id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 16 december 2004 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2004:ARR.20041216.5 Rolnummer: 2003-0325 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2005-03-10 Raadplegingen: 257 - laatst gezien 2026-07-04 06:34 Fiches 1 - 2 De kwalificatie die de betrokken partijen aan hun samenwerking gaven, moet het voorwerp zijn van een overeenkomst tussen hen. De schriftelijke overeenkomst waarbij deze partijen hun samenwerking kwalificeerden als een zelfstandige samenwerking en de conforme uitvoering van deze overeenkomst, maken dat de kwalificatie van zelfstandige samenwerking als uitgangspunt in aanmerking wordt genomen. Deze kwalificatie van zelfstandige samenwerking kan pas dan opzij worden geschoven wanneer er in de concrete en dagelijkse werkomstandigheden elementen zijn terug te vinden die enerzijds bouwstenen zijn van een arbeidsovereenkomst en die anderzijds zwaarwichtig genoeg zijn om de overeengekomen kwalificatie uit te sluiten. Vrije woorden: DE ARBEIDSOVEREENKOMSTEN schijnzelfstandigheid - koerierdienst - kwalificatie van partijen - schriftelijke overeenkomst - beoordeling vanuit de concrete werkomstandigheden. Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 2en3 Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID VOOR WERKNEMERS toepassingsgebied - personen - schijnzelfstandigheid - koerierdienst - kwalificatie van partijen - schriftelijke overeenkomst - beoordeling vanuit de concrete werkomstandigheden. Wettelijke bepalingen: Wet - 27-06-1969 - 1§1 Nota: Gerangschikt onder II AAN - artikelen 2 en 3 en onder VII A - artikel 1 ,§
- Tekst van de beslissing A.R. Nr. 2030325 OPENBARE TERECHTZITTING VAN ZESTIEN DECEMBER TWEEDUIZEND EN VIER In de zaak: N.V. E.S., met zetel gevestigd te X appellante, voor wie verschijnt: mr. J. P. loco mr. L. V. B., advocaat te W, tegen : RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, openbare instelling met zetel gevestigd te 1060 Brussel, Victor Hortaplein 11, geïntimeerde, voor wie verschijnt: mr. M.C. P., advocaat te A. Na over de zaak te hebben beraadslaagd, wijst het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, het hiernavolgende arrest. Gelet op de zittingsbladen van 4 juni 2003, van 3 september 2004 en van 18 november 2004; Gelet op de stukken van de rechtspleging, waaronder: x het voor eensluidend verklaarde afschrift van het vonnis van 24 maart 2003 op tegenspraak gewezen door de Arbeidsrechtbank te Antwerpen. (A.R. 334.647) x het verzoekschrift in hoger beroep, neergelegd ter griffie van dit Hof op 14 mei 2003 en ter kennis gebracht overeenkomstig artikel 1056 van het Gerechtelijk Wetboek op 15 mei 2004; x de conclusies voor de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, ontvangen ter griffie van het Hof op 2 februari 2004; x de conclusies voor de N.V. E.S., neergelegd ter griffie van het Hof op 2 juni 2004; x de tweede conclusies voor de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, ontvangen ter griffie van het Hof op 6 juli 2004; Gelet op de stukken in het naar behoren geïnventariseerde dossier van partijen. Gehoord de partijen in de voordracht van hun conclusies en verweermiddelen tijdens de openbare terechtzitting van 18 november
- Gehoord het mondelinge advies van het Openbaar Ministerie op de openbare terechtzitting van 18 november
- De ontvankelijkheid. Het hoger beroep is naar termijn en vorm regelmatig ingesteld en de ontvankelijkheid ervan wordt niet betwist. Het hoger beroep is dan ook ontvankelijk. Feiten en voorgaanden. Naar aanleiding van een klacht van K.E. bij het Arbeidsauditoraat in Antwerpen over zijn tewerkstelling als zelfstandige chauffeur bij A-E (op 1 maart 1998 E.S. geworden) start de Sociale Inspectie een onderzoek naar de tewerkstelling bij deze laatste. Werden verhoord A.P., de zaakvoerder, K.E., de klager en W.V., een andere medewerker. Appellante zal in conclusies opmerken dat andere medewerkers buiten deze twee niet worden verhoord. De Inspectie komt op basis van deze verhoren tot de conclusie dat de prestaties werden geleverd onder een werknemersstatuut en niet onder een zelfstandig statuut. Zij komt tot die conclusie op basis van de volgende elementen: x W.V. verklaarde dat hij verplicht werd om onder zelfstandig statuut te werken; x beide chauffeurs reden met eigen wagen, maar werden verplicht reclame van A.E. aan te brengen op hun wagen; x E.K. was verplicht om zich een witte stationwagen aan te schaffen; x geen van beide chauffeurs bezat aandelen van A.E., ze hadden ook geen deelname in winst of verlies, ze moesten geen borg betalen; x er werd met beide chauffeurs een schriftelijke overeenkomst afgesloten. K.E. sprak van een éénzijdige overeenkomst, waarbij alle voorwaarden vermeld in de overeenkomst bepaald werden door de firma A.E.; x in deze overeenkomst tussen A.E. en K.E. werden volgende voorwaarden gesteld:
- de chauffeur moest steeds bereikbaar zijn;
- de chauffeur moest een witte bestelwagen ter beschikking stellen en publiciteit van A.E. laten aanbrengen op zijn wagen;
- de chauffeur werd geacht een verzorgde kledij en haartooi te dragen;
- de chauffeur moest de door A.E. verstrekte verzendingsnota's naar behoren en volledig invullen;
- de chauffeur moest A.E. schriftelijk verwittigen indien er aan zijn voertuig tijdroverende reparaties moesten worden uitgevoerd;
- telkens nadat een rit werd afgehandeld, d.w.z. nadat de goederen werden gelost, moest de chauffeur het kantoor van A.E. contacteren en melden dat de goederen werden gelost, alsook op welke plaats hij zich bevond;
- ingeval van eender welke schade moest de chauffeur onmiddellijk A.E. verwittigen, alsook een schaderapport opstellen in tweevoud, één exemplaar voor A.E. en één exemplaar voor de verzekeraar;
- A.E. genoot de exclusiviteit voor het door de chauffeur ter beschikking gestelde voertuig;
- K.E. moest zijn voertuig alle werkdagen van de week ter beschikking stellen van A.E.;
- in de overeenkomst werd een niet-concurrentiebeding opgenomen. De chauffeur mocht op 1 jaar na de duur van de overeenkomst niet voor de concurrentie werken;
- bij faling zou de overeenkomst van rechtswege beëindigd worden;
- K.E. ontving 9 ex BEF per kilometer; x door de chauffeurs moest er gebeld worden naar het kantoor, elke keer als de goederen geleverd waren; x over de vergoeding met A.E. kon er niet onderhandeld worden; x de chauffeurs moesten, volgens de instructies van A.E., een boekje van A.E. invullen met alle wachttijden, uur van aankomst bij de klant enz... De chauffeur moest zijn vervoersdocumenten elke dag binnenbrengen bij A.E.. De klant tekende steeds de vervoersdocumenten; x er was controle op het geleverde werk van de chauffeurs, via de binnengebrachte vervoersdocumenten. Een dispatcher van A.E. wist steeds waar de chauffeurs zich bevonden, omdat de chauffeurs moesten bellen na elke opdracht. x het aantal door de chauffeurs te factureren kilometers werd door A.E. bepaald via een computerprogramma. De afstanden die de chauffeurs moesten afleggen van hun woonplaats tot aan de startplaats of van hun woonplaats tot aan de klant, werden niet vergoed; x contractueel werd tussen A.E. en de chauffeurs vastgelegd wanneer de chauffeur beschikbaar moest zijn. De chauffeur kon hierbij wel kiezen hoeveel dagen en welke tijdstippen dat hij beschikbaar wou zijn. Tijdens deze vastgelegde periodes moest de chauffeur wel steeds beschikbaar zijn; x A.E. bepaalde autonoom wanneer en hoe vaak zij de chauffeur een opdracht toekende. De chauffeur kon de aangeboden opdracht eventueel wel weigeren; x K.E. verklaarde geen inbreng te hebben in de organisatie van het werk. Op 24 augustus 2000 liet de R.S.Z. aan appellante weten dat de prestaties van K.E. en W.V. dienden onderworpen te worden aan het stelsel der sociale zekerheid voor werknemers en dat hij zou overgaan tot ambtshalve aangifte van deze prestaties voor de periode van 20 mei 1996 tot en met 30 september 1996 voor K.E. en voor de periode van 21 oktober 1996 tot en met 30 november 1996 voor W.V.. Appellante weigerde over te gaan tot vrijwillige regeling. De R.S.Z. ging op 7 mei 2002 over tot dagvaarding. Het bestreden vonnis. De eerste rechter verklaarde bij vonnis van 24 maart 2003 de vordering van de R.S.Z. ontvankelijk en gegrond en veroordeelde appellante tot de gevorderde bedragen. Er werd geen akte van betekening voorgebracht. Eisen in hoger beroep. De N.V. E.S. tekende beroep aan tegen dit vonnis a quo bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van dit Hof op 14 mei
- Zij verzoekt het hoger beroep toelaatbaar en gegrond te verklaren, het vonnis a quo teniet te doen en opnieuw recht doende, in hoofdorde de oorspronkelijke eis van de R.S.Z. ontvankelijk doch ongegrond te verklaren, in ondergeschikte orde E.S. toe te laten te bewijzen door alle middelen van recht, inclusief getuigenverhoor dat K.E. en W.V. niet in ondergeschikt verband werkten, doch zelfstandigen waren. Tevens de R.S.Z. te veroordelen tot de kosten van beide aanleggen. Grieven: x er is geen toepassing van de R.S.Z.-wet omdat de medewerkers met een eigen wagen reden; x de werkelijke wil van partijen prevaleert; x elementen die wijzen op zelfstandigheid:
- vrije keuze van district
- mogelijkheid tot vervanging
- vrijheid om werk al dan niet aan te nemen
- vrijheid om vakantie te nemen
- geen rechtvaardiging van afwezigheden
- vrijheid om voor anderen te werken
- vrijheid om te beëindigen
- geen vergadering bijwonen
- inschrijving in het handelsregister en B.T.W.
- geen controle en richtlijnen. Bij conclusies, ontvangen ter griffie van dit Hof op 6 juli 2004, vordert de R.S.Z. het hoger beroep af te wijzen als ongegrond, het vonnis a quo te bevestigen en de N.V. E.S. te veroordelen tot de kosten. In Rechte. Een probleem van schijnzelfstandigheid, zoals het zich ook in deze zaak stelt, moet worden benaderd vanuit het volgende principe: "Wanneer uit de uitvoering van de overeenkomst blijkt dat partijen hun samenwerking op een zelfstandige basis hebben georganiseerd dan kan de rechter daar geen andere kwalificatie voor in de plaats stellen, wanneer de elementen die aan zijn beoordeling worden voorgelegd de door de partijen aangenomen kwalificatie niet uitsluiten". Dit principe wordt ook vooropgesteld door het Hof van Cassatie in zijn arresten o.a. van 23 december 2002, van 28 april 2003 en van 3 mei 2004: (Cass., 23 december 2002 - rolnummer S.01.0169.F ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021223.15 - raadpleging via internet: www.cass.be > NL > Hof van Cassatie > arresten van het Hof > datum ingeven > lijst > nr. JC02CN6_1) (Cass., 28 april 2003 - rolnummer S.010.169.F - raadpleging via internet : www.cass.be > NL > Hof van Cassatie > arresten van het Hof > datum ingeven > lijst > nr. JC034S1_1) en Cass., 3 mei 2004 - rolnummer S.03.0108.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040503.23/1 - raadpleging via internet : www.cass.be > NL > Hof van Cassatie > arresten van het Hof > datum ingeven > lijst > nr. RC04534_1) Voor het Hof houdt deze recente cassatierechtspraak in dat er niet langer in het feitenmateriaal moet worden gezocht naar de bouwstenen die hetzij een zelfstandig statuut samenstellen, hetzij een werknemersstatuut. Men dient te vertrekken van de kwalificatie die de betrokken partijen aan hun samenwerking hebben gegeven en er dient te worden onderzocht of de feitelijke realiteit dit statuut niet tegenspreekt. Het Hof kan zich bij deze aanpak aansluiten omdat op die manier de vrijheid tot het sluiten van een overeenkomst, een belangrijk principe uit het verbintenissenrecht, wordt verzoend met het dwingend karakter van het arbeidsrecht. x x x Het eerste wat moet worden onderzocht is of uit de uitvoering van de overeenkomst blijkt dat appellante en respectievelijk K.E. en W.V. hun samenwerking op zelfstandige basis hebben georganiseerd. In het administratief dossier is een schriftelijke overeenkomst terug te vinden waarvan zowel K.E. als W.V. verklaarden deze te hebben ondertekend. Deze overeenkomst is een verder ingevulde modelovereenkomst die als model is opgemaakt om te worden afgesloten tussen twee handelsondernemingen. Een arbeidsovereenkomst kan nooit tussen twee rechtspersonen worden afgesloten. Het is duidelijk dat zowel K.E. als W.V. deze overeenkomst als zelfstandigen hebben aangegaan. Enkel in die hoedanigheid was het afsluiten van de modelovereenkomst zinvol. Geen van beiden ontkent trouwens dat zij als zelfstandigen tot deze overeenkomst zijn toegetreden. Zij zijn beiden trouwens ingegaan op een advertentie waarin op zoek gegaan werd naar zelfstandige medewerkers. Op 2 februari 1998, ruim een jaar na het einde van de samenwerking, verkaart W.V. aan de Sociale Inspectie dat hij verplicht werd als zelfstandige voor appellante te werken. Hij verduidelijkt echter niet op welke wijze appellante hem hiertoe verplichtte. K.E. verklaarde op 9 juni 1999, bijna drie jaar na het einde van de samenwerking met appellante, dat de afgesloten overeenkomst een eenzijdige overeenkomst was, waarmee hij allicht bedoelde dat deze overeenkomst aan hem werd opgedrongen. Om uit te maken hoe deze betrokken partijen hun samenwerking kwalificeerden, aanvaardt het Hof niet dat de medewerkers in tempore non suspecto een schriftelijke overeenkomst van zelfstandige samenwerking ondertekenden en ook zo uitvoerden en later, een ruime poos na de beëindiging van de samenwerking, deze kwalificatie op de helling zetten door te spreken van dwang. Gelet op het bestaan van de schriftelijke overeenkomsten en de conforme uitvoering ervan, neemt het Hof aan dat ten tijde van de samenwerking de betrokken partijen hun samenwerking kwalificeerden als een zelfstandige samenwerking. Tenslotte waren zij ingegaan op een advertentie die duidelijk gewag maakte van het zelfstandig karakter van de samenwerking, zoals ze zelf verklaarden, zodat zij in volle bewustzijn en uit vrije wil deze vorm van samenwerking aangingen. Zij waren daartoe niet verplicht. x x x De R.S.Z. meent nu dat dit zelfstandige statuut in de dagelijkse realiteit van de samenwerking niet overeind kan blijven en hij is van oordeel dat er voor K.E. en W.V. sprake is van prestaties als werknemer. In het licht van het hogerop geformuleerde uitgangspunt moet er worden onderzocht welke concrete elementen in de dagelijkse realiteit van deze samenwerking dit statuut van zelfstandige aan het wankelen brengen. Deze elementen moeten eerst en vooral worden aangereikt én bewezen door de R.S.Z. op wie de bewijslast rust. Bovendien, enkel wanneer deze elementen bouwstenen zijn van een arbeidsovereenkomst en ze gewichtig genoeg zijn, kunnen ze het overeengekomen zelfstandige statuut opzij duwen. Ze moeten, zoals gezegd, terug te vinden zijn in de concrete en dagelijkse werkomstandigheden op het werkveld zelf. Immers artikel 1, ,§1 van de Wet van 27 juni 1969 tot herziening van de Besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders bepaalt: "Deze wet vindt toepassing op de werknemers en werkgevers die door een arbeidsovereenkomst zijn verbonden." Voor de definitie van het begrip 'arbeidsovereenkomst', gebruikt in artikel 1, ,§1 van de Wet van 27 juni 1969 dient verwezen te worden naar de artikelen 2 en 3 van de Wet van 3 juli 1978 (Wet op de Arbeidsovereenkomsten), waar dit begrip omschreven wordt als 'de overeenkomst waarbij een werknemer zich verbindt tegen loon, onder het gezag van een werkgever handarbeid of hoofdarbeid te verrichten.' De constitutieve elementen van een arbeidsovereenkomst zijn inderdaad de arbeid, het loon en het ondergeschikt verband. Het zijn deze drie constitutieve elementen die noodzakelijk samen aanwezig moeten zijn in de relatie tussen de vermoedelijke werkgever en de werknemer. Meestal kunnen de elementen 'arbeid' en 'loon' gemakkelijk worden aangetroffen in de samenwerking tussen de betrokken partijen en draait de hele betwisting rond het element 'gezag van de werkgever'. Ook in casu is het element 'arbeid' in de samenwerking tussen de betrokken partijen terug te vinden. Zowel K.E. als W.V. presteerden koerierdiensten voor appellante. Het element 'loon' is eveneens in de samenwerking terug te vinden. Hun prestaties werden immers vergoed met een vaste prijs per kilometer. Blijft te onderzoeken of het derde element, namelijk het 'gezag' in deze samenwerking was terug te vinden. In de definitie van een arbeidsovereenkomst in de de artikelen 2 en 3 van de Wet van 3 juli 1978 WAO wordt met 'gezag' het juridisch gezag bedoeld en niet het economisch gezag of de economische afhankelijkheid. Wat het juridisch werkgeversgezag is, kan worden afgeleid uit de volgende, ietwat moeilijke maar correcte definitie van een arbeidsovereenkomst: "Het geviseerde maatschappelijk fenomeen dat door artikel 2 en 3 Arbeidsovereenkomstenwet geregeld wordt, betreft deze economische relaties waarbij een 'werknemer' in de 'onderneming van zijn werkgever' een taak op zich neemt en met daadwerkelijke arbeidskracht invult die vanuit organisatorisch standpunt intern georganiseerd wordt en een onmisbare schakel is binnen de aaneensluitende productieprocessen om samen het maatschappelijk doel van de onderneming te verwezenlijken en over welke taak de werkgever, vanuit zijn eigendomsrecht, beleidsrecht en binnen de grenzen van de contractueel verworven aanvaarding door de werknemer het recht heeft deze taakomschrijving concreet en normerend voor de werknemer in te vullen." Het juridisch gezag is dan precies deze mogelijkheid voor de werkgever om de arbeid van zijn werknemer aan te wenden ter realisatie van zijn economisch project en deze aanwending ook van de werknemer af te dwingen binnen de krijtlijnen van de wet en van het contract. x x x Welke zijn nu de elementen die de R.S.Z. in het kader van de op hem rustende bewijslast aanvoert om dit werkgeversgezag aan te tonen in de concrete uitvoering van de overeenkomst? De R.S.Z. haalt deze elementen uit de verklaringen van A.P., de zaakvoerder van appellante en van K.E. en W.V.. Er werd geen verder onderzoek gedaan op het werkveld zelf. Nochtans waren ook andere zelfstandige medewerkers op dat ogenblik actief bij appellante en zelfs werknemers in dienstverband. Bovendien moeten de verklaringen van K.E. en W.V. met de nodige voorzichtigheid worden gehanteerd omdat zij kaderen in een onderzoek dat is opgestart naar aanleiding van een klacht post factum van K.E.. Meer bepaald zijn deze verklaringen niet onbevangen en spontaan afgelegd maar dienen ze een bepaald doel. Het komt er voor de R.S.Z. op aan bewijs aan te brengen uit de periode van de samenwerking zelf
(1996)toen er nog geen sprake was van enige klacht. Daarom was het zo belangrijk om ook de andere medewerkers aan de tand te voelen. De elementen. W.V. verklaarde dat hij verplicht werd om onder zelfstandig statuut te werken. Het is niet omdat W.V. verklaarde dat hij verplicht werd om als zelfstandige te werken dat daardoor de samenwerking zelf plots geen zelfstandige samenwerking meer was en dat er sprake is van werkgeversgezag. Door een verklaring kan men geen gezag installeren. Het gezag was aanwezig of het was niet aanwezig, dat moet de R.S.Z. aantonen. Bovendien moeten, zoals gezegd, de verklaringen met de nodige omzichtigheid worden benaderd. Het element is niet dienstig. Beide chauffeurs reden met eigen wagen, maar werden verplicht reclame van A.E. aan te brengen op hun wagen. K.E. was verplicht om zich een witte stationwagen aan te schaffen. Dat de chauffeurs met hun eigen wagen reden is eerder een element dat wijst op zelfstandige samenwerking. Dit element werkt contraproductief. Dat zij verplicht waren om met een bepaalde kleur van wagen rond te rijden en hierop reclame te voeren is een element van economische afhankelijkheid van de chauffeurs van appellante. Het beduidt dat het economisch project van appellante primeerde en dat de chauffeurs daar een bijdrage moesten aan leveren, maar het is geen element van juridisch werkgeversgezag dat betrekking heeft niet op de auto's van de chauffeurs maar op hun persoon. Het element is niet dienstig. Geen van beide chauffeurs bezat aandelen van A.E., ze hadden ook geen deelname in winst of verlies, ze moesten geen borg betalen. Ook dit zijn elementen van economische afhankelijkheid en niet van juridisch werkgeversgezag. Omgekeerd, moesten de medewerkers wél aandelen hebben gehad van appellante of deel genomen hebben in winst of verlies, zou dit een sterke aanwijzing zijn geweest van zelfstandige samenwerking. Maar het is niet zo dat, nu er deze deelname in het bedrijf van appellante niet was, dat meteen het werkgeversgezag is bewezen. Het element is niet dienstig. Er werd met beide chauffeurs een schriftelijke overeenkomst afgesloten. K.E. sprak van een éénzijdige overeenkomst, waarbij alle voorwaarden vermeld in de overeenkomst bepaald werden door de firma A.E.. Dit is opnieuw een verklaring post factum, die geen steun vindt in andere objectieve elementen van het dossier. De verklaring van de klager die weet waarmee hij bezig is moet met de nodige omzichtigheid worden benaderd. Opnieuw, zelfs al zou bewezen zijn dat de zelfstandige overeenkomst aan K.E. werd opgedrongen, dan nog blijft dit element neutraal bij de beoordeling of er nu al dan niet effectief sprake is geweest van werkgeversgezag. Het verhoogt alleen de kans dat er dit gezag inderdaad was, maar bewijzen doet het niets. Het element is niet dienstig. In deze overeenkomst tussen A.E. en K.E. werden volgende voorwaarden gesteld (opsomming zie hoger, onder de rubriek 'feiten en voorgaanden'). Al deze elementen komen uit een overeenkomst die bij uitstek werd opgemaakt om een samenwerking op zelfstandige basis tot stand te brengen. Ze dienen om het economisch project van appellante te dienen en ze illustreren bijgevolg de economische afhankelijkheid van de medewerkers K.E. en W.V.. Zij zijn geen illustratie van het bestaan van juridisch werkgeversgezag. Dat is het geval voor de volgende elementen: de chauffeur moest steeds bereikbaar zijn - de chauffeur moest een witte bestelwagen ter beschikking stellen en publiciteit van A.E. laten aanbrengen op zijn wagen - de chauffeur werd geacht een verzorgde kledij en haartooi te dragen - de chauffeur moest de door A.E. verstrekte verzendingsnota's naar behoren en volledig invullen - de chauffeur moest A.E. schriftelijk verwittigen indien er aan zijn voertuig tijdroverende reparaties moesten worden uitgevoerd - telkens nadat een rit werd afgehandeld, d.w.z. nadat de goederen werden gelost, moest de chauffeur het kantoor van A.E. contacteren en melden dat de goederen werden gelost, alsook op welke plaats hij zich bevond - ingeval van eender welke schade moest de chauffeur onmiddellijk A.E. verwittigen, alsook een schaderapport opstellen in tweevoud, één exemplaar voor A.E. en één exemplaar voor de verzekeraar - A.E. genoot de exclusiviteit voor het door de chauffeur ter beschikking gestelde voertuig - K.E. moest zijn voertuig alle werkdagen van de week ter beschikking stellen van A.E.. In de overeenkomst werd een niet-concurrentiebeding opgenomen. De chauffeur mocht op 1 jaar na de duur van de overeenkomst niet voor de concurrentie werken. Het opnemen van een niet-concurrentiebeding is niet typisch en exclusief voor een arbeidsovereenkomst. Het komt in overeenkomsten van zelfstandige samenwerking evengoed voor. Bovendien is maar zeer de vraag of dit concurrentiebeding ook effectief was. Geen van beide medewerkers maakt melding dat hij na het beëindigen van de samenwerking nog door appellante werd lastig gevallen. Appellante verklaarde ter terechtzitting bij monde van haar raadsman dat dit beding in de overeenkomst werd opgenomen om het afwerven van medewerkers door de concurrentie te beletten. Maar ook het bestaan van dergelijk beding zegt niets over het feit of er al dan niet gezag werd uitgeoefend. Bij faling zou de overeenkomst van rechtswege beëindigd worden. Hiermee is het faillissement van de medewerker bedoeld. Het wijst op het zelfstandig karakter van de samenwerking. Het element werkt contraproductief. K.E. ontving 9 ex BEF per kilometer. Een prijs per kilometer is een element dat verwijst naar een beloning enkel voor het afgeleverd werk, niet voor de inzet van de arbeid (wordt met een uurloon, maandloon en dgl. vergoed). Het is een element dat er op wijst dat door de medewerker een resultaatsverbintenis werd nagekomen. Deze elementen zijn illustratief voor een zelfstandige samenwerking. Ze zijn contraproductief. Over de vergoeding met A.E. kon er niet onderhandeld worden. A.P. herhaalt in zijn verklaring van 8 juni 1999 aan de Sociale Inspectie tot tweemaal toe dat de kilometerprijs van 9 ex BEF met de medewerkers werd overeengekomen. De verklaringen spreken elkaar tegen. Het element is niet bewezen. Er was controle op het geleverde werk van de chauffeurs, via de binnengebrachte vervoersdocumenten. Een dispatcher van A.E. wist steeds waar de chauffeurs zich bevonden, omdat de chauffeurs moesten bellen na elke opdracht. Dit soort opvolging is specifiek in het kader van een koeriersbedrijf. Toezicht op wat de medewerkers precies doen en of zij het doen volgens de opgelegde instructies zodanig dat de opdrachtgever het tijdsgebruik van deze medewerkers in de hand heeft is een element van werkgeversgezag. Maar hier is er twijfel of het dit toezicht is dat appellante organiseerde dan wel of de medewerkers gewoon werden gevolgd in het kader van de bedeling aan de klanten, zodat de ene bediening de andere efficiënt kon opvolgen. In deze optiek is er geen sprake van werkgeversgezag. Het element is onvoldoende bewezen. Het aantal door de chauffeurs te factureren kilometers werd door A.E. bepaald via een computerprogramma. Dit element is een element van opdringerigheid van de opdrachtgever in de manier van belonen. Daarom is het een element van werkgeversgezag. De afstanden die de chauffeurs moesten afleggen van hun woonplaats tot aan de startplaats of van hun woonplaats tot aan de klant, werden niet vergoed. Dit element is een element dat wijst op zelfstandige samenwerking. Immers in het kader van een arbeidsovereenkomst wordt het woon- werkverkeer meestal vergoed. Het element is contraproductief. Contractueel werd tussen A.E. en de chauffeurs vastgelegd wanneer de chauffeur beschikbaar moest zijn. De chauffeur kon hierbij wel kiezen hoeveel dagen en welke tijdstippen dat hij beschikbaar wou zijn. Tijdens deze vastgelegde periodes moest de chauffeur wel steeds beschikbaar zijn. Het feit dat de medewerker mag kiezen wanneer hij beschikbaar is, wijst op zelfstandigheid. Het element werkt contraproductief. Dat hij dan tijdens periodes van beschikbaarheid ook effectief beschikbaar was, is niet meer dan normaal. De dienstverlening mag immers niet in gedrang komen. A.E. bepaalde autonoom wanneer en hoe vaak zij de chauffeur een opdracht toekende. De chauffeur kon de aangeboden opdracht eventueel wel weigeren. Het kunnen weigeren van een opdracht is typisch voor een zelfstandige samenwerking. Het element werkt eens temeer contraproductief. Conclusie: De elementen die de R.S.Z. aanhaalt om het werkgeversgezag te bewijzen zijn ofwel niet dienstig omdat ze wijzen op economische afhankelijkheid maar niet op juridisch gezag, ofwel niet bewezen ofwel onvoldoende sterk om de kwalificatie van zelfstandige samenwerking, die de betrokken partijen uitdrukkelijk wilden, onderuit te halen. Sommige elementen zijn zelfs contraproductief. In de afgelegde verklaringen zitten bovendien een aantal elementen die het zelfstandige statuut ondersteunen zoals: de mogelijkheid om werk te weigeren, het zelf kunnen bepalen wanneer er vakantie werd genomen, het niet moeten verantwoorden van afwezigheid, de mogelijkheid om voor anderen te werken, de mogelijkheid om zich te laten vervangen. Het aanwenden van formules, zoals de Unizo-formule en het afpunten van een aantal criteria die wijzen hetzij op zelfstandigheid, hetzij op werkgeversgezag, is in de huidige stand van de cassatierechtspraak niet relevant. De rechter moet immers op het werkveld niet meer alle concrete elementen verzamelen en deze dan uitsorteren deels naar een zelfstandig statuut, deels naar een werknemersstatuut toe en dan uitmaken welk statuut het sterktst wordt ondersteund, maar hij moet vertrekken van de kwalificatie die de partijen aan hun samenwerking hebben gegeven, oordelen hoe sterk deze kwalificatie is en in functie daarvan uitmaken of de R.S.Z. op het werkveld elementen kan aantreffen die deze kwalificatie uitsluiten. In casu is er sprake van een kwalificatie als zelfstandige en zijn er door de R.S.Z. onvoldoende krachtige elementen aangereikt die wijzen op werkgeversgezag en die de aangenomen kwalificatie uitsluiten. Eindconclusie. De R.S.Z. slaagt er niet in om naar recht het bestaan van werkgeversgezag te bewijzen. Van het bestaan van een arbeidsovereenkomst kan eerst sprake zijn als cumulatief de componenten arbeid, loon en gezag aanwezig zijn. Terzake is het element gezag niet bewezen, zodat de samenwerking tussen appellante, K.E. en W.V. niet gekwalificeerd kan worden als een arbeidsovereenkomst. De oorspronkelijke vordering van de R.S.Z. is ongegrond. Het hoger beroep van appellante is gegrond. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Gehoord de heer J. DEKEERSMAEKER, Substituut-generaal, in zijn gelijkluidend mondelinge advies, gegeven ter openbare terechtzitting van 18 november 2004. De raadsman van appellante werd gehoord in zijn opmerkingen i.v.m. het advies. De raadsman van geïntimeerde verklaarde geen opmerkingen te hebben i.v.m. het advies. Recht doende op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond. Vernietigt het vonnis van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen van 24 maart 2003. Opnieuw wijzende, verklaart de oorspronkelijke vordering van de R.S.Z. ontvankelijk doch ongegrond en wijst hem er van af. Legt de kosten van beide instanties, overeenkomstig artikel 1017, eerste lid van het Gerechtelijk Wetboek, ten laste van de R.S.Z. Vereffent de kosten aan de zijde van de R.S.Z. op 85,70 EUR dagvaarding, 200,79 EUR rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg en 279,62 EUR rechtsplegingsvergoeding beroep en aan de zijde van de N.V. op 200,79 EUR rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg en 279,62 EUR rechtsplegingsvergoeding beroep. Aldus gewezen en uitgesproken door de vierde kamer van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, op de openbare terechtzitting van zestien december tweeduizend en vier, waar aanwezig waren: PDF document ECLI:BE:AHANT:2004:ARR.20041216.5 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021223.15 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040503.23 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div