← België

ECLI:BE:AHANT:2004:ARR.20041216.23

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 16 december 2004 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2004:ARR.20041216.23 Rolnummer: 2003-0295 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2005-04-14 Raadplegingen: 126 - laatst gezien 2026-07-01 01:33 Fiches 1 - 2 Wanneer de eerste rechters derhalve in het vonnis a quo de vordering van geïntimeerde gedeeltelijk gegrond verklaren op grond van de overweging dat appellante, "op wie de bewijslast rust, hier slechts gedeeltelijk slaagt om de op haar rustende bewijsvoering" dan passen zij de regels inzake de bewijslast verkeerd toe. Ten onrechte houdt geïntimeerde met verwijzing naar de conclusies van de Advocaat-generaal bij het arrest van het Hof van Cassatie (Cass., 14 januari 2002, R.W. 2002-2003, blz. 698) waarin deze benadrukt dat de beide partijen, dus ook de werkgever, hun medewerking moeten verlenen bij de bewijslevering, voor dat de werkgever in eerste instantie het bewijs moet leveren dat de door hem betaalde forfaitaire kostenvergoedingen aan zijn werknemers gelden als terugbetaling van werkelijk gemaakte kosten, die te zijnen laste vallen en dat hij pas tot bewijs geroepen wordt wanneer de werkgever op een aanvaardbare manier het bewijs levert en geïntimeerde blijft betwisten. Dit is niet de betekenis die het voornoemde cassatierarrest heeft. Het Hof aanvaardt deze interpretatie van geïntimeerde niet. Het moet vooreerst duidelijk zijn dat wanneer de werkgever een wat geïntimeerde noemt "aanvaardbaar" bewijs voorlegt, geïntimeerde dan ook moet overgaan tot het aanvaarden van dit bewijs en zich niet moet bezig houden met verder het tegendeel te blijven beweren. Geïntimeerde blijft - ten onrechte - de bewijslast leggen op de schouders van de werkgever. In eerste instantie is geïntimeerde aan zet om het bewijs te leveren dat de uitbetaalde vergoedingen als loon moeten worden aangemerkt. Het klopt dat de werkgever de speurtocht van geïntimeerde naar het nodige bewijs niet mag hinderen, en dat hij op de meest loyale manier moet meewerken aan het onderzoek dat geïntimeerde houdt. Hij mag geen gegevens achterhouden of dienstige informatie verzwijgen. Maar het is geïntimeerde die beslist hoe grondig hij zijn onderzoek zal voeren en welk bewijs hij zal voorbrengen. Schiet hij tekort, dan kan hij de schuld daarvoor niet afwentelen op de werkgever, tenzij is aangetoond dat deze werkgever obstructie leverde. Wat dit laatste betreft is het Hof van mening dat appellante zeker niet kan verweten worden tentijde van het onderzoek door de inspectiediensten van geïntimeerde zijn medewerking niet te hebben verleend van de bewijsvoering omtrent het bestaan en de realiteit van de betaalde onkostenvergoedingen hetgeen voldoende blijkt uit het administratief bundel zoals bijgebracht door geïntimeerde. Immers appellante heeft na de eerste controle door adjunct inspecteur C. K. onmiddellijk een opsomming gegeven van de categorieën en namen van de werknemers, de omschrijving van hun functie en de specificatie van de kosten die zij met het forfaitaire bedrag wenste te vergoeden. Eveneens heeft zij op het eerste verzoek de arbeidsovereenkomsten en loonboekjes van de werknemers voorgelegd en tenslotte was zij ook bereid stavingstukken van kosten bij te houden in afwachting van een later onderzoek. Uit de door appellante verstrekte gegevens blijkt dat er in het bedrijf van appellante twee categorieën van werknemers werkten namelijk buitendienstmedewerkers en binnendienstmedewerkers. Gelet op de voorgebrachte functieomschrijving van de buitendienstmedewerkers kan niet ernstig betwist worden dat deze werknemers kosten hadden die ten laste van appellante vielen en dat het inderdaad deze waren zoals omschreven in de brief van appellante dd. 24 februari

  1. De forfaitaire onkostenvergoedingen, vermeld voor de bij appellante tewerkgestelde binnendienstmedewerkers, kunnen niet als een reële "kostenvergoeding" worden beschouwd, zijn te bestempelen als verkapt loon, en er moeten SZ-bijdragen op worden betaald. Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID VOOR WERKNEMERS . ALGEMENE REGELING De bijdragen - berekening - loonbegrip - onkostenvergoeding - forfaitaire begroting - kosten eigen aan de werkgever - bewijslast. Wettelijke bepalingen: Wet - 12-04-1965 - 2 - 04 ELI link Pub nr 1965041207 Vrije woorden: ARBEIDSREGLEMENTERING . BESCHERMING VAN HET LOON Bepaling van het loon - bijdragen - berekening - loonbegrip - onkostenvergoeding - forfaitaire begroting - kosten eigen aan de werkgever - bewijslast. Wettelijke bepalingen: Wet - 27-06-1969 - 14 - 04 ELI link Pub nr 1969062710 Nota: Gerangschikt onder III H - artikel 2 en onder VII A - artikel
  2. Tekst van de beslissing ARREST A.R. 2030295 OPENBARE TERECHTZITTING VAN ZESTIEN DECEMBER TWEEDUIZEND EN VIER. In de zaak : V E NV, met zetel gevestigd te 3583 Beringen-Paal, Schekensstraat 6; appellante, verschijnend bij mr. J. PEETERS, advocaat te Hasselt. tegen : RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, openbare instelling met zetel gevestigd te 1060 Brussel, Victor Hortaplein 11; geïntimeerde, verschijnend bij mr. B. COOLS, advocaat te Lommel. Na over de zaak beraadslaagd te hebben, wijst het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, in openbare terechtzitting en in de Nederlandse taal het hiernavolgend arrest. Gezien de stukken van het dossier van rechtspleging, inzonderheid: - het bestreden tussenvonnis van de Arbeidsrechtbank te Hasselt gewezen op tegenspraak tussen partijen op 6 februari 2002, onder AR. nrs. 982239 en 982267, en waarvan geen betekening voorligt; - het verzoekschrift tot hoger beroep ontvangen ter griffie van het Arbeidshof op 4 augustus 2003 ; - de conclusies van appellante ontvangen ter griffie op 09 maart 2004 en de conclusies van geïntimeerde ontvangen ter griffie op 26 februari
  3. Gehoord de partijen in hun middelen en voordracht hunner conclusies ter zitting van 21 oktober
  4. Het hoger beroep werd tijdig en regelmatig naar vorm ingesteld en is ontvankelijk. I. Feiten en voorafgaande rechtspleging Appellante is bedrijvig in de ontwikkeling van hard- en software en heeft enerzijds medewerkers, in dienst die verantwoordelijk zijn voor de technische ondersteuning van de klanten in binnen- en buitenland (Nederland, Duitsland, Frankrijk, Engeland ...). In het kader van deze functie bezoeken zij dagelijks cliënteel. Anderzijds zijn er in het bedrijf administratie- en labo-medewerkers, welke, volgens bewering van appellante, nu en dan eens een buitendienst dienen uit te voeren. In de loop van 1995 werd er door de R.S.Z. een onderzoek uitgevoerd naar de door appellante aan haar personeelsleden uitbetaalde forfaitaire bedragen waarop geen S.Z.-bijdragen werden betaald. Er werd op 20 februari 1995 door de sociale inspecteur een bezoek afgelegd op het bedrijf van appellante en op 24 februari 1995 schrijft appellante het volgende aan de R.S.Z. : "-/- In navolging op uw bezoek, gelieve hieronder de gevraagde gegevens te willen vinden :
  5. Buitendienstmedewerkers : a. Taakomschrijving: Deze medewerkers zijn medewerkers zijn verantwoordelijk voor de technische ondersteuning van de klanten in binnen- en buitenland (Nederland, Duitsland, Frankrijk, Engeland ....) Uit dien hoofde bezoeken zij dagelijks ons klienteel. b. Auto : Aan de buitendienstmedewerkers wordt een personenauto ter beschikking gesteld. c. Vaste kostenvergoeding : Wordt uitgekeerd ter bestrijding van volgende kosten : - indien wordt overgewerkt, kosten van een bescheiden maaltijd, mits deze niet worden gedeklareerd of anderszins vergoed. - zakelijke telefoonkosten (thuis en onderweg) - abonnementen op vakliteratuur - kosten thuis ten behoeven van zakenrelaties en collega's (bv borrel, lunch, diner etc.....) - kosten thuis ivm thuiswerk (deelname in kantoorkosten) - represtentatiekosten : - lunchkosten - koffiegelden, kleine versnaperingen onderweg - parkeergelden, tolgelden, schoonhouden van de auto - kosten zakelijke bijeenkomsten, recepties etc...
  6. Andere medewerkers : a. Taakomschrijving : Administratie- en labo-medewerkers welke nu en dan eens buitendienst dienen uit te voeren. b. auto : er wordt geen auto ter beschikking gesteld. c. Vaste kostenvergoeding : Wordt uitgekeerd ter bestrijding van volgende kosten : - idem als bij de buitenmedewerkers, geen representatiekosten; - zakelijk gereden kilometers 'korte ritten' met eigen auto
  7. Lijst medewerkers : kosten eigen a. Buitendienst medewerkers : werkgever representatie -M, P : 5.000,- 3.000,- -V, R : 4.000,- 3.000,- -C, P : 5.000,- 3.000,- -E, S : 5.000,- 3.000,- -C, J : 2.000,- 3.000,- -C, R : 5.000,- 3.000,- b. Andere medewerkers : -V, K (4/5): 1.600,- 0,- -J, H : 4.000,- 0,- -V, J : 2.000,- 0,- -S, I : 0,- 1.370,-" (stuk 1 appellante) Bij verder onderzoek door de Inspectiediensten van geïntimeerde werd op 20 maart 1995 door P J, administratief en financieel manager, volgende verklaring afgelegd : "...Ik ben verantwoordelijk voor de verwerking van de loongegevens en prestaties van het personeel. Wij zijn van oordeel dat de forfaitaire onkosten die gemaakt worden door onze buitendienstmedewerkers niet - onderworpen zijn aan de sociale zekerheid daar deze kosten zijn gemaakt in functie van het bedrijf. Deze kosten zijn gefundeerd op vroeger gemaakte berekeningen. Wij kunnen geen bewijsstukken voorleggen van de per rubriek gemaakte kosten. Wat betreft de representatiekosten, hierbij volgen wij dezelfde redenering als voor de forfaitaire onkosten. Het enige verschil ligt hierin dat enkel de medewerkers in buitendienst representatiekosten ontvangen. Ik wil nog even rechtzetten dat de andere medewerkers ook forfaitaire onkosten ontvangen. Wij zijn bereid om eventueel in de toekomst voor de diverse rubrieken te werken met bewijsstukken in de mate van het mogelijke. Wij hebben gemakkelijkheidshalve met forfaitaire bedragen gewerkt (...)" (stuk 2 appellante) Geïntimeerde aanvaardde het standpunt van appellante niet en berichtte haar in haar schrijven van 28 februari 1996 het volgende : In algemene zin de Rijksdienst voor sociale zekerheid van oordeel dat als de werkgever bepaalde bedragen aan zijn werknemers betaalt, die hij beschouwt als " ... kosten die ten laste van der werkgever vallen", de werkgever in staat moet zijn deze bedragen te verantwoorden aan de hand van bewijsstukken. Het moet m.a.w. gaan om terugbetaling van bewijsbare, werkelijk gemaakte kosten. Er zal dan ook een nieuw onderzoek ingesteld worden om na te gaan of de voor te leggen bewijsstukken voldoende zijn om de forfaitaire kostenvergoedingen en representatiekosten als zodanig te aanvaarden." (stuk 3 appellante) In een schrijven van 22 januari 1997 kondigde inspecteur V H zijn bezoek aan en vroeg appellante tevens om de arbeidsovereenkomsten en loonboekjes van de werknemers ter beschikking te houden. (stuk 4 appellante) Binnen het bijkomende onderzoek, gevoerd door de Inspectiediensten, specificeerde J P nogmaals welke kosten eigen aan de werkgever gedekt werden door de forfaitair begrootte kostenvergoeding. "Ik heb niet stilgestaan bij de inhoud van de brief van de R.S.Z. van 28.02.1996 en niet gedacht dat er zo zou blijven aangedrongen worden. Deze bedragen zijn contractueel vastgelegd en volgens mij toch niet zo groot. Ik blijf dan ook bij mijn verklaring zoals uiteengezet in de brief aan Mevr. K. De kosten eigen aan de werkgever zijn een vaste kostenvergoeding voor werk thuis, telefoonkosten en diversen. Er worden geen overuren betaald. De representatiekosten dienen om onderweg te telefoneren, parking en om te gaan eten. Deze kosten zijn een verworven recht. M, C,, C, C, en E hebben elk een firmawagen die ook privé mag gebruikt worden. Dit voordeel wordt berekend op 5.000 fr/maand. Dit bedrag wordt van hun netto -loon afgehouden. Voor het gebruik van de firmawagen werd een contract opgemaakt, in hun arbeidsovereenkomst staat hierover niets vermeld. Ik wil benadrukken dat wij een servicebedrijf zijn. Onze mensen moeten van 8 u tot 20 u thuis stand-by blijven, zij werken over gans België, Nederland, Duitsland en Frankrijk. 4 van de 5 techniekers zijn constant op de baan. De vijfde is afwisselend een technieker die hier telefonisch bereikbaar is voor de klanten. Deze mensen moeten ook constant op de hoogte blijven van alle nieuwe ontwikkelingen op computergebied. Zij hebben allen een eigen computer thuis waarop ze dan thuis zelf de ontwikkelingen moeten volgen. Hun computer is niet ter beschikking gesteld door de firma, de software zijn kopies die de firma ter beschikking stelt." (stuk 5 appellante : Proces-verbaal van verhoor van de heer P J van 30 januari 1997.) Geïntimeerde herzag zijn ingenomen standpunt echter niet en bevestigde dit in zijn schrijven van 27 november
  8. "... delen wij u mee dat er op basis van artikel 22 van de wet van 27 juni 1969 ambtshalve regularisaties opgesteld zijn met betrekking tot de forfaitaire kostenvergoedingen en representatiekosten voor het 2de kwartaal 1993 tot en met het 4de kwartaal
  9. Uit verder onderzoek is immers gebleken dat er geen voldoende bewijsstukken voorgelegd konden worden. Het betreft regularisaties voor werknemers vanaf het 2de kwartaal 1993 (H J, P M en J V d P), vanaf het 4de kwartaal 1993 (R C, P C, J C en S E) en vanaf het 1ste kwartaal 1994 tot en met het 4de kwartaal 1996 (K V), en vanaf het 4de kwartaal 1993 tot en met het 3de kwartaal 1996 (R V)." (stuk 6 appellante) Naar aanleiding hiervan verstuurde geïntimeerde aan appellante ambtshalve wijzigende berichten van bijdragen voor een totaal bedrag van 2.069.363 BEF of EUR 51.298,17 : - Bericht van wijziging van 05 december 1997 : 71.952 BEF - Bericht van wijziging van 05 december 1997 : 385.582 BEF - Bericht van wijziging van 05 december 1997 : 286.708 BEF - Bericht van wijziging van 17 december 1997 : 234.897 BEF - Bericht van wijziging van 17 december 1997 : 471.333 BEF - Bericht van wijziging van 17 december 1997 : 618.891 BEF TOTAAL : 2.069.363 BEF EUR 51.298,17 (stuk 7 en 8 appellante) Appellante reageert hierop met schrijven van 18 december 1997 in volgende bewoordingen: "Wij verwijzen naar uw schrijven van 27 november ll. (en het daaruit voortvloeiend bericht van wijziging der bijdragen van 5 december ll.) waarin u meedeelt dat er met betrekking tot de forfaitaire kostenvergoedingen en representatiekosten voor het 2de kwartaal 93 tot en met het 4de kwartaal 96 ambtshalve regularisaties zijn opgesteld. Bij deze willen wij u melden dat wij geenszins akkoord kunnen gaan met de door u genomen beslissing, temeer daar u alle kosten voor het volledige bedrag zonder meer verwerpt. Wij zijn echter van oordeel dat het, ten minste voor een gedeelte, gaat om terugbetaling van bewijsbare, werkelijk gemaakte kosten. Vooreerst werd in een schrijven van 24.02.1995 aan adjunct-inspecteur mevrouw C K een opsomming gegeven van de gedekte kosten. Vervolgens werd tijdens het verhoor op 20.03.1995 bevestigd dat de terugbetaling van de kosten gebaseerd is op vroeger gemaakte berekeningen. Door mevrouw K werd aan voormelde werkgever niet gevraagd om eventueel gedurende een aantal maanden alle bewijsstukken te bewaren voor een bijkomend onderzoek. Door adjunct-inspecteur V H is dan een bijkomend onderzoek uitgevoerd op 30-01.
  10. In zijn schrijven van 22.01.1997 waarin hij zijn bezoek aankondigt, vraagt hij wel naar arbeidsovereenkomsten en loonboekjes, maar is er in het geheel geen sprake van eventuele verantwoordingsstukken voor de terugbetaalde kosten. Door de heer V H werd evenmin het voorstel gedaan om gedurende enkele maanden alle bewijsstukken te bewaren voor een bijkomend onderzoek. Wij willen u dan ook verzoeken om uw beslissing in heroverweging te nemen, en ons toe te laten om tijdens een bijkomend onderzoek aan te tonen dat, ten minste ten dele, de terugbetaling betrekking heeft op werkelijk gemaakte kosten. Met dit doel zal de werkgever vanaf heden gedurende enkele maanden alle bewijsstukken bewaren. Mogen wij u vragen gelet op het bericht van wijziging der bijdragen van 05.12.1997, ons te berichten voor 05-01-1998 ?" (stuk 9 appellante) Bij schrijven van 04 mei 1998 polst appelante naar de stand van zaken en benadrukt hierbij nogmaals de noodzaak van een bijkomend onderzoek. (stuk 10 appellante) De R.S.Z. reageert bij aangetekend schrijven van 03 september 1998 en geeft aan het verzoek van appelante tot herziening van het ingenomen standpunt een gunstig gevolg, hetgeen blijkt uit volgende tekst : "... Met de brief van 18.12.1997 van Dhr. P. D, Jurist van SAP NV (zie kopie als bijlage 3), werd gevraagd de beslissing opnieuw in overweging te nemen. De brief bevatte echter geen elementen om ons standpunt zoals meegedeeld in onze brief van 27.11.1997 te wijzigen. Een afgevaardigde van onze Inspectiediensten zal bij u langskomen om na te gaan of de forfaitaire kostenvergoedingen en representatiekosten voor de niet verjaarde periode alsnog voldoende kunnen bewezen worden. Tevens zal het onderzoek ook de periode vanaf het 1ste kwartaal 1997 betreffen. Gelieve bijgevolg de nodige stavingsstukken bij te houden." (stuk 11 appellante) Het bijkomend onderzoek werd door Sociaal Inspecteur van geïntimeerde, de Heer N uitgevoerd op 5 maart 1999 en deze stelde hiervan navolgend verslag op : "Bij het bezoek dd. 5/3/99 kon de heer P kostennotas voorleggen van de jaren 96, 97 en
  11. Deze kostennotas werden door de heer P per maand geklasseerd. De kostennotas werden niet per persoon bijgehouden. Zij dienden geen kostenstaat in te dienen om de forfaitaire vergoeding te ontvangen. In 98 wordt er nog aan volgende personen een forfaitaire vergoeding uitbetaald: M (123,95 onkostenvergoeding + 74,37 representatie), V d P (123,95 onkostenvergoeding) en J (99,16 onkostenvergoeding) Aangezien de stukken niet per persoon bijgehouden zijn, werd er een steekproef gedaan van een aantal maanden. Hieruit bleek dat er eigenlijk 2 belangrijke posten van kosten eigen aan de werkgever zijn voor de betrokken werknemers. Ten eerste zijn er parkeerkosten. Deze bedragen voor de 3 werknemers samen ongeveer 123,95 à 173,53 euro. Anderzijds zijn er kostennotas van representatie die toch ook rond de 123,95 euro bedragen (voor de werknemers samen). Er zijn dan ook nog bonnen van carwash en dergelijke. Deze personen rijden met een firmawagen en kunnen ook beschikken over een tankkaart van de firma. Zij dienen dus geen brandstofkosten te dragen die ten laste van de firma vallen. Volgens de heer P hadden de werknemers de kostennotas van 96 zelf bijgehouden. Hij heeft deze begin 97 opgevraagd na het bezoek van de heer V H. De bonnen van 97 en 98 werden regelmatig opgevraagd door de heer P en door hem bewaard. Beslissing aan de binnendiensten of de reeds opgestelde regularisaties behouden blijven of dienen aangepast te worden rekening houdende met de zaken zoals hierboven uiteengezet ". Geïntimeerde bleef echter op zijn standpunt dat de forfaitaire kostenvergoeding als loon dient beschouwd te worden en vordert uit dien hoofde achterstallige sociale zekerheidsbijdragen. Bij dagvaarding van 26 mei 1998 vorderde de R.S.Z. de veroordeling van appellante tot betaling van 493.353 BEF (EUR 12.229,90) te vermeerderen met de wettelijke intresten op 358.582 BEF (EUR 8.889,02) vanaf 09 september 1998 tot de dag der laatste betaling. Bij dagvaarding van 08 juni 1998 vorderde de R.S.Z. van appellante de betaling van 774.876 BEF (EUR 19.208,67) te vermeerderen met de wettelijke intresten op 618.891 BEF (EUR 15.341,91) vanaf 15 april 1998 tot de dag der laatste betaling. Tevens verzoekt de R.S.Z. in beide dagvaardingen hem voorbehoud te verlenen om later de betaling te vragen der bijdragen, evenals de ermede verbandhoudende bijslagen, die nog zouden kunnen verschuldigd zijn en/of nog te vervallen in de loop van het geding. Tenslotte, wordt gevraagd appellante te veroordelen tot te kosten van het geding, alsook de voorlopige tenuitvoerlegging te bevelen van het te vellen vonnis, niettegenstaande alle verhaalmiddelen, zonder borgstelling en met uitsluiting tot het recht van kantonnement. Bij tussenvonnis dd. 06 februari 2002 van de Arbeidsrechtbank te Hasselt werd, na samenvoeging van de zaken onder A.R. 982239 en 982267, de vordering van de R.S.Z. ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond verklaard, met name wordt gezegd : - dat appellante sociale zekerheidsbijdragen verschuldigd is op de kostenvergoedingen die zij over de beschouwde periode van het 2de kwartaal van 1993 tot en met het 4de kwartaal van 1996 aan haar binnendienstmedewerkers uitbetaalde; - dat appellante (ten dele) sociale zekerheidsbijdragen verschuldigd is op de kostenvergoedingen die zij over de beschouwde periode van het 2de kwartaal van 1993 tot en met het 4de kwartaal van 1996 aan haar buitendienstmedewerkers M, C, C, C, E en V uitbetaalde maar dat op de door de R.S.Z. weerhouden berekeningsbasis voor elk van de buitendienstmedewerkers een bedrag van 100 EUR per maand aan onkosten buiten beschouwing moet worden gelaten. Teneinde aan R.S.Z toe te laten een herberekening door te voeren van de door appellante verschuldigde sociale zekerheidsbijdragen en aanhorigheden, werd een heropening der debatten bevolen. Met verzoekschrift ontvangen ter griffie van het Hof tekent appellante hoger beroep aan tegen voormelde tussenvonnis. Met beroepsbesluiten ontvangen ter griffie dd. 26 februari 2004 stelt geïntimeerde incidenteel beroep in tegen het tussenvonnis en vraagt de toekenning van de oorspronkelijke vorderingen. Het incidenteel beroep is ontvankelijk. II. Ten gronde
  12. Huidig geschil heeft betrekking op de bijdragen, bijdrageopslagen en intresten die door geïntimeerde, na een ambtshalve regularisatie ingevolge een door zijn inspectiediensten gevoerd onderzoek, gevorderd worden en berekend op de loonmassa gevormd door maandelijks uitgekeerde forfaitaire kostenvergoedingen toegekend : - vanaf het 2de kwartaal 1993 tot 4de kwartaal 1996 voor de werknemers H J (4.000 BEF), P M (8.000 BEF), J V d P (2.000 BEF); - vanaf het 4de kwartaal 1993 tot 4de kwartaal 1996 voor de werknemers R C (8.000 BEF), P C (8.000 BEF), J C (5.000 BEF) en S E (8.000 BEF); - vanaf het 1ste kwartaal 1994 tot 4de kwartaal 1996 voor de werkneemster K V (1.600 BEF); - vanaf het 4de kwartaal 1993 tot 3de kwartaal 1996 voor de werknemer R V (7.000 BEF). Appellante kwalificeert de aan voormelde werknemers uitbetaalde bedragen als "kosten eigen aan de werkgever" terwijl geïntimeerde voorhoudt dat deze bedragen als "loon" dienen te worden beschouwd bij gebreke aan bewijs dat de aan de werknemers betaalde vergoedingen werkelijke kosten eigen aan de werkgever vertegenwoordigen.
  13. Overeenkomstig artikel 14, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders en artikel 23, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers worden de bijdragen voor sociale zekerheid berekend op het loon van de werknemer, zoals dat begrip wordt bepaald bij artikel 2 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers en behoudens verruiming of beperking door de Koning. Het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders voorziet in artikel 19 in een aantal vergoedingen die niet onder de toepassing vallen van het in de sociale zekerheid geldende loonbegrip, zodat er evenmin inhoudingen of bijdragen op verschuldigd zijn. Zo wordt onder meer niet als loon aangemerkt: "de kosten die ten laste van zijn werkgever vallen" (artikel 19, ,§2, 4° eerste lid K.B. van 28 november 1969). Kosten die ten laste van de werkgever vallen in de zin van artikel 19, ,§2, 4° van het koninklijk besluit van 28 november 1969 zijn: 1) de kosten die inherent zijn aan de eigenlijke uitvoering van de arbeidsovereenkomst, ook zonder uitdrukkelijke verbintenis van de werkgever, tenzij partijen het tegendeel hebben bedongen; 2) de kosten die het gevolg zijn van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst zonder inherent aan die uitvoering te zijn, in zoverre de werkgever ertoe verplicht is die kosten te dragen krachtens een wet, een CAO, een individuele overeenkomst of zelfs een eenzijdige verbintenis van de werkgever (zie conclusie adv.-gen. Bresseleers bij Cass. 17 mei 1993, R.W. 1993-1994, 399, nr. 7; Van Hoogenbemt, H., "Een belangrijk cassatiearrest. Vergoedingen aan buitenlandse kaderleden en sociale zekerheid", Or., 1993, 188, nr. 9). De verruimingen of beperkingen op het loonbegrip die worden uiteengezet in het koninklijk besluit van artikel van 28 november 1969 vormen een constitutief bestanddeel van het wettelijk gedefinieerde loonbegrip voor de berekening van de R.S.Z.-bijdragen. In die optiek zijn beperkingen, zoals de vrijstelling voor kostenvergoedingen, geen excepties die de werkgever moet bewijzen, maar vormen zij een intrinsiek bestanddeel van het loonbegrip, waarvan R.S.Z. als eisende partij de invulling moet bewijzen (concl. Eerste Advocaat-generaal J.F. LECLERCQ vóór Cass 14 januari 2002, J.T.T. 2002, 105; M. De Vos, R.S.Z.-bijdragen en het bewijs van beroepskostenvergoedingen, noot onder Cass., 14 januari 2002, R.W. 2002-2003, 698) Ook het Hof van Cassatie aanvaardt dat de R.S.Z. dus niet alleen het bestaan van `loon' in de zin van artikel 2 van de Loonbeschermingswet moet bewijzen, maar ook de niet-toepasselijkheid van artikel 19, ,§2, 4° telkens hij bijdragen vordert op bedragen die de werkgever heeft toegekend onder de kwalificatie `kostenvergoedingen'. (Cass., 14 januari 2002, R.W 2002-2003, 698) Wanneer de eerste rechters derhalve in het vonnis a quo de vordering van geïntimeerde gedeeltelijk gegrond verklaren op grond van de overweging dat appellante, "op wie de bewijslast rust, hier slechts gedeeltelijk slaagt in de op haar rustende bewijslevering" dan passen zij de regels inzake de bewijslast verkeerd toe. Ten onrechte houdt geïntimeerde met verwijzing naar de conclusies van de Advocaat-generaal bij hoger vermeld arrest van het Hof van Cassatie waarin deze benadrukt dat de beide partijen, dus ook de werkgever, hun medewerking moeten verlenen bij de bewijslevering, voor dat de werkgever in eerste instantie het bewijs moet leveren dat de door hem betaalde forfaitaire kostenvergoedingen aan zijn werknemers gelden als terugbetaling van werkelijk gemaakte kosten, die te zijnen laste vallen en dat hij pas tot bewijs geroepen wordt wanneer de werkgever op een aanvaardbare manier het bewijs levert en geïntimeerde blijft betwisten. Dit is niet de betekenis die het voornoemde cassatiearrest heeft. Het Hof aanvaardt deze interpretatie van geïntimeerde niet. Het moet vooreerst duidelijk zijn dat wanneer de werkgever een wat geïntimeerde noemt "aanvaardbaar" bewijs voorlegt, geïntimeerde dan ook moet overgaan tot het aanvaarden van dit bewijs en zich niet moet bezig houden met verder het tegendeel te blijven beweren. Geïntimeerde blijft - ten onrechte - de bewijslast leggen op de schouders van de werkgever. In eerste instantie is geïntimeerde aan zet om het bewijs te leveren dat de uitbetaalde vergoedingen als loon moeten worden aangemerkt. ` Het klopt dat de werkgever de speurtocht van geïntimeerde naar het nodige bewijs niet mag hinderen, en dat hij op de meest loyale manier moet meewerken aan het onderzoek dat geïntimeerde houdt. Hij mag geen gegevens achterhouden of dienstige informatie verzwijgen. Maar het is geïntimeerde die beslist hoe grondig hij zijn onderzoek zal voeren en welk bewijs hij zal voorbrengen. Schiet hij tekort, dan kan hij de schuld daarvoor niet afwentelen op de werkgever, tenzij is aangetoond dat deze werkgever obstructie leverde. Wat dit laatste betreft is het Hof van mening dat appellante zeker niet kan verweten worden tentijde van het onderzoek door de inspectiediensten van geïntimeerde zijn medewerking niet te hebben verleend van de bewijsvoering omtrent het bestaan en de realiteit van de betaalde onkosten vergoedingen hetgeen voldoende blijkt uit het administratief bundel zoals bijgebracht door geïntimeerde. Immers appellante heeft na de eerste controle door adjunct inspecteur C. K onmiddellijk een opsomming gegeven van de categoriën en namen van de werknemers, de omschrijving van hun functie en de specificatie van de kosten die zij met het forfaitaire bedrag wenste te vergoeden. Eveneens heeft zij op het eerste verzoek de arbeidsovereenkomsten en loonboekjes van de werknemers voorgelegd en tenslotte was zij ook bereid stavingsstukken van kosten bij te houden in afwachting van een later onderzoek. Uit de door appellante verstrekte gegevens blijkt dat er in het bedrijf van appellante twee categorieën van werknemers werkten namelijk buitendienstmedewerkers en binnendienstmedewerkers. Gelet op de voorgebrachte functieomschrijving van de buitendienstmedewerkers kan niet ernstig betwist worden dat deze werknemers kosten hadden die ten laste van appellante vielen en dat het inderdaad deze waren zoals omschreven in de brief van appellante dd. 24 februari
  14. (stuk 1 appellante) Wat nu de bedragen betreft werden deze door appellante forfaitair begroot. De forfaitaire vaststelling van een kostenvergoeding wijst als dusdanig niet op een fictieve kost en vormt geen beletsel voor het bestaan van een werkelijke kostenvergoeding (VAN EECKHOUTTE, W., "Het begrip loon in de bijdrageregeling van het sociaal zekerheidsstelsel van werknemer. Algemene beginselen", in VAN STEENBERGE, J. en JORENS, Y., Het loonbegrip, p. 57, nr. 92; zie ook Arbh. Antwerpen (afd. Hasselt) 27 april 1999, R.W. 1999-00, 1300; Cass. 14 februari 2000, Soc. Kron. 2000, 479) Forfaitaire vergoedingen kunnen onder de toepassing van artikel 19, ,§2, 4° van het K.B, van 28 november 1969 vallen wanneer de werkelijke kosten moeilijk kunnen worden bepaald of' de berekening of terugbetaling op praktische bezwaren stuit. Vereist is dan wel dat het forfait overeenkomstig ernstige en met elkaar overeenstemmende criteria werd bepaald en in redelijke verhouding staat tot de grootte van de werkelijke uitgaven (zie R. Boes, Terugbetaling van kosten en toekenning van voordelen, in Aanwerven, Tewerkstellen, Ontslaan (A.T.O.), T 204-260; adv.-gen. G. Bresseleers, conclusie bij Cass 17 mei 1993, R. W. 1993-94, 399) Een kostenvergoeding verwerpen omdat ze niet worden verantwoord door bewijsstukken is een miskenning van het begrip forfait. Het is de essentie van een forfait dat het forfait niet telkens moet worden bewezen. Een forfaitair kostensysteem kan slechts een herkwalificering van de uitgekeerde vergoeding als loon tot gevolg hebben indien en in de mate dat het bedrag buitensporig is (zie Arbh. Luik, 3 november 1994, J.T.T. 1995, 100). In onderhavig geschil is het Hof van oordeel dat de door appellante betaalde forfaitaire kostenvergoedingen aan zijn buitendienstmedewerkers in een redelijke verhouding staan tot de werkelijke uitgaven. Het voorgaande (aard, realiteit en evenredigheid dezer kosten) wordt ten genoege van recht aangetoond door het verslag van het laatste door de inspecteur van geïntimeerde (de Heer J. N) bij appelante op 5 maart 1999 uitgevoerde onderzoek. Immers hieruit blijkt dat appellante toen wel kostennota's kon voorleggen voor de jaren 1996, 1997 en
  15. Uit een door de inspecteur doorgevoerde steekproef blijkt dat er twee belangrijke kostenposten zijn, in het bijzonder : - parkeerkosten ten bedrage van 41,32 tot 57,84 Euro per werknemer - representatiekosten ten bedrage van 41,32 Euro per werknemer Daarnaast werden er nog bonnen voor carwash en dergelijke bijgebracht waarvoor geen specifiek bedrag bepaald werd door de onderzoekende inspecteur. Hoewel het ging om gegevens die ten dele slaan op een periode daterend van na die waarover de huidige vorderingen zich uitstrekken, zijn er geen aanwijzingen waaruit moet worden afgeleid dat er een wezenlijk onderscheid bestond tussen de werksituatie tijdens de periode waarvoor de steekproef werd gehouden en de periode waarop de huidige vorderingen slaan; de door de RSZ-inspecteur uitgevoerde steekproef kan volgens het Hof dan ook als representatief worden aanvaard voor de periode waarover de huidige vorderingen zich uitstrekken. Rekeninghoudend met het voorgaande en tevens met het feit dat buiten de hoger vermelde kosten ook nog de bij de werknemer thuis gemaakte kosten zoals deelname in de kantoorkosten voor telefoon, electriciteit en vakliteratuur (gelet op de specifieke en snel wijzigende branche) dienen gevoegd kunnen de door appellante in rekening gebrachte forfaitaire kostenbedragen voor de buitendienstmedewerkers als correct aanvaard worden. De door de eerste rechters voorgehouden begroting van 100 Euro per maand per buitendienstmedewerker kan niet gevolgd worden nu de eerste rechters duidelijk geen rekening hielden met de "bonnen voor carwash en dergelijke" en met voormelde bij de werknemers "thuis gemaakte kosten". Voor wat de binnendienstmedewerkers betreft kan het Hof de eerste rechters wel bijtreden waar deze de door appellante voorgehouden "kosten ten laste van de werkgever" verwerpen. Naar oordeel van het Hof blijkt uit de verhoren van de gevolmachtigde van appellante voldoende naar recht dat de binnendienstmedewerkers in werkelijkheid geen "kosten ten laste van de werkgever" hadden. Immers op 20 maart 1995 verklaart de administratief en financieel manager van appellante aan de inspecteur het volgende : "Wij zijn van oordeel dat de forfaitaire onkosten die gemaakt worden door onze buitendienstmedewerkers niet onderworpen zijn aan de sociale zekerheid dat deze kosten zijn gemaakt in functie van het bedrijf. " (Proces-verbaal van verhoor van P J van 20 maart 1995 - eigen onderlijning door het Hof - stuk 2 appellante) De forfaitaire onkosten van de binnendienstmedewerkers worden blijkbaar niet betwist alleszins wordt dit als zodanig niet beweert door deze manager. Ook in het verhoor dd. 30 januari 1997 heeft de administratief en financieel manager het alleen over de buitendienstmedewerkers en verdedigt hij enkel de voor deze in aanmerking genomen kosten (stuk 5 appellante) Voorgaande houding en handelwijze duidt er volgens het Hof op dat appellante zich in feite neerlegde bij de door geïntimeerde voorgehouden verwerping van de kosten voor de binnenmedewerkers. Vooral het verweer van de afgevaardigde van appellante tijdens het verhoor dd. 30 januari 1997 maakt de bewering van appellante dat de binnenmedewerkers nu en dan eens buitendienst dienden uit te voeren met hun persoonlijk voertuig ongeloofwaardig en indien derhalve zulke occasionele buitendienst niet door de binnenmedewerkers werd uitgeoefend wordt door het Hof niet ingezien welke onkosten zulk een in "binnendienst" tewerkgestelde werknemer aan zijn werkgever dan wel dient voor te schieten en te bekostigen. Uit het onderzoeksverslag opgesteld door inspecteur J. N naar aanleiding van de controle uitgevoerd op 5 maart 1999 kan het bewijs niet gehaald worden dat de binnenmedewerkers eveneens onkosten hadden. Immers uit het verslag blijkt dat de alsdan door appellante voorgelegde kostennota's niet per persoon werden bijgehouden. De inspecteur maakt ook melding van het feit dat in 1998 nog een forfaitaire vergoeding werd uitbetaald aan M, V d P en J. Wanneer de inspecteur dan verder stelt : "dat er eigenlijk twee belangrijke posten van kosten eigen aan de werkgever zijn voor de betrokken werknemers. Ten eerste zijn er parkeerkosten. Deze bedragen voor de 3 werknemers samen ongeveer 5 à 7.000 frank. Anderzijds zijn er kostennota's voor representatie die toch ook rond de 5.000 frank bedragen (voor de werknemers samen). Er zijn dan ook nog bonnen van carwash en dergelijke. Deze personen rijden met een firmawagen en kunnen ook beschikken over een tankkaart van de firma. Zij dienen dus geen brandstofkosten te dragen die ten laste van de firma vallen." (eigen onderlijning door het Hof) dan is het duidelijk dat de inspecteur niet gesproken heeft over de binnenmedewerkers V d P en J, waarvan hij hoger enkel stelde dat deze in 1998 nog een forfaitaire vergoeding kregen uitbetaald nu - en dit wordt niet betwist door appellante - de binnenmedewerkers in tegenstelling tot de buitenmedewerkers geen representatiekosten en geen firmawagen of tankkaart hadden. De forfaitaire onkostenvergoedingen, vermeld voor de bij appellante tewerkgestelde binnendienstmedewerkers, kunnen bijgevolg niet als een reële "kostenvergoeding" worden beschouw, zijn te bestempelen als verkapt loon, en er moeten S.Z.-bijdragen op worden betaald. Het hoger beroep is deels gegrond met name voor wat de kosten van de buitendienstmedewerkers betreft. Geïntimeerde dient in functie hiervan een herberekening door te voeren van de alsdan door appellante nog verschuldigde bijdragen en aanhorigheden. Ten dien einde dienen de debatten te worden heropend. OP D I E G R O N D E N, Het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, vierde kamer. Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Gehoord het Openbaar Ministerie, vertegenwoordigd door de heer R. NELISSEN, Advocaat-generaal, in zijn deels gelijkluidend mondeling advies op de openbare terechtzitting van 21 oktober 2004, waaromtrent partijen verklaren geen opmerkingen te hebben. Na beraadslaging, rechtdoende op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en deels gegrond.. Vernietigt het vonnis van de Arbeidsrechtbank te Hasselt waar het voor recht zegt dat appellante tevens ten dele S.Z.-regularisatiebijdragen verschuldigd is op de kostenvergoedingen die zij over de beschouwde periode van het 2de kwartaal van 1993 tot en met het 4de kwartaal van 1996 aan haar buitendienstwerknemers M, C, C, C, E, V uitbetaalde, en dat daarbij op de door de R.S.Z. weerhouden berekeningsbasis voor elk van de buitendienstmedewerkers een bedrag van 100 EUR (honderd euro) per maand aan onkosten buiten beschouwing moet worden gelaten. En opnieuw rechtdoende. Zegt voor recht dat appellante geen S.Z.-regularisatiebijdragen verschuldigd is op de kostenvergoedingen die zij over de beschouwde periode van het 2de kwartaal 1993 tot en met het 4 de kwartaal 1996 aan haar buitendienstwerknemers M, C, C, C, E en V uitbetaalde. Bevestigt het vonnis voor het overige. Zegt voor recht dat er door geïntimeerde een herberekening moet worden doorgevoerd van de alsdan door appellante verschuldigde S.Z.-bijdragen en aanhorigheden en voorziet hiertoe in een heropening der debatten op de openbare terechtzitting van de vierde kamer op 3 maart 2005 te 14.30 uur. Houdt ondertussen de uitspraak over de kosten aan. Aldus gewezen en uitgesproken door de vierde kamer van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, zitting houdend te Hasselt in openbare terechtzitting van zestien december tweeduizend en vier, waar aanwezig waren: PDF document ECLI:BE:AHANT:2004:ARR.20041216.23 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.