← België

ECLI:BE:AHANT:2004:ARR.20041216.9

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 16 december 2004 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2004:ARR.20041216.9 Rolnummer: 2004-0096 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2005-11-10 Raadplegingen: 291 - laatst gezien 2026-07-04 11:03 Fiches 1 - 2 De kwalificatie die de betrokken partijen aan hun samenwerking gaven, moet het voorwerp zijn van een overeenkomst tussen hen. Bij het ontbreken van dergelijke overeenkomst moeten in de concrete uitvoering van de samenwerking de verschillende elementen worden verzameld die het ene en/of het andere statuut ondersteunen en moet vervolgens het statuut worden aangenomen dat door de zwaarwichtigste elementen wordt ondersteund. Vrije woorden: DE ARBEIDSOVEREENKOMSTEN schijnzelfstandigheid - kwalificatie van partijen - ontbreken van overeenkomst - kwalificatie dient niet als vertrekbasis - beoordeling op basis van de elementen in de concrete uitvoering. Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 2en3 Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID VOOR WERKNEMERS toepassingsgebied - personen - schijnzelfstandigheid - kwalificatie van partijen - ontbreken van overeenkomst - kwalificatie dient niet als vertrekbasis - beoordeling op basis van de elementen in de concrete uitvoering. Wettelijke bepalingen: Wet - 27-06-1969 - 1§1 Nota: Gerangschikt onder II AAN - artikelen 2 en 3 en onder VII A - artikel 1 ,§

  1. Annotaties Publicaties: JOURNAL DES TRIBUNAUX DU TRAVAIL - - 2005(00927,P.395-396) Tekst van de beslissing A.R. Nr. 2040096 OPENBARE TERECHTZITTING VAN ZESTIEN DECEMBER TWEEDUIZEND EN VIER In de zaak: D.M. B.V.B.A., met zetel gevestigd te X, appellante, voor wie verschijnt: mr. G. M. loco mr. L. V. advocaat te H, tegen : RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, openbare instelling met zetel gevestigd te 1060 Brussel, Victor Hortaplein 11, geïntimeerde, voor wie verschijnt: mr. G. V. D. E., advocaat te G. Na over de zaak te hebben beraadslaagd, wijst het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, het hiernavolgende arrest. Gelet op de zittingsbladen van 3 maart 2004 en van 18 november 2004; Gelet op de stukken van de rechtspleging, waaronder: x het voor eensluidend verklaarde afschrift van het vonnis van 22 januari 2004, op tegenspraak gewezen door de Arbeidsrechtbank te Turnhout. (A.R. 74.274) x het verzoekschrift in hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit Hof op 9 februari 2004 en ter kennis gebracht overeenkomstig artikel 1056 van het Gerechtelijk Wetboek op 9 februari 2004; x de conclusies voor de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, ontvangen ter griffie van het Hof op 8 maart 2004; x het verzoekschrift in toepassing van artikel 747, ,§2 van het Gerechtelijk Wetboek van Mr. G. V.D. E., ontvangen ter griffie van dit Hof op 9 april 2004; x opmerkingen van mr. L. V. voor appellant, ontvangen ter griffie van dit Hof op 19 april 2004; x de beschikking van J. Verhavert, Raadsheer, in toepassing van artikel 747, ,§2 van het Gerechtelijk Wetboek van 7 mei 2004; x de conclusies voor B.V.B.A. D.M., ontvangen ter griffie van het Hof op 2 juni 2004; x de antwoordconclusies voor de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, ontvangen ter griffie van het Hof op 16 augustus 2004; x de syntheseconclusies voor de B.V.B.A. D.M., neergelegd ter griffie van dit Hof op 23 september 2004; Gelet op de stukken van het administratief dossier. Gelet op de stukken in het naar behoren geïnventariseerde dossier van geintimeerde. Gehoord de partijen in de voordracht van hun conclusies en verweermiddelen tijdens de openbare terechtzitting van 18 november
  2. Gehoord het mondelinge advies van het Openbaar Ministerie op de openbare terechtzitting van 18 november
  3. De ontvankelijkheid. Het hoger beroep is naar termijn en vorm regelmatig ingesteld en de ontvankelijkheid ervan wordt niet betwist. Het hoger beroep is dan ook ontvankelijk. Feiten en Voorgaanden. De B.V.B.A. D.M. baat een schrijnwerkerij uit in G. K. D.M. leerde via zijn vrouw W.G. kennen. Die had een herscholing als schrijnwerker gevolgd bij de V.D.A.B. en was werkloos. Beiden gingen blijkbaar akkoord om samen te werken. Vanaf dan lopen de versies uiteen hoe deze samenwerking in concreto verliep. Feit is dat er werd samengewerkt als zelfstandigen onder het statuut van werkend vennoot. K. D.M. houdt voor dat op basis van het bouwplan werd beslist wie welk gedeelte voor zijn rekening nam en dat de afwerking vervolgens zelfstandig gebeurde, een beetje ieder voor zich. W.G. bevestigt dat hij enkel met de B.V.B.A. kon samenwerken onder een zelfstandig statuut omdat er geen financiële ruimte was om als werknemer aan de slag te gaan. Hij beschrijft zijn taken louter als uitvoerend. De samenwerking hield stand tussen 1 maart 1997 en 30 april
  4. Na afloop van deze tewerkstelling startte de R.S.Z. een onderzoek naar de aard van de samenwerking van W.G. met de B.V.B.A. Het is niet duidelijk op wiens initiatief dit onderzoek precies plaatshad. Het is pas op 25 september 2001 dat K. D.M. werd ondervraagd. Het verhoor van W.G. dateerde van 12 januari
  5. Het onderzoek beperkte zich tot het verhoor van de betrokken partijen. Op 15 januari 2002 sloot de Sociale Inspectie zijn onderzoek af met een verslag. De Inspectie kwam tot het besluit dat Wr.G. zijn prestaties leverde onder het gezag van de B.V.B.A. en dit op basis van de volgende elementen: x G. was vennoot in de B.V.B.A. met 10 aandelen (van de 1000), contant betaald (volgens werkgever, volgens G. : geen betaling) en vermeld in het aandelenregister; x G. werkte soms alleen, soms samen met D.M., soms met werknemers samen op de werf, de opdrachten kwamen steeds van D.M., G. had geen contact met klanten en stelde geen prijsoffertes op, voor een werk werd er wel met hem besproken hoelang hij dacht nodig te hebben voor een bepaalde opdracht, materiaal werd ter beschikking gesteld door de B.V.B.A., hij had geen inzage in de boekhouding en diende zich niet bezig te houden met de administratie; x G. maakte geen facturen aan de B.V.B.A. Hij werd per gewerkt uur betaald. Enig detail van de gewerkte uren werd niet bijgehouden na betaling. Hij ontving geen vergoeding voor verplaatsingen naar de werf. Hij deed deze meestal met eigen vervoer omdat zijn werkuren niet gelijk waren aan die van D.M. of zijn werknemers. G. werkte niet steeds 5 dagen per week maar hij kwam steeds aan een totaal van 40 uur/week; x beiden verklaarden dat G. voor de B.V.B.A. werkte tot 30 april 1998 maar er werden vergoedingen betaald tot 30 juni 1998 en ook zo vermeld op de individuele rekening en in de boekhouding; x vakantie kon genomen worden in onderling overleg, februari 1998 is hij drie weken thuis geweest wegens ziekte, de vergoeding voor die maand is dan ook lager. Op 14 maart 2002 liet de R.S.Z. weten aan de B.V.B.A. dat W.G. voor zijn tewerkstelling diende onderworpen te worden aan het stelsel der sociale zekerheid voor werknemers en kondigde hij de ambtshalve aangifte aan van zijn prestaties voor de periode van het eerste kwartaal 1997 tot en met het tweede kwartaal
  6. Omdat geen vrijwillige regeling volgde, dagvaardde de R.S.Z. de B.V.B.A. op 24 juni 2002 enerzijds voor een bedrag van 5.192,76 EUR en anderzijds voor een bedrag van 33.045,74 EUR. Het bestreden vonnis. De eerste rechter verklaarde bij vonnis van 22 januari 2004 de vordering ontvankelijk en gegrond en verwees de B.V.B.A. tot betaling van de kosten. Er wordt geen akte van betekening voorgebracht. Eisen in hoger beroep. De B.V.B.A. tekende beroep aan tegen dit vonnis a quo bij verzoekschrift, ontvangen ter griffie van dit Hof op 9 februari
  7. Zij verzoekt het hoger beroep toelaatbaar en gegrond te verklaren, het vonnis a quo teniet te doen en opnieuw recht doende, de oorspronkelijke eis ontvankelijk doch ongegrond te verklaren en de R.S.Z. te veroordelen tot de kosten van beide aanleggen. Grieven: x er is wel degelijk sprake van een zelfstandige samenwerking; x de B.V.B.A. stelt wel degelijk personeel tewerk; x W.G. bezat een aankoopoptie voor meer aandelen; x geen minimumloon gegarandeerd; x W.G. had een eigen werkplaats met eigen machines; x feit dat W.G. enkel uitvoerende taken voor zijn rekening nam, is niet relevant bij de beoordeling; x W.G. kon zelf bepalen wanneer hij vakantie nam; x W.G. werkte meestal zelfstandig op de werven; x controle staat zelfstandige medewerking niet in de weg. Bij conclusies, ontvangen ter griffie van dit Hof op 16 augustus 2004, vordert de R.S.Z. het hoger beroep af te wijzen als ongegrond met bevestiging van het vonnis a quo. In Rechte. Een probleem van schijnzelfstandigheid, zoals het zich ook in deze zaak stelt, moet worden benaderd vanuit het volgende principe: "Wanneer uit de uitvoering van de overeenkomst blijkt dat partijen hun samenwerking op een zelfstandige basis hebben georganiseerd dan kan de rechter daar geen andere kwalificatie voor in de plaats stellen, wanneer de elementen die aan zijn beoordeling worden voorgelegd de door de partijen aangenomen kwalificatie niet uitsluiten". Dit principe wordt ook vooropgesteld door het Hof van Cassatie in zijn arresten o.a. van 23 december 2002, van 28 april 2003 en van 3 mei 2004: (Cass., 23 december 2002 - rolnummer S.01.0169.F ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021223.15 - raadpleging via internet: www.cass.be > NL > Hof van Cassatie > arresten van het Hof > datum ingeven > lijst > nr. JC02CN6_1) (Cass., 28 april 2003 - rolnummer S.010.169.F - raadpleging via internet : www.cass.be > NL > Hof van Cassatie > arresten van het Hof > datum ingeven > lijst > nr. JC034S1_1) en Cass., 3 mei 2004 - rolnummer S.03.0108.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040503.23/1 - raadpleging via internet: www.cass.be > NL > Hof van Cassatie > arresten van het Hof > datum ingeven > lijst > nr. RC04534_1) Voor het Hof houdt deze recente cassatierechtspraak in dat er niet langer in het feitenmateriaal moet worden gezocht naar de bouwstenen die hetzij een zelfstandig statuut samenstellen, hetzij een werknemersstatuut. Men dient in principe te vertrekken van de kwalificatie die de betrokken partijen aan hun samenwerking hebben gegeven en er dient te worden onderzocht of de feitelijke realiteit dit statuut niet tegenspreekt. x x x Het eerste wat moet worden onderzocht is of uit de uitvoering van de overeenkomst blijkt dat appellante en hun samenwerking op zelfstandige basis hebben georganiseerd. Er is geen schriftelijke overeenkomst opgemaakt tussen de betrokken partijen, waaruit zwart op wit de kwalificatie, die zij aan hun samenwerking gaven, zou kunnen blijken. Nu dergelijk geschrift niet voorhanden is, moet deze kwalificatie uit andere elementen van het dossier worden afgeleid. K. D.M. verklaarde op 25 september 2001 aan de Sociale Inspectie dat hij met W.G. had afgesproken dat hij op zelfstandige basis kon meewerken in de vennootschap. "Hij heeft 10 aandelen (van de 1.000) gekocht van de vennootschap t.b.v. 10.000 fr. met de optie van de aankoop van de helft van de aandelen min
  8. Hij heeft hiervoor getekend in het aandelenregister dd. 1/3/97 en deze contant betaald." W.G. verklaarde op 12 januari 2001 aan de Inspectie: "Ik mocht bij hem beginnen werken maar de keuze was als volledig zelfstandige met fakturatie of als werkend vennoot. De reden daarvoor was dat de vennootschap geen middelen genoeg had om mij als werknemer aan te nemen. Op 1 maart 97 ben ik dan als werkend vennoot begonnen bij de B.V.B.A. D.M.." Uit het samenlezen van deze verklaringen volgt niet dat deze betrokken partijen allebei uit vrije wil hun samenwerking kwalificeerden als een zelfstandige samenwerking. Meer bepaald geeft W.G. de indruk dat hij niet als werknemer werd aangenomen omwille van financiële redenen. Terecht geeft de R.S.Z. aan dat de rechter pas rekening kan houden met de kwalificatie die partijen aan hun samenwerking hebben gegeven bij zoverre deze kwalificatie in alle vrijheid en met volle toestemming wordt gewild door zowel de opdrachtgever als door diegene die de prestaties uitvoert. Van zodra op één of andere manier die volle en vrije wil en die toestemming tot het zelfstandigenstatuut ontbreekt of, zoals in casu, niet vaststaat, is er geen overeenkomst over de kwalificatie en kan dergelijke kwalificatie niet als vertrekbasis dienen in de zin van de geciteerde cassatierechtspraak. Hieraan kan geen afbreuk worden gedaan door het feit dat de facto deze samenwerking in een plooi van zelfstandigheid is gevallen, zoals W.G. verklaarde aan de Inspecteur. In dergelijke omstandigheden moeten in de concrete uitvoering van de samenwerking wél de verschillende elementen verzameld worden die het ene en/of het andere statuut ondersteunen en moet er worden geoordeeld worden in welke richting de balans overhelt. Hierbij merkt het Hof dadelijk op dat de verklaringen van K. D.M. en W.G. niet in dezelfde lijn liggen. Ze geven allebei zicht op een verschillende realiteit. Bijgevolg kunnen uit de verklaring van de ene enkel deze elementen in aanmerking worden genomen die niet worden tegengesproken of anders worden uitgelegd in de verklaring van de andere. Buiten deze verklaringen zijn er in het dossier geen objectieve elementen terug te vinden die de concrete samenwerking tussen appellante en W.G. aantonen. Aan elementen die het statuut van zelfstandige ondersteunen, geeft appellante aan: - W.G. werkte zelfstandig op de werven. - Hij kon zijn werkuren vrij kiezen en hij bepaalde zelf wanneer hij vakantie nam. - Hij had een eigen werkplaats met eigen machines, waarmee hij opdrachten voor appellante uitvoerde. - Hij had een eigen bestelwagen, waarmee hij zijn verplaatsingen deed en afgewerkte goederen vervoerde. Hij kreeg geen verplaatsingsvergoeding. - De offertes voor de klanten werden in samenspraak opgemaakt. - Zijn vergoeding werd na overleg overeengekomen. In geval van ziekte werd hem geen gewaarborgd inkomen uitgekeerd. - Appellante moest rekening houden met de beschikbaarheid van W.G. (hij werkte 's woensdags niet voor haar). Deze elementen zijn inderdaad terug te vinden in de verklaring van K. D.M. aan de Inspectie. Wat is er over deze elementen terug te vinden in de verklaring van W.G.? - Hij geeft toe dat hij slechts bij het begin van de samenwerking tezamen met K. D.M. op de werven werkte. Nadien wanneer hij ervaring had kon hij alleen op de werven staan. - Het feit dat W.G. zijn uren opschreef en doorgaf aan de boekhouder wijst erop dat hij inderdaad deze uren vrij kon presteren. Hij kon blijkbaar vakantie nemen na afspraak. - Over het hebben van een eigen werkplaats en eigen machines verklaart hij niets. Het element wordt dus door hem niet tegengesproken. - Hij bevestigt dat hij gebruik maakte van zijn eigen wagen en hij bevestigt niet dat hij voor zijn verplaatsingen door appellante werd betaald. - Hij ontkent wel dat hij klanten aanbracht en dat hij contacten had met het cliënteel van appellante. Maar hij verklaart niets over het feit dat hij samen met K. D.M. offertes opmaakte voor dat cliënteel. Hij spreekt dit niet tegen. - Over zijn vergoeding verklaart hij dat hem een bedrag werd voorgesteld door K. D.M. en dat hij daarmee akkoord was. In ieder geval kan hieruit worden afgeleid dat zijn beloning hem niet werd opgedrongen. - Hij spreekt niet tegen dat hij niet werd betaald in geval van ziekte. - Hij bevestigt dat hij op woensdag niet voor appellante werkte. Niettegenstaande de elementen die appellante aanhaalt niet voluit worden bevestigd door W.G. in zijn verklaring, stelt het Hof toch vast dat deze elementen in deze verklaring ook niet worden ondermijnd. Bijgevolg blijven ze ook overeind. Het zijn inderdaad elementen die wijzen op een zelfstandige samenwerking. Het komt er thans voor de R.S.Z. op aan, in het kader van de op hem rustende bewijslast, een aantal contra elementen aan te reiken die het bestaan van een arbeidsovereenkomst tussen de betrokken partijen moeten bewijzen. Bovendien moeten deze elementen zwaarwichtiger zijn dan de elementen die appellante heeft aangetoond. Dus enkel wanneer deze elementen bouwstenen zijn van een arbeidsovereenkomst kan de R.S.Z. slagen in de op hem rustende bewijslast. Ze moeten terug te vinden zijn in de concrete en dagelijkse werkomstandigheden op het werkveld zelf. Immers artikel 1, ,§1 van de Wet van 27 juni 1969 tot herziening van de Besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders bepaalt: "Deze wet vindt toepassing op de werknemers en werkgevers die door een arbeidsovereenkomst zijn verbonden." Voor de definitie van het begrip 'arbeidsovereenkomst', gebruikt in artikel 1, ,§1 van de Wet van 27 juni 1969 dient verwezen te worden naar de artikelen 2 en 3 van de Wet van 3 juli 1978 (Wet op de Arbeidsovereenkomsten), waar dit begrip omschreven wordt als 'de overeenkomst waarbij een werknemer zich verbindt tegen loon, onder het gezag van een werkgever handarbeid of hoofdarbeid te verrichten.' De constitutieve elementen van een arbeidsovereenkomst zijn inderdaad de arbeid, het loon en het ondergeschikt verband. Het zijn deze drie constitutieve elementen die noodzakelijk samen aanwezig moeten zijn in de relatie tussen de vermoedelijke werkgever en de werknemer. Meestal kunnen de elementen 'arbeid' en 'loon' gemakkelijk worden aangetroffen in de samenwerking tussen de betrokken partijen en draait de hele betwisting rond het element 'gezag van de werkgever'. Ook hier is het element 'arbeid' terug te vinden in de samenwerking tussen appellante en W.G.. Dat blijkt genoegzaam uit de verklaringen. Wat het loon betreft zijn de verklaringen van K. D.M. en W.G. verschillend. K. D.M. spreekt van een beloning van 750 à 850 BEF per uur. W.G. houdt het bij 600 BEF per uur. Wat wel duidelijk is, is dat de prestaties van W.G. door appellante werden vergoed. Blijft te onderzoeken of de derde component, namelijk het 'gezag' in deze samenwerking was terug te vinden. In de definitie van een arbeidsovereenkomst in de de artikelen 2 en 3 van de Wet van 3 juli 1978 WAO wordt met 'gezag' het juridisch gezag bedoeld en niet het economisch gezag of de economische afhankelijkheid. Wat het juridisch werkgeversgezag is, kan worden afgeleid uit de volgende, ietwat moeilijke maar correcte definitie van een arbeidsovereenkomst: "Het geviseerde maatschappelijk fenomeen dat door artikel 2 en 3 Arbeidsovereenkomstenwet geregeld wordt, betreft deze economische relaties waarbij een 'werknemer' in de 'onderneming van zijn werkgever' een taak op zich neemt en met daadwerkelijke arbeidskracht invult die vanuit organisatorisch standpunt intern georganiseerd wordt en een onmisbare schakel is binnen de aaneensluitende productieprocessen om samen het maatschappelijk doel van de onderneming te verwezenlijken en over welke taak de werkgever, vanuit zijn eigendomsrecht, beleidsrecht en binnen de grenzen van de contractueel verworven aanvaarding door de werknemer het recht heeft deze taakomschrijving concreet en normerend voor de werknemer in te vullen." Het juridisch gezag is dan precies deze mogelijkheid voor de werkgever om de arbeid van zijn werknemer aan te wenden ter realisatie van zijn economisch project en deze aanwending ook van de werknemer af te dwingen binnen de krijtlijnen van de wet en van het contract. x x x Welke zijn nu de elementen die de R.S.Z. in het kader van de op hem rustende bewijslast aanvoert om dit werkgeversgezag aan te tonen in de concrete uitvoering van de overeenkomst: - W.G. had geen enkele financiële inbreng in de zaak van appellante. Hij nam niet deel aan het bedrijfsrisico. Uit de verklaringen blijkt dat W.G. tien aandelen kocht van appellante. Volgens hem werden deze niet betaald. Volgens appellante wel. In ieder geval is het bezit van tien aandelen niet van aard om te kunnen spreken van een vennoot in de volle betekenis van het woord: hij die deelneemt aan het bedrijfsrisico met zijn plus- en zijn minpunten. Dit element is een contextargument. Het effent als het ware het pad naar een werknemersstatuut omdat het typisch voor een werknemer is om enkel zijn arbeid ter beschikking te stellen en op generlei wijze te participeren in de leiding van het bedrijf. Maar op zichzelf is het geen bewijs dat op de werkvloer er over de medewerker effectief werkgeversgezag werd uitgeoefend. De waarde van dergelijk element is dat het versterkend optreedt ter ondersteuning van andere elementen. Op zichzelf is het echter onvoldoende. - Er werd gewerkt met materialen en gerief van appellante. De verklaringen spreken mekaar niet tegen wat het werken op de werf betreft. Net als het vorige element is dit een contextelement dat op zich verwijst naar een relatie werkgever werknemer. Het is immers de werkgever die het nodige materiaal en gereedschap ter beschikking stelt. De werknemer levert enkel zijn arbeid. Maar K. D.M. verklaarde anderzijds dat W.G. thuis over eigen machines beschikte en sommige werfonderdelen thuis afwerkte en meebracht naar de werf. Deze verklaring wordt niet tegengesproken door W.G. zodat het kan worden aangenomen. Dergelijk element verwijst naar een zelfstandige samenwerking. Dus in het element 'werken met materialen en gereedschap van appellante' zit een onderdeel dat verwijst naar een werknemersstatuut en een onderdeel dat verwijst naar een zelfstandig statuut. In zijn geheel is het neutraal ten aanzien van de bewijsvoering die de R.S.Z. moet leveren. - Het werk van W.G. werd gecontroleerd. W.G. geeft aan dat zijn werk steeds werd gecontroleerd door K. D.M.. Deze laatste verklaarde dat W.G. zijn werk moest herstellen indien er opmerkingen kwamen van de bouwheer of architect. Samen gelezen maken deze verklaringen duidelijk dat het hier ging over een kwaliteitscontrole en niet over een controle om uit te maken of W.G. presteerde volgens de richtlijnen en conform de afgesproken arbeidsuren, met andere woorden een controle om uit te maken of W.G. zich wel conformeerde aan de interne organisatie van appellante. Pas in deze laatste optie is controle een element van werkgeversgezag. Nu het louter ging om de kwaliteit van het werk kan een dergelijke kwaliteitscontrole behoren zowel tot een relatie werkgever-werknemer als tot een relatie opdrachtgever- zelfstandige. Het element is neutraal. - De regeling van de arbeidstijd, de vakantie en de mogelijkheid van vervanging. De R.S.Z. houdt vol dat de beschikbaarheid van W.G. duidelijk was bepaald: hij kwam vier dagen op de week werken, 's woensdags was hij thuis na onderling akkoord. K. D.M. verklaarde nochtans: "G. werkte zelfstandig op de werf, hij werkte in de regel niet samen met mij maar voerde het vooraf afgesproken deel van het plan uit. Hij bepaalde zelf zijn werkuren, er was alleen een algemene afspraak wanneer het werk moest klaar zijn." Het Hof kan enigszins geloof hechten aan deze verklaring omdat W.G. in zijn verklaring aangeeft dat hij zijn uren opschreef en doorgaf aan appellante. Waarom zou hij dat gedaan hebben als hij op regelmatige basis kwam werken voor appellante? Het feit dat iemand zelf zijn werkuren kan bepalen wijst eerder op een zelfstandige samenwerking dan op werkgeversgezag. Het duidt immers aan dat het hem er eerder om te doen is een bepaalde resultaatsverbintenis te bekomen dan wel om iemand te doen werken binnen een bepaald tijdsregime. Het element is niet dienstig. Wat de vakantie betreft, zijn de verklaringen tegengesteld: W.G. houdt vol dat er daaromtrent moest worden afgesproken. K. D.M. daarentegen verklaarde dat er geen afspraken werden gemaakt. Het element is niet bewezen. - De vergoeding die werd betaald: een uurloon. Dit element komt uit de beide verklaringen naar voren en verwijst naar het bestaan van werkgeversgezag. Immers het is een typische manier om enkel arbeid te vergoeden, arbeid als een middelenverbintenis: alleen de hoeveelheid arbeid telt, niet de kwaliteit ervan. Ook de manier waarop de vergoedingen administratief werden bijgehouden en verwerkt (fiscaal bijvoorbeeld door het inhouden van bedrijfsvoorheffing) verwijst naar een klassieke personeelsadministratie. Dit element is dienstig. Conclusie: Van alle elementen die de R.S.Z. aanreikt om het werkgeversgezag aan te tonen en die voldoende bewezen zijn is er één dat wijst op werkgeversgezag (het betalen per uur) en één dat verwijst naar dit gezag (geen financiële inbreng). Het Hof is echter van oordeel dat dit anderhalf element niet opweegt tegen de elementen, door appellante aangehaald, die wijzen op een zelfstandige samenwerking. Het bestaan van werkgeversgezag is daarom niet voldoende naar recht bewezen, aldus het Hof. Dit maakt dat ook onvoldoende het bestaan van een arbeidsovereenkomst is bewezen en dat bijgevolg de R.S.Z. geen rechtsgrond had om bijdragen van appellante te vorderen over de prestaties van W.G.. Het beroep is gegrond bij zoverre de vordering van de R.S.Z. op deze prestaties slaat (het rekeninguittreksel 71 gehecht aan de dagvaarding). Wat betreft het rekeninguittreksel 70 dat aan de dagvaarding is gehecht: het betreft hier een vordering die geen uitstaans heeft met de tewerkstelling van W.G. omdat deze reeds in 1998 werd beëindigd. Blijkbaar is het een vordering die steunt op een eigen aangifte van appellante over het derde en het vierde kwartaal van
  9. Deze vordering wordt door appellante niet betwist en blijft gegrond. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Gehoord de heer J. DEKEERSMAEKER, Substituut-generaal, in zijn gelijkluidend mondelinge advies, gegeven ter openbare terechtzitting van 18 november 2004, waarover partijen verklaarden geen opmerkingen te hebben. Recht doende op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond. Vernietigt het vonnis van de Arbeidsrechtbank te Turnhout van 22 januari 2004, behalve bij zoverre het de vordering van de R.S.Z. gegrond verklaarde gesteund op rekeninguittreksel 70 van 4 juni 2002, gehecht aan de dagvaarding. Bevestigt derhalve de veroordeling van appellante om aan de R.S.Z. te betalen het bedrag van VIJFDUIZEND HONDERDTWEEENNEGENTIG EUR en ZESENZEVENTIG eurocent (5.192,76 EUR), te vermeerderen met de verwijlintresten op 3.854,52 EUR vanaf 4 juni 2002 en de gerechtelijke intresten. Wat het restant van de oorspronkelijke vordering betreft: verklaart dit ontvankelijk doch ongegrond en wijst de R.S.Z. er van af. Legt de kosten van beide instanties, overeenkomstig artikel 1017, eerste lid van het Gerechtelijk Wetboek, ten laste van de R.S.Z. Vereffent de kosten aan de zijde van de B.V.B.A. op 205,25 EUR rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg, 57,01 EUR uitgavenvergoeding en 279,62 EUR rechtsplegingsvergoeding beroep en aan de zijde van de R.S.Z. op 137,56 EUR dagvaarding, 205,25 EUR rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg en 279,62 EUR rechtsplegingsvergoeding beroep. Aldus gewezen en uitgesproken door de vierde kamer van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, op de openbare terechtzitting van zestien december tweeduizend en vier, waar aanwezig waren: PDF document ECLI:BE:AHANT:2004:ARR.20041216.9 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021223.15 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040503.23 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.