit van geïntimeerde(

  1. n)niet zou stroken met de realiteit geïntimeerden presenteren zich onder de naam G.-G., terwijl voordien door eerste geïntimeerde een asielaanvraag werd ingediend onder de naam Z. - hetgeen dan volgens appellant de nietigheid of onontvankelijkheid van het door betrokkenen bij de Arbeidsrechtbank ingeleide beroep met zich zou brengen. Samen met de eerste rechters is het Hof van oordeel dat deze door appellant ingeroepen exceptie, zijnde in se een middel van onontvankelijkheid, niet kan worden aanvaard. Uit de stukken van het dossier blijkt afdoende dat de namen Z. en G. (I.) betrekking hebben op één en dezelfde persoon, en dat het in feite gaat om twee verschillende spellingswijzen van dezelfde naam (cf. de door geïntimeerden bijgebrachte attesten van 30 oktober 2002 van de Russische ambassade te Brussel, waarbij de beide schrijfwijzen complementair worden vermeld). De echtelieden G.-G. werden overigens door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Hasselt onder die identiteit als staatsloze erkend, hebben onder die identiteit de steunaanvraag ingediend bij het O.C.M.W., en hebben onder die identiteit beroep ingesteld bij de Arbeidsrechtbank tegen de van appellant uitgaande weigeringsbeslissingen, beslissingen die nota bene door het O.C.M.W. zelf met vermelding van diezelfde naam of identiteit (Gitenev-Giteneva) aan betrokkenen ter kennis werden gebracht. Appellant kan derhalve bezwaarlijk voorhouden op enigerlei wijze in dwaling te zijn gebracht omtrent de identiteit van geïntimeerden. Het Hof onderkent hier geen valabele redenen, en deze werden door appellant evenmin geconcretiseerd, op grond waarvan het gegeven dat ten overstaan van de Dienst Vreemdelingenzaken voordien een andere schrijfwijze van de naam van eerste geïntimeerde werd gehanteerd, aanleiding zou dienen te geven tot een nietigheid of onontvankelijkheid van het door geïntimeerden bij de Arbeidsrechtbank ingeleide beroep tegen de van appellant uitgaande beslissingen. Uitgaande van de stelling dat de 'ontvankelijkheid' kan worden omschreven als het geheel van voorwaarden die vereist zijn opdat het bevoegde gerecht uitspraak kan doen over de grond van de zaak (cf. de bepaling van het begrip in het verslag VAN REEPINGHEN bij het ontwerp van wet houdende het Gerechtelijk Wetboek, "Verslag over de Gerechtelijke Hervorming, Brussel, B.S., 1964, blz. 41), is het Hof van oordeel dat het door appellant aangevoerde feit als zodanig geen enkel beletsel vormt voor een kennisneming door de arbeidsgerechten van de 'betwisting ten gronde'. Van een onontvankelijkheid van het door geïntimeerden bij de Arbeidsrechtbank ingestelde beroep is er bijgevolg geen sprake. Het door appellant aangevoerde middel van onontvankelijkheid (van de oorspronkelijke vorderingen van geïntimeerden) wordt bijgevolg door het Hof verworpen. 2. De Arbeidsrechtbank verklaarde in het dispositief van het bestreden vonnis, na samenvoeging, de vorderingen onontvankelijk en gegrond ("Verklaart de vorderingen onontvankelijk en gegrond als volgt; -/-"). Uit de in het vonnis gehanteerde overwegingen en uit de verdere in het dispositief vermelde beschikkingen (alwaar de vorderingen gegrond werden verklaard en waarbij dan voorts voor recht werd gezegd in welke mate de vorderingen gegrond waren) blijkt duidelijk dat het hier een verschrijving en/of materiële vergissing betreft en dat door de eerste rechters niet een "onontvankelijkheid" maar wel een "ontvankelijkheid" van de vorderingen werd beoogd. Het Hof gaat over tot een correctie en rechtzetting van deze in het vonnis van de eerste rechters voorkomende materiële vergissing. Het dispositief van het bestreden vonnis wordt aangepast en dient, wat de uitspraak over de ontvankelijkheid betreft, te worden gelezen als volgt: "-/- Verklaart de vorderingen ontvankelijk -/-". V.b. Ten gronde 1. In de mate dat appellant inroept - althans zo meent het Hof het te kunnen afleiden uit het door appellant ingediende verzoekschrift tot hoger beroep - dat niet hij bevoegd is om de door geïntimeerden gevraagde steun (het leefloon) toe te kennen, maar dat geïntimeerden zich voor het bekomen van steun tot het 'Klein Kasteeltje' dienen te wenden, gaat het om een standpunt dat door het Hof niet wordt gedeeld. Zoals door de eerste rechters terecht werd gesteld, verwijst appellant verkeerdelijk naar artikel 57ter van de Organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (de O.C.M.W.-wet). Artikel 57ter van de O.C.M.W.-wet bepaalt in haar tweede lid dat de asielzoeker aan wie met toepassing van artikel 54 van de Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, een door de Staat, een andere overheid of één of meerdere openbare besturen georganiseerd centrum of plaats waar hulpverlening wordt verstrekt op verzoek en op kosten van de Staat, als verplichte plaats van inschrijving is aangewezen, alleen in dat centrum of op die plaats maatschappelijke dienstverlening kan verkrijgen. Deze bepaling van de O.C.M.W.-wet richt zich specifiek tot degenen die wensen aanspraak te maken op het door deze wet voorziene recht op maatschappelijke dienstverlening (artikel 2 van de wet), dienstverlening die van materiële, sociale, geneeskundige, sociaal-geneeskundige of psychologische aard kan zijn (artikel 57 van de wet). Deze O.C.M.W.-wet vormt echter niet de wettelijk-juridische basis van de door geïntimeerden bij het O.C.M.W. ingediende steunaanvragen die specifiek gericht zijn op het bekomen van een leefloon en die gesteund zijn op een andere rechtsgrond, met name de Wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie (de Wet Maatschappelijke Integratie). Het is in functie van deze Wet Maatschappelijke Integratie dat de door geïntimeerden bij het O.C.M.W. ingediende aanvragen, en de eruit voortvloeiende weigeringsbeslissingen, moeten worden geëvalueerd en beoordeeld, en niet in functie van de terzake niet toepasselijke O.C.M.W.-wet. Indien de aanvrager de voorwaarden vervult om het leefloon te bekomen (gesteund op de Wet Maatschappelijke Integratie), dan moet dit hem bij voorrang worden toegekend, zonder dat het O.C.M.W. de voor het bekomen van een leefloon ingediende aanvraag als een aanvraag tot het bekomen van maatschappelijke ("materiële") steun, geënt op de O.C.M.W.-wet, dient te benaderen; het recht op leefloon heeft in se voorrang op het residuaire recht op maatschappelijk/materiële dienstverlening. De door appellant in functie van de hier niet-toepasselijke O.C.M.W.-wet ontwikkelde argumentatie mist bijgevolg relevantie en wordt door het Hof als niet terzake dienend buiten beschouwing gelaten. 2. De door geïntimeerden ingediende aanvraag tot het bekomen van een leefloon vanwege appellant kadert juridisch binnen de Wet Maatschappelijke Integratie. In toepassing van deze wet heeft elke persoon recht op maatschappelijke integratie, hetgeen kan bestaan uit een tewerkstelling en/of een leefloon, wat al dan niet gepaard kan gaan met een geïndividualiseerd project voor maatschappelijke integratie. Artikel 3 van de Wet Maatschappelijke Integratie bepaalt dat degene die aanspraak maakt op het recht op maatschappelijke integratie de navolgende voorwaarden moet vervullen: 1(/ zijn/haar werkelijke verblijfplaats in België hebben; 2(/ meerderjarig (of hiermee gelijkgesteld) zijn; 3(/ de Belgische nationaliteit bezitten of tot één van de in de wet omschreven categoriëen van personen behoren: - zij die het voordeel genieten van de toepassing van de EG-verordening betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de gemeenschap; - zij die als vreemdeling ingeschreven zijn in het bevolkingsregister; - zij die staatsloos zijn en onder de toepassing vallen van het Verdrag betreffende de status van staatslozen, ondertekend te New York op 28 september 1954 en goedgekeurd bij de wet van 12 mei 1960; - zij die vluchteling zijn in de zin van artikel 49 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; 4(/ niet over toereikende bestaansmiddelen beschikken, noch er aanspraak kunnen op maken, noch in staat zijn deze hetzij door eigen inspanningen, hetzij op een andere manier te verwerven; 5(/ werkbereid zijn, tenzij dit om gezondheids- of billijkheidsredenen niet mogelijk is; 6(/ zijn/haar rechten laten gelden op uitkeringen die hij/zij kan genieten krachtens de Belgische of buitenlandse sociale wetgeving. Geïntimeerden hebben een aanvraag om leefloon bij appellant ingediend, uitgaand van hun statuut van staatsloze. Zij kunnen m.b.t. dit statuut terugvallen op een van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Hasselt uitgaand vonnis van 15 juli 2003, waarin expliciet voor recht werd gezegd dat geïntimeerden "staatsloos" zijn in de zin van artikel 1,1 van het Verdrag van New York betreffende de Status van Staatslozen van 28 september 1954. De door appellant ontwikkelde argumentatie, dat geïntimeerden niet onder het Verdrag van New York betreffende de Status van Staatslozen van 28 september 1954 (het Staatslozenverdrag) vielen/vallen maar wel onder het Internationaal Verdrag der Vluchtelingen van 28 juli 1951 (het Vluchtelingenverdrag), is manifest strijdig met dit in kracht van gewijsde getreden vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Hasselt van 15 juli 2003. De door appellant terzake ontwikkelde argumentatie faalt bovendien naar recht. In de preambule van het Staatslozenverdrag van 28 september 1954 staat weliswaar bepaald: "Overwegende, dat alleen op die staatslozen die tevens vluchtelingen zijn van toepassing is het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen van 28 juli 1951, en dat er vele staatslozen zijn op wie dat Verdrag niet van toepassing is". In tegenstelling tot hetgeen appellant inroept kan uit deze bepaling in het concrete geval van geïntimeerden echter niet worden afgeleid dat zij uitgesloten zouden zijn van de toepassing van het Staatslozenverdrag en dat zij (exclusief) onder de toepassing van het Vluchtelingenverdrag zouden vallen. Geïntimeerden zijn tot op heden namelijk niet erkend als vluchteling en vallen bijgevolg niet onder de toepassing van het Vluchtelingenverdrag. De door appellant voorgehouden stelling dat geïntimeerden niet onder de toepassing zouden vallen van het Staatslozenverdrag van 28 september 1954 is bijgevolg niet correct en wordt door het Hof verworpen. Dat geïntimeerden wel degelijk onder het Staatslozenverdrag vallen, blijkt overigens ten overvloede nog uit de door het Commissariaat-Generaal voor de vluchtelingen en staatslozen afgeleverde attesten van 9 maart 2004, waarbij dit expliciet bevestigd wordt (cf. de door geïntimeerde neergelegde stukken). Geïntimeerden voldoen dus wel degelijk aan de in artikel 3, 3( van de Wet Maatschappelijke Integratie weergegeven voorwaarde, met name "staatsloos zijn en onder de toepassing vallen van het Verdrag betreffende de status van staatslozen, ondertekend te New York op 28 september 1954 en goedgekeurd bij de wet van 12 mei 1960", Zoals in de bestreden O.C.M.W.-beslissingen overigens zelf werd aangegeven, vervulden geïntimeerden, gelet op hun statuut van staatslozen, de zogenaamde "nationaliteitsvoorwaarde" om eventueel aanspraak te kunnen maken op leefloon. 3. Welk te dezen het O.C.M.W. is dat bevoegd is voor de eventuele toekenning van het door geïntimeerden gepostuleerde leefloon, moet worden nagegaan in functie van de normen vastgelegd in de terzake toepasselijke Wet Maatschappelijke Integratie. Artikel 18 van de Wet Maatschappelijke Integratie bepaalt dat onder "bevoegd centrum" (bevoegd O.C.M.W) moet worden verstaan, het centrum bedoeld in de artikelen 1, eerste lid, 1( en 2( van de Wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van steun verleend door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (B.S. 6 mei 1965). De algemene regel inzake aanduiding of bepaling van het bevoegde steunverlenende O.C.M.W. ligt in de Wet van 2 april 1965 vervat in artikel 1, lid 1, 1(. Het O.C.M.W. dat bevoegd is om de nodige steun te verstrekken, aangeduid met het 'steunverlenend O.C.M.W.', is: "het O.C.M.W. van de gemeente op wier grondgebied zich een persoon bevindt die bijstand behoeft, wiens staat van behoeftigheid door dit centrum erkend werd en aan wie zij steun verleent waarvan de aard en, zo nodig, het bedrag door haar beoordeeld en bepaald worden". Concreet zijn hier deze bepalingen van artikel 1, lid 1, 1( van genoemde Wet van toepassing. De situatie van artikel 1, lid 1, 2( - waarbij het O.C.M.W. van het 'onderstanddomicilie' wordt omschreven, van toepassing indien de behoeftige behandeld wordt in een verplegingsinstelling - doet zich te dezen niet voor en wordt derhalve buiten beschouwing gelaten. Het terzake bevoegde O.C.M.W. wordt overeenkomstig de toepasselijke regel (artikel 1, lid 1, 1( wet 2 april 1965) bepaald door de gewoonlijke verblijfplaats van de bijstandsbehoeftige(n). Nu niet ter betwisting staat dat geïntimeerden effectief te Hasselt wonen en verblijven, is derhalve het O.C.M.W. van Hasselt bevoegd om een leefloon aan geïntimeerden toe te kennen. Het gegeven dat geïntimeerden door de Dienst Vreemdelingenzaken aan het Klein Kasteeltje zouden zijn toegewezen, en het gegeven dat geïntimeerden als staatslozen niet in het Vreemdelingenregister zouden zijn ingeschreven, doet geen afbreuk aan de op de toepasselijke wetgeving - de Wet Maatschapelijke Integratie, met verwijzing naar de wet van 2 april 1965 - gesteunde bevoegdheidsbepaling van het O.C.M.W., aan de hand van de effectieve verblijfplaats van de bijstandsbehoeftige, en deze gegevens worden als niet terzake dienend en irrelevant buiten beschouwing gelaten. 4. De eerste rechters hebben terecht geoordeeld dat appellant het bevoegde centrum is voor de (eventuele) toekenning van een leefloon aan geïntimeerden en hebben, na de bestreden O.C.M.W.- beslissingen van 4 december 2003 te hebben vernietigd, terecht in een heropening der debatten voorzien, met het oog op de uitvoering door appellant van een sociaal onderzoek teneinde na te gaan of geïntimeerden alle wettelijke voorwaarden vervullen om aanspraak te kunnen maken op leefloon. Deze uitspraak, met inbegrip van de erdoor voorziene onderzoeksmaatregel inzake het nog uit te voeren sociaal onderzoek, wordt door het Hof bevestigd. Het hoger beroep is ongegrond. In toepassing van artikel 1068, lid 2 Ger. W., en nu geïntimeerden in de beroepsprocedure bij dit Hof hun oorspronkelijke vordering(
  2. en)niet in de vorm van een incidenteel beroep hebben geconcretiseerd, verwijst het Hof de zaak terug naar de Arbeidsrechtbank te Hasselt met het oog op een verdere opvolging en uitwerking door de eerste rechters van de in het vonnis van 21 mei 2004 voorziene onderzoeksmaatregel. -oOo- O P D I E G R O N D E N, Het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, vierde Kamer. Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waarvan de voorschriften werden nageleefd. Gehoord het openbaar ministerie, vertegenwoordigd door de heer J. D., substituut-generaal, in zijn grotendeels gelijkluidend mondeling advies. Partijen verklaren geen opmerkingen te hebben over het advies. Na beraadslaging, recht doende op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. Bevestigt het vonnis van de Arbeidsrechtbank van Hasselt van 21 mei 2004, zij het dan mits correctie en rechtzetting van de erin vervat liggende materiële vergissing alwaar het de vorderingen ten onrechte onontvankelijk in plaats van ontvankelijk verklaarde; zegt dienvolgens voor recht dat het dispositief van het bestreden vonnis, wat de uitspraak over de ontvankelijkheid betreft, aangepast wordt en gelezen dient te worden als volgt: "-/- Verklaart de vorderingen ontvankelijk -/-", en bevestigt het overige gedeelte van het vonnis. Verwijst de zaak overeenkomstig de bepalingen van artikel 1068, lid 2 Ger. W. terug naar de Arbeidsrechtbank te Hasselt met het oog op een verdere opvolging en uitwerking door de eerste rechters van de in het vonnis van 21 mei 2004 voorziene onderzoeksmaatregel. Verwijst, overeenkomstig artikel 1017, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, appellant in de kosten van huidige beroepsprocedure. Laat deze aan de zijde van appellant onvereffend bij gebrek aan neergelegde kostenopgave. Vereffent deze aan de zijde van geïntimeerden op 139,81 EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep. Aldus gewezen en uitgesproken door de vierde kamer van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, zitting houdend te Hasselt in openbare terechtzitting van drieëntwintig november tweeduizend en vier, waar aanwezig waren: de heer P. C., Raadsheer, waarnemend Voorzitter, de heer R. H., Plaatsvervangend magistraat - art. 383 ,§2 Ger. W., de heer F. H., Raadsheer in sociale zaken, als werknemer-bediende, mevrouw S. W., Griffier. PDF document ECLI:BE:AHANT:2004:ARR.20041123.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.