← België

ECLI:BE:AHANT:2004:ARR.20041126.3

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 26 november 2004 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2004:ARR.20041126.3 Rolnummer: 2003-0584 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2005-03-10 Raadplegingen: 273 - laatst gezien 2026-07-04 14:31 Fiches 1 - 3 Het bewijs van de elementen die in de concrete uitvoering van de samenwerking wijzen op het bestaan van een arbeidsovereenkomst moet worden geleverd door de instelling die is belast met de inning van de bijdragen. Deze elementen moeten krachtig genoeg zijn om de kwalificatie door de betrokken partijen gegeven, uit te sluiten. Vrije woorden: DE ARBEIDSOVEREENKOMSTEN ALGEMENE REGELING VAN DE ARBEIDSOVEREENKOMSTEN bepaling arbeidsovereenkomsten werklieden en bedienden - schijnzelfstandigheid - kwalificatie van partijen - bestaan van een arbeidsovereenkomst - bewijs. Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 2 Vrije woorden: DE ARBEIDSOVEREENKOMSTEN . ALGEMENE REGELING VAN DE ARBEIDSOVEREENKOMSTEN bepaling arbeidsovereenkomsten werklieden en bedienden - schijnzelfstandigheid - kwalificatie van partijen - bestaan van een arbeidsovereenkomst - bewijs. Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 3 Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID VOOR WERKNEMERS . ALGEMENE REGELING toepassingsgebied personen - schijnzelfstandigheid - kwalificatie van partijen - bestaan van een arbeidsovereenkomst - bewijs. Wettelijke bepalingen: Wet - 27-06-1969 - 1,§1 Nota: Gerangschikt onder II AAN - artikel 2, 3 en onder VII A - artikel 1, ,§

  1. Tekst van de beslissing A.R. Nr. 2030584 OPENBARE TERECHTZITTING VAN ZESENTWINTIG NOVEMBER TWEEDUIZEND EN VIER In de zaak: B.V.B.A. P., met zetel gevestigd te XM, appellante, voor wie verschijnt: mr. E. ROBBERECHTS loco M. BALLON, advocaat te 2000 ANTWERPEN, tegen : RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, met zetel gevestigd te 1060 BRUSSEL, Victor Hortaplein 11, geïntimeerde, voor wie verschijnt: mr. M. VAN DEN BRANDE loco mr. L. CHARLIER, advocaat te 2800 MECHELEN. Na over de zaak te hebben beraadslaagd, wijst het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, het hiernavolgende arrest. Gelet op de zittingsbladen van 5 november 2003, van 22 oktober 2004 en van 26 november 2004; Gelet op de stukken van de rechtspleging, waaronder: x het voor eensluidend verklaarde afschrift van het vonnis van 3 september 2003, op tegenspraak gewezen door de Arbeidsrechtbank te Mechelen; x het verzoekschrift in hoger beroep, neergelegd ter griffie van dit Hof op 3 oktober 2003 en ter kennis gebracht overeenkomstig artikel 1056 van het Gerechtelijk Wetboek op 3 oktober 2003; x het verzoekschrift in toepassing van artikel 747, ,§2 van het Ger.W. van geïntimeerde, ontvangen ter griffie van dit Hof op 7 november 2003; x de beschikking van mevrouw B. HOMANS, Eerste Voorzitter, in toepassing van artikel 747, ,§2 van het Ger.W. van 14 april 2004 x de conclusies voor geïntimeerde, neergelegd ter griffie van het Hof op 14 mei 2004 en per fax ontvangen op 17 mei 2004; x de conclusies voor appellante, ontvangen ter griffie van het Hof op 4 juni 2004; x de conclusies voor geïntimeerde, neergelegd ter griffie van dit Hof op 15 september
  2. Gelet op de stukken van het administratief dossier. Gelet op de stukken in het naar behoren geïnventariseerde dossier van partijen. Gehoord de partijen in de voordracht van hun conclusies en verweermiddelen tijdens de openbare terechtzitting van 22 oktober
  3. Gehoord het mondelinge advies van het Openbaar Ministerie op de openbare terechtzitting van 22 oktober
  4. De ontvankelijkheid. Het hoger beroep is naar termijn en vorm regelmatig ingesteld en de ontvankelijkheid ervan wordt niet betwist. Het hoger beroep is dan ook ontvankelijk. Feiten en Voorgaanden. De B.V.B.A. P., met maatschappelijke zetel, te Lier, is einde december 1998 opgericht door de broers W.V.D. en L.V.D.. De B.V.B.A. baat een groot- en kleinhandel uit van blankhouten meubelen. In Herenthout is er een winkel, een magazijn en een atelier. Tot 15 mei 1999 waren er twee personeelsleden tewerkgesteld in het atelier. Vanaf februari 1999 stond het echtpaar M.B. en M.V.H. in voor de uitbating van de winkel in Herenthout. Op 10 januari 1999 hebben M.B. en M.V.H. een verkoopsovereenkomst ondertekend, waarbij W.V.D. 50 aandelen verkocht aan elk van de echtelieden. Het aandelenregister werd in die zin aangepast. De betaling van de aandelen diende plaats te vinden vóór 31 december
  5. Op 19 augustus 1999 werd W.V.D. verhoord door een controleur van de Sociale Inspectie. Op 26 augustus 1999, respectievelijk 6 september 2001 werden M.B. en M.V.H. verhoord. Uit het onderzoek en uit de verhoren concludeerde de R.S.Z. dat M.B. en M.V.H. dienden beschouwd te worden als bijdrageplichtige werknemers. Bij brief van 19 november 2001 deelde de R.S.Z. mee aan de B.V.B.A. P. dat hij op basis van het verslag van de Sociale Inspectie te Antwerpen van 5 oktober 1999 van oordeel is dat M.B. en M.V.H. voor hun tewerkstelling in het bedrijf onderworpen dienden te worden aan het stelsel van de sociale zekerheid voor werknemers. De drie constitutieve elementen van de arbeidsovereenkomst met name, prestaties, gezag en loon werden aanwezig geacht. Omdat de R.S.Z. M.B. en M.V.H. als werknemers beschouwde, werd op 22 november 2001 door de R.S.Z. een bericht van wijziging opgesteld en overgemaakt aan de B.V.B.A. P., dit alles ingevolge een ambtshalve doorgevoerde regularisatie overeenkomstig artikel 22 van de Wet van 27 juni
  6. Deze regularisatie betrof het eerste en het tweede kwartaal van
  7. Gezien niet vrijwillig tot betaling werd overgegaan, ging de R.S.Z. op 15 mei 2002 een eerste maal over tot dagvaarding. Bij brief van 28 maart 2002 deelde de R.S.Z. mee, in aansluiting met zijn brief van 19 november 2001 en op basis van de gegevens in het verslag van de Sociale Inspectie te Antwerpen van 15 februari 2002 en de elementen van het dossier, dat hij van oordeel blijft dat M.B. en M.V.H. voor hun tewerkstelling onderworpen dienden te worden aan het stelsel van de sociale zekerheid voor werknemers. Op 4 april 2002 werd ingevolge de ambtshalve doorgevoerde regularisatie door de R.S.Z. een bijkomend bericht van wijziging opgesteld en overgemaakt aan de B.V.B.A.. Deze regularisatie betrof het derde kwartaal van 1999 tot en met het tweede kwartaal van
  8. De R.S.Z. meent dat de volgende elementen wijzen op het bestaan van een arbeidsovereenkomst: x de groot- en kleinhandel door de broers V.D.W. en L. werd opgericht eind
  9. Zij bezitten het merendeel van de aandelen van de B.V.B.A. P.; x W.V.D. stemde er in toe om het kleinhandelsgedeelte te laten verzorgen door het echtpaar vanaf 1 februari 1999; x M.B. en M.V.H. hebben elk 50 aandelen. Er werd hiervoor een verkoopsovereenkomst opgesteld maar deze aandelen werden tot nu toe nog niet betaald; x M.B. en M.V.H. dienen de meubelen te verkopen in de winkel; x M.B. doet ook restauratiewerken aan de meubelen. Dit laatste gebeurde tot 15 mei 1999 door een personeelslid. Na deze datum heeft de B.V.B.A. geen werknemers meer; x W.V.D. wilde de winkel niet laten uitbaten door werknemers, gezien zijn slechte ervaringen hiermee en gezien hij dan gebonden is aan arbeidstijden; x de aankopen van goederen gebeurt door L.V.D.; x M.B. verklaarde de openingstijden en de inrichting van de winkel niet te hebben veranderd; x al het materiaal en de uitbatingskosten zijn ten laste van de B.V.B.A. P.. Het echtpaar betaalt hiervoor geen vergoedingen; x er worden tussentijdse evaluaties gedaan door de zaakvoerder W.V.D.; x reclameuitgaven worden gedragen door de B.V.B.A. P.; x de lasten van personeel zouden gedragen worden door de B.V.B.A. Volgens W.V.D. mag het echtpaar zelf personeel aanwerven maar dit is niet gebeurd; x de kassa-afsluiting wordt door L.V.D. gedaan en de gelden worden steeds aan W.V.D. gegeven; x de administratie rond de winkel wordt volledig verzorgd door W.V.D.; x de verkoopsprijzen worden onderling afgesproken tussen M.B. en L.V.D.; x M.B. en zijn echtgenote ontvangen een vaste maandelijkse bezoldiging van 75.000 ex BEF per maand voor M.B. en 50.000 ex BEF voor M.V.H.. Dit bedrag staat niet in verhouding met het aantal aandelen; x M.B. en zijn echtgenote verwittigen W.V.D. wanneer ze vrijaf wensen te nemen. Er is dan geen vervanging voorzien; x L.V.D. komt dagelijks naar de Atealaan 9 te Herenthout. M.B. ziet W.V.D. in het weekend als hij papieren moet afgeven of iets bespreken met de zaakvoerder. Het bestreden vonnis. De eerste rechter voegde beide zaken in zijn vonnis van 3 september 2003 samen en hij kende de vordering van de R.S.Z. toe. Eisen in hoger beroep. De B.V.B.A. P. tekende beroep aan tegen dit vonnis a quo bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van dit Hof op 3 oktober
  10. Zij verzoekt het hoger beroep toelaatbaar en gegrond te verklaren, het vonnis a quo teniet te doen behoudens wat de samenvoeging betreft en opnieuw recht doende, de oorspronkelijke eisen van de R.S.Z. als volledig ongegrond te verklaren en de R.S.Z. te veroordelen tot de kosten van beide aanleggen. Bij conclusies, neergelegd ter griffie van dit Hof op 15 september 2004, vordert de R.S.Z. het hoger beroep af te wijzen als ongegrond en het vonnis a quo te bevestigen. Tevens de B.V.B.A. te veroordelen tot de kosten. In Rechte. Een probleem van schijnzelfstandigheid, zoals het zich ook in deze zaak stelt, moet worden benaderd vanuit het volgende principe: "Wanneer uit de uitvoering van de overeenkomst blijkt dat partijen hun samenwerking op een zelfstandige basis hebben georganiseerd dan kan de rechter daar geen andere kwalificatie voor in de plaats stellen, wanneer de elementen die aan zijn beoordeling worden voorgelegd de door de partijen aangenomen kwalificatie niet uitsluiten". Dit principe wordt ook vooropgesteld door het Hof van Cassatie in zijn arresten o.a. van 23 december 2002, van 28 april 2003 en van 3 mei 2004: (Cass., 23 december 2002 - rolnummer S.01.0169.F ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021223.15 - raadpleging via internet: www.cass.be > NL > Hof van Cassatie > arresten van het Hof > datum ingeven > lijst > nr. JC02CN6_1) (Cass., 28 april 2003 - rolnummer S.010.169.F - raadpleging via internet : www.cass.be > NL > Hof van Cassatie > arresten van het Hof > datum ingeven > lijst > nr. JC034S1_1) en Cass., 3 mei 2004 - rolnummer S.03.0108.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040503.23/1 - raadpleging via internet: www.cass.be > NL > Hof van Cassatie > arresten van het Hof > datum ingeven > lijst > nr. RC04534_1) Voor het Hof houdt deze recente cassatierechtspraak in dat er niet langer in het feitenmateriaal moet worden gezocht naar de bouwstenen die hetzij een zelfstandig statuut samenstellen, hetzij een werknemersstatuut. Men dient te vertrekken van de kwalificatie die de betrokken partijen aan hun samenwerking hebben gegeven en er dient te worden onderzocht of de feitelijke realiteit dit statuut niet tegenspreekt. Het Hof kan zich bij deze aanpak aansluiten omdat op die manier de vrijheid tot het sluiten van een overeenkomst, een belangrijk principe uit het verbintenissenrecht, wordt verzoend met het dwingend karakter van het arbeidsrecht. x x x Het eerste wat moet worden onderzocht is of uit de uitvoering van de overeenkomst blijkt dat appellante en M.B. en M.V.H. hun samenwerking op zelfstandige basis hebben georganiseerd. Eerste vraag hierbij: wat zijn deze partijen overeengekomen? Er is geen schriftelijke overeenkomst opgemaakt tussen de betrokken partijen, waaruit zwart op wit de kwalificatie, die zij aan hun samenwerking gaven, zou kunnen blijken. Nu dergelijk geschrift niet voorhanden is, moet deze kwalificatie uit andere elementen van het dossier worden afgeleid. Uit de verklaringen die werden afgelegd aan de Sociale Inspectie door M.B., M.V.H. en W.V.D. blijkt dat M.B. en M.V.H. zelf hadden gevraagd om de winkel van appellanten als zelfstandigen uit te baten. Uit de afgelegde verklaringen blijkt ook dat de winkel vóór de komst van M.B. en M.V.H. op een laag pitje draaide en geen prioriteit was voor appellante. De toestand is zo te beoordelen dat appellante is ingegaan op het verzoek van M.B. en M.V.H. om hen de uitbating van de winkel op zelfstandige basis toe te vertrouwen. Dat deze uitbating op zelfstandige basis zou gebeuren was voor M.B. en M.V.H. blijkbaar de logica zelve. Uit de verklaring van M.V.H. volgt immers dat M.B. tevoren een zelfstandige zaak had gehad maar ook dat de echtgenoten nadien zelfstandig een taverne zijn gaan uitbaten. Er is niet aangetoond dat appellante het initiatief nam om de echtgenoten enkel onder een zelfstandig statuut tewerk te stellen. Zij is wel ingegaan op een dergelijk initiatief van de echtgenoten zelf. Bovendien namen de echtgenoten in functie van hun financiële draagkracht een aantal aandelen over van de B.V.B.A., wat nogmaals onderlijnt dat zij vragende partij waren om prestaties te leveren onder een zelfstandig statuut. De wil tot samenwerking op een zelfstandige basis was tussen deze partijen derhalve intens aanwezig. Deze intensiteit speelt zijn rol bij de inschatting van de sterkte waarmee de betrokken partijen hun samenwerking hebben gekwalificeerd. Het kennen van deze sterkte is dan weer van belang bij de beoordeling over de weerstand die deze kwalificatie kan bieden tegen de elementen die haar aantasten. x x x De R.S.Z. meent nu dat dit zelfstandige statuut in de dagelijkse realiteit van de samenwerking niet overeind kan blijven en hij is van oordeel dat er voor M.B. en M.V.H. sprake is van prestaties als werknemers. In het licht van het hogerop geformuleerde uitgangspunt moet er worden onderzocht welke concrete elementen in de dagelijkse realiteit van deze samenwerking dit statuut van zelfstandige aan het wankelen brengen. Deze elementen moeten eerst en vooral worden aangereikt én bewezen door de R.S.Z. op wie de bewijslast rust. Bovendien, enkel wanneer deze elementen bouwstenen zijn van een arbeidsovereenkomst en ze gewichtig genoeg zijn, kunnen ze het overeengekomen zelfstandige statuut opzij duwen. Ze moeten, zoals gezegd, terug te vinden zijn in de concrete en dagelijkse werkomstandigheden op het werkveld zelf. Immers artikel 1, ,§1 van de Wet van 27 juni 1969 tot herziening van de Besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders bepaalt: "Deze wet vindt toepassing op de werknemers en werkgevers die door een arbeidsovereenkomst zijn verbonden." Voor de definitie van het begrip 'arbeidsovereenkomst', gebruikt in artikel 1, ,§1 van de Wet van 27 juni 1969 dient verwezen te worden naar de artikelen 2 en 3 van de Wet van 3 juli 1978 (Wet op de Arbeidsovereenkomsten), waar dit begrip omschreven wordt als 'de overeenkomst waarbij een werknemer zich verbindt tegen loon, onder het gezag van een werkgever handarbeid of hoofdarbeid te verrichten.' De constitutieve elementen van een arbeidsovereenkomst zijn inderdaad de arbeid, het loon en het ondergeschikt verband. Het zijn deze drie constitutieve elementen die noodzakelijk samen aanwezig moeten zijn in de relatie tussen de vermoedelijke werkgever en de werknemer. Meestal kunnen de elementen 'arbeid' en 'loon' gemakkelijk worden aangetroffen in de samenwerking tussen de betrokken partijen en draait de hele betwisting rond het element 'gezag van de werkgever'. Uit de verklaring van M.B. komt naar voren dat zijn taak er in bestond de winkel in Herenthout uit te baten en af en toe meubels te restaureren. M.V.H. verklaarde dat zij meehielp met de uitbating van de winkel. Het element "arbeid" is dus zeker aanwezig in de samenwerking tussen appellante en de beide echtgenoten. Wat de component loon betreft, volgt uit de afgelegde verklaringen dat maandelijks aan M.B. 75.000 ex BEF werd betaald en aan M.V.H. 50.000 ex BEF. Uit deze verklaringen volgt verder dat het hier voorschotten betrof. Het was de bedoeling op de jaarlijkse (algemene) vergadering vast te leggen wat de definitieve vergoeding zou zijn voor de medewerkende vennoten. Volledigheidshalve dient er aan toegevoegd te worden dat M.V.H. verklaarde dat er uiteindelijk geen winst aan hen werd uitgekeerd. Het element "loon" is dan ook aanwezig in de samenwerking tussen appellante en de beide echtgenoten. Blijft te onderzoeken of het derde element, namelijk het 'gezag' in deze samenwerking was terug te vinden. In de definitie van een arbeidsovereenkomst in de de artikelen 2 en 3 van de Wet van 3 juli 1978 WAO wordt met 'gezag' het juridisch gezag bedoeld en niet het economisch gezag of de economische afhankelijkheid. Wat het juridisch werkgeversgezag is, kan worden afgeleid uit de volgende, ietwat moeilijke maar correcte definitie van een arbeidsovereenkomst: "Het geviseerde maatschappelijk fenomeen dat door artikel 2 en 3 Arbeidsovereenkomstenwet geregeld wordt, betreft deze economische relaties waarbij een 'werknemer' in de 'onderneming van zijn werkgever' een taak op zich neemt en met daadwerkelijke arbeidskracht invult die vanuit organisatorisch standpunt intern georganiseerd wordt en een onmisbare schakel is binnen de aaneensluitende productieprocessen om samen het maatschappelijk doel van de onderneming te verwezenlijken en over welke taak de werkgever, vanuit zijn eigendomsrecht, beleidsrecht en binnen de grenzen van de contractueel verworven aanvaarding door de werknemer het recht heeft deze taakomschrijving concreet en normerend voor de werknemer in te vullen." Het juridisch gezag is dan precies deze mogelijkheid voor de werkgever om de arbeid van zijn werknemer aan te wenden ter realisatie van zijn economisch project en deze aanwending ook van de werknemer af te dwingen binnen de krijtlijnen van de wet en van het contract. x x x Welke zijn nu de elementen die de R.S.Z. in het kader van de op hem rustende bewijslast aanvoert om dit werkgeversgezag aan te tonen in de concrete uitvoering van de overeenkomst? De R.S.Z. haalt deze elementen uit de (uitvoerige) verklaringen, die zowel W.V.D., een zaakvoerder als M.B. en M.V.H. aflegden aan de Sociale Inspectie. Er werd geen onderzoek gedaan op het werkveld zelf. Het Hof merkt verder op dat de R.S.Z. zich in zijn beroepsconclusies opstelt in een houding van verdediging tegenover de argumentatie van appellante, die tracht aan te tonen dat er in casu wel degelijk sprake is van een zelfstandige samenwerking. Het Hof herinnert eraan dat de bewijslast niet rust op de opdrachtgever die moet bewijzen dat de samenwerking gebeurde als zelfstandige, maar dat deze bewijslast rust op de R.S.Z., die actief moet bewijzen dat de drie constitutieve elementen van een arbeidsovereenkomst in de samenwerking daadwerkelijk aanwezig zijn. De R.S.Z. vult deze bewijslast niet in door zich te verdedigen op de bewijselementen die appellante aanhaalt om hiermee het zelfstandig statuut van haar medewerkers te ondersteunen. Ook de eerste rechter fixeert zich teveel op deze bewijselementen. Het volstaat immers te onderzoeken of er in de samenwerking tussen de betrokken partijen elementen zijn terug te vinden die bewijzen dat er arbeid werd gepresteerd, tegen loon en onder gezag van een werkgever en of deze elementen krachtig genoeg zijn om de kwalificatie, die deze partijen aan hun samenwerking gaven, uit te sluiten. Het Hof zal dus enkel de elementen in aanmerking nemen die volgen uit het onderzoeksverslag en deze die de R.S.Z. citeert onderaan op blz. 8 van zijn eerste beroepsconclusies van 14 mei
  11. De elementen. De groot- en kleinhandel werd door de broers Wilfried en L.V.D. opgericht einde
  12. Zij bezitten het merendeel van de aandelen van de B.V.B.A. P.. Het aandelenbezit op zich zegt niets over de wijze waarop enig werkgeversgezag werd uitgeoefend in de dagelijkse gang van zaken. Een zwaar overgewicht aan aandelen in één hand zegt hoogstens iets over wiens economisch project de doorslag geeft: dit van de hoofdaandeelhouder. Bij een dergelijk overgewicht opent zich de mogelijkheid om werkgeversgezag uit te oefenen, maar er moet nog altijd bewezen worden dat dit gezag ook effectief werd uitgeoefend. In casu is het niet zo dat M.B. en M.V.H. werden afgescheept met de verkoop van een symbolisch aantal aandelen om daarmee naar de buitenwereld toe de indruk te wekken dat zij volwaardige vennoten waren. Zij verwierven samen 100 aandelen daar waar L.V.D., een medezaakvoerder over 150 aandelen beschikte. Het verschil is niet zo groot. Aan elk van beide echtgenoten werden in eerste instantie 50 aandelen verkocht, die effectief moesten betaald worden, weliswaar met uitstel maar zowel het tijdstip van betaling als het aantal aandelen had alles te maken met de financiële draagkracht van de echtgenoten. Dus, naar maximum van hun vermogen gingen de echtgenoten deelnemen aan het economisch risico van appellante. Daaruit blijkt de wil aan beide kanten om samen de zaak te runnen. Het blijkt overigens genoegzaam uit de afgelegde verklaringen dat de uitbating van de winkel in Herenthout aan de echtgenoten werd overgelaten. Het element van de aandelen is derhalve geen bewijs van werkgeversgezag in casu, wel integendeel. W.V.D. stemde erin toe om het kleinhandelsgedeelte te laten verzorgen door het echtpaar vanaf 1 februari
  13. Dit element ondersteunt het zelfstandig karakter van de samenwerking. Wanneer een bepaalde deelactiviteit wordt overgelaten aan bepaalde medewerkers om naar goeddunken de winkel uit te baten, dan benadrukt dit het zelfstandig karakter van de samenwerking. Het element werkt contraproductief. M.B. en M.V.H. hebben elk 50 aandelen. Er werd hiervoor een verkoopsovereenkomst opgesteld maar deze aandelen werden tot nu toe nog niet betaald. Zoals gezegd werden de aandelen verkocht met modaliteiten die rekening hielden met de financiële draagkracht van de betrokkenen. M.V.H. bevestigde in haar verklaring dat de 100 aandelen door de echtgenoten ook effectief werden betaald en later door appellante werden terugbetaald. De bewering dat de aandelen niet werden betaald, is niet bewezen. Voor het overige zij verwezen naar de beoordeling onder het eerste element van de reeks. Het element is niet bewezen minstens niet dienstig. M.B. en M.V.H. dienen de meubelen te verkopen in de winkel. Dit element zegt iets over de concrete taak van de echtgenoten. Het zegt niets over de daadwerkelijke uitoefening van werkgeversgezag. Het is niet dienstig. M.B. doet ook restauratiewerken aan de meubelen. Dit laatste gebeurde tot 15 mei 1999 door een personeelslid. Na deze datum heeft de B.V.B.A. geen werknemers meer. Hiermee suggereert de R.S.Z. dat M.B. de taak van de restaurateur overnam. Vermits deze laatste in dienstverband werkte, is het logisch dat M.B. dan ook maar in ondergeschikt verband werkte. M.B. verklaart aan de Inspecteur dat hij af en toe meubelen restaureert. W.V.D. vermeldt enkel dat M.B. restauraties aan meubelen doet. Er wordt aan het Hof geen enkel zicht gegeven op de concrete inhoud van deze meubelrestauratie. Wat was de omzet? Hoeveel meubelen werden er gerestaureerd? Was dit een fulltime bezigheid of niet? Was er een verschil tussen deze restauratie, vroeger toen ze door een werknemer gebeurde en later, toen ze door M.B. gebeurde? Enz.... De R.S.Z. meent bewijs te kunnen leveren aan de hand van twee summiere verwijzingen in de verklaringen van W.V.D. en M.B.. Laat het duidelijk zijn dat dit bewijs niet volstaat. Het element is niet bewezen. W.V.D. wilde de winkel niet laten uitbaten door werknemers, gezien zijn slechte ervaringen hiermee en gezien hij dan gebonden is aan arbeidstijden. Dit is het goed recht van W.V.D.. Er bestaat nergens een wettelijke verplichting om een zaak te laten uitbaten door werknemers. Dit element kan de R.S.Z. er alleen maar toe aansporen om een grondiger onderzoek te doen en ijverig op zoek te gaan naar de elementen in de concrete samenwerking met de zelfstandige medewerkers die er kunnen op wijzen dat de winkel nog steeds door werknemers wordt uitgebaat. Op zich echter bewijst dit element hoegenaamd geen werkgeversgezag. De aankopen van goederen gebeurt door L.V.D.. Uit de verklaring van W.V.D. blijkt dat de meubelen werden aangekocht in het buitenland en dat zijn broer Luc zich er mee bezighield. Bovendien was de hoofdactiviteit van appellante een groothandel in meubelen. Blijkbaar gebeurde de aankoop zowel voor de groothandel als voor de kleinhandel. In die omstandigheden is het niet duidelijk welk bewijs de R.S.Z. ziet in de aankoopbevoegdheid van L.V.D. als element om de uitoefening van gezag aan te tonen lastens de beide echtgenoten. Bovendien verklaart M.B. dat hijzelf ook aankopen doet. Daardoor is het element ondergraven. Het is niet naar recht bewezen. M.B. verklaarde de openingstijden en de inrichting van de winkel niet te hebben veranderd. W.V.D. verklaarde: "... hij dient de meubelen te verkopen maar de manier waarop regelt hij zelf evenals de tijd waarop..." "Bierbeeck en Van Hoof zijn vrij om het werk te organiseren." M.B. verklaarde: "De winkel is open wanneer ik er ben. Er zijn geen openingsuren voorzien. Ik kan zelf een andere rustdag bepalen." M.V.H. verklaarde: "Wij konden de openingsuren zelf bepalen". Het Hof begrijpt niet waar de Sociale Inspecteur het haalt dat M.B. de openingsuren niet zou hebben veranderd. Het element is niet bewezen. Integendeel, datgene wat de betrokken partijen verklaren in verband met de openingsuren, maakt duidelijk dat de echtgenoten volkomen vrij waren om deze openingsuren naar eigen goeddunken te regelen. Dit is een krachtig element dat wijst op het zelfstandig karakter van de samenwerking. Het element werkt dus contraproductief. Al het materiaal en de uitbatingskosten zijn ten laste van de B.V.B.A. P.. Het echtpaar betaalt hiervoor geen vergoedingen. Reclameuitgaven worden gedragen door de B.V.B.A. P.. Het enige wat deze elementen bijbrengen, is dat op economisch vlak het project van de gebroeders V.D. prioritair was. Maar het is uit den boze een economisch element te hanteren om hiermee juridisch werkgeversgezag te bewijzen. De elementen zijn niet dienstig. Er worden tussentijdse evaluaties gedaan door de zaakvoerder W.V.D.. Het enige wat in de verklaringen is terug te vinden, is dat het de bedoeling was van de zaakvoerders om de samenwerking met de echtgenoten na een jaar te evalueren. Deze evaluatie moet louter begrepen worden vanuit een bekommernis op economisch vlak: aan de echtgenoten werd de uitbating van de winkel toevertrouwd waarvoor de gebroeders V.D. eigenlijk geen interesse hadden. Na een jaar uitbating zou worden nagezien of deze uitbating inderdaad rendabel was. In functie van deze evaluatie zou dan moeten gekeken worden hoe de samenwerking met de echtgenoten (vooral op financieel vlak) moest worden verder gezet. Nergens wordt het bewijs bijgebracht dat deze evaluatie een controle zou inhouden op de wijze waarop de echtgenoten hun diensten presteerden en of zij naar behoren functioneerden in de interne organisatie van appellante. De lasten van personeel zouden gedragen worden door de B.V.B.A. Volgens W.V.D. mag het echtpaar zelf personeel aanwerven maar dit is niet gebeurd. Wie het personeel betaalt, is geen element dat het bewijs oplevert dat ten aanzien van bepaalde medewerkers gezag werd uitgeoefend. De mogelijkheid die de echtgenoten hadden om zelf personeel aan te werven om hen bij te staan, wijst sterk op de zelfstandigheid van deze echtgenoten in de organisatie van hun werk. Het ondersteunt krachtig de zelfstandige zeggenschap van de vennoten. Het element werkt contraproductief. De kassa-afsluiting wordt door L.V.D. gedaan en de gelden worden steeds aan W.V.D. gegeven. Als actieve vennoten met meer dan een symbolische deelname in het maatschappelijk kapitaal konden de echtgenoten daar moeilijk bezwaar tegen hebben. Het is enkel een punt van praktische organisatie, nu de echtgenoten, mede ook omwille van hun zwakke financiële positie, maandelijks voorschotten kregen uitbetaald en het de bedoeling was hun vergoeding te bepalen in functie van het bekomen resultaat. Met andere woorden de echtgenoten konden met een gerust gemoed de financiële verrichtingen overlaten aan de gebroeders V.D.. Uit deze afspraak kan het Hof geen bewijs distilleren dat er gezag werd uitgeoefend over beide echtgenoten. Het element is niet dienstig. De administratie rond de winkel wordt volledig verzorgd door W.V.D.. Ook dit is een praktische afspraak zonder enige relevantie in het kader van deze beoordeling. De verkoopsprijzen worden onderling afgesproken tussen M.B. en L.V.D.. Het feit dat de verkoopsprijzen niet eenzijdig worden opgelegd door de opdrachtgever, maar juist in onderling overleg worden afgesproken, is een krachtig element dat wijst op het zelfstandig karakter van de samenwerking. Het element werkt contraproductief. M.B. en zijn echtgenote ontvangen een vaste maandelijkse bezoldiging van 75.000 ex BEF per maand voor M.B. en 50.000 ex BEF voor M.V.H.. Dit bedrag staat niet in verhouding met het aantal aandelen. Het feit betaald te worden met een vaste vergoeding per maand kan een element zijn van werkgeversgezag. Het is immers illustratief voor de karaktertrek dat prestaties in ondergeschikt verband middelenverbintenissen zijn en geen resultaatsverbintenissen. Bij zelfstandige prestaties ligt de nadruk op het resultaat van de arbeid en de vergoeding zal gericht zijn op dit eindresultaat. In casu echter is het vast karakter van de vergoeding ingegeven door de zwakke financiële positie van de echtgenoten, die geen enkele financiële reserve hadden om in de zaak in te groeien en aldus het in de beginperiode met minder inkomsten te moeten doen. Daarom is dit element een bijzonder zwak bewijselement. M.B. en zijn echtgenote verwittigen W.V.D. wanneer ze vrijaf wensen te nemen. Er is dan geen vervanging voorzien. Dit deden ze louter uit beleefdheid. Ook in een zelfstandige samenwerking is het nodig zijn beschikbaarheid door te geven, kwestie van alles te kunnen plannen. Dit element bewijst absoluut niet dat de echtgenoten verplicht waren om hun vakantieregeling met appellante te bespreken en er goedkeuring over te verkrijgen om aldus de interne organisatie van appellante niet in gevaar te brengen. Ware dit zo, dan was dit wél een element van werkgeversgezag. Nu is het element niet dienstig. L.V.D. komt dagelijks naar de Atealaan 9 te Herenthout. M.B. ziet W.V.D. in het weekend als hij papieren moet afgeven of iets bespreken met de zaakvoerder. Uit de afgelegde verklaringen volgt niet dat deze contacten met de gebroeders V.D. momenten van controle waren op de concrete uitoefening van de prestaties van de echtgenoten. In Herenthout was ook het magazijn gevestigd waarin er opslag gebeurde ook voor de groothandelszaak, waarmee de gebroeders V.D. wél intensief bezig waren. Dit element is dan ook neutraal in het kader van deze beoordeling. Conclusie: Van de achttien elementen die de R.S.Z. aanreikt om het werkgeversgezag te bewijzen is slechts één element min of meer dienstig (het betalen met vaste vergoedingen). Van de overige zeventien elementen is er één neutraal, zes zijn niet dienstig, vijf zijn er niet bewezen en vier werken zelfs contraproductief en wijzen eerder op het bestaan van een zelfstandige samenwerking. Eén element is én niet bewezen én contraproductief. Het is duidelijk dat er geen voldoende elementen bewezen zijn, die de kwalificatie, die de betrokken partijen aan hun samenwerking gaven, kunnen uitsluiten. Wel integendeel, de R.S.Z. reikt meer elementen aan die het zelfstandig karakter van de samenwerking ondersteunen dan elementen die dit karakter uitsluiten. Terecht haalt appellante daarnaast nog een aantal andere elementen aan die het zelfstandige statuut ondersteunen. Het hoger beroep van appellante is dan ook gegrond. Argument van de redelijke termijn. In haar beroepsconclusies klaagt appellante de miskenning aan in casu van het beginsel van de redelijke termijn. Appellante verwijt de R.S.Z. dat zij veel teveel tijd liet overgaan tussen de controlebeurten enerzijds en anderzijds tussen de door hem gedane vaststellingen en de conclusies die hij hieruit trok. De R.S.Z. antwoordt daarop dat hij zeer grondig tewerk ging en dat dit het tijdsverloop verantwoordde. Bovendien, zo poneert hij, kan hij opereren binnen de verjaringstermijn van vijf jaar. Het Hof komt aan de beoordeling van dit punt niet toe, precies omdat de oorspronkelijke vordering van de R.S.Z. als ongegrond wordt afgewezen. Wel is het zo dat het Hof niet onder de indruk is van de zogezegde grondigheid van het onderzoek en het Hof moet appellante gelijk geven dat het samenstellen van een onderzoeksverslag louter op basis van drie verhoren een dergelijk tijdsverloop onmogelijk kan verantwoorden. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Gehoord de heer H. SLACHMUYLDERS, Substituut-generaal, in zijn gelijkluidend mondelinge advies, gegeven ter openbare terechtzitting van 22 oktober 2004, waarover partijen verklaarden geen opmerkingen te hebben. Recht doende op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond. Vernietigt het vonnis van de Arbeidsrechtbank te Mechelen van 3 september 2003, behalve wat de samenvoeging betreft. Opnieuw wijzende, verklaart de oorspronkelijke vorderingen van de R.S.Z. ontvankelijk maar ongegrond en wijst de R.S.Z. er van af. Legt de kosten van beide instanties, overeenkomstig artikel 1017, eerste lid van het Gerechtelijk Wetboek, ten laste van de R.S.Z. Vereffent de kosten aan de zijde van de R.S.Z. op 103,42 EUR dagvaarding, 92,42 EUR dagvaarding, 200,79 EUR rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg en 279,62 EUR rechtsplegingsvergoeding beroep en aan de zijde van de B.V.B.A. P. op 200,79 EUR rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg, 57,01 EUR uitgavenvergoeding en 279,62 EUR rechtsplegingsvergoeding beroep. Aldus gewezen en uitgesproken door de vierde kamer van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, op de openbare terechtzitting van zesentwintig november tweeduizend en vier, waar aanwezig waren: PDF document ECLI:BE:AHANT:2004:ARR.20041126.3 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021223.15 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040503.23 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.