← België

ECLI:BE:AHANT:2004:ARR.20041216.15

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 16 december 2004 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2004:ARR.20041216.15 Rolnummer: 2003-0410 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-11-16 Raadplegingen: 247 - laatst gezien 2026-07-04 18:19 Fiches 1 - 2 Met een bestuurshandeling in de zin van de wet van 29 juli 1991 wordt deze overheidsbeslissing bedoeld die direct rechtsgevolgen teweegbrengt en die een uitvoerbare kracht heeft, waarbij het bestuur zich kan beroepen op het voorrecht van de directe tenuitvoerlegging en zich niet eerst tot de rechter hoeft te wenden alvorens zijn beslissing te kunnen uitvoeren. De kwalificatie die de betrokken partijen aan hun samenwerking gaven, moet het voorwerp zijn van een overeenkomst tussen hen. Bij het ontbreken van een geschrift moet het bestaan van deze overeenkomst worden afgeleid uit de andere elementen van het dossier. De kwalificatie van zelfstandige samenwerking kan pas dan opzij worden geschoven wanneer er in de concrete en dagelijkse werkomstandigheden elementen zijn terug te vinden die enerzijds bouwstenen zijn van een arbeidsovereenkomst en die anderzijds zwaarwichtig genoeg zijn om de overeengekomen kwalificatie uit te sluiten. Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP-RECHT-WETGEVING . ADMINISTRATIEF RECHT uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen - bestuurshandeling - begrip. Wettelijke bepalingen: Wet - 29-07-1991 - 1 Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID VOOR WERKNEMERS toepassingsgebied - personen - schijnzelfstandigheid - kwalificatie van partijen - beoordeling vanuit de concrete werkomstandigheden. Wettelijke bepalingen: Wet - 27-06-1969 - 1§1 Nota: Gerangschikt onder I L - artikel 1 en onder VII A - artikel 1 ,§

  1. Annotaties Publicaties: SOCIAALRECHTELIJKE KRONIEKEN - - 2006(00005,P.273-277) Tekst van de beslissing A.R. Nr. 2030410 OPENBARE TERECHTZITTING VAN ZESTIEN DECEMBER TWEEDUIZEND EN VIER In de zaak: N.V. M.H., met zetel gevestigd te X, appellante, voor wie verschijnt: mr. K. R., advocaat te A., tegen : RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, met zetel gevestigd te 1060 BRUSSEL, Victor Hortaplein 11, geïntimeerde, voor wie verschijnt: mr. A.M. E., advocaat te S. Na over de zaak te hebben beraadslaagd, wijst het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, het hiernavolgende arrest. Gelet op de zittingsbladen van 3 september 2003, van 16 september 2004 en van 21 oktober 2004; Gelet op de stukken van de rechtspleging, waaronder: x het voor eensluidend verklaarde afschrift van het vonnis van 31 maart 2003, op tegenspraak gewezen door de Arbeidsrechtbank te Antwerpen; x het verzoekschrift in hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit Hof op 2 juli 2003 en ter kennis gebracht overeenkomstig artikel 1056 van het Gerechtelijk Wetboek op 2 juli 2003; x de conclusies voor geïntimeerde, ontvangen ter griffie van het Hof op 6 februari 2004; x de conclusies voor appellante, ontvangen ter griffie van het Hof op 11 juni 2004; x de syntheseconclusies voor geïntimeerde, ontvangen ter griffie van dit Hof op 23 augustus 2004; x het schriftelijk advies van het Openbaar Ministerie gelezen en neergelegd ter zitting van 21 oktober 2004; x de kennisgeving van het advies van het Openbaar Ministerie aan partijen in toepassing van artikel 767, ,§3, eerste lid van het Gerechtelijk Wetboek van 22 oktober
  2. Gelet op de stukken van het administratief dossier. Gelet op de stukken in het naar behoren geïnventariseerde dossier van partijen. Gehoord de partijen in de voordracht van hun conclusies en verweermiddelen tijdens de openbare terechtzitting van 16 september 2004 Gehoord de lezing van het schriftelijke advies van het Openbaar Ministerie op de openbare terechtzitting van 21 oktober
  3. De ontvankelijkheid. Het hoger beroep is naar termijn en vorm regelmatig ingesteld en de ontvankelijkheid ervan wordt niet betwist. Het hoger beroep is dan ook ontvankelijk. Feiten en Voorgaanden. M.H. is een meubelzaak in Malle, een familiezaak uitgebaat door vader D. J. met zijn 2 zonen F. en P. Er is geen ingeschreven personeel. Ze werken met twee zelfstandige verkopers : M. Z. en H. H. M.Z. werkte voordien bij W. Meubelen en is in juni of juli 1994 voor M.H. beginnen werken. In diezelfde periode is ook H.H. beginnen werken. Op 2 april 1998 krijgt de zaak controle van de Sociale Inspectie. Die dag wordt er vastgesteld dat M.Z. aan het werk is als verkoper. Vader en zoon P.D.J. worden nadien verhoord. Ook M.Z. en H.H. komen aan de beurt. De Inspectie komt tot de conclusie dat de volgende elementen wijzen op het bestaan van werkgeversgezag en dus van een arbeidsovereenkomst: - M.Z. werd door één van de zaakvoerders gecontacteerd om bij hen te komen werken; - H.H. reageerde op een advertentie van het M.H. waarin zelfstandige verkopers werden gezocht; - M.H. opteerde voor zelfstandigen; zij zeggen niet de mogelijkheid te hebben om met werknemers te werken; - de bezoldiging is vastgelegd door M.H. (beide verkopers hebben hetzelfde), de verhogingen worden door M.H. toegekend. De grootte van het percentage werd volgens M.Z. door de zaakvoerder vastgesteld; - er is een gewaarborgd minimumloon indien een bepaalde omzet niet wordt gehaald; - beide verkopers werken uitsluitend voor het M.H. en in de lokalen van het M.H.; - beiden doen enkel de verkoop, hebben geen contacten met leveranciers en hebben geen inspraak in het algemeen beheer; - beiden hebben geen aandelen in de N.V. - de verkoopprijzen zijn vastgesteld door het M.H., kortingen zijn enkel mogelijk na overleg met de bestuurders; - beiden verkopers doen geen aankopen of verkopen in eigen naam; - beiden zeggen enkel tijdens de openingsuren van de zaak te kunnen komen, daarbuiten kunnen ze er niet terecht. H. zegt ook geen sleutel te hebben van de zaak. De zaak wordt steeds geopend en gesloten door één van de zaakvoerders; - de openingsuren zijn bepaalde door de bestuurders, evenals de sluitingsdag; - er is steeds één van de zaakvoerders aanwezig. Anderzijds wijst zij de volgende elementen aan die wijzen op zelfstandigheid van de medewerkers: - er zijn geen vaste dagen of uren waarop de verkopers verplicht dienen aanwezig te zijn; - zij kunnen vakantie nemen wanneer ze zelf willen; er is enkel overleg tussen hen beiden; - zij moeten geen verantwoording afleggen over hun aanwezigheid of verkoopsresultaten; - beiden zijn verzekerd als zelfstandige, en hebben een B.T.W.-nummer en handelsregister. Op 12 januari 1999 schrijft de R.S.Z. aangetekend aan M.H. dat hij van oordeel is dat M.Z. en H.H. voor hun tewerkstelling dienden onderworpen te worden aan het stelsel der sociale zekerheid voor werknemers. Hij verwijst in deze brief naar de gegevens in het verslag van de Sociale Inspectie van Antwerpen en zegt dat de constitutieve elementen van een arbeidsovereenkomst, namelijk loon, prestaties en gezag aanwezig zijn. Hij kondigt een ambtshalve inschrijving van beide medewerkers aan vanaf 1 juni
  4. Dezelfde dag wordt een afrekening overgemaakt voor een bedrag van 1.486.109 BEF. Er volgt geen vrijwillige betaling. De R.S.Z. gaat op 11 juni 1999 over tot dagvaarding op basis van een rekeninguittreksel, afgesloten op 15 april 1999 voor een bedrag van 1.906.225 BEF of 47.254,08 EUR. Het bestreden vonnis. De eerste rechter wijst in een vonnis van 31 maart 2003 de vordering van de R.S.Z. toe. Hij is van oordeel dat de elementen die wijzen op het bestaan van een arbeidsovereenkomst doorslaggevend zijn. Hij steunt zich ook op de Unizo formule. Ook de omvang van de vordering wordt goedgekeurd. Hij verklaart de vordering uitvoerbaar bij voorraad. Er wordt geen akte van betekening neergelegd. Eisen in hoger beroep. M.H. tekende beroep aan tegen dit vonnis a quo bij verzoekschrift, ontvangen ter griffie van dit Hof op 2 juli
  5. Hij verzoekt het hoger beroep toelaatbaar en gegrond te verklaren, het vonnis a quo teniet te doen en de R.S.Z. te veroordelen tot de kosten. Grieven: - noch het onderzoeksverslag van de Sociale Inspectie noch de Unizo-formule laten toe te besluiten tot het bestaan van werkgeversgezag; - recente cassatierechtspraak benadrukt dat de kwalificatie die partijen aan hun samenwerking gaven niet zomaar opzij kan geschoven worden; - het zelfstandige statuut van beide medewerkers wordt voldoende ondersteund door concrete elementen, die terug te vinden zijn in de uitvoering van de job; - de elementen die de R.S.Z. aanhaalt ter ondersteuning van het werknemersstatuut zijn niet voldoende relevant; - in beroepsconclusies vraagt appellante om in eerste instantie de vordering van de R.S.Z. af te wijzen omdat zijn beslissing van 12 januari 1999 onvoldoende gemotiveerd is in de zin van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen. - Verder vraagt appellante het vonnis a quo in ieder geval te vernietigen en de oorspronkelijke vordering van de R.S.Z. af te wijzen als ongegrond. Bij conclusies, ontvangen ter griffie van dit Hof op 23 augustus 2004, vordert de R.S.Z. het hoger beroep af te wijzen als ongegrond en de N.V. M.H. te veroordelen tot de kosten. In Rechte. De ambtshalve onderwerping door de R.S.Z. werd door hem onvoldoende gemotiveerd. Appellante merkt op dat de beslissing van de R.S.Z. van 12 januari 1999 (haar stuk 10) noch de feitelijke, noch de juridische overwegingen vermeldt die aan deze beslissing ten grondslag liggen. Immers deze beslissing vermeldt enkel dat de constitutieve elementen van een arbeidsovereenkomst aanwezig zijn en ze verwijst voor het overige naar het verslag van de Sociale Inspectie dat nooit aan appellante werd overgemaakt, zo houdt ze vol. Overigens, zo vervolgt appellante, is ook in dit onderzoeksverslag van 28 oktober 1999 (stuk 1 in het bundel van de R.S.Z.) nergens enige juridische motivering van de ambtshalve onderwerping te bespeuren. Deze motivering in feite én in rechte is nochtans vereist in toepassing van de Wet van 29 juli 1991, betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen (artikelen 1, 2 en 3). Het Hof is het niet met appellante eens waar deze voorhoudt dat de aangehaalde beslissing van de R.S.Z. van 12 januari 1999 tot onderwerping van appellante aan het stelsel van de sociale zekerheid voor werknemers, een bestuurshandeling is in de zin van artikel 1 van voornoemde wet van 29 juli
  6. Immers niet elke administratieve handeling die door een bestuur wordt gesteld, is een rechtshandeling die in het kader van voornoemde wet uitdrukkelijk moet worden gemotiveerd. Het Hof verwijst naar het schriftelijk advies van het Openbaar Ministerie terzake, dat de kwestie nauwkeurig, volledig en correct beoordeelde. Het Hof maakt deze beoordeling tot de zijne. Aldus: Het toepassingsgebied van de wet is beperkt tot de 'administratieve rechtshandelingen' in de traditionele betekenis, met name deze beslissingen van een of andere administratieve overheid die gezagshalve, zonder toestemming van de betrokkenen, rechten of verplichtingen scheppen en daarom eenzijdig verbindend en uitvoerbaar zijn en het 'privilège di préalable' genieten. (P.VAN ORSHOVEN, De uitdrukkelijke motivering van administratieve rechtshandelingen, R.W. 1991-1992, 489 - zie ook Gedr. St. Kamer, 1990-1991, nr. 1595-4, blz. 2 - Gedr. St. Senaat, B.Z. 1988, nr. 215-3, blz. 31) Het moet bijgevolg gaan om een beslissing die direct rechtsgevolgen teweegbrengt en een uitvoerbare kracht heeft, waarbij het bestuur zich kan beroepen op het voorrecht van de directe tenuitvoerlegging en zich niet eerst tot de rechter hoeft te wenden alvorens zijn beslissing te kunnen uitvoeren. (J. VANDE LANOTTE & C. CEREXHE, De motiveringsplicht van bestuurshandelingen, Die Keure 1992, blz. 23-24) De brieven van geïntimeerde van 12/01/1999 beantwoorden niet aan deze omschrijving van het begrip 'bestuurshandeling'. In deze brieven van de R.S.Z. liggen zeker geen van rechtswege uitvoerbare beslissingen vervat. Met deze brieven had geïntimeerde enkel de bedoeling aan appellante te laten weten welke geldsom naar zijn mening door deze laatste verschuldigd was. Het betrof met andere woorden niets anders dan een ingebrekestelling. De verzending van deze brieven dient derhalve gezien te worden als een louter informatieve of voorbereidende handeling op de door geïntimeerde voorgenomen gerechtelijke vervolging, dit alles ten gevolge van het door geïntimeerde ingenomen standpunt over de hoegrootheid van het bedrag. Dergelijke handelingen kunnen niet worden beschouwd als bestuurshandelingen in de zin van artikel 1 van de wet van 29 juli
  7. (cfr. Cass., 25 april 1997, Arr. Cass. 1997, nr. 202 blz. 489 e.v. en Cass., 18 december 2000, Soc. Kron. 2001, 192) Er dient dan ook besloten te worden dat er geenszins aanleiding toe bestaat om wegens schending van de motiveringsplicht, voorzien in de wet van 29 juli 1991, weke beslissing dan ook te vernietigen. x x x Ten gronde: het statuut. Een probleem van schijnzelfstandigheid, zoals het zich ook in deze zaak stelt, moet worden benaderd vanuit het volgende principe: "Wanneer uit de uitvoering van de overeenkomst blijkt dat partijen hun samenwerking op een zelfstandige basis hebben georganiseerd dan kan de rechter daar geen andere kwalificatie voor in de plaats stellen, wanneer de elementen die aan zijn beoordeling worden voorgelegd de door de partijen aangenomen kwalificatie niet uitsluiten". Dit principe wordt ook vooropgesteld door het Hof van Cassatie in zijn arresten o.a. van 23 december 2002, van 28 april 2003 en van 3 mei 2004: (Cass., 23 december 2002 - rolnummer S.01.0169.F ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021223.15 - raadpleging via internet: www.cass.be > NL > Hof van Cassatie > arresten van het Hof > datum ingeven > lijst > nr. JC02CN6_1) (Cass., 28 april 2003 - rolnummer S.010.169.F - raadpleging via internet : www.cass.be > NL > Hof van Cassatie > arresten van het Hof > datum ingeven > lijst > nr. JC034S1_1) en Cass., 3 mei 2004 - rolnummer S.03.0108.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040503.23/1 - raadpleging via internet : www.cass.be > NL > Hof van Cassatie > arresten van het Hof > datum ingeven > lijst > nr. RC04534_1) Voor het Hof houdt deze recente cassatierechtspraak in dat er niet langer in het feitenmateriaal moet worden gezocht naar de bouwstenen die hetzij een zelfstandig statuut samenstellen, hetzij een werknemersstatuut. Dat is wat de Sociale Inspectie in casu precies doet. Thans dient men te vertrekken van de kwalificatie die de betrokken partijen aan hun samenwerking hebben gegeven en er dient er te worden onderzocht of de feitelijke realiteit dit statuut niet tegenspreekt. Het Hof kan zich bij deze aanpak aansluiten omdat op die manier de vrijheid tot het sluiten van een overeenkomst, een belangrijk principe uit het verbintenissenrecht, wordt verzoend met het dwingend karakter van het arbeidsrecht. x x x Het eerste wat moet worden onderzocht is of uit de uitvoering van de overeenkomst blijkt dat appellante en respectievelijk H.H. en M.Z. hun samenwerking op zelfstandige basis hebben georganiseerd. Er is geen schriftelijke overeenkomst opgemaakt tussen de betrokken partijen, waaruit zwart op wit de kwalificatie, die zij aan hun samenwerking gaven, zou kunnen blijken. Nu dergelijk geschrift niet voorhanden is, moet deze kwalificatie uit andere elementen van het dossier worden afgeleid. Vermits de R.S.Z. geen andere bewijselementen bijbrengt dan de door de betrokken partijen afgelegde verklaringen, zoekt het Hof in deze verklaringen naar de elementen die verduidelijken welke kwalificatie deze partijen aan hun samenwerking gaven. P.D.J., een zaakvoerder van appellante, verklaarde op 18 mei 1998 aan de Sociale Inspectie: "Wij hebben ervoor geopteerd om te werken met zelfstandigen. ... Voorlopig hebben wij niet de mogelijkheid om met werknemers te werken." H.H. verklaarde op 4 juni 1998 aan de Sociale Inspectie: "Het was op voorstel van het M.H. dat ik als zelfstandige ben begonnen. Zij zochten immers zelfstandige verkopers. Voor mezelf was het ook een goede oplossing. Ik kan mij onmogelijk op vaste tijdstippen vrijmaken." M.Z. tenslotte verklaarde op 4 augustus 1998 aan de inspectie: "Bij W. Meubelen werkte ik als verkoper-zelfstandige in bijberoep. Daarom was het voor hen interessant om mij als zelfstandige te laten werken.Ik was al in orde met mijn aansluiting. Er is nooit over gesproken mij te laten werken als werknemer." Uit het samenlezen van deze verklaringen komt naar voren dat het tussen de betrokken partijen nooit een punt van discussie is geweest om hun samenwerking te kwalificeren als een zelfstandige samenwerking. H.H. wenste zelf uitdrukkelijk op zelfstandige basis samen te werken omdat zij niet wou werken onder een regime met vaste uren. Zij wou geregeld voor haar moeder zorgen wat niet kon met vaste uren. Aldus is de kwalificatie van de samenwerking tussen appellante en H.H., namelijk zelfstandige, een sterke kwalificatie. Diezelfde kwalificatie tussen appellante en M.Z. is minder sterk. Uit zijn verklaring kan niet direct worden afgeleid dat hijzelf vragende partij was om onder een zelfstandig statuut te presteren. Hij heeft het wel aanvaard. Het Hof aanvaardt dat de betrokken partijen hun samenwerking op een zelfstandige basis hebben georganiseerd. x x x De R.S.Z. meent nu dat dit zelfstandige statuut in de dagelijkse realiteit van de samenwerking niet overeind kan blijven en hij is van oordeel dat er voor H.H. en M.Z. sprake is van prestaties als werknemer. In het licht van het hogerop geformuleerde uitgangspunt moet er worden onderzocht welke concrete elementen in de dagelijkse realiteit van deze samenwerking dit statuut van zelfstandige aan het wankelen brengen. Deze elementen moeten eerst en vooral worden aangereikt én bewezen door de R.S.Z. op wie de bewijslast rust. Bovendien, enkel wanneer deze elementen bouwstenen zijn van een arbeidsovereenkomst en ze gewichtig genoeg zijn, kunnen ze het overeengekomen zelfstandige statuut opzij duwen. Ze moeten, zoals gezegd, terug te vinden zijn in de concrete en dagelijkse werkomstandigheden op het werkveld zelf. Immers artikel 1, ,§1 van de Wet van 27 juni 1969 tot herziening van de Besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders bepaalt: "Deze wet vindt toepassing op de werknemers en werkgevers die door een arbeidsovereenkomst zijn verbonden." Voor de definitie van het begrip 'arbeidsovereenkomst', gebruikt in artikel 1, ,§1 van de Wet van 27 juni 1969 dient verwezen te worden naar de artikelen 2 en 3 van de Wet van 3 juli 1978 (Wet op de Arbeidsovereenkomsten), waar dit begrip omschreven wordt als 'de overeenkomst waarbij een werknemer zich verbindt tegen loon, onder het gezag van een werkgever handarbeid of hoofdarbeid te verrichten.' De constitutieve elementen van een arbeidsovereenkomst zijn inderdaad de arbeid, het loon en het ondergeschikt verband. Het zijn deze drie constitutieve elementen die noodzakelijk samen aanwezig moeten zijn in de relatie tussen de vermoedelijke werkgever en de werknemer. Meestal kunnen de elementen 'arbeid' en 'loon' gemakkelijk worden aangetroffen in de samenwerking tussen de betrokken partijen en draait de hele betwisting rond het element 'gezag van de werkgever'. Ook in casu is het element 'arbeid' in de samenwerking tussen de betrokken partijen terug te vinden. Zowel H.H. als M.Z. waren verkopers bij appellante. Het was blijkbaar voor elk van beiden hun enige job. Het element 'loon' is eveneens in de samenwerking terug te vinden. Hun prestaties werden immers vergoed via een systeem van commissies met een gewaarborgd minimum. Blijft te onderzoeken of het derde element, namelijk het 'gezag' in deze samenwerking was terug te vinden. In de definitie van een arbeidsovereenkomst in de de artikelen 2 en 3 van de wet van 3 juli 1978 WAO wordt met 'gezag' het juridisch gezag bedoeld en niet het economisch gezag of de economische afhankelijkheid. Wat het juridisch werkgeversgezag is, kan worden afgeleid uit de volgende, ietwat moeilijke maar correcte definitie van een arbeidsovereenkomst: "Het geviseerde maatschappelijk fenomeen dat door artikel 2 en 3 Arbeidsovereenkomstenwet geregeld wordt, betreft deze economische relaties waarbij een 'werknemer' in de 'onderneming van zijn werkgever' een taak op zich neemt en met daadwerkelijke arbeidskracht invult die vanuit organisatorisch standpunt intern georganiseerd wordt en een onmisbare schakel is binnen de aaneensluitende productieprocessen om samen het maatschappelijk doel van de onderneming te verwezenlijken en over welke taak de werkgever, vanuit zijn eigendomsrecht, beleidsrecht en binnen de grenzen van de contractueel verworven aanvaarding door de werknemer het recht heeft deze taakomschrijving concreet en normerend voor de werknemer in te vullen." Het juridisch gezag is dan precies deze mogelijkheid voor de werkgever om de arbeid van zijn werknemer aan te wenden ter realisatie van zijn economisch project en deze aanwending ook van de werknemer af te dwingen binnen de krijtlijnen van de wet en van het contract. Voor een uiteenzetting meer in de diepte over de drie componenten van een arbeidsovereenkomst verwijst het Hof graag naar het schriftelijk advies van het Openbaar Ministerie. x x x Welke zijn nu de elementen die de R.S.Z. in het kader van de op hem rustende bewijslast aanvoert om dit werkgeversgezag aan te tonen in de concrete uitvoering van de overeenkomst? De R.S.Z. haalt deze elementen uit de verklaringen van P.D.J., de zaakvoerder van appellante en van H.H. en M.Z. . Er werd geen verder onderzoek gedaan op het werkveld zelf. De elementen. M.Z. werd door één van de zaakvoerders gecontacteerd om bij hen te komen werken. M.Z. verklaarde dat hij door één van de zaakvoerders werd gecontacteerd. Maar P.D.J., de zaakvoerder verklaarde dat M.Z. zich bij hen heeft aangeboden. De verklaringen spreken zich tegen. Ze heffen elkaar op. Vermits de R.S.Z. geen andere bewijselementen heeft dan deze verklaringen, heeft zij ook geen ander objectief bewijselement voorhanden om de ene of de andere verklaring te ondersteunen. Er is geen reden om meer geloof te hechten aan de ene dan aan de andere verklaring. Voor het Hof is dit element niet bewezen. De bewijskracht van het element komt daardoor niet eens aan de orde. H.H. reageerde op een advertentie van het M.H. waarin zelfstandige verkopers werden gezocht. Daar is niets mis mee. Zoals hogerop in dit arrest al werd aangegeven was H.H. zelf vragende partij om onder een zelfstandig statuut te presteren. Er kan dus geen sprake zijn van enige opdringerigheid bij appellante. Het staat appellante volkomen vrij om medewerkers te zoeken om op zelfstandige basis voor haar te werken. Het is geoorloofd. Medewerkers dan weer zijn eveneens volkomen vrij om op dit aanbod in te gaan. Het element is absoluut niet dienstig in het kader van de bewijsvoering die in dit geschil op de schouders van de R.S.Z. rust. M.H. opteerde voor zelfstandigen; zij zeggen niet de mogelijkheid te hebben om met werknemers te werken. Dat klinkt uiteraard verdacht in de oren van de R.S.Z. die meteen een stap verder zet en schijnzelfstandigheid vermoedt. Het is nochtans perfect geoorloofd om beroep te doen op zelfstandige medewerkers, ook al is men niet in staat om met werknemers te werken. Er bestaat immers geen enkele wettelijke verplichting om met werknemers in zee te gaan. Zolang men maar consequent blijft en zijn medewerkers inderdaad zelfstandig laat zijn door geen werkgeversgezag uit te oefenen, is er geen vuiltje aan de lucht. Het komt de R.S.Z. niet toe om te bewijzen waarom ook appellante opteerde voor een zelfstandige samenwerking. Zijn bewijsvoering spitst zich toe op het bestaan van werkgeversgezag. Het element is niet dienstig. De bezoldiging is vastgelegd door M.H. (beide verkopers hebben hetzelfde), de verhogingen worden door M.H. toegekend. De grootte van het percentage werd volgens M.Z. door de zaakvoerder vastgesteld. P.D.J. verklaarde aan de Inspectie: "De bezoldiging is als volgt geregeld: zij hebben 1,5% op de verkoop met een gewaarborgd minimum van oorspronkelijk 35.000 fr./maand. Momenteel is dat bedrag bepaald op 39.000 fr./maand. Dat bedrag is mondeling overeengekomen. (eigen onderlijning)" H.H. verklaarde dat er werd afgesproken wat ze verdiende. M.Z. verklaarde dat de grootte van het percentage door de zaakvoerder werd voorgesteld. Geen van deze drie verklaringen laten toe er van uit te gaan dat de bezoldigingen door appellante werden vastgesteld, te begrijpen als eenzijdig vooropgesteld, te nemen of te laten. Wat H.H. betreft, is het duidelijk: de bezoldiging is afgesproken, ze is voorwerp van een overeenkomst. Maar dit is ook het geval voor M.Z.. Hij vermeldt immers dat de bezoldiging werd aangeboden door appellante. Hij voegt er wel niet aan toe dat hij dat aanbod ook heeft aangenomen maar uit de context blijkt wel dat dit zo is. Er is immers nergens sprake van enig protest van hem of van een ander voorstel. Wanneer men een aanbod aanvaardt, is er even goed sprake van een overeenkomst. Trouwens hogerop in zijn verklaring geeft M.Z. aan dat de voorwaarden van de samenwerking werden afgesproken met appellante. Een van die voorwaarden is uiteraard de beloning. Er bestond wel degelijk een overeenkomst terzake. Het feit dat de beloning voor de prestaties wordt afgesproken tussen de betrokken partijen, behoort zo te zijn. En dat hoort zo niet alleen als de samenwerking een zelfstandig karakter draagt (omdat de zelfstandige vrij zijn prijs kan bepalen) maar dat hoort ook zo in een ondergeschikt verband. Ook daar komt het de werkgever niet toe om het loon eenzijdig te bepalen maar is het eigen aan een arbeidsovereenkomst dat men het eens is over het loon. Dat vervolgens de verhogingen van het maandelijks minimum gebeurden op het initiatief van appellante verandert daaraan niets. Het element is ofwel niet bewezen zoals het wordt aangebracht door de R.S.Z. ofwel neutraal bij de huidige beoordeling omdat het niet specifiek is. Er is een gewaarborgd minimumloon indien een bepaalde omzet niet wordt gehaald. Het element beloning bevat in casu een dubbel aspect. Enerzijds is het principe dat de verkopers op percent werden betaald, met een commissieloon dus. Deze manier van betalen is typisch voor een zelfstandige samenwerking. De medewerker kan immers door zijn inspanning zijn verdienste verhogen. Hierdoor kan hij de realisatie van zijn eigen economische doelstellingen beïnvloeden. Enkel het product van zijn arbeid wordt vergoed, niet de inzet van de arbeid zelf. Anderzijds is er het gegeven dat appellante een maandelijks minimum garandeert, dat ook bij ziekte wordt uitbetaald (zie verklaring van P.D.J.). Dit element verwijst naar een ondergeschikt verband. Betaald worden ongeacht het resultaat wijst op het bestaan van een middelenverbintenis en geen resultaatsverbintenis. Arbeid leveren in ondergeschikt verband houdt een middelenverbintenis in vanwege de werknemer. Het feit dat er effectief nooit op percent werd betaald, speelt bij de beoordeling geen rol. De betrokken partijen waren immers overeengekomen om met commissielonen te betalen. Het element beloning wijst in casu in twee richtingen: het principe om op percent te werken ondersteunt een zelfstandig statuut, het feit dat een maandelijks minimum ten allen tijde werd betaald, ondersteunt een werknemersstatuut. Beide verkopers werken uitsluitend voor het M.H. en in de lokalen van het M.H.. H.H. en M.Z. werken blijkbaar alleen voor appellante. H.H. legt dit uit door de bijkomende zorg die ze voor haar moeder heeft en die haar blijkbaar niet toelaat meer te werken dan wat ze deed. M.Z. verklaarde dat hij geen andere bron van inkomsten heeft dan zijn werk voor appellante. Nochtans staat het helemaal niet vast dat beide verkopers uitsluitend voor appellante moesten werken. Met andere woorden het is niet bewezen dat appellante had geëist dat ze exclusief voor haar zouden werken. P.D.J. maakt in zijn verklaring enkel een bezwaar tegen een eventuele medewerking van zijn verkopers voor een andere meubelzaak, maar hieruit kan niet worden afgeleid dat de verkopers exclusief werden opgeëist door appellante. Zolang ze niet voor de concurrentie gingen werken, bestond deze mogelijkheid allicht voor de twee verkopers. Er is dus niet bewezen dat appellante beslag legde op de arbeidstijd van haar medewerkers. Dit element van het werkgeversgezag is dan ook niet bewezen. Het feit dat zij prestaties leverden in de lokalen van appellante is geen element van werkgeversgezag maar wijst hoogstens op een economische afhankelijkheid van de medewerkers. Hun prestaties kaderden in de eerste plaats in de realisatie van het economisch project van appellante, dat prioritair was. Maar dat is nog geen bewijs van effectieve uitoefening van werkgeversgezag. Ook de hierna volgende elementen, zijn allemaal elementen die deze prioriteit van het economisch project van appellante ondersteunen. Meteen ook illustreren ze de economische afhankelijkheid van de beide verkopers: - beiden doen enkel de verkoop, hebben geen contacten met leveranciers en hebben geen inspraak in het algemeen beheer; - beiden hebben geen aandelen in de N.V. - de verkoopprijzen zijn vastgesteld door het M.H., kortingen zijn enkel mogelijk na overleg met de bestuurders; - beiden verkopers doen geen aankopen of verkopen in eigen naam; - beiden zeggen enkel tijdens de openingsuren van de zaak te kunnen komen, daarbuiten kunnen ze er niet terecht. H. zegt ook geen sleutel te hebben van de zaak. De zaak wordt steeds geopend en gesloten door een van de zaakvoerders; - de openingsuren zijn bepaalde door de bestuurders, evenals de sluitingsdag. Zoals hogerop in dit arrest al werd aangegeven, is economische afhankelijkheid helemaal niet hetzelfde als juridisch gezag. Bij het juridisch gezag draait het om de mogelijkheid van de werkgever om niet alleen bezit te nemen van de arbeid van zijn werknemer maar ook van de wijze en het tijdstip waarop die arbeid wordt gepresteerd. Al de bovenstaande elementen zeggen niets over deze wijze en het tijdstip. Ook niet het feit van zich te houden aan de openingsuren. Dat is nu eenmaal het specifieke van de opdracht. Er kunnen moeilijk meubels worden verkocht bij nacht en ontij. Ook de zelfstandige verkoper is aan deze uren gehouden, zoals in casu blijkt. Er is steeds één van de zaakvoerders aanwezig. Dat is uiteraard het goed recht van deze zaakvoerders en ook normaal omdat ze ook meedraaiden in de verkoop, aldus H.H. in haar verklaring. Als de R.S.Z. met dit element wil aangeven dat er controle werd uitgeoefend op het werk van de verkopers dan is dit niet terug te vinden in de verklaringen. Over controle wordt niet gesproken. Het element is niet dienstig. Conclusie: De elementen die de R.S.Z. aanhaalt om het werkgeversgezag te bewijzen zijn ofwel niet bewezen ofwel niet dienstig o.a. omdat ze wijzen op economische afhankelijkheid maar niet op juridisch gezag, ofwel onvoldoende sterk om de kwalificatie van zelfstandige samenwerking, die beide betrokken partijen uitdrukkelijk wilden, onderuit te halen. Bovendien geeft de Sociale Inspectie zelf een aantal elementen aan die het statuut van zelfstandige ondersteunen: - er zijn geen vaste dagen of uren waarop de verkopers verplicht dienen aanwezig te zijn; - zij kunnen vakantie nemen wanneer ze zelf willen; er is enkel overleg tussen hen beiden; - zij moeten geen verantwoording afleggen over hun aanwezigheid of verkoopsresultaten; - beiden zijn verzekerd als zelfstandige, en hebben een B.T.W.-nummer en handelsregister. Het aanwenden van formules, zoals de Unizo-formule en het afpunten van een aantal criteria die wijzen hetzij op zelfstandigheid, hetzij op werkgeversgezag, is in de huidige stand van de cassatierechtspraak niet relevant. De rechter moet immers op het werkveld niet meer alle concrete elementen verzamelen en deze dan uitsorteren deels naar een zelfstandig statuut, deels naar een werknemersstatuut toe en dan uitmaken welk statuut het sterkst wordt ondersteund, maar hij moet vertrekken van de kwalificatie die de partijen aan hun samenwerking hebben gegeven, oordelen hoe sterk deze kwalificatie is en in functie daarvan uitmaken of de R.S.Z. op het werkveld elementen kan aantreffen die deze kwalificatie uitsluiten. In casu is er sprake van een vrij sterke kwalificatie als zelfstandige en zijn er door de R.S.Z. onvoldoende krachtige elementen aangereikt die wijzen op werkgeversgezag en die de aangenomen kwalificatie uitsluiten. Eindconclusie. De R.S.Z. slaagt er niet in om naar recht het bestaan van werkgeversgezag te bewijzen. Van het bestaan van een arbeidsovereenkomst kan eerst sprake zijn als cumulatief de componenten arbeid, loon en gezag aanwezig zijn. Terzake is het element gezag niet bewezen, zodat de samenwerking tussen appellante en H.H. en M.Z. niet kan worden gekwalificeerd als een arbeidsovereenkomst. De oorspronkelijke vordering van de R.S.Z. is ongegrond. Het hoger beroep van appellante is gegrond. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Gehoord de heer J. DEKEERSMAEKER, Substituut-generaal, in de voorlezing van zijn gelijkluidend schriftelijke advies, gegeven ter openbare terechtzitting van 21 oktober 2004, waarover partijen geen opmerkingen hebben geformuleerd. Recht doende op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond. Vernietigt het vonnis van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen van 31 maart
  8. Opnieuw wijzende, verklaart de oorspronkelijke vordering van de R.S.Z. ontvankelijk doch ongegrond en wijst hem er van af. Legt de kosten van beide instanties, overeenkomstig artikel 1017, eerste lid van het Gerechtelijk Wetboek, ten laste van de R.S.Z. Vereffent de kosten aan de zijde van de R.S.Z. op 137,21 EUR dagvaarding, 200,79 EUR rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg en 279,62 EUR rechtsplegingsvergoeding beroep en de kosten aan de zijde van de N.V. op 200,79 EUR rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg, 279,62 EUR rechtsplegingsvergoeding beroep en 55,77 EUR uitgavenvergoeding. Aldus gewezen en uitgesproken door de vierde kamer van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, op de openbare terechtzitting van zestien december tweeduizend en vier, waar aanwezig waren: PDF document ECLI:BE:AHANT:2004:ARR.20041216.15 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021223.15 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040503.23 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.