id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 14 december 2004 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2004:ARR.20041214.3 Rolnummer: 2001-0285 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2005-05-02 Raadplegingen: 112 - laatst gezien 2026-07-01 01:31 Fiches 1 - 2 De administratieve sanctie wegens het niet bijhouden van het verstrekkingsregister overeenkomstig de bepalingen van het KB van 25 november 1996 is geen strafsanctie in de zin van de internationaal rechtelijke bepalingen (artikel 6 E.V.R.M. en artikel 15 BUPO-verdrag), zodat het "non bis in idem" beginsel niet van toepassing is. Administratieve sancties kunnen evenwel slechts gecumuleerd worden indien ze verschillende feiten betreffen. Wanneer de betrokkene reeds bij beslissing van de Beperkte Kamer van het Comité van de dienst voor Geneeskundige Controle werd gesanctioneerd onder meer voor het niet bijhouden van het verstrekkingsregister kan op grond van datzelfde feit geen administratieve sanctie meer opgelegd worden. Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID VOOR WERKNEMERS . ZIEKTE- EN INVALIDITEITSVERZEKERING verstrekkingsregister - administratieve sanctie - strafsanctie - internationaal rechtelijke bepalingen - cumul administratieve sancties. Wettelijke bepalingen: Gecoordineerde Wetten - 14-07-1994 - 76 - 38 ELI link Pub nr 1994071451 Koninklijk Besluit - 25-11-1996 - 3 - 33 ELI link Pub nr 1996022676 Gecoordineerde Wetten - 14-07-1994 - 168 - 38 ELI link Pub nr 1994071451 Nota: Gerangschikt onder VII DN - artikel 76 en onder VII DN - artikel
- Tekst van de beslissing Eindarrest op tegenspraak. Vierde kamer Ziekteverzekering ARBEIDSHOF TE ANTWERPEN Afdeling Antwerpen ARREST A.R. 2010285 OPENBARE TERECHTZITTING VAN VEERTIEN DECEMBER TWEEDUIZEND EN VIER In de zaak: RIJKSINSTITUUT VOOR ZIEKTE- EN INVALIDI-TEITSVERZEKERING, openbare instelling, met maatschappelijke zetel gevestigd te 1150 Brussel, Tervurenlaan 211, appellante, verschijnend bij mr. A. A., loco mr. R. L., advocaat te 2018 Antwerpen, tegen: D. D., verpleegassistente, geïntimeerde, verschijnend bij mr. K. H., advocaat te 2220 Heist-op-den-berg. Na over de zaak beraadslaagd te hebben, heeft de vierde kamer van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, het volgende arrest uitgesproken. Gelet op de zittingsbladen d.d. 6 juni 2001, 25 maart 2003, 7 juni 2004, 12 oktober 2004 en 26 oktober
- Gelet op de stukken van de rechtspleging, onder meer: - het eensluidend verklaard afschrift van het op tegenspraak gewezen vonnis, van de eerste kamer van de Arbeidsrechtbank te Mechelen d.d. 15 maart 2001 (A.R. nr. 75.565), ter kennis gebracht aan partijen bij gerechtsbrief in toepassing van artikel 792, tweede en derde lid Ger. W. op 21 maart 2001; - het verzoekschrift tot hoger beroep van het Rijksinstituut voor Ziekte- en invaliditeitsverzekering, neergelegd ter griffie van dit Hof op 20 april 2001; - de conclusie voor geïntimeerde, ontvangen ter griffie van dit Hof op 11 februari 2003; - de conclusie voor appellant, ontvangen ter griffie van dit Hof op 22 april 2003; - de aanvullende conclusie voor geïntimeerde, ontvangen ter griffie van dit Hof op 27 januari 2004; - de aanvullende conclusie voor appellant, ontvangen ter griffie op 24 maart 2004; - de tweede aanvullende conclusie voor geïntimeerde, ontvangen ter griffie van dit Hof op 27 april 2004; - de aanvullende syntheseconclusie voor appellant, ontvangen ter griffie van dit Hof op 26 augustus 2004; - de syntheseconclusie voor geïntimeerde, ontvangen ter griffie van dit Hof op 17 september 2004; - het schriftelijk advies van het openbaar ministerie, gelezen en neergelegd ter openbare terechtzitting van 26 oktober 2004 en waarvan een afschrift in toepassing van artikel 767, ,§3, eerste lid van het Gerechtelijk Wetboek aan partijen werd verzonden op 27 oktober
- Gehoor de uiteenzetting van de middelen van partijen ter openbare terechtzitting van 12 oktober
- Feiten en voorafgaande rechtspleging D. D. (hierna geïntimeerde) was na haar studies vanaf 1974 werkzaam als ziekenhuisverpleegster in het H. Hartziekenhuis te Lier; vanaf 1980 was zij werkzaam voor het Wit-Geel Kruis om zich daarna vanaf 1986 te vestigen als zelfstandige verpleegkundige. Bij een controle d.d. 12 april 1999, uitgevoerd door de Dienst voor geneeskundige controle van het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering (hierna R.I.Z.I.V.) werd vastgesteld: 1) dat geïntimeerde geen verstrekkingenregister kon voorleggen voor de jaren 1995-1996-1997-1998 en 1999 (tot 12 april 1999); betrokkene verklaarde dat ze deze had verbrand en zij legde enkel, twee gebonden registers voor m.b.t. de kalenderjaren 1997 en 1998 en die volgens haar 'kladboeken' zijn; 2) dat geïntimeerde niet uitgevoerde verstrekkingen inzake verpleegkundige verzorging in rekening heeft gebracht aan verzekerden behorende tot de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen; 3) dat geïntimeerde verstrekkingen in rekening heeft gebracht die niet voor vergoeding in aanmerking kwamen omdat niet voldaan was aan de voorwaarden van artikel 8, ,§ 2, ,§ 3, 5°, en ,§ 7, 2° van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen (ontbreken van een door een geneesheer voorgeschreven voorschrift, niet bijhouden van een verpleegdossier en geen kennis geven aan de adviserend geneesheer van de mutualiteit van het uitvoeren van toiletten die tot de verleende verzorging zouden behoord hebben). Op 20 april 1999 stelde de geneesheer-inspecteur ten laste van geïntimeerde een proces-verbaal van vaststelling op waarin melding wordt gemaakt: - enerzijds dat geïntimeerde geen verstrekkingen register kon voorleggen voor de jaren 1995 tot en met 1999 hetgeen een inbreuk vormt op artikel 76 van de Wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen; - anderzijds dat de voorgelegde 'kladboeken' evenmin beantwoorden aan de bepalingen van het koninklijk besluit van 25 november 1996 aangezien hierin geen melding wordt gemaakt van: - het aanvangsuur van de eerste verstrekking en het einduur van de laatste verstrekking; - de voornaam van de rechthebbenden; - de aard van de verleende verstrekkingen, gedefinieerd op grond van het nomenclatuurnummer van de verstrekkingen. Dit proces-verbaal werd door het R.I.Z.I.V. op 22 april 1999 per aangetekend schrijven ter kennis gebracht aan geïntimeerde. Met schrijven van 10 juni 1999 werd geïntimeerde door het R.I.Z.I.V. uitgenodigd haar verweermiddelen kenbaar te maken. Met schrijven van 19 juli 1999 voerde geïntimeerde enerzijds aan dat zij haar verstrekkingenregister in een paniekreactie had vernietigd en anderzijds dat zij reeds op sociaal, professioneel en financieel vlak werd beboet. Met administratieve beslissing van de leidend ambtenaar van de Dienst voor administratieve controle van het R.I.Z.I.V. d.d. 26 mei 2000 werd, overeenkomstig artikel 6 van het koninklijk besluit van 25 november 1996 tot vaststelling van de regelen inzake het bijhouden van een verstrekkingenregister door de kinesitherapeuten, verpleegkundigen en logopedisten en tot bepaling van de administratieve geldboetes in geval van inbreuk op deze voorschriften, een administratieve geldboete opgelegd ten bedrage van 6.759,73 EUR (272.687 BEF) hetzij 5% van het bedrag van 135.194,48 EUR (5.453.732 BEF) voor de verzekeringstegemoetkoming voor de prestaties die niet werden ingeschreven overeenkomstig de bepaling van artikel 3 van datzelfde K.B. gedurende de periode van 21 april 1997 tot 11 april
- Met verzoekschrift d.d. 23 juni 2000, op dezelfde datum neergelegd ter griffie van de Arbeidsrechtbank te Mechelen, tekende geïntimeerde verhaal aan tegen voormelde administratieve beslissing d.d. 26 mei 2000 met verzoek deze beslissing te vernietigen wegens schending van het beginsel non bis in idem, minstens in ondergeschikte orde, de administratieve geldboete te herleiden. Bij vonnis van de Arbeidsrechtbank te Mechelen d.d. 15 maart 2001 werd de vordering van geïntimeerde ontvankelijk en gegrond verklaard en de administratieve beslissing d.d. 26 mei 2000 vernietigd met veroordeling van het R.I.Z.I.V. tot de gedingkosten. De eerste rechter oordeelde dat de opgelegde administratieve geldboete een strafkarakter heeft zodat toepassing dient te worden gemaakt van het algemeen rechtsbeginsel 'non bis in idem'; aangezien geïntimeerde voor dezelfde feiten veroordeeld werd door de correctionele rechtbank te Mechelen bij vonnis van 4 december 2000 werd de administratieve beslissing d.d. 26 mei 2000 vernietigd. Dit vonnis werd met gerechtsbrief, welke ter post werd afgegeven op 21 maart 2001 en door het R.I.Z.I.V. ontvangen op 22 maart 2001, in overeenstemming met artikel 792, 2de lid van het Gerechtelijk Wetboek ter kennis gebracht van partijen. Met verzoekschrift d.d. 20 april 2001, neergelegd ter griffie van het Arbeidshof op diezelfde datum, heeft het R.I.Z.I.V. hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis.
- Eisen in hoger beroep Het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering (appellante) vordert: - het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren; - dienvolgens het vonnis a quo te vernietigen, de administratieve beslissing van 26 mei 2000 te bevestigen en geïntimeerde te veroordelen tot betaling van de som van 6.759,73 EUR; - geïntimeerde eveneens te veroordelen tot betaling van de kosten van het geding begroot op: - rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg: 200,79 EUR - verzoekschrift hoger beroep: 57,02 EUR - rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 279,60 EUR D. D. (geïntimeerde) vordert: - het hoger beroep onontvankelijk minstens ongegrond te verklaren; - dienvolgens het eerste vonnis te bevestigen en de beslissing van 26 mei 2000 van appellante te vernietigen; - in ondergeschikte orde: de administratieve geldboete te herleiden naar een bedrag van 2.029,26 EUR en te zeggen voor recht dat deze overeenkomstig artikel 6, vierde lid van het K.B. van 26 november 1996 met uitstel wordt uitgesproken; - in meeste ondergeschikte orde: de volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Arbitragehof: "Schendt artikel 168 van de Gecoördineerde Wet van 14 juli 1994, dewelke de Koning machtigt om de administratieve sancties, dewelke van strafrechtelijke aard zijn, te bepalen bij Koninklijk Besluit, en hiervoor de nadere regels tot toepassing te bepalen, artikel 14 van de Grondwet?" - appellante te veroordelen tot de gerechtskosten begroot op: - rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg: 200,79 EUR - rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 267,71 EUR
- Beroepsgrieven Appellante acht zich gegriefd door het bestreden vonnis en laat gelden: 1) dat, voor de toepassing van het beginsel non bis in idem, de administratieve sanctie een strafrechtelijk karakter moet vertonen én beide sancties moeten opgelegd zijn voor hetzelfde feit; 2) dat in huidig geschil aan voormelde voorwaarden niet is voldaan: - de administratieve geldboete wegens het niet naar behoren bijhouden van een verstrekkingenregister heeft niet het karakter van een straf omdat de boete uitdrukkelijk gericht is tot een bepaalde groep van personen, m.n. de kinesitherapeuten, de logopedisten en de verpleegkundigen; - de administratieve geldboete werd opgelegd wegens het niet naar behoren bijhouden van een verstrekkingenregister terwijl de correctionele veroordeling uitgesproken werd wegens het vervalsen van getuigschriften en het oplichten van de ziekenfondsen; 3) dat, zelfs indien voldaan is aan beiden voormelde voorwaarden, dan nog is er geen aanleiding om de administratieve geldboete in haar geheel te vernietigen; de cumulatie van strafsancties en administratieve sancties is immers mogelijk op voorwaarde dat de rechter, die de wettigheid van de administratieve sanctie onderzoekt, de eerder uitgesproken strafsanctie i.v.m. dezelfde overtreding in zijn beoordeling betrekt; 4) dat de sanctie opgelegd door de Beperkte Kamer d.d. 23 mei 2000 en de bestreden sanctie opgelegd door de leidend ambtenaar van de Dienst voor administratieve controle van het R.I.Z.I.V. d.d. 26 mei 2000 elk betrekking hadden op andere feiten zodat beide sancties kunnen gecumuleerd worden; 5) dat in toepassing van artikel 6 van het K.B. van 25 november 1996 de geldboete berekend werd op basis van een verzekeringstegemoetkoming voor de prestaties die niet werden ingeschreven overeenkomstig de bepalingen van artikel 3; het feit dat de prestaties fictief zijn en de tegemoetkomingen werden teruggevorderd door de verzekeringsinstellingen neemt niet weg dat de administratie een geldboete kan opleggen voor het niet naleven van verplichtingen; 6) dat er geen redenen zijn om de geldboete te verminderen of de uitvoering van de beslissing uit te stellen zoals voorzien in artikel 6, vierde lid van het K.B. van 25 november 1996; 7) dat, met betrekking tot de gedingkosten, geïntimeerde niet optreedt in de hoedanigheid van sociaal verzekerde zodat de specifieke regeling van artikel 1017, tweede lid Ger.W. niet van toepassing is; de gedingkosten zijn bijgevolg ten laste van de partij die in het ongelijk wordt gesteld.
- In rechte 4.
- Ontvankelijkheid Het hoger beroep werd naar termijn en vorm regelmatig ingesteld en de ontvankelijkheid ervan wordt niet betwist, zodat dit hoger beroep ontvankelijk dient te worden verklaard. 4.
- Ten gronde 4.2.
- Wettelijk kader Overeenkomstig artikel 76, eerste lid van de Wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 (afgekort G.V.U.-wet) zijn de kinesitherapeuten, de logopedisten en de verpleegkundigen ertoe gehouden, overeenkomstig de door de Koning te bepalen nadere regels, alle verstrekkingen die zij verlenen op te tekenen in een verstrekkingenregister. Artikel 168, eerste lid G.V.U.-wet bepaalt dat de Koning - op voorstel of na advies van de Dienst voor administratieve controle - de administratieve sancties vaststelt die toepasselijk zijn in geval van overtreding van de bepalingen van deze gecoördineerde wet of van haar uitvoeringsbesluiten en -verordeningen; de Koning bepaalt tevens de nadere regelen tot toepassing van die sancties. In geval van overtreding van de bepalingen van artikel 76 wordt de administratieve geldboete opgelegd aan de kinesitherapeut, de logopedist of de verpleegkundige ten laste van wie een overtreding is vastgesteld (artikel 168, zesde lid G.V.U.-wet). Artikel 3 van het koninklijk besluit van 25 november 1996 tot vaststelling van de regelen inzake het bijhouden van een verstrekkingenregister door de kinesitherapeuten, verpleegkundigen en logopedisten en tot bepaling van de administratieve geldboetes in geval van inbreuk op deze voorschriften, bepaalt dat de verstrekkingen worden ingeschreven in het verstrekkingenregister per gewerkte dag. De volgende gegevens moeten vermeld worden in het register: 1) de datum waarop de verstrekkingen zijn verricht; 2) het aanvangsuur van de eerste verstrekking en het einduur van de laatste verstrekking; 3) naam en voornaam van de rechthebbenden; 4) de aard van de verleende verstrekkingen, gedefinieerd op grond van het nomenclatuurnummer van de verstrekkingen, bedoeld in de artikelen 23, ,§ 2, of 35 van de gecoördineerde wet; 5) wanneer de zorgverlener zijn activiteit uitoefent zowel in zijn spreekkamer of in de hoofdverblijfplaats van de rechthebbenden als in één of meerdere behandelingscentra en hij gekozen heeft voor het enige register zoals bedoeld in artikel 4, 2de lid, vermeldt hij eveneens in dit register, op een duidelijk identificeerbare wijze, zelfs onder een samenvattende of verkorte vorm, de plaats van elke verstrekking die hij heeft verleend. Artikel 6 van datzelfde KB bepaalt dat ten laste van de zorgverlener ten aanzien van wie een inbreuk op deze bepaling wordt vastgesteld een administratieve geldboete wordt uitgesproken van 5% van de verzekeringstegemoetkoming voor de verstrekkingen die niet overeenkomstig de bepalingen van artikel 3 werden ingeschreven. Artikel 7 van het KB voorziet ten slotte dat deze administratieve geldboete wordt opgelegd door de leidend ambtenaar van de Dienst voor administratieve controle of de door hem aangewezen ambtenaar. 4.2.
- Situering van het geschil Uit een onderzoek uitgevoerd door de Dienst voor geneeskundige controle van het R.I.Z.I.V. bleek dat de verstrekkingenregisters (kladboeken) van geïntimeerde gedurende de periode van 21 april 1997 tot 11 april 1999 niet voldeden aan de reglementaire voorwaarden zoals opgesomd in artikel 3 van het K.B. van 25 november
- In toepassing van artikel 6 en 7 van het K.B. van 25 november 1996 werd dienvolgens door de leidend ambtenaar van de Dienst voor administratieve controle een administratieve geldboete opgelegd t.b.v. 6.759,73 EUR, zijnde 5% van de verzekeringstegemoetkoming voor de verstrekkingen die niet overeenkomstig de bepalingen van artikel 3 werden ingeschreven. Geïntimeerde, hierin gevolgd door de eerste rechter, houdt voor dat de opgelegde administratieve geldboete dient te worden vernietigd op grond van het algemeen rechtsbeginsel 'non bis in idem'. Zij verwijst hiervoor naar: - het vonnis van de correctionele rechtbank te Mechelen d.d. 4 december 2000, waarbij zij uit hoofde van valsheid in geschriften (vervalsing van geneeskundige getuigschriften) en ook oplichting of misbruik van vertrou-wen werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 maanden, met uitstel voor een periode van 5 jaar, en een geldboete van 4957,87 EUR (200.000 BEF); - de beslissing van de Beperkte Kamer van het Comité van de Dienst voor Geneeskundige Controle van 23 mei 2000, in toepassing van het destijds nog in voege zijnde artikel 156, 1ste lid van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994, waarbij aan de verzekeringsinstellingen verboden werd tegemoet te komen in de kosten van geneeskundige verstrekkingen welke door haar zouden verleend worden in de periode van één jaar. Appellante daarentegen houdt voor dat er geen toepassing kan gemaakt worden van het beginsel 'non bis in idem' aangezien enerzijds de administratieve sanctie geen strafrechtelijk karakter vertoont en anderzijds beide sancties niet opgelegd zijn voor hetzelfde feit; bovendien heeft de sanctie opgelegd door de Beperkte Kamer d.d. 23 mei 2000 en de administratieve geldboete opgelegd door de leidend ambtenaar van het R.I.Z.I.V. betrekking op andere feiten zodat beide administratieve sancties kunnen gecumuleerd worden. 4.2.
- Beoordeling 4.2.3.
- Het samengaan van administratieve sancties en strafsancties en de toepasselijkheid van het non bis in idem beginsel. De eerste rechter stelt terecht vast dat principieel een administratieve sanctie kan opgelegd worden voor feiten die ook strafrechtelijk gesanctioneerd kunnen worden; niets staat in de weg om een administratieve sanctie op te leggen voor feiten welke eveneens strafrechtelijk gesanctioneerd worden. Dit principe dient echter genuanceerd te worden wanneer de administratieve sanctie moet beschouwd worden als een sanctie met een strafrechtelijk karakter in de zin van de internationaal rechtelijke bepalingen (EVRM en BUPO-verdrag); in dat geval dient immers rekening te worden gehouden met het in artikel 14, 7de lid van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten van 19 december 1966 voorziene non bis in idem- beginsel. Artikel 14, 7de lid van het BUPO-verdrag bepaalt: "Niemand mag voor een tweede keer worden berecht of gestraft voor een stafbaar feit waarvoor hij reeds in overeenstemming met de wet en het procesrecht van elk land bij einduitspraak is veroordeeld of waarvan hij is vrijgesproken." Voor wat het samengaan van administratieve sancties en strafsancties betreft hangt de toepasselijkheid van het non bis in idem beginsel voor een belangrijk deel af van de kwalificatie van een administratieve sanctie als straf in de zin van de verdragrechtelijke bepalingen (voornamelijk artikel 6 E.V.R.M. en artikel 14, 7° BUPO-verdrag) en van de algemene strafrechtsbeginselen (J. Put, "Bis, sed non idem", Een denkoefening over de toepassing van het non bis in idem-beginsel op de cumulatie van administratieve en strafsancties, R.W. 2002-2002, 938). Overeenkomstig recente rechtspraak van het Hof van Cassatie is de administratieve sanctie wegens het niet bijhouden van het verstrekkingenregister overeenkomstig de bepaling van het K.B. van 25 november 1996, geen strafsanctie (Cass., 6 mei 2002, N.J.W., 2002, 61). De inschrijving in het verstrekkingenregister was vroeger een voorwaarde opdat de verzekeringstegemoetkoming kon worden toegekend, hetgeen tot gevolg had dat de tegemoetkoming bij gebrek aan (correcte) inschrijving integraal moest worden teruggevorderd van de zorgverstrekker. Omdat dit gevolg te zwaar werd geacht werd het bijhouden van een register opgelegd als een administratieve verplichting en werd het niet nakomen ervan gesanctioneerd met administratieve geldboetes (zie verslag aan de Koning bij het Koninklijk Besluit nr. 408 van 18 april 1986 tot wijziging van de wet van 9 augustus 1963 tot instelling en organisatie van een regeling voor verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering, B.S., 6 mei 1986). Deze administratieve sanctie is uitdrukkelijk slechts gericht op een bepaalde groep personen, met name de kinesitherapeuten, logopedisten en verpleegkundigen, en vormt geen alternatief voor een strafrechtelijke sanctie, zoals de administratieve geldboete opgelegd bij de wet van 30 juni 1971 betreffende de administratieve geldboeten toepasselijk ingeval van inbreuk op sommige sociale wetten. De artikelen 6 en 7 van het K.B. van 25 november 1996 sluiten bovendien een aparte strafrechtelijke vervolging niet uit wanneer de inbreuken samenlopen met en gemeenrechtelijk misdrijf zoals valsheid in geschriften of oplichting (met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden gebruik maken van valse akten of valse stukken wetende dat ze vervalst zijn). De bedoelde administratieve geldboeten moeten in deze omstandigheden niet als strafsancties worden gekwalificeerd in de zin van artikel 6 E.V.R.M. of artikel 15 van het BUPO-verdrag (zie in dezelfde zin stukken 5, 6 t/m 9 bundel appellante: arrest Arbeidshof Gent, 5 januari 2001, A.R. 656/96 en arresten Arbeidshof Gent, 20 februari 2003, A.R. 99/182, A.R. 2001/096 en A.R. 2001/105). Het non bis in idem beginsel is dienvolgens in huidig geschil niet van toepassing. 4.2.3.
- De cumulatie van administratieve sancties Administratieve sancties kunnen slechts gecumuleerd worden indien ze verschillende feiten betreffen; er kan geen sprake zijn van cumul van verschillende sancties wanneer zij een zelfde feit tot voorwerp hebben (Cass. 18-09-1995, J.T.T. 1996, p. 121 en 122; B. Graulich - P. Palsterman, Les droits et obligations du chômeur dans le nouveau code de chomage, uitg. Kluwer 1993, blz. 158 en 159). Geïntimeerde laat terecht gelden dat zij bij beslissing van de Beperkte Kamer van het Comité van de Dienst voor Geneeskundige Controle van 23 mei 2000 administratief werd gesanctioneerd wegens onder meer dezelfde feiten als diegene welke het voorwerp uitmaken van de administratieve sanctie opgelegd in de bestreden beslissing d.d. 26 mei 2000 van de leidend ambtenaar van de Dienst voor administratieve controle. Uit de voorgelegde overtuigingsstukken inzake de beslissing van de Beperkte Kamer d.d. 23 mei 2000 blijkt dat geïntimeerde zich daar diende te verantwoorden voor: - het in rekening brengen van niet uitgevoerde verstrekkingen inzake verpleegkundige verzorging; - het in rekening brengen van verstrekkingen die niet voor vergoeding in aanmerking kwamen omdat niet was voldaan aan de voorwaarden van artikel 8 van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen; - het niet kunnen voorleggen van een verstrekkingenregister voor de jaren 1995-1996-1997-1998-1999 (tot 12 april 1999), zijnde een inbreuk op de artikelen 76 van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 en 4 van het KB van 25 november 1996, maar ook het voorleggen van een verstrekkingenregister onder de vorm van zogenaamde 'kladboeken' welke niet beantwoorden aan de bepalingen van het KB van 25 november 1996, meer in het bijzonder aan artikel
- Deze boeken vermelden immers niet: x het aanvangsuur van de eerste verstrekking en het einduur van de laatste verstrekking (inbreuk op art. 3.2° van het KB van 25 november 1996 geldend voor 1997 en 1998) x de voornaam van de rechthebbenden (inbreuk op art. 3.3° van het KB van 25 november 1996 geldend voor 1997 en 1998) x de aard van de verleende verstrekkingen, gedefinieerd op grond van de nomenclatuur van de verstrekkingen (inbreuk op art. 3.4° van het KB van 25 november 1996 geldend voor 1997 en 1998). De Beperkte Kamer besliste uiteindelijk op grond van het toen nog geldende artikel 156 van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 - dit artikel werd door de wet van 24 december 2002 met ingang van 15 februari 2003 opgeheven - om de daarin voorziene maximale sanctie bestaande in het verbod voor de verzekeringsinstellingen om tegemoet te komen in de kosten van de geneeskundige verstrekkingen welke door betrokkene zullen verleend worden over de periode van één jaar op te leggen. De Beperkte Kamer motiveert deze strenge sanctionering door onder meer vast te stellen dat de aangehouden feiten een zeer zware inbreuk uitmaken op de voornoemde artikelen van de bijlage bij het KB van 14 september 1984 tot vaststelling van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen inzake verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen (verwijzing naar de tenlasteleggingen onder I en II), van de gecoördineerde ZIV-wet van 14 juli 1994 en van het uitvoeringsbesluit van 25 november 1996 (verwijzing naar de tenlasteleggingen onder III inzake het verstrekkingen-register). Vermits in de bestreden beslissing duidelijk wordt gesteld dat de daarin voorziene administratieve sanctie ook wordt opgelegd wegens inbreuk op artikel 3 van het KB van 25 november 1996, meer bepaald omdat de door geïntimeerde verleende prestaties niet werden ingeschreven in het verstrekkingenregister in overeenstemming met de voornoemde wettelijke bepaling gedurende de periode van 21 april 1997 tot 11 april 1999, is het duidelijk dat in huidig geschil twee administratieve sancties werden opgelegd op grond van dezelfde feiten. De argumentatie van appellant waarin zij stelt dat de Beperkte Kamer geen enkele bevoegdheid had om een sanctie uit te spreken voor het niet of niet naar behoren bijhouden van het verstrekkingenregister en bijgevolg de door haar uitgesproken administratieve sanctie enkel betrekking kon hebben op de twee eerste tenlasteleggingen kan niet gevolgd worden. Enerzijds heeft de Beperkte Kamer zich niet onbevoegd verklaard om te oordelen over de inbreuken op het KB van 25 november 1996 en anderzijds heeft de Beperkte Kamer in diezelfde beslissing wel uitdrukkelijk verwezen naar de door haar aangehouden feiten welke een zware inbreuk uitmaken op onder andere het KB van 25 november 1996 om de hoegrootheid van de door haar opgelegde administratieve sanctie te verantwoorden. Dit laat toe te concluderen dat voor de vaststelling van deze administratieve sanctie de Beperkte Kamer alleszins rekening heeft gehouden met deze inbreuk (het niet conform artikel 3 van het KB van 25 november 1996 bijhouden van het verstrekkingenregister) om de maximale sanctie van 1 jaar schorsing van tegemoetkoming zoals voorzien in het toenmalige artikel 156 van de gecoördineerde wet uit te spreken. Aangezien verschillende administratieve sancties niet kunnen gecumuleerd worden wanneer zij gebaseerd zijn op hetzelfde feit, dient de administratieve geldboete opgelegd op grond van artikel 6 van het KB van 25 november 1996, te worden vernietigd. Het bestreden vonnis dient derhalve, weliswaar met gewijzigde motieven, te worden bevestigd zodat het hoger beroep als ongegrond dient te worden afgewezen. 4.2.3.
- Prejudiciële vraagstelling Geïntimeerde vordert in meeste ondergeschikte orde: de volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Arbitragehof: "Schendt artikel 168 van de Gecoördineerde Wet van 14 juli 1994, dewelke de Koning machtigt om de administratieve sancties, dewelke van strafrechtelijke aard zijn, te bepalen bij Koninklijk Besluit, en hiervoor de nadere regels tot toepassing te bepalen, artikel 14 van de Grondwet?" Artikel 14 Grondwet bepaalt dat geen straf kan worden ingevoerd dan krachtens de wet. Het strafbegrip dat in deze bepaling wordt gehanteerd is volgens de overheersende interpretatie enkel dat van de klassieke strafsancties (J. Put, Rechtshandhaving door administratieve sancties in het recht, R.W. 2001-2002, 1199). Aangezien de administratieve geldboete op grond van artikel 6 van het K.B. van 26 november 1996 niet van strafrechtelijke aard is dient de in uiterst ondergeschikte orde geformuleerde prejudiciële vraagstelling te worden afgewezen. 4.2.3.
- Kosten van het geding Geïntimeerde die in haar hoedanigheid van verpleegkundige verhaal instelt tegen de beslissing waarbij haar een administratieve geldboete wordt opgelegd - in toepassing van artikel 168 van de Wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 en in toepassing van artikel 6 en 7 van het K.B. van 25 november 1996 - treedt niet op in de hoedanigheid van sociaal verzekerde of gerechtigde, maar wel in de hoedanigheid van zorgenverstrekker. De algemene regeling zoals voorzien in artikel 1017, eerste lid van het Gerechtelijk Wetboek is dienvolgens van toepassing; aangezien het hoger beroep ongegrond wordt verklaard dient appellante in toepassing van artikel 1017, eerste lid van het Gerechtelijk, veroordeeld te worden tot de kosten van het geding in hoger beroep. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken. Gehoord de heer F. SLACHMUYLDERS, Advocaat-generaal, in zijn eensluidend schriftelijk advies, gelezen ter openbare terechtzitting van 26 oktober
- Geen der partijen hebben opmerkingen geformuleerd op dit schriftelijk advies. Recht doende op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. Bevestigt, weliswaar met gewijzigde motieven, het vonnis uitgesproken in openbare terechtzitting van de eerste kamer van de Arbeidsrechtbank te Mechelen op 15 maart 2001, gekend onder A.R. nr.
- Verwijst appellante, in toepassing van artikel 1017, eerste lid van het Gerechtelijk Wetboek, in de kosten van hoger beroep. Vereffent deze kosten aan de zijde van appellante op 53,29 EUR uitgavenvergoeding verzoekschrift hoger beroep en 279,62 EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep en aan de zijde van geïntimeerde op 279,62 EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep. Aldus gewezen en uitgesproken door de vierde kamer van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, zitting houdende te Antwerpen in openbare terechtzitting van veertien december tweeduizend en vier, waar aanwezig waren: mevrouw G. ADRIAENSENS, Raadsheer, wnd. Voorzitter, de heer W. ARTS, Raadsheer in sociale zaken als werkgever, de heer F. CONVENS, Raadsheer in sociale zaken als werknemer-arbeider, de heer J. VERELST, Griffier. PDF document ECLI:BE:AHANT:2004:ARR.20041214.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.