← België

ECLI:BE:AHANT:2004:ARR.20041213.1

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 13 december 2004 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2004:ARR.20041213.1 Rolnummer: 2004-0002 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2005-11-29 Raadplegingen: 118 - laatst gezien 2026-07-01 01:30 Fiches 1 - 3 De arbeidsgerechten zijn bevoegd om kennis te nemen van de geschillen tussen de vrije hogescholen en hun personeelsleden, daar hun rechtsverhouding in essentie contractueel van aard is. De werknemer in dienst van een vrije hogeschool heeft het door de artikels 17 en 18 van het Gerechtelijk Wetboek vereiste belang om een evaluatiebeslissing waarbij hij "onvoldoende" wordt geëvalueerd voor de rechter te bestrijden, nu dit een eerste aanzet kan zijn voor een mogelijk ontslag. De in het kader van het Hogescholendecreet genomen evaluatiebeslissing van een vrije hogeschool is te aanzien als een sociaalrechtelijke beslissing die van contactuele aard is, ook al wordt ze beheerst door een dwingende decretale regeling. De gewone rechter is onbevoegd om deze beslissing, die betrekking heeft op de wijze waarop het personeelslid zijn opdracht uitvoert, te beoordelen, in die zijn dat hij zich niet in de plaats mag stellen van de contracterende partijen. Vermits de omvang van de rechtsmacht van de rechter ontsnapt aan de wil van de partijen, kan de evaluatieregeling van een vrije hogeschool, die voorziet dat het personeelslid na de beslissing van het college van beroep het recht behoudt om een beroepsprocedure in te stellen bij de arbeidsrechtbank, geen rechtsmacht verschaffen aan de arbeidsrechtbank. Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP-RECHT-WETGEVING . GERECHTELIJK WETBOEK bevoegdheid arbeidsrechtbank - personeelslid vrije hogeschool - geschil inzake arbeidsovereenkomsten eis tot vernietiging evaluatiebeslissing - belang - ontvankelijkheid - sociaalrechtelijke beslissing contractuele aard - onmogelijkheid tot vernietiging of in de plaats treden van partijen - onbevoegdheid gewone rechter - evaluatiereglement - mogelijkheid tot instellen van beroep bij arbeidsrechtbank - rechtsmacht - omvang - wil van partijen zonder invloed. Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 17 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 578,1° - 03 ELI link Pub nr 1967101054 Vrije woorden: DE ARBEIDSOVEREENKOMSTEN . LEERLINGEN . ALGEMENE REGELING VAN DE ARBEIDSOVEREENKOMSTEN toepassingsgebied - bevoegdheid arbeidsrechtbank - personeelslid vrije hogeschool - geschil inzake arbeidsovereenkomsten - eis tot vernietiging evaluatiebeslissing - belang - ontvankelijkheid - sociaalrechtelijke beslissing - contractuele aard - onmogelijkheid tot vernietiging of in de plaats treden van partijen - onbevoegdheid gewone rechter - evaluatiereglement - mogelijkheid tot instellen van beroep bij arbeidsrechtbank - rechtsmacht - omvang - wil van partijen zonder invloed. Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 1,2delid - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Nota: Gerangschikt onder I A - artikel 17, onder I A - artikel 578, 1° en onder II AAN - artikel 1, 2de lid. Annotaties Publicaties: SOCIAALRECHTELIJKE KRONIEKEN - - 2005(00006,P.345-348) Tekst van de beslissing Eindarrest op tegenspraak Tweede kamer Arbeidsovereenkomst voor bedienden ARBEIDSHOF TE ANTWERPEN Afdeling Antwerpen ARREST A.R. 2040002 OPENBARE TERECHTZITTING VAN DERTIEN DECEMBER TWEEDUIZEND EN VIER V.Z.W. K.D.G., appellante vertegenwoordigd door mr. T. PEETERS, advocaat te Antwerpen, tegen : P. O., geïntimeerde vertegenwoordigd door mr. H. BUYSSENS, advocaat te Antwerpen. Het Hof, na de zaak in beraad te hebben genomen, spreekt in openbare terechtzitting en in de Nederlandse taal het volgend arrest uit. Gelet op de uiteenzetting van de middelen van partijen ter openbare zitting van 27 september

  1. Gelet op de processen-verbaal van de openbare terechtzitting van 2 februari 2004, 27 september 2004 en 25 oktober
  2. I. STUKKEN VAN DE RECHTSPLEGING Gelet op de stukken van de rechtspleging, in het bijzonder: x het eensluidend verklaard afschrift van het op 9 oktober 2003 op tegenspraak gewezen vonnis van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen, waarvan geen bewijs van betekening wordt bijgebracht; x het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van dit Hof op 2 januari 2004; x de conclusies van partijen, ontvangen ter griffie van dit Hof op 12 mei 2004 en 16 juli 2004 voor de heer O. en op 14 juni 2004 voor de V.Z.W. K. de G., hierna de V.Z.W. genoemd; x de beschikking d.d. 12 maart 2004 overeenkomstig artikel 747 ,§2 van het Gerechtelijk Wetboek; x het schriftelijk advies van het openbaar ministerie, neergelegd op de openbare terechtzitting van 25 oktober
  3. II. PROCEDURE IN EERSTE AANLEG Met exploot van 5 februari 2002 dagvaardde de heer O. de V.Z.W. voor de Arbeidsrechtbank te Antwerpen en vorderde te horen zeggen voor recht dat de evaluatiebeslissing, genomen op 29 augustus 2001 en betekend op 10 september 2001, alsook de beslissing van het College van Beroep van de V.Z.W. d.d. 5 november 2001, betekend op 8 november 2001, vernietigd worden en dat de evaluatie van de heer O. "voldoende" luidt. Bij conclusie ontvangen ter griffie van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen op 12 september 2002 stelde de V.Z.W. een tegeneis in strekkende tot betaling van een schadevergoeding wegens tergend en roekeloos geding, ex aequo et bono begroot op 1,00 EUR, te vermeerderen met de gerechtelijke intresten. Bij bestreden vonnis van 9 oktober 2003 verklaarden de eerste rechters de hoofd- en de tegenvordering ontvankelijk. De hoofdvordering werd gegrond verklaard in die mate dat de evaluatiebeslissing genomen op 29 augustus 2001 en betekend op 10 september 2001 vernietigd werd, alsook ten gevolge daarvan de beslissing van het College van Beroep van 5 november 2001, betekend op 8 november
  4. De eerste rechters hielden de vordering met betrekking tot een nieuwe evaluatie aan en, alvorens verder recht te spreken, stelden zij een deskundige aan met als opdracht een nieuwe evaluatie uit te voeren van het functioneren van de heer O. m.b.t. de periode voor 29 augustus 2001 door zich ter plaatse te begeven, kennis te nemen van alle nodige documenten en gesprekken te voeren met alle dienstige personen. Wat het tweede deel van de vordering betreft werd de zaak verwezen naar de bijzondere rol en de kosten werden aangehouden. III. EISEN IN HOGER BEROEP De vordering in hoger beroep van de V.Z.W. strekt ertoe het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren, dienvolgens te zeggen voor recht dat de arbeidsrechtbank en thans het arbeidshof onbevoegd zijn om kennis te nemen van het geschil, minstens de oorspronkelijke vordering bij gebrek aan belang onontvankelijk te verklaren; in ondergeschikte orde, de oorspronkelijke vordering volledig ongegrond te verklaren. Rechtsprekend op de tegenvordering, de heer O. te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding wegens tergend en roekeloos geding, ex aequo et bono te begroten op 1,00 EUR, te vermeerderen met de gerechtelijke intresten sedert de datum van neerlegging van de eerste conclusie van de V.Z.W. in eerste aanleg, hetzij 12 september 2002, en met de kosten van het geding. Bij syntheseconclusie van 16 juli 2004 vordert de heer O. het hoger beroep toelaatbaar doch ongegrond te verklaren, het bestreden vonnis te bevestigen en de V.Z.W. te veroordelen tot de kosten van de beroepsprocedure. IV. ONTVANKELIJKHEID Het hoger beroep werd tijdig en met een naar de vorm regelmatige akte ingesteld, zodat het ontvankelijk is. V. TEN GRONDE
  5. De feiten Sedert het academiejaar 1966-67 was de heer O. als lesgever verbonden aan het Hoger Instituut S.-M. te Antwerpen. Ingevolge de overname van de onderwijsinstelling door de V.Z.W. werd de heer O. haar werknemer. Al vlug ontstonden tussen partijen twee problemen die hebben geleid tot een conflictsituatie. Een eerste probleem bestond erin dat door het Hogescholendecreet het ambt van leraar artistieke vakken zoals dit voorheen bestond vervangen werd door twee ambten, namelijk enerzijds dat van docent en, anderzijds, dat van assistent. Om docent te zijn diende men te beschikken over een ruime artistieke faam. Het bestuur van de V.Z.W. schaalde de heer O. in als "assistent met artistiek gebonden onderwijsactiviteiten". Die beslissing werd door de heer O. met succes voor de Raad van State bestreden, vermits die deze beslissing vernietigde in een arrest van 22 februari
  6. Vervolgens werd de regelgeving bij decreet gewijzigd en werd de heer O. opnieuw als assistent ingeschaald. Het tweede probleem had betrekking op het lessenrooster van de heer O., dat uiteindelijk aanleiding gaf tot het instellen van een tuchtprocedure tegen hem. Door het College van Beroep werd bij beslissing van 27 juni 1999 de eerder door de V.Z.W. opgelegde tuchtsanctie vernietigd. Op 29 augustus 2001 werd de heer O. in het kader van een evaluatieprocedure als "onvoldoende" geëvalueerd. Omdat hij op zeer gespannen voet leefde met het hoofd van het departement audiovisuele en beeldende kunsten, de heer D. B., wilde de heer O. door deze persoon niet geëvalueerd worden, wat hij met aangetekende brief van 10 augustus 2001 had laten weten. Niettemin gebeurde de evaluatie door het departementshoofd D. B. Tegen die evaluatie stelde de heer O. verhaal in bij het College van Beroep, dat bij beslissing van 5 november 2001, betekend op 8 november 2001, de evaluatie "onvoldoende" bevestigde. Op grond van artikel 77 ,§ 2 van het Hogescholendecreet en artikel 7 van het evaluatiereglement moet, ingeval van een evaluatie "onvoldoende" na een jaar opnieuw een evaluatie volgen. Zo geschiedde en op 16 januari 2003 werd de heer O. opnieuw als "onvoldoende" geëvalueerd. Hiertegen heeft de heer O. verhaal ingesteld bij het College van Hoger Beroep dat bij beslissing van 1 april 2003 de evaluatie "onvoldoende" bevestigde. Op grond van artikel 93, ,§ 2, 2° van het Hogescholendecreet en artikel 10 van het evaluatiereglement geven twee opeenvolgende evaluaties "onvoldoende" aanleiding tot een definitieve neerlegging van het ambt. De V.Z.W. betekende de neerlegging van het ambt door middel van een opzeggingsbrief van 27 mei 2003, waarbij een opzeggingstermijn van 24 maanden werd in acht genomen. Met dagvaarding van 24 februari 2004 vocht de heer O. de tweede evaluatiebeslissing aan bij de Arbeidsrechtbank te Antwerpen. Nadat de heer O. op 5 februari 2002 dagvaarding had uitgebracht, beslisten de eerste rechters op 9 oktober 2003 hetgeen is weergegeven onder punt II van dit arrest. Tegen dit vonnis stelde de V.Z.W. op 2 januari 2004 hoger beroep in.
  7. De beoordeling 2.
  8. de bevoegdheid van de arbeidsgerechten Krachtens artikel 578, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek neemt de arbeidsrechtbank kennis van geschillen inzake arbeidsovereenkomsten. In deze rijst de vraag of het geschil tussen partijen er een is "inzake arbeidsovereenkomsten". Het Hof oordeelt ter zake als volgt. Tussen partijen wordt niet betwist dat, zoals te dezen, een arbeidsovereenkomst werd gesloten tussen enerzijds een privaatrechtelijke instelling, met name de V.Z.W. en, anderzijds, de heer O.. Hieruit volgt dat in beginsel de arbeidsgerechten bevoegd zijn om kennis te nemen van de geschillen in verband met die arbeidsovereenkomst. (Cass. 18 december 1997, R.W. 1998-1999, 86, noot W. Rauws) Weliswaar wordt de rechtspositie van de personeelsleden van de V.Z.W. in ruime mate bepaald door het Hogescholendecreet, nu die personeelsleden onder een "statuut" zijn geplaatst waarvan partijen niet naar eigen goeddunken kunnen afwijken. Die beperking van de contractuele vrijheid van partijen houdt evenwel niet in dat hun rechtsverhouding haar privaatrechtelijke en contractuele aard verliest, nu die rechtsverhouding is ontstaan uit een arbeidsovereenkomst tussen een privaatrechtelijke instelling en haar werknemers. Evenmin heeft zulks tot gevolg dat partijen ingevolge artikel 1, tweede lid, van de Arbeidsovereenkomstenwet onttrokken zouden worden aan het toepassingsgebied van die wet. Daaruit volgt dat enkel de arbeidsgerechten en niet de Raad van State kennis kunnen nemen van geschillen inzake de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst. Het openbaar ministerie houdt in zijn advies dan ook terecht voor dat het thans een uitgemaakte zaak is dat de arbeidsgerechten bevoegd zijn om kennis te nemen van de geschillen tussen de personeelsleden van de vrije hogescholen en de hogescholen zelf, daar hun rechtsverhouding in essentie contractueel van aard is. (Cass. 6 september 2002, R.W. 2002-2003, 817, met concl. adv.-gen. Bresseleers; Cass. 6 september 2002, R.W. 2002-2003, 819, met concl. adv.-gen. Bresseleers, noot; R.v.St. 6 februari 2001, nr. 93.104, R.W. 2000-2001, 1385; R.v.St. 7 februari 2002, nr. 106.414, www.rvst-consetat.be; VERSTEGEN, R., Wanneer treden privaatrechtelijke (onderwijs)instellingen op als administratieve overheid?, R.W. 2002-2003, 801, nrs. 12-16) Nu het geschil tussen partijen een geschil betreft inzake hun arbeidsovereenkomst, zijn de arbeidsgerechten bevoegd om daarvan kennis te nemen. 2.
  9. ontvankelijkheid - belang Krachtens artikel 17 van het Gerechtelijk Wetboek kan de rechtsvordering niet worden toegelaten indien de eiser geen hoedanigheid en geen belang heeft om deze in te dienen. Krachtens artikel 18 van dit wetboek moet het belang een reeds verkregen en dadelijk belang zijn. De vraag of een recht al dan niet ernstig wordt bedreigd, is een vraag naar feiten die door de feitenrechter op een in cassatie onaantastbare wijze wordt beoordeeld. (Cass. 3 december 1984, Arr. Cass. 1984-85, 464; R.W. 1985-86, 1099) Op grond van artikel 93, ,§ 2, 2° van het Hogescholendecreet en artikel 10 van het evaluatiereglement geven twee opeenvolgende evaluaties "onvoldoende" aanleiding tot een definitieve neerlegging van het ambt. Het Hof is van oordeel dat het enkele feit dat de heer O. een eerste evaluatie "onvoldoende" heeft bekomen volstaat om te kunnen gewagen van een belang bij het bestrijden van die beslissing, zelfs wanneer het ongedaan maken ervan hem niet noodzakelijk de evaluatie "voldoende" zou kunnen opleveren. De eerste evaluatie "onvoldoende" is immers de aanzet voor een mogelijk ontslag dat, hoewel dit geen voorwerp uitmaakt van huidige discussie, zich in casu ook daadwerkelijk heeft gerealiseerd en de verdere tewerkstelling bedreigt. De heer O. heeft dus wel degelijk een belang bij het instellen van de rechtsvordering, zodat deze ontvankelijk is. 2.
  10. de eis tot vernietiging van de evaluatiebeslissingen De heer O. vordert in hoofdorde dat de evaluatie "onvoldoende" zou worden vernietigd en dat hem de evaluatie "voldoende" zou worden toegekend. Hij vraagt met andere woorden dat de rechter, na vernietiging van de evaluatiebeslissingen, in de plaats zou treden van de evaluatoren en het college van beroep en - bij substitutie - een nieuwe evaluatie zou maken. In ondergeschikte orde vordert hij dat minstens de evaluatie "onvoldoende" zou worden vernietigd. Het Hof oordeelt ter zake als volgt. Zoals hiervoor reeds werd geoordeeld is de relatie tussen partijen van zuiver contractuele aard, zij het dat de rechtspositie van de personeelsleden van de V.Z.W. in ruime mate bepaald wordt door het Hogescholendecreet, nu die personeelsleden onder een "statuut" zijn geplaatst waarvan partijen niet naar eigen goeddunken kunnen afwijken. Die beperking van de contractuele vrijheid van partijen houdt evenwel niet in dat hun rechtsverhouding haar privaatrechtelijke en contractuele aard verliest. Vrije onderwijsinstellingen, zoals in casu de V.Z.W., kunnen in personeelsaangelegenheden niet aangezien worden als administratieve overheden, wat meteen betekent dat zij in het uitvoeren van de beslissingen betreffende personeelsaangelegenheden geen administratieve beslissingen nemen die vatbaar zouden zijn voor vernietiging. Sociaalrechtelijke beslissingen van de vrije onderwijsinstellingen, van welke aard ook, blijven van contractuele aard, ook al worden ze beheerst door een dwingende decretale regeling. (VERSTEGEN, R., Wanneer treden privaatrechtelijke (onderwijs)instellingen op als administratieve overheid?, R.W. 2002-2003, 801, nr. 16) Naar het oordeel van het Hof zijn ook de beslissingen van de hogeschool of het college van beroep, genomen in uitvoering van het evaluatiereglement (dat op zijn beurt werd opgemaakt op grond van artikel 77 ,§ 1 van het Hogescholendecreet), te aanzien als sociaalrechtelijke beslissingen. Bij het nemen van evaluatiebeslissingen doen de hogeschool en het college van beroep immers, zij het onrechtstreeks, uitspraak over rechten en plichten van de personeelsleden die voortvloeien uit de overeenkomst tussen partijen. Volgens het evaluatiereglement van de V.Z.W. heeft de evaluatie betrekking op de uitvoering van de toegewezen opdracht, met andere woorden wordt de wijze waarop het personeelslid zijn opdracht (zijnde zijn meest essentiële verplichting voortvloeiend uit de overeenkomst) uitvoert beoordeeld. Bovendien kan een evaluatie "onvoldoende" een medebepalende factor zijn bij een mogelijk ontslag van de betrokken werknemer. Het Hof is van oordeel dat het evalueren van de wijze waarop een personeelslid in een vrije onderwijsinstelling zijn opdracht uitvoert niet tot de bevoegdheid van de gewone rechter behoort, in die zin dat deze zich dus niet in de plaats kan stellen van een van de contracterende partijen. Evenmin kan hij, bij gebreke van enige wettelijke bepaling ter zake, een evaluatiebeslissing van de hogeschool of het college van beroep ongedaan maken. Het feit dat volgens artikel 15 van het evaluatiereglement het personeelslid steeds het recht behoudt om een beroepsprocedure in te stellen bij de arbeidsrechtbank, kan daaraan uiteraard geen afbreuk doen. Het spreekt voor zich dat privaatrechtelijke personen zoals de V.Z.W. zich niet in de plaats van de wetgever of decreetgever kunnen stellen, zelfs niet wanneer de decreetgever hen de bevoegdheid heeft gegeven om een evaluatieregeling op te maken. De omvang van de rechtsmacht van de rechter ontsnapt aan de wil van de partijen. Dit alles neemt echter niet weg dat enige controle op de evaluatieprocedure geheel aan het toezicht van de rechter zou onttrokken zijn. Het miskennen van decretale voorschriften en gebrek aan zorgvuldigheid of willekeur bij de uitvoering van een evaluatie, zouden immers kunnen aangezien worden als een fout die aanleiding kan geven tot de verplichting tot het betalen van schadevergoeding. Dit is in casu evenwel niet het voorwerp van de vordering van de heer O. en het Hof kan dit voorwerp uiteraard niet wijzigen. Anders dan de heer O. meent, wordt hem dus niet het fundamenteel recht op jurisdictionele bescherming ontnomen, zoals dit hem door de Grondwet, het E.V.R.M. en het B.U.P.O. worden gegarandeerd. (vgl. DE SMET, B. en RIMANQUE, K., Het recht op behoorlijke rechtsbedeling, CBR Jaarboek 1999-2000, deel II, Maklu, Antwerpen - Apeldoorn, 2000, nr. 50-52) Het enkele feit dat de burgerlijke rechter een evaluatiebeslissing van de onderwijsinstelling of het college van beroep niet kan vernietigen, heeft niet tot gevolg dat de rechter niet zou beschikken over een volle rechtsmacht zoals bedoeld in de hiervoor vermelde verdragsbepalingen. Gelet op wat hiervoor werd overwogen en besloten, moeten de door de heer O. aangevoerde grieven die volgens hem dienen te leiden tot de vernietiging van de evaluatiebeslissing niet worden onderzocht, en is de eis zoals die door hem is geformuleerd ongegrond. Het bestreden vonnis dient bijgevolg te worden vernietigd. De overige door partijen aangevoerde feiten en middelen doen naar het oordeel van het Hof geen afbreuk aan voorgaande overwegingen en besluitvorming. 2.
  11. tergend en roekeloos geding Anders dan de V.Z.W. meent, kan de eis van de heer O. niet aangezien worden als tergend en roekeloos, nu uit niets blijkt dat hij huidige procedure heeft ingesteld met het doel om de V.Z.W. te schaden. Evenmin blijkt dat hij lichtzinnig is overgegaan tot het instellen van huidige procedure, in die zin dat het niet evident is dat ieder ander normaal en redelijk persoon, geplaatst in dezelfde omstandigheden, zich van het instellen van deze procedure zou onthouden hebben. De tegeneis is bijgevolg ongegrond. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waarvan de voorschriften werden nageleefd. Gehoord de heer J. DEKEERSMAEKER, Substituut-generaal, in de lezing van zijn schriftelijk advies op de openbare terechtzitting van 25 oktober
  12. Na beraadslaging, rechtsprekend op tegenspraak, Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en als volgt gegrond: Vernietigt het vonnis van 9 oktober 2003 van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen, En opnieuw rechtsprekend: Verklaart de eis van de heer O. ontvankelijk doch ongegrond. Verklaart de tegeneis ontvankelijk doch ongegrond. Verwijst de heer O. in de kosten van beide aanleggen. Vereffent deze aan de zijde van de V.Z.W. op 102,63 EUR (rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg) en 139,81 EUR (rechtsplegingsvergoeding hoger beroep). Vereffent deze aan de zijde van de heer O. op 139,81 EUR (rechtsplegingsvergoeding hoger beroep). Aldus gewezen en uitgesproken door de tweede kamer van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen in openbare terechtzitting van dertien december tweeduizend en vier, waar aanwezig waren: de heer J. GOEMANS, Raadsheer, wnd. Voorzitter, de heer J. DE NEEF, Raadsheer in sociale zaken, als werkgever, de heer M. VERHAEGHE, Raadsheer in sociale zaken, als werknemer-bediende, de heer L. VISKENS, Griffier. PDF document ECLI:BE:AHANT:2004:ARR.20041213.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.