id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 03 december 2004 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2004:ARR.20041203.3 Rolnummer: 2003-0540 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2005-11-29 Raadplegingen: 279 - laatst gezien 2026-07-04 14:30 Fiches 1 - 3 Het bewijs van de elementen die in de concrete uitvoering van de samenwerking wijzen op het bestaan van een arbeidsovereenkomst moet worden geleverd door de instelling die is belast met de inning van de bijdragen. Deze elementen moeten krachtig genoeg zijn om de kwalificatie door de betrokken partijen gegeven, uit te sluiten. Het aanwenden van formules is niet relevant. De rechter moet immers op het werkveld niet meer alle concrete elementen verzamelen en deze dan uitsorteren deels naar een zelfstandig statuut, deels naar een werknemersstatuut toe en dan uitmaken welk statuut het sterkst wordt ondersteund, maar hij moet vertrekken van de kwalificatie die de partijen aan hun samenwerking hebben gegeven, oordelen hoe sterk deze kwalificatie is en in functie daarvan uitmaken of de RSZ op het werkveld elementen kan aantreffen die deze kwalificatie uitsluiten. Vrije woorden: DE ARBEIDSOVEREENKOMSTEN . ALGEMENE REGELING VAN DE ARBEIDSOVEREENKOMSTEN bepaling arbeidsovereenkomsten werklieden en bedienden - schijnzelfstandigheid - kwalificatie van partijen - bewijs. Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 2 Nota: Gerangschikt onder II AAN - artikel 2, 3 en onder VII A - artikel 1, ,§
- Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 3 Nota: Gerangschikt onder II AAN - artikel 2 en 3 en onder VII A - artikel 1, ,§
- Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID VOOR WERKNEMERS . ALGEMENE REGELING toepassingsgebied - personen - schijnzelfstandigheid - kwalificatie van partijen - bestaan van een arbeidsovereenkomst - bewijs. Wettelijke bepalingen: Wet - 27-06-1969 - 1,§1 Nota: Gerangschikt onder II AAN - artikel 2, 3 en onder VII A - artikel 1, ,§
- Annotaties Publicaties: SOCIAALRECHTELIJKE KRONIEKEN - - 2005(00002,P.108-113) Tekst van de beslissing ARREST A.R. Nr. 2030540 OPENBARE TERECHTZITTING VAN DRIE DECEMBER TWEEDUIZEND EN VIER In de zaak: B.V.B.A. S.F., met zetel gevestigd te X, appellante, de heer C.f. verschijnt in persoon bijgestaan door mr. G. LAMBRECHTS, advocaat te 2000 ANTWERPEN, tegen : RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, met zetel gevestigd te 1060 BRUSSEL, Victor Hortaplein 11, geïntimeerde, voor wie verschijnt: mr. L. AERTS, advocaat te 2960 BRECHT. Na over de zaak te hebben beraadslaagd, wijst het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, het hiernavolgende arrest. Gelet op de zittingsbladen van 1 oktober 2003, en van 5 november 2004; Gelet op de stukken van de rechtspleging, waaronder: x het voor eensluidend verklaarde afschrift van het vonnis van 16 juni 2003, op tegenspraak gewezen door de Arbeidsrechtbank te Antwerpen; x het verzoekschrift in hoger beroep, neergelegd ter griffie van dit Hof op 3 september 2003 en ter kennis gebracht overeenkomstig artikel 1056 van het Gerechtelijk Wetboek op 4 september 2003; x de conclusies voor geïntimeerde, ontvangen ter griffie van het Hof op 2 maart 2004; x het verzoekschrift in toepassing van artikel 747, ,§2 van het Ger.W. van de R.S.Z. ontvangen ter griffie van dit Hof op 10 mei 2004; x de beschikking van mevrouw B. HOMANS, Eerste Voorzitter, in toepassing van artikel 747, ,§2 van het Ger.W. van 3 juni 2004; x de conclusies voor appellante, neergelegd ter griffie van het Hof op 10 augustus
- Gelet op de stukken van het administratief dossier. Gelet op de stukken in het naar behoren geïnventariseerde dossier van partijen. Gehoord de partijen in de voordracht van hun conclusies en verweermiddelen tijdens de openbare terechtzitting van 5 november
- Gehoord het mondelinge advies van het Openbaar Ministerie op de openbare terechtzitting van 5 november
- De ontvankelijkheid. Het hoger beroep is naar termijn en vorm regelmatig ingesteld en de ontvankelijkheid ervan wordt niet betwist. Het hoger beroep is dan ook ontvankelijk. Feiten en Voorgaanden. De B.V.B.A. F.s. is gespecialiseerd in het plaatsen van plafonds in cinemazalen, voornamelijk van de Kinepolisgroep. Zij werkt uitsluitend met zelfstandige medewerkers. De Sociale Inspectie ondervroeg de zaakvoerder en de medewerkers over de aard van de tewerkstelling en maakt van haar bevindingen een verslag op, dat gedateerd is op 24 september
- Louter op grond van de afgelegde verklaringen, komt de R.S.Z. tot de bevinding dat de prestaties van 6 medewerkers dienen onderworpen te worden aan het stelsel der sociale zekerheid voor werknemers. De volgende elementen zouden wijzen op het bestaan van werkgeversgezag: x de medewerkers stellen enkel hun arbeidskracht ter beschikking - zij zoeken geen klanten - zij krijgen uitsluitend opdrachten van de B.V.B.A.; x het loon wordt eenzijdig bepaald (forfaitair per m²) geen deelname in winst of verlies - medewerkers begrijpen de facturatie niet; x de medewerkers mogen zelf niet in hun vervanging voorzien; x buiten wat klein gereedschap wordt alles ter beschikking gesteld door de B.V.B.A.; x de onkosten voor hotel, drank en voedsel worden integraal door de B.V.B.A. voldaan; x de arbeid van de medewerkers wordt gecontroleerd; x de medewerkers moeten zich schikken naar de begin- en einddatum van de werf. Op 21 december 1998 werd aan de B.V.B.A. meegedeeld dat er ambtshalve aangifte van de prestaties zal gebeuren door de R.S.Z. In ieder geval verklaarde de zaakvoerder van de B.V.B.A. op 16 september 1998 dat hij niet akkoord ging om de prestaties van zijn medewerkers onder te brengen onder het werknemersstatuut. Op 20 januari 1999 volgde er een dagvaarding door de R.S.Z. voor een bedrag van 2.402.262 ex BEF- vierde kwartaal
- Op 24 maart 1999 volgde een tweede dagvaarding voor een bedrag van 12.419.046 ex BEF over 1994 - het tweede, derde en vierde kwartaal 1996 en het eerste, derde en vierde kwartaal
- Het bestreden vonnis. De eerste rechter voegde bij vonnis van 16 juni 2003 de zaken samen en kende de vordering van de R.S.Z. toe. Hij nam aan dat het bestaan van de arbeidsovereenkomst genoegzaam is aangetoond o.a. met toepassing van de Unizo-formule. Dit vonnis werd betekend op 25 augustus
- Eisen in hoger beroep. De B.V.B.A. S.f. tekende beroep aan tegen dit vonnis a quo bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van dit Hof op 3 september
- Zij verzoekt het hoger beroep toelaatbaar en gegrond te verklaren, de vorderingen van de R.S.Z. als ongegrond af te wijzen en de R.S.Z. te veroordelen tot de kosten. Grieven: - de eerste rechter hield geen rekening met het feit dat medewerkers allemaal een eigen zaak hadden en maar sporadisch voor de B.V.B.A. werkten; - zij hadden een eigen werkplaats, waren ingeschreven in het handelsregister, hadden een B.T.W.-nummer, ze zijn aangesloten bij een sociale kas voor zelfstandigen en ze zijn zelf geregistreerd als aannemer; - partijen kwalificeerden zelf hun overeenkomst als aannemingsovereenkomst; - de eerste rechter nam feiten aan die niet bewezen zijn; - de eerste rechter miskende het bewijsrecht: welke elementen wijzen op gezag? - de eerste rechter paste Unizo-formule foutief toe. Bij conclusies, ontvangen ter griffie van dit Hof op 2 maart 2004, vordert de R.S.Z. het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren, het vonnis a quo te bevestigen en de B.V.B.A. te veroordelen tot de kosten. In Rechte. Een probleem van schijnzelfstandigheid, zoals het zich ook in deze zaak stelt, moet worden benaderd vanuit het volgende principe: "Wanneer uit de uitvoering van de overeenkomst blijkt dat partijen hun samenwerking op een zelfstandige basis hebben georganiseerd dan kan de rechter daar geen andere kwalificatie voor in de plaats stellen, wanneer de elementen die aan zijn beoordeling worden voorgelegd de door de partijen aangenomen kwalificatie niet uitsluiten". Dit principe wordt ook vooropgesteld door het Hof van Cassatie in zijn arresten o.a. van 23 december 2002, van 28 april 2003 en van 3 mei 2004: (Cass., 23 december 2002 - rolnummer S.01.0169.F ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021223.15 - raadpleging via internet: www.cass.be > NL > Hof van Cassatie > arresten van het Hof > datum ingeven > lijst > nr. JC02CN6_1) (Cass., 28 april 2003 - rolnummer S.010.169.F - raadpleging via internet : www.cass.be > NL > Hof van Cassatie > arresten van het Hof > datum ingeven > lijst > nr. JC034S1_1) en Cass., 3 mei 2004 - rolnummer S.03.0108.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040503.23/1 - raadpleging via internet : www.cass.be > NL > Hof van Cassatie > arresten van het Hof > datum ingeven > lijst > nr. RC04534_1) Voor het Hof houdt deze recente cassatierechtspraak in dat er niet langer in het feitenmateriaal moet worden gezocht naar de bouwstenen die hetzij een zelfstandig statuut samenstellen, hetzij een werknemersstatuut. Men dient te vertrekken van de kwalificatie die de betrokken partijen aan hun samenwerking hebben gegeven en er dient te worden onderzocht of de feitelijke realiteit dit statuut niet tegenspreekt. Het Hof kan zich bij deze aanpak aansluiten omdat op die manier de vrijheid tot het sluiten van een overeenkomst, een belangrijk principe uit het verbintenissenrecht, wordt verzoend met het dwingend karakter van het arbeidsrecht. x x x Het eerste wat moet worden onderzocht is of uit de uitvoering van de overeenkomst blijkt dat appellante en haar zes medewerkers hun samenwerking op zelfstandige basis hebben georganiseerd. Eerste vraag hierbij: wat zijn deze partijen overeengekomen? Er is geen schriftelijke overeenkomst opgemaakt tussen de betrokken partijen, waaruit zwart op wit de kwalificatie, die zij aan hun samenwerking gaven, zou kunnen blijken. Nu dergelijk geschrift niet voorhanden is, moet deze kwalificatie uit andere elementen van het dossier worden afgeleid. Deze elementen moeten gezocht worden in de verklaringen die C.f., E.J, M. A, K.C., C.D.F, L.P. en S.F. aan de Sociale Inspectie hebben afgelegd. Immers de R.S.Z. hanteert enkel deze verklaringen als bewijs. Uit de verklaring van C.f. van 17 maart 1998 volgt dat de volgende elementen voor hem het karakter van zelfstandige samenwerking ondersteunen: x nadat hij vijf jaar alleen had gewerkt, is hij grotere werken gaan aannemen en heeft hij een beroep gedaan op zelfstandigen, x met zelfstandigen ligt de productie viermaal hoger dan met werknemers, x omdat de opdrachten niet op regelmatige basis binnenkomen, is het aangewezen om met zelfstandigen te werken. Zo kunnen zij in de 'stille' periodes andere opdrachten uitvoeren, x de verplaatsingen naar de werven worden tussen de medewerkers onderling geregeld zonder zijn tussenkomst, x de werkuren worden door de medewerkers zelf bepaald, x als de medewerkers ziek zijn, worden ze niet betaald. Deze elementen maken duidelijk dat voor de zaakvoerder van appellante de samenwerking op zelfstandige basis was geschoeid. Uit de verklaring van E.J. van 2 juli 1997 komen de volgende elementen naar voren die aantonen dat ook voor hem de samenwerking gebeurde op zelfstandige basis: x hij bood zichzelf als zelfstandige aan om te werken bij appellante, x de werkuren worden onderling afgesproken zonder tussenkomst van appellante, x als hij niet kan komen, wordt die afwezigheid in onderling overleg in de planning ingeplant, x hij heeft zichzelf aangesloten bij een sociale verzekeringskas voor zelfstandigen, x hij doet het werk uit vrije wil. Wat M. A. betreft, verwijzen de volgende elementen in zijn verklaring van 22 juli 1997 naar zijn voorkeur om onder een zelfstandig statuut te werken: x omdat er niet elke dag van het jaar werk is, leek het logisch dat de samenwerking gebeurde op zelfstandige basis, x hij wilde enkel als zelfstandige samenwerken omdat hij reeds acht jaar zelfstandige was op het ogenblik dat de samenwerking begon, x hij startte onlangs een bedrijfje mee op waarin hij ook wat tijd wil steken, x hij ontvangt geen onkostenvergoeding voor zijn vervoer, x de werkuren worden onderling tussen de medewerkers afgesproken, x bij afwezigheid volstaat een verwittiging, x sinds S. erbij gekomen is, is het mogelijk om werk te weigeren. In de verklaring van K. C. van 11 december 1997 zijn de volgende elementen terug te vinden die wijzen op een overeenkomst tot samenwerking op zelfstandige basis: x hij is al zelfstandige gedurende 20 jaar, x hij doet maar af en toe een job voor appellante, x hij heeft al jobs geweigerd, x er wordt een prijs afgesproken, x er wordt met de andere medewerkers afgesproken hoe lang er wordt gewerkt, x het handgereedschap en de werkkledij zijn eigen, x er is geen toezicht, x er worden geen prestatiebladen opgesteld, x er is geen toelating nodig om vrijaf te nemen. Dat wordt onderling geregeld. Appellante weet het zelfs niet, x hij is daarnaast restaurateur van meubelen, x hij sloot al langer een ziekte- en ongevallenverzekering af, niet speciaal voor de samenwerking met appellante. In de verklaring van S. D. F. van 25 augustus 1997 ondersteunen de volgende elementen een samenwerking op zelfstandige basis: x hij is reeds zelfstandige sinds 1987, x hij is een geregistreerd aannemer, x hij heeft buiten appellante nog de helft andere eigen klanten, x hij verhuurde soms materiaal aan appellante, x een prijs per m² werd met appellante overeengekomen, x verplaatsingen worden gemaakt met het eigen voertuig, x indien geen akkoord over de prijs, zoekt hij een andere klant, x als het werk niet goed is, wordt het hersteld voor dezelfde prijs, x hij beslist zelf wanneer hij op vakantie gaat, x hij bepaalt zelf het werkritme. In de verklaring van L. P. van 11 mei 1998, verwijzen de volgende elementen naar het zelfstandige karakter van de samenwerking: x hij richtte zelf in 1995 een eenmanszaak op, x hij is geregistreerd als aannemer, x hij werkt voor diverse opdrachtgevers, x hij beschouwt de samenwerking met appellante als een onderaanneming, x hij gebruikt eigen handgereedschap, x hoe meer er gewerkt wordt hoe meer er verdiend wordt, x er werden geen werkuren opgelegd, x de werken voor appellante bedragen slechts één vierde van zijn omzet. In de verklaring van S. F. van 2 juni 1998 tenslotte wijzen de volgende elementen op zelfstandige samenwerking: x hoe vlugger het werk klaar is hoe beter: er wordt immers per m² betaald, x hij voert ook werken uit voor de firma P. als zelfstandige, x de werkuren werden in overleg bepaald: deze stonden in functie van de deadline van de opdrachtgever, x het is mogelijk vrijaf te nemen naar keuze mits verwittiging, x de verplaatsingskosten werden niet terugbetaald, x er is geen controle. Uit elk van de betrokken verklaringen blijkt overduidelijk dat er niet alleen werd overeengekomen om de samenwerking op zelfstandige basis te schoeien maar ook dat deze samenwerking in de dagelijkse praktijk op zelfstandige basis verliep. De betrokken partijen pasten het zelfstandige statuut consequent toe. Het Hof oordeelt dat de betrokken partijen zonder twijfel hun samenwerking hebben gekwalificeerd als een samenwerking op zelfstandige basis. De wil tot samenwerking op een zelfstandige basis was tussen deze partijen intens aanwezig. Deze intensiteit speelt zijn rol bij de inschatting van de sterkte waarmee de betrokken partijen hun samenwerking hebben gekwalificeerd. Het kennen van deze sterkte is dan weer van belang bij de beoordeling over de weerstand die deze kwalificatie kan bieden tegen de elementen die haar aantasten. x x x De R.S.Z. meent nu dat dit zelfstandige statuut in de dagelijkse realiteit van de samenwerking niet overeind kan blijven en hij is van oordeel dat er voor de zes medewerkers sprake is van prestaties als werknemer. In het licht van het hogerop geformuleerde uitgangspunt moet er worden onderzocht welke concrete elementen in de dagelijkse realiteit van deze samenwerking dit statuut van zelfstandige aan het wankelen brengen. Deze elementen moeten eerst en vooral worden aangereikt én bewezen door de R.S.Z. op wie de bewijslast rust. Bovendien, enkel wanneer deze elementen bouwstenen zijn van een arbeidsovereenkomst en ze gewichtig genoeg zijn, kunnen ze het overeengekomen zelfstandige statuut opzij duwen. Ze moeten, zoals gezegd, terug te vinden zijn in de concrete en dagelijkse werkomstandigheden op het werkveld zelf. Immers artikel 1, ,§1 van de Wet van 27 juni 1969 tot herziening van de Besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders bepaalt: "Deze wet vindt toepassing op de werknemers en werkgevers die door een arbeidsovereenkomst zijn verbonden. Voor de definitie van het begrip 'arbeidsovereenkomst', gebruikt in artikel 1, ,§1 van de Wet van 27 juni 1969 dient verwezen te worden naar de artikelen 2 en 3 van de Wet van 3 juli 1978 (Wet op de Arbeidsovereenkomsten), waar dit begrip omschreven wordt als 'de overeenkomst waarbij een werknemer zich verbindt tegen loon, onder het gezag van een werkgever handarbeid of hoofdarbeid te verrichten.' De constitutieve elementen van een arbeidsovereenkomst zijn inderdaad het loon, het ondergeschikt verband en de arbeid. Het zijn deze drie constitutieve elementen die noodzakelijk samen aanwezig moeten zijn in de relatie tussen de vermoedelijke werkgever en de werknemer. Meestal kunnen de elementen 'arbeid' en 'loon' gemakkelijk worden aangetroffen in de samenwerking tussen de betrokken partijen en draait de hele betwisting rond het element 'gezag van de werkgever'. Uit de verklaringen van de zes werknemers volgt dat zij voor appellante plafonds plaatsten. Het element 'arbeid' is aldus aanwezig in de samenwerking. K. C., S. D. F. en L.P. verklaarden dat zij niet fulltime voor appellante werkten. Een zekere regelmaat is echter vereist. Er zijn geen gegevens in het dossier bijgebracht die een zicht geven op deze regelmaat. Het Hof neemt echter aan, zich steunende op de afgelegde verklaringen, dat er voldoende regelmatig voor appellante werd gewerkt opdat er van een arbeidsovereenkomst sprake zou kunnen zijn. Wat het element loon betreft, getuigt iedereen dat hij betaald werd voor de prestaties die hij afleverde. Er werd blijkbaar een prijs per m² overeengekomen. Ook het element 'loon' is aanwezig. Blijft te onderzoeken of het derde element, namelijk het 'gezag' in deze samenwerking was terug te vinden. In de definitie van een arbeidsovereenkomst in de de artikelen 2 en 3 van de Wet van 3 juli 1978 WAO wordt met 'gezag' het juridisch gezag bedoeld en niet het economisch gezag of de economische afhankelijkheid. Wat het juridisch werkgeversgezag is, kan worden afgeleid uit de volgende, ietwat moeilijke maar correcte definitie van een arbeidsovereenkomst: "Het geviseerde maatschappelijk fenomeen dat door artikel 2 en 3 Arbeidsovereenkomstenwet geregeld wordt, betreft deze economische relaties waarbij een 'werknemer' in de 'onderneming van zijn werkgever' een taak op zich neemt en met daadwerkelijke arbeidskracht invult die vanuit organisatorisch standpunt intern georganiseerd wordt en een onmisbare schakel is binnen de aaneensluitende productieprocessen om samen het maatschappelijk doel van de onderneming te verwezenlijken en over welke taak de werkgever, vanuit zijn eigendomsrecht, beleidsrecht en binnen de grenzen van de contractueel verworven aanvaarding door de werknemer het recht heeft deze taakomschrijving concreet en normerend voor de werknemer in te vullen." Het juridisch gezag is dan precies deze mogelijkheid voor de werkgever om de arbeid van zijn werknemer aan te wenden ter realisatie van zijn economisch project en deze aanwending ook van de werknemer af te dwingen binnen de krijtlijnen van de wet en van het contract. x x x Welke zijn nu de elementen die de R.S.Z. in het kader van de op hem rustende bewijslast aanvoert om dit werkgeversgezag aan te tonen in de concrete uitvoering van de overeenkomst? De R.S.Z. haalt deze elementen uit de (uitvoerige) verklaringen, die zowel C.f. als E. J., M. A., K.C., S.D.F., L. P. en S. F. aan de Sociale Inspectie hebben afgelegd. Er werd geen onderzoek gedaan op het werkveld zelf. De elementen. De medewerkers stellen enkel hun arbeidskracht ter beschikking - zij zoeken geen klanten - zij krijgen uitsluitend opdrachten van de B.V.B.A. Het klopt niet dat de medewerkers enkel hun opdrachten krijgen van appellante. Elk van de medewerkers verklaarde aan de Sociaal Inspecteur dat hij naast het werk voor appellante nog andere opdrachten vervulde, hetzij in het kader van de eigen zelfstandige bezigheid, hetzij voor andere opdrachtgevers (zoals E.J.: instaan voor de beveiliging van de hostessen voor P. M. via N.V. Succes Time). Het klopt al evenmin dat zij geen andere klanten zoeken dan appellante. Het is duidelijk dat appellante niet altijd opdrachten heeft en er periodes zijn dat de medewerkers niet voor appellante konden werken (zie bijv. de verklaring van M. A.K: "Zo is er de eerste helft van 1997 geen werk geweest.") De medewerkers moeten zich dan met andere opdrachten bezighouden. Zij die een eigen zaak hebben (M.a. , K.c , S.d.f. en L.p.) werken dan wel degelijk voor eigen klanten en de twee anderen (E.j. en S.F.) gaan op zoek naar andere opdrachtgevers. Als zij dan wel voor appellante werkten, klopt het grotendeels dat zij enkel hun arbeid ter beschikking stelden van appellante. Toch verklaarde S.d.f. dat hij soms materiaal aan appellante verhuurde. Het louter ter beschikking stellen van zijn arbeid is niet typisch voor het werken in ondergeschikt verband. Het niet alleen zijn arbeid ter beschikking stellen van zijn arbeid is wél typisch voor een zelfstandige samenwerking. De opdracht van de R.S.Z. is echter niet om aan te tonen dat er geen zelfstandige samenwerking was tussen de betrokken partijen maar wel om positief en actief aan te tonen dat het element werkgeversgezag in deze samenwerking aanwezig was. Ook zelfstandige onderaannemers stellen soms louter hun arbeid ter beschikking van de hoofdaannemer. Dit element zegt niets over het beslag dat de werkgever wil leggen niet alleen op de arbeid van zijn werknemers maar ook op het tijdstip en de wijze waarop deze arbeid moet worden verricht. In casu is het trouwens frappant dat appellante precies geen interesse heeft voor het tijdstip en de wijze waarop haar medewerkers de arbeid uitvoerden. Immers er werden geen werkuren opgelegd. Het enige kader was de timing van de opdrachtgever. Hier moest men zich aan houden. Maar binnen deze timing konden de medewerkers zelf hun arbeidstijd regelen. Ook de wijze waarop de arbeid werd verricht interesseerde appellante niet, tenminste bij zoverre zij strikt oplegde welke werkwijze moest gevolgd worden omdat zij die werkwijze had bedacht als zijnde de beste om haar en enkel haar economisch project te realiseren. Dit is iets anders dan een aantal aanwijzingen over hoe de opdracht technisch moet worden aangepakt. Trouwens bij slechte uitvoering moet er worden herbegonnen voor dezelfde prijs. Het kunnen regelen van zijn eigen arbeidstijd en het moeten herbeginnen voor dezelfde prijs zijn heel krachtige elementen die verwijzen naar het zelfstandige karakter van de samenwerking. Het eerste door de R.S.Z. aangehaalde element is dus niet naar recht bewezen, minstens is het niet dienstig. Het loon wordt eenzijdig bepaald (forfaitair per m²) - geen deelname in winst of verlies - medewerkers begrijpen de facturatie niet. Het is zeker niet bewezen dat de beloning die de medewerkers ontvangen eenzijdig aan hen werd opgedrongen door appellante. Het valt op dat geen enkele van de medewerkers zich beklaagt over de hoogte van de vergoedingen die zij ontvangen. Zij zijn allemaal best tevreden met hun verdiensten en zij wijzen C.f. aan als een betrouwbare zaakvoerder. Daaruit kan worden afgeleid dat zij akkoord waren met de beloning die hen door appellante werd voorgesteld. Enkele verklaringen verwijzen zelfs expliciet naar deze overeenkomst qua prijs. K.c : "Vooraf wordt er een prijs afgesproken per geplaatste vierkante meter." S.d.f. : "Het kost ongeveer 275 fr. per m² voor het leggen van plafonds: dit bedrag ben ik overeengekomen met BVBA F." Met deze gegevens in de verklaringen staat het helemaal niet vast dat de vergoedingen eenzijdig werden bepaald. Voor het Hof is het duidelijk dat appellante terzake een voorstel deed dat werd aanvaard door de medewerkers zodat er een overeenkomst tot stand kwam. Er is geen sprake van eenzijdigheid. De manier waarop de vergoeding werd bepaald, namelijk een vaste prijs per m², is een prijsbepaling die typisch is voor een zelfstandige samenwerking. Ook hier weer is er in de concrete samenwerking tussen de betrokken partijen een krachtig element aanwezig dat verwijst naar het zelfstandige. Dat er geen deelname is in de winst of het verlies van appellante is geen element van werkgeversgezag. Ook bij een klassieke onderaanneming is er geen deelname van de onderaannemer in de winst of het verlies van de hoofdaannemer. Het is een economisch element dat geen uitstaans heeft met het juridisch begrip van werkgeversgezag. Het klopt dat de medewerkers niet allemaal even goed kop en staart konden krijgen aan de afrekening van appellante. Maar over één ding zijn ze het allemaal eens: ze werden behoorlijk betaald voor hun prestaties. Is het dan niet te begrijpen dat zij zich niet bekommerden over het detail van de afrekening? Het Hof ziet trouwens niet in hoe enig juridisch werkgeversgezag zou kunnen voortvloeien over de wijze van afrekenen waarbij de medewerkers geen vragen hebben en waarmee ze best akkoord gaan? Ook deze reeks elementen aangereikt door de R.S.Z. zijn ofwel niet bewezen ofwel niet dienstig. De medewerkers mogen zelf niet in hun vervanging voorzien. Nergens staat er in de verklaringen te lezen dat appellante een verbod had uitgevaardigd dat de medewerkers zich konden laten vervangen. Wat het Hof wél in de verklaringen, vooral van C.f., leest is de bekommernis om te weten wie er op de stellingen kruipt. Deze bekommernis is ingegeven door de specifieke aard van de opdracht: werken op grotere hoogte op een speciale stelling. Daar is gevaar mee gemoeid, niet alleen voor iemand die inspringt en met de aard van het werk niet vertrouwd is maar ook voor de anderen, die door het gebrek aan ervaring of de roekeloosheid van de inspringer, zelf gevaar kunnen lopen. Daarom wil de zaakvoerder weten wie op de stelling staat en wie niet. Terecht ook. Anderzijds is hij bekommerd over de goeie ploeggeest in de ploeg. In het kader van zijn interne organisatie is het juist belangrijk dat deze ploeg zelfstandig kan werken en dan weet hij dat de leden van deze ploeg best goed met elkaar overweg kunnen. Het Hof is van oordeel dat uit de afgelegde verklaringen volgt dat principieel er geen probleem was met het zich laten vervangen (het was er appellante immers alleen maar om te doen om de opdracht binnen het opgelegde tijdsbestek af te werken) maar dat omwille van de specifieke aard van de opdrachten de zaakvoerder toch wel wou weten wie er op de stelling ging staan. In deze bekommernis ziet het Hof geen element van werkgeversgezag. Buiten wat klein gereedschap wordt alles ter beschikking gesteld door de B.V.B.A. Ook hier veralgemeent de R.S.Z. al teveel. E.j. verklaarde dat hij werkt met eigen klein materiaal zoals een hamer en een plaatschaar. Ook staat hij in voor zijn eigen werkkledij (overall). M.a. verklaarde: " Het kleine gereedschap, een meter en een tang, is van mezelf, het grote gereedschap bv. Boormachines, laser, stellingen zijn van F zelf." K.c bevestigde dat het handgereedschap en de werkkledij van hemzelf zijn. De stellingen en de laser zijn van appellante. S.d.f. verklaarde dat alle materiaal van appellante komt. Het is evenwel niet duidelijk wat hij daarmee bedoelt. Betreft het hier de materialen in de zin van de plafondtegels, de profielen, de vijzen enz... of bedoelt hij ook dat het gereedschap en de werkkledij door appellante ter beschikking werden gesteld? L.p. bevestigt dat het handgereedschap en de kleine apparaten (zoals een vijsmachine) waarmee hij werkt, van hemzelf zijn. Enkel de stelling en de bouwmaterialen horen toe aan appellante. Tenslotte bevestigt ook S.f. dat het klein basismateriaal zoals schaar en meter van hemzelf zijn. Als deze verklaringen worden samengenomen dan is het duidelijk dat appellante enkel zorgde voor de bouwmaterialen en hun toebehoren, voor de grote stelling en voor de zwaardere machines. De aard van de activiteit brengt dit mee. Plafonds aanbrengen in cinémazalen is een gespecialiseerd werk. Dit vereist specifieke bouwmaterialen. Het zou totaal onlogisch zijn dat elke medewerker voor zijn aandeel in het geheel deze specifieke materialen zelf zou gaan leveren. Vanzelfsprekend zal de opdrachtgever, appellante in dit geval, instaan voor de levering van de bouwmaterialen. Hetzelfde geldt voor de stelling en de aangepaste apparatuur die nodig zijn om deze specifieke opdracht tot een goed einde te brengen. Vanzelfsprekend worden deze ter beschikking gesteld door appellante. De zaakvoerder geeft in zijn verklaring een idee van de kostprijs van deze stelling. Dat zegt meer dan genoeg. Het is ondenkbaar dat elke medewerker zich zo een stelling zou aanschaffen. Maar van zodra het gereedschap niet meer specifiek is (courant handgereedschap) dan wordt het niet meer ter beschikking gesteld door appellante. Deze werkwijze ondersteunt het zelfstandig karakter van de samenwerking. Ook het niet ter beschikking stellen van werkkledij wijst in diezelfde richting. Het element dat de R.S.Z. voorlegt, werkt in casu contraproductief. De onkosten voor hotel, drank en voedsel worden integraal door de B.V.B.A. voldaan. Dat dit zo is, daar laat niemand in zijn verklaringen twijfel over bestaan. Maar of dit element enig werkgeversgezag bewijst, is maar zeer de vraag. Het komt het Hof voor dat deze kosten, die ten laste blijven van de opdrachtgever, op een praktische wijze door hem ook werden betaald. Het pleit voor het goed beheer van appellante dat zij deze kosten niet op zich liet afkomen, veroorzaakt en aangerekend door elke medewerker individueel, maar dat zij probeerde deze kosten te beheersen. Ook hier weer is dit element neutraal bij de beoordeling van het werkgeversgezag want terugbetaling van de kosten 'eigen aan de opdrachtgever' is zowel gebruikelijk bij arbeidsovereenkomsten als bij (onder) aannemingen. Hier werkt het element niet contraproductief wat wel het geval zou geweest zijn indien deze kosten individueel zouden gedragen zijn geweest door de medewerkers en allicht ook zouden doorgerekend zijn aan appellante. In die hypothese immers zou er duidelijk sprake zijn van zelfstandige samenwerking. Maar het is niet omdat dit element niet contraproductief werkt, dat het meteen een bewijs is van werkgeversgezag. Zoals gezegd is het neutraal. De arbeid van de medewerkers wordt gecontroleerd. Dit element is absoluut niet bewezen. Als er al sprake is van een controle dan gaat het louter over een kwaliteitscontrole. Maar die is er in een zelfstandige samenwerking evengoed aanwezig. Wil controle een bewijs zijn van werkgeversgezag dan moet het gaan over een controle naar de wijze waarop de arbeid wordt gepresteerd: werkt de werknemer op de vastgestelde uren? Is er controle op zijn afwezigheid? Past hij het opgelegde procédé toe? Respecteert hij de tijdstippen van pauze? Enz... Een loutere kwaliteitscontrole van het afgeleverde werk verwijst eerder naar een zelfstandige samenwerking dan naar een arbeidsovereenkomst. De medewerkers moeten zich schikken naar de begin- en einddatum van de werf. Dat is de logica zelve. Het is een typerend element voor een zelfstandige samenwerking. In elk behoorlijk aannemingscontract wordt een timing afgesproken. Iedereen die opdrachten uitvoert zal zich aan deze timing moeten houden. Het element werkt contraproductief. Conclusie: Geen enkel element dat door de R.S.Z. wordt aangereikt bewijst het bestaan van werkgeversgezag in de samenwerking tussen appellante en haar medewerkers: E.j., M.a. , K.c , S.d.f. , L.p. en S. F. Sommige van de door de R.S.Z. aangereikte elementen, juist ingeschat op basis van de afgelegde verklaringen, ondersteunen zelfs krachtig het zelfstandige statuut. Het aanwenden van formules, zoals de UNIZO-formule en het afpunten van een aantal criteria die wijzen hetzij op zelfstandigheid, hetzij op werkgeversgezag, is in de huidige stand van de cassatierechtspraak niet relevant. De rechter moet immers op het werkveld niet meer alle concrete elementen verzamelen en deze dan uitsorteren deels naar een zelfstandig statuut, deels naar een werknemersstatuut toe en dan uitmaken welk statuut het sterkst wordt ondersteund, maar hij moet vertrekken van de kwalificatie die de partijen aan hun samenwerking hebben gegeven, oordelen hoe sterk deze kwalificatie is en in functie daarvan uitmaken of de R.S.Z. op het werkveld elementen kan aantreffen die deze kwalificatie uitsluiten. In casu is er sprake van een sterke kwalificatie als zelfstandige en zijn er door de R.S.Z. helemaal geen krachtige elementen aangereikt die wijzen op werkgeversgezag en die de aangenomen kwalificatie uitsluiten. Eindconclusie. De R.S.Z. slaagt er niet in om naar recht het bestaan van werkgeversgezag te bewijzen. Van het bestaan van een arbeidsovereenkomst kan eerst sprake zijn als cumulatief de componenten arbeid, loon en gezag aanwezig zijn. Terzake is het element gezag niet bewezen, zodat de samenwerking tussen appellante en haar medewerkers niet gekwalificeerd kan worden als een arbeidsovereenkomst. De oorspronkelijke vordering van de R.S.Z. is ongegrond. Het hoger beroep van appellante is gegrond. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Gehoord de heer J. DEKEERSMAEKER, Substituut-generaal, in zijn gelijkluidend mondelinge advies, gegeven ter openbare terechtzitting van 5 november 2004, waarover de raadsman van appellante verklaarde geen opmerkingen te hebben. De raadsman van geïntimeerde werd gehoord in zijn opmerkingen i.v.m. het advies. Recht doende op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond. Vernietigt het vonnis van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen van 16 juni
- Opnieuw wijzende verklaart de oorspronkelijke vorderingen van de R.S.Z., ingesteld bij dagvaardingen van 20 januari 1999 en 24 maart 1999 ontvankelijk doch ongegrond en wijst de R.S.Z. van deze vorderingen af. Legt de kosten van beide instanties, overeenkomstig artikel 1017, eerste lid van het Gerechtelijk Wetboek, ten laste van de R.S.Z. Vereffent de kosten aan de zijde van de B.V.B.A. op 196,33 EUR rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg en 279,62 EUR rechtsplegingsvergoeding beroep en aan de zijde van de R.S.Z. op 115, 34 EUR dagvaarding 20 januari 1999, 144,50 EUR dagvaarding 24 maart 1999, 196,33 EUR rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg, 6 EUR uitgifte, en 279,62 EUR rechtsplegingsvergoeding beroep. Aldus gewezen en uitgesproken door de vierde kamer van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, op de openbare terechtzitting van drie december tweeduizend en vier, waar aanwezig waren: PDF document ECLI:BE:AHANT:2004:ARR.20041203.3 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021223.15 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040503.23 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div