← België

ECLI:BE:AHANT:2004:ARR.20041217.5

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 17 december 2004 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2004:ARR.20041217.5 Rolnummer: 2003-0567 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-11-09 Raadplegingen: 148 - laatst gezien 2026-07-01 01:34 Fiches 1 - 3 Het onderwerp van de vordering in de zin van artikel 702 Ger. W. beduidt niet enkel een kwantitatieve maar ook een kwalitatieve omschrijving van de vordering. Er dient dus niet alleen uiteengezet te worden wat er wordt geëist maar ook waarom iets wordt geëist, op welke basis. Deze uiteenzetting moet afdoende zijn opdat de verwerende partij zijn verweer kan organiseren. De dagvaardiging kan eerst dan nietig worden verklaard wanneer de belangen van een gedingvoerende partij zijn geschaad. Een dagvaarding van de RSZ is ten aanzien van een bedrijf niet neutraal in het handelsverkeer. Ze beschadigt de reputatie van het bedrijf en veroorzaakt moeilijkheden, bijvoorbeeld bij een inschrijving voor overheidsopdrachten. De opgeworpen exceptie 'obscuri libelli' is tijdig en gegrond. De dagvaarding is derhalve nietig en de vordering die erin werd gesteld is onontvankelijk. Eens de werkgever transparant is geweest in het uitleggen van de wijze waarop hij op forfaitaire wijze de kosten vergoedt die zijn werknemers maken die ten zijnen laste vallen en die gemaakt zijn in de uitvoering van de arbeidsovereenkomst en hij aannemelijk heeft gemaakt dat deze wijze van vergoeden redelijk is, komt het aan de RSZ toe om het bewijs te leveren dat het systeem niet deugt en dat via de vergoeding van de kosten op verdoken wijze loon wordt betaald, kennelijk met de enige bedoeling om hiermee het betalen van sociale zekerheidsbijdragen te vermijden. Bepaalde kosten kunnen niet 'per definitie' van de hand worden gewezen omdat er geen stavingstuk wordt bijgebracht. Deze opstelling is strijdig met de mogelijkheid om kosten forfaitair te vergoeden. Elke procespartij heeft de plicht om de procesgang zo kort te houden als redelijk verantwoord is en om hem zo efficiënt mogelijk te laten verlopen. Dat brengt o.a. mee dat elke partij aan de afloop van het proces moet meewerken en zich strikt moet houden aan de voorschriften terzake van het Gerechtelijk Wetboek. De RSZ beging een fout door dagvaardingen uit te brengen die onvoldoende waren gemotiveerd, door na een overleg zijn gesprekspartner te lang in het ongewisse te laten, door het talmen met het mededelen van zijn stukken en door het nodeloos vertragen van de procesgang. Het instellen van hoger beroep was niet lichtzitting omdat de RSZ redelijkerwijze de overtuiging kon zijn toegedaan dat het advies van de Arbeidsauditeur in hoger beroep succesvoller zou zijn dan in eerste aanleg. Het procesverloop in hoger beroep is normaal te noemen. Er werd geen noemenswaardige achterstand opgelopen door toedoen van de RSZ. Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP-RECHT-WETGEVING . GERECHTELIJK WETBOEK burgerlijke rechtspleging - geding - vorm waarin de hoofdvordering wordt ingesteld - dagvaarding - verplichte vermeldingen - korte samenvatting van de middelen - exceptie obscuri libelli. Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 702 - 30 Link Justel databank 19671010-30 Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP-RECHT-WETGEVING . GERECHTELIJK WETBOEK onwaardige proceshouding - fout - schadevergoeding - hoger beroep - tergend of roekeloos hoger beroep. Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 1072bis - 30 Link Justel databank 19671010-30 Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID VOOR WERKNEMERS bedragen - berekening - maatschappelijke zekerheid der arbeiders - bijdragen voor sociale zekerheid het begrip loon - kosten ten laste van de werkgever. Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 28-11-1969 - 19§2,4° - 01 ELI link Pub nr 1969112813 Wet - 27-06-1969 - 14§2 - 04 ELI link Pub nr 1969062710 Nota: Gerangschikt onder I A - artikel 702, onder I A - artikel 1072bis en onder VII A - artikel 14 ,§ 2. Annotaties Publicaties: RECHTSKUNDIG WEEKBLAD - - 2005

(06)(00021,P.828-830) SOCIAALRECHTELIJKE KRONIEKEN - - 2006(00005,P.308) Tekst van de beslissing ARREST A.R. Nr. 2030567 OPENBARE TERECHTZITTING VAN ZEVENTIEN DECEMBER TWEEDUIZEND EN VIER In de zaak: RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, met zetel gevestigd te 1060 BRUSSEL (SINT-GILLIS), Victor Hortaplein 11, appellant, incidenteel geïntimeerde, voor wie verschijnt: mr. M. V. D. B. loco mr. L. C., advocaat te M., tegen : N.V. B. F. (in vereffening) voorheen N.V. V. F., voorheen N.V. F, voorheen GROEP V., met zetel gevestigd te M, Campus M, , M, geïntimeerde, incidenteel appellante, voor wie verschijnt: mr. E. M, advocaat te B. Na over de zaak te hebben beraadslaagd, wijst het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, het hiernavolgende arrest. Gelet op de zittingsbladen van 5 november 2003, van 15 oktober 2004 en van 19 november 2004; Gelet op de stukken van de rechtspleging, waaronder: x het voor eensluidend verklaarde afschrift van het vonnis van 30 juni 2003, A.R. 60008
(60722)66958 en 75798, op tegenspraak gewezen door de Arbeidsrechtbank te Mechelen; x het verzoekschrift in hoger beroep, neergelegd ter griffie van dit Hof op 16 september 2003 en ter kennis gebracht overeenkomstig artikel 1056 van het Gerechtelijk Wetboek op 17 september 2003; x het verzoekschrift in toepassing van artikel 747, ,§2 van het Ger.W. van geïntimeerde, ontvangen ter griffie van dit Hof op 21 januari 2004; x de beschikking van mevrouw B. HOMANS, Eerste Voorzitter, in toepassing van artikel 747, ,§2 van het Ger.W. van 19 februari 2004; x de conclusies voor geïntimeerde, neergelegd ter griffie van het Hof op 22 maart 2004; x de antwoordconclusies voor appellant, neergelegd ter griffie van het Hof op 23 april 2004; x de wederantwoordconclusies voor geïntimeerde, neergelegd ter griffie van dit Hof op 21 mei 2004; x de aanvullende conclusies (synthesebesluiten hoger beroep) voor appellant, ontvangen ter griffie van dit Hof op 24 juni 2004; x de aanvullende conclusies (synthesebesluiten) voor geïntimeerde, neergelegd ter griffie van dit Hof op 15 september
  1. Gelet op de stukken van het administratief dossier. Gelet op de stukken in het naar behoren geïnventariseerde dossier van partijen. Gehoord de partijen in de voordracht van hun conclusies en verweermiddelen tijdens de openbare terechtzitting van 15 oktober
  2. Gehoord het mondelinge advies van het Openbaar Ministerie op de openbare terechtzitting van 15 oktober
  3. De ontvankelijkheid. Het hoger beroep en het incidenteel beroep zijn naar termijn en vorm regelmatig ingesteld en de ontvankelijkheid ervan wordt niet betwist. Het hoger beroep en het incidenteel beroep zijn dan ook ontvankelijk. Feiten en voorgaanden. De eerste rechter heeft onder rubriek 4 op het zesde en zevende blad van het vonnis a quo de dienstige feiten als volgt weergegeven: Uit de niet-betwiste gegevens zoals vermeld in de conclusies van geïntimeerde is het volgende gebleken: B. F. N.V. maakt deel uit van een groep vennootschappen welke actief zijn in de bouwsector en aanverwanten. De groep vennootschappen bestaat onder meer uit : - B. F. N.V.; - Industriebouw V. N.V. gespecialiseerd in aanbouw van industriële bouwwerken; - Staalbouw V. N.V. gespecialiseerd in productie van stalen profielen, vervoer en montage; - Machineverhuur V. N.V. gespecialiseerd in logistieke diensten, levering en verhuur van industriële installaties en machines. De bedrijven zijn elk, voor wat hun specialisatie betreft, actief in de bouwnijverheid in de brede zin van het woord of leveren logistieke diensten en/of materiaal aan de bouwnijverheid of aan derden en andere sectoren. Luidens geïntimeerde worden de activiteiten van de vennootschappen rond de groep gekenmerkt door een veelheid van verplaatsingen. De omvang en techniciteit van de meeste projecten leiden tot belangrijke verplaatsingskosten. De activiteiten gaan niet uitsluitend door op de onderscheiden sites van de bedrijven, doch ook op de werven die soms vrij ver verwijderd zijn van de hoofdzetels en/of sites. Werknemers met onderscheiden kwalificaties dienen zich bijgevolg te verplaatsen naar bepaalde werven of terreinen, soms meermaals per dag, en dit met het oog op voorstudie, calculatie, tekenwerk, architecten, studiebureaus, ingenieurs, opstarten en afwikkeling van de bouwprojecten, vergaderingen etc. Bovendien dienen diverse werknemers ook nog bezoeken af te leggen aan klanten, leveranciers, kopers, verkopers en derden en openbare instanties. Deze kosten worden aan de werknemers vergoed voor zover zij de verplaatsingen doen met hun eigen voertuig. Aan hen die de beschikking hebben over een firmawagen worden de stallingskosten, klein onderhoud en wasbeurten vergoed. Naast verplaatsingskosten beschikken tal van werknemers over een kantoor thuis daar zij thuis ook nog werken en gecontacteerd worden. Diverse werknemers hebben ook een technisch gespecialiseerde job zodat zij dienen bij te blijven met de technologische evolutie via de vakliteratuur. Volgens de R.S.Z. betreffen de forfaitaire kostenvergoedingen loon waarop sociale zekerheidsbijdragen verschuldigd zijn. Volgens geïntimeerde betreffen de forfaitaire vergoedingen een terugbetaling door de werkgever van de door de werknemers gemaakte kosten. De vonnissen van de eerste rechter. Bij tussenvonnis van 5 september 2001 voegde de eerste rechter de bij hem onder A.R. nr. 60 722 gekende zaak samen met de zaak A.R. nr. 60
  4. In de zaak A.R. nr. 60 008 werd er door de R.S.Z. gedagvaard op 26 april 1995 met betrekking tot bijdragen (code 121), bijdrageopslagen (code 301) en intresten (code 051), verschuldigd over het eerste kwartaal
  5. In de zaak A.R. nr. 60 722 werd er door de R.S.Z. gedagvaard op 26 juni 1995 met betrekking tot bijdragen (code 121), bijdrageopslagen (code 301) en intresten (code 051), verschuldigd over het tweede, derde en vierde kwartaal 1992 en alle kwartalen
  6. Bij eindvonnis van 30 juni 2003 voegde de eerste rechter de bij hem onder A.R. nr. 66 958 en A.R. nr. 75 798 gekende zaken bijkomend samen met de zaak A.R. nr. 60
  7. In de zaak A.R. nr. 66 958 werd er door de R.S.Z. gedagvaard op 22 mei 1997 met betrekking tot bijdragen (code 121), bijdrageopslagen (code 301) en intresten (code 051), verschuldigd over alle kwartalen
  8. In de zaak A.R. nr. 75 798 werd er door de R.S.Z. gedagvaard op 20 juli 2000 met betrekking tot bijdragen (code 121), bijdrageopslagen (code 301) en intresten (code 051), verschuldigd over het tweede en derde kwartaal 1995 en het eerste, tweede en derde kwartaal
  9. In elk van deze zaken werd door B. F. een tegenvordering ingesteld wegens tergend en roekeloos geding. De eerste rechter verklaarde bij vonnis van 30 juni 2003 x alle samengevoegde hoofdvorderingen ontvankelijk doch ongegrond en wees de R.S.Z. er van af; x de samengevoegde tegenvorderingen ontvankelijk doch ongegrond en wees de N.V. B. F. in vereffening er van af. De R.S.Z. werd veroordeeld tot de kosten. Er wordt geen akte van betekening voorgebracht. Eisen in hoger beroep. De R.S.Z. tekende beroep aan tegen dit vonnis a quo bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van dit Hof op 16 september
  10. Hij verzoekt het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren, het vonnis a quo teniet te doen wat het oordeel over de hoofdvorderingen betreft en opnieuw recht doende, de N.V. B. F. in vereffening te veroordelen tot betaling aan de R.S.Z. van: x 2.301,64 EUR meer de verwijlintresten op 1.725,09 EUR vanaf 4 april 1995 (A.R. 60.008) x 23.938,63 EUR meer de verwijlintresten op 19.248,49 EUR vanaf 3 mei 1995 (A.R. 60.722) x 32.479,06 EUR meer de verwijlintresten op 25.253,43 EUR vanaf 31 januari 1997 (A.R.66.958) x 5.430,23 EUR meer de verwijlintresten op de som van 3.838,06 EUR vanaf 15 juni 2000 (A.R.75.798) x de kosten van het geding. Hij vraagt het eerste vonnis te bevestigen wat de ingestelde tegenvorderingen betreft. Bij conclusies, neergelegd ter griffie van dit Hof op 22 maart 2004, stelt de N.V. B. F. in vereffening incidenteel beroep in enerzijds omdat de eerste rechter alle hoofdvorderingen van de R.S.Z. ontvankelijk verklaarde en anderzijds omdat de eerste rechter haar tegenvordering afwees. Zij stelt tevens een tegenvordering in wegens tergend en roekeloos hoger beroep. Aldus vordert zij: x de vordering van de R.S.Z. tot betaling van achterstallige bijdragen, bijslagen en aankleven ten gevolge van rekeninguittreksel (R.U.) 31 januari 1997, voor de som van 32.479,06 EUR, te vermeerderen met de verwijlintresten op de som van 25.253,53 EUR vanaf 31 januari 1997, onontvankelijk minstens ongegrond te verklaren; x de vordering van de R.S.Z. tot betaling van achterstallige bijdragen, bijslagen en aankleven ten gevolge van rekeninguittreksel (R.U.) 15 juni 2000, voor de som van 5.430,23 EUR, te vermeerderen met de verwijlintresten op de som van 3.838,06 EUR vanaf 15 juni 2000, onontvankelijk minstens ongegrond te verklaren; x alle andere vorderingen van de R.S.Z. eveneens ongegrond te verklaren; x de R.S.Z. te veroordelen tot een schadevergoeding van 4.500 EUR wegens tergend en roekeloos geding; x de R.S.Z. te veroordelen tot een schadevergoeding van 2.000 EUR wegens tergend en roekeloos beroep; x ondergeschikt: slechts die kosten waarvan de R.S.Z. nominatim en per individueel dossier bewijst dat zij overdreven zouden zijn, af te wijzen als forfaitaire onkost; x ondergeschikt als het Arbeidshof zou oordelen dat dit niet meer mogelijk is, de vorderingen van de R.S.Z. af te wijzen, gezien de R.S.Z. niets bewijst; x uiterst ondergeschikt: te stellen voor recht dat de gerechtelijke intresten slechts verschuldigd zullen zijn vanaf de datum van overmaking van de stukken, m.n. 12 maart 2002; x de R.S.Z. te veroordelen tot de kosten. Bij conclusies neergelegd ter griffie van dit Hof op 23 april 2004 vordert de R.S.Z. het incidenteel beroep en de tegenvordering ontvankelijk doch ongegrond te verklaren en het gevorderde af te wijzen. In Rechte. Voor een goed begrip hanteert het Hof de algemene rolnummers waaronder de verschillende vorderingen van de R.S.Z. in eerste aanleg werden ondergebracht. Wie is geïntimeerde? Hoe geïntimeerde geëvolueerd is van de N.V. Groep V. bij de start van de procedure naar de N.V. B. F. in vereffening heden ten dage wordt door haar beschreven in haar synthesebesluiten van 15 september 2004 onder punt 2, blz.
  11. Er zij hiernaar verwezen. De exceptie 'obscuri libelli' : incidenteel beroep. Appellante op incidenteel beroep, gemakshalve verder genoemd 'geïntimeerde', beroept zich op de nietigheid van de dagvaarding in de oorspronkelijke zaken A.R. nr. 66 958 en A.R. nr. 75 798 voor de eerste rechter. Zij roept de exceptie 'obscuri libelli' in en zij verduidelijkt haar standpunt als volgt:
  12. Omtrent het R.U. 31/01/97 - A.R. 66.958 Het rekeninguittreksel, en de stukken omtrent dit rekeninguittreksel, lichtten onvoldoende toe waarom de R.S.Z.-bijdragen worden gevorderd. Partij R.S.Z. verwijst naar stuk nr. 1 onder A.R. 66.
  13. Het betreft het bericht tot wijziging der bijdragen d.d. 27/11/96, waarin als staving wordt meegedeeld "ambtshalve regularisatie lonen ingevolg het verslag van onze controleur d.d. 12/06/
  14. Deze wijziging werd opgesteld overeenkomstig artikel 22 van de Wet van 27/06/69" Uit de karige stukken die in dit dossier door partij R.S.Z. worden gebruikt m.b.t. het R.U. van 31/01/97 (een bericht van wijziging en een schrijven) blijkt echter niet met zekerheid dat het hier zou handelen over kosten eigen aan de werkgever. Ook worden in dit dossier met betrekking tot de gevorderde bedragen van de betrokken kwartalen geen stavingstukken naar voor gebracht, stellende dat het gevorderde effectief over kosten zou handelen M.b.t. dit R.U. wordt geen dossier bijgebracht omtrent de berekening van de bijdragen, de hoegrootheid ervan en, vooral, de aard en de reden van de vordering. M.a.w.: voor dezelfde toestand zouden hier bijvoorbeeld bijdragen kunnen worden teruggevorderd in het kader van een annulatie van een bijdragevermindering, quod non Uit de stukken blijkt niet wat de aard én de rechtsgrond is waarom bijkomende bijdragen worden gevorderd. De vennootschap heeft momenteel nog steeds geen zekerheid, waardoor de vennootschap nog steeds in de onmogelijkheid is om zich met afdoende middelen te verweren omtrent de daadwerkelijke kwalificatie van de geëiste bedragen. Uiteraard zijn hier de belangen van de vennootschap geschonden.
  15. Omtrent het R.U. 15/06/00 - A.R. 75.798 Het betrokken rekeninguittreksel licht niet toe waarom R.S.Z.-bijdragen worden gevorderd. Pas in de loop van de maand maart 2002 werden de stukken m.b.t. dit R.U. overgemaakt. Zij worden door partij R.S.Z. momenteel gehanteerd onder nr. A.R. 75.
  16. Uit deze stukken blijkt daarentegen ook niet waarover het gaat. Het is opmerkelijk dat door de R.S.Z. met betrekking tot dit R.U. nagenoeg niets wordt toegelicht, noch in de gedinginleidende dagvaarding, noch in diens conclusies Hierna volgt een korte citering van de betrokken stukken: - Stuk 1: het betreft een bericht van wijziging der bijdragen d.d. 16/01/97 (het betrokken R.U.). Onder de rubriek "staving" staat te lezen: "Onze brief van 00/00/00". Begrijpe wie begrijpen kan - Stuk 2: het betreft een bericht van wijziging der bijdragen d.d. 14/05/
  17. Onder de rubriek "staving" staat vermeld: "Zie onze brief van "(daarna wordt er niets vermeld Ook hier blijkt niet waarover het gaat. - Stuk 3: het betreft een bericht van wijziging der bijdragen d.d. 16/12/
  18. Onder de rubriek "staving" staat vermeld: "Annulatie van de verminderingen wegens een debetsaldo van de rekening. Zie onze kennisgeving van 11/03/1998".De kennisgeving is niet bijgevoegd. Wel valt uit de tekst af te leiden dat de vordering zelfs niet zou handelen omtrent de betwisting inzake forfaitaire onkostenvergoedingen Klaarblijkelijk zou dit gaan om annulatie van bijdrageverminderingen. Waarom de annulatie wordt doorgevoerd is echter niet duidelijk en wordt ook niet uiteengezet. Het is dan ook voor de vennootschap een raadsel waarom de R.S.Z. dan concludeert over de forfaitaire onkostenvergoedingen en hier de annulatie van de bijdrageverminderingen niet eens wordt toegelicht. - Stuk 4: het betreft een bericht van wijziging der bijdragen d.d. 25/05/
  19. Onder de rubriek "staving" staat hetzelfde vermeld als in stuk
  20. Ook hier doet het vermoeden rijzen dat de invordering niet geschiedt wegens een betwisting inzake forfaitaire onkostenvergoedingen, doch het over iets anders zou gaan. Zekerheid bestaat echter niet. - Stuk 5 : het betreft een schrijven van de R.S.Z. d.d. 31 oktober
  21. Stuk 5 betreft een schrijven dat handelt over de opinie van de R.S.Z., waarin deze eenzijdig stelt dat de forfaitaire onkostenvergoedingen ressorteren onder het begrip loon. Er zijn echter geen stavingstukken bijgevoegd, en het blijkt zelfs niet dat dit schrijven betrekking heeft op de gevorderde bijdragen van het betrokken R.U. in casu. Dit stuk dateert blijkbaar van vóór de rekeninguittreksels van 1997, 1998 en 1999 (vergelijk met de stukken 1 t.e.m. 4), zodat het absoluut onduidelijk is wat stuk 5 hier komt doen. Uit de stukken die door partij R.S.Z. m.b.t. dit R.U. worden gebruikt, blijkt geenszins dat het hier zou handelen over forfaitaire onkostenvergoedingen. Aangezien enkele stukken zelfs spreken over bijdragevermindering, is er absoluut geen zekerheid meer, doch bestaat de grootste verwarring m.b.t. de vordering voortvloeiend uit dit R.U." De eerste rechter heeft deze argumentatie beantwoord op het negende blad van het vonnis van 30 juni 2003 onder punt 5.
  22. Hij komt tot het besluit dat gelet op de voorafgaande briefwisseling, de vermelding op het rekeninguittreksel en de uitvoerige conclusies verwerende partij (huidige appellante) niet kan voorhouden onwetend te zijn over de aard van voormelde vorderingen. Meer specifiek verwijst de eerste rechter naar de conclusies, respectievelijk neergelegd op 25 oktober 2001 en 6 januari 2003 waarin de R.S.Z. zou hebben bevestigd dat het voorwerp van zijn vorderingen betrekking heeft op de forfaitaire kostenvergoedingen die door geïntimeerde, werden toegekend aan haar personeelsleden. Deze eerder algemene stellingname van de R.S.Z. in conclusies kan echter geen grondslag vormen voor zijn eigen vorderingen. Anderzijds specificeert de eerste rechter niet welke briefwisseling en welke vermeldingen op het rekeninguittreksel duidelijk moeten maken welke de grondslag is van de vorderingen in de zaken A.R. nr. 66 958 en A.R. nr. 75
  23. In de zaak A.R. nr. 66 958 legt de R.S.Z. voor het Hof slechts twee stukken neer. Een eerste stuk is een bericht van wijziging der bijdragen, gedateerd op 27 november 1996, dat onder de rubriek 'staving' de volgende tekst bevat: "Ambtshalve regularisatie lonen ingevolge het verslag van onze controleur d.d. 12/06/
  24. Deze wijziging werd opgesteld overeenkomstig artikel 22 van de wet van 27/06/69." Het Hof stelt vast dat de R.S.Z. het verslag van 12 juni 1996 niet bij zijn stukken voegt. Het ontbreekt. Aan het bericht van wijziging is voor het overige geen enkel stavingstuk toegevoegd zodat geïntimeerde terecht opmerkt dat het haar onmogelijk is "zich met afdoende middelen te verweren omtrent de daadwerkelijke kwalificatie van de geëiste bedragen." Als tweede stuk legt de R.S.Z. zijn brief van 31 oktober 1996 aan geïntimeerde voor. Deze brief is van algemene strekking en heeft het over alle onkostenvergoedingen die werden betaald aan het personeel van gans de bedrijvengroep V.. Deze brief is niet dienstig om duidelijk te maken welke de grondslag is van de bijdragen die de R.S.Z. specifiek van geïntimeerde vordert voor het jaar
  25. Noch de dagvaarding van 22 mei 1997, noch het aangehecht rekeninguittreksel nr. 63, bevatten enige nuttige informatie om te oordelen waarom de door geïntimeerde aangegeven bijdragen werden gewijzigd. Artikel 702 Ger. W. bepaalt dat het exploot van dagvaarding, op straffe van nietigheid het onderwerp en de korte samenvatting van de middelen van de vordering moet bevatten. Het onderwerp van de vordering in de zin van artikel 702 Ger. W. beduidt niet enkel een kwantitatieve maar ook een kwalitatieve omschrijving van de vordering. Er dient dus niet alleen uiteengezet te worden wat er wordt geëist maar ook waarom iets wordt geëist, op welke basis. Deze uiteenzetting moet afdoende zijn opdat de verwerende partij zijn verweer kan organiseren. In casu is het onderwerp van de vordering van de R.S.Z. niet afdoende uiteengezet in de dagvaarding omdat de staving op het bericht van wijziging van 27 november 1996 zonder het verslag waarnaar verwezen wordt waardeloos is. Er is bijgevolg niet voldaan aan het voorschrift van artikel 702 Ger. W. De sanctie die artikel 702 Ger. W. voorziet, is de nietigheid. Het betreft een relatieve nietigheid (toepassing van artikel 861 Ger. W.) De dagvaarding kan derhalve eerst dan nietig worden verklaard wanneer de belangen van geïntimeerde zijn geschaad. Dit is in casu het geval omdat geïntimeerde onmogelijk aan de hand van de dagvaarding, het aangehechte rekeninguittreksel en de bijgebrachte stukken kan uitmaken waarop de wijziging van de aangiften door de R.S.Z. is gesteund, temeer omdat deze dagvaarding onderdeel uitmaakt van een kluwen van vorderingen, waarvan minstens een andere vordering een andere grondslag heeft, zoals hierna zal blijken. Geïntimeerde kan redelijkerwijze geen verdediging opzetten. Een dagvaarding van de R.S.Z. is ten aanzien van een bedrijf niet neutraal in het handelsverkeer. Ze beschadigt de reputatie van het bedrijf en veroorzaakt moeilijkheden, bijvoorbeeld bij een inschrijving voor overheidsopdrachten. De door geïntimeerde opgeworpen exceptie is tijdig en gegrond. De dagvaarding van 22 mei 1997 is derhalve nietig en de vordering van de R.S.Z. die erin werd gesteld is onontvankelijk. In de zaak A.R. nr. 75 798 legt de R.S.Z. hier vijf stukken neer. Het zijn vier berichten van wijziging der bijdragen, respectievelijk gedateerd op 16 januari en 14 mei 1997, 16 december 1998 en 25 mei
  26. Als vijfde stuk legt de R.S.Z. opnieuw zijn brief van 31 oktober 1996 neer. Daarover werd hogerop in dit arrest al geoordeeld dat hij niet dienstig is. Het eerste bericht van wijziging van 16 januari 1997 vermeldt onder de rubriek 'staving': "onze brief van 00/00/00." Bij zoverre zulk een brief zou bestaan, is hij niet bijgevoegd. De informatie is waardeloos. Het tweede bericht van wijziging van 14 mei 1997 vermeldt onder de rubriek 'staving': "zie onze brief van." Het spreekt vanzelf dat dit al evenmin dienstige informatie is en helemaal geen staving is van de aangerekende bijdragen. Het derde en vierde bericht van wijziging van 16 december 1998 en 25 mei 1999 vermelden onder de rubriek 'staving': "annulatie van de verminderingen wegens een debetsaldo van de rekening. Zie onze kennisgeving van 11/03/1998." Eens temeer wordt de kennisgeving van 11 maart 1998 niet neergelegd. Wat onder deze uitleg of motivering moet begrepen worden, is niet duidelijk in het kader van deze procedure, waarin de R.S.Z. blijkbaar volhoudt dat het een betwisting betreft van de kostenvergoedingen die geïntimeerde aan haar personeel betaalde. Feit is dat deze staving geen logische grondslag vormt voor het op de helling zetten van de betaalde kostenvergoedingen. Het al dan niet doorvoeren van bijdrageverminderingen is immers een kwestie van heel andere aard. Dus vraagt geïntimeerde zich terecht af wat deze berichten van wijziging komen doen in het kader van huidige betwisting. De R.S.Z. blijft in gebreke daarbij de nodige uitleg te geven. De dagvaarding en het rekeninguittreksel voegen geen extra informatie toe. Er wordt geen andere dienstige informatie bijgebracht. Ook in het kader van dossier A.R. nr. 75 798 is het onderwerp van de vordering van de R.S.Z. niet afdoende uiteengezet in de dagvaarding en is er niet voldaan aan het voorschrift van artikel 702 Ger. W. Om dezelfde reden als in de zaak A.R. nr. 66 958 (zie hoger) zijn de belangen van geïntimeerde geschaad omdat ze zich op basis van de stukken die de R.S.Z. voorlegt, onmogelijk doeltreffend kan verdedigen, terwijl ze in het rechts- en in het handelsverkeer wel wordt aangemerkt als een debiteur van de R.S.Z. Bijgevolg is ook de dagvaarding van 20 juli 2000 nietig en is de vordering van de R.S.Z. die erin werd gesteld onontvankelijk. De exceptie werd tijdig opgeworpen en is gegrond. Het vonnis van de eerste rechter moet worden hervormd in de mate dat deze de vorderingen ontvankelijk verklaarde, die bij hem waren gekend onder A.R. nr. 66 958 en A.R. nr. 75
  27. x x x De vorderingen 60008 en
  28. De ontvankelijkheid van deze vorderingen wordt door geïntimeerde niet betwist. Wat de toepasselijke wettelijke principes betreft, volstaat het te verwijzen naar de uiteenzetting van de eerste rechter op het dertiende blad van het vonnis a quo onder punt 6.2.
  29. Het Hof sluit zich hierbij aan. Wat de grond van de zaak betreft, wijst geïntimeerde er terecht op dat de zogenaamde kosten eigen aan de werkgever door deze laatste op forfaitaire wijze kunnen worden terugbetaald aan de werknemers wanneer dit om praktische redenen verantwoord is, bijvoorbeeld om bewijsmoeilijkheden te vermijden of om een uitgebreide administratie betreffende kleine bedragen te vermijden (cfr. haar synthesebesluiten van 15 september 2004, punt 2) op blz. 23 en de aldaar geciteerde rechtspraak en rechtsleer. Het forfaitair karakter van de vergoeding maakt dat, per definitie, de kosten die deze vergoeding geacht wordt te vergoeden niet meer individueel moeten worden gestaafd. Bij betwisting komt het de werkgever toe de rechter een zicht te geven op en een beeld te verschaffen van de kosten die de uitvoering van de arbeidsovereenkomst in de werkelijkheid meebrengen. Vervolgens moet deze werkgever ook open zijn en duidelijk maken welk systeem hij op poten heeft gezet om deze kosten aan zijn werknemers te vergoeden. Daarbij moet hij het voor de rechter aannemelijk maken dat de vergoedingen in alle redelijkheid overeenstemmen met de hoogte van de kosten. Eens de werkgever transparant is geweest in het uitleggen van de wijze waarop hij op forfaitaire wijze de kosten vergoedt die zijn werknemers maken maar die ten zijnen laste vallen en die gemaakt zijn in de uitvoering van de arbeidsovereenkomst en hij aannemelijk heeft gemaakt dat deze wijze van vergoeden redelijk is, komt het aan de R.S.Z. toe om het bewijs te leveren dat het systeem niet deugt en dat via de vergoeding van de kosten op verdoken wijze loon wordt betaald, kennelijk met de enige bedoeling om hiermee het betalen van sociale zekerheidsbijdragen te vermijden. (cfr. o.a. Cass., 14 januari 2002, J.T.T., 2002, 105) Welk is het systeem van kostenvergoeding dat geïntimeerde hanteerde? Dit systeem wordt door geïntimeerde tot in het detail uiteengezet in haar syntheseconclusies van 15 september 2004 onder punt 4.2.
  30. op blz. 41 en volgende. Er zij hier naar verwezen. Het systeem komt hier op neer dat op basis van taakinhoud en verantwoordelijkheid het personeel in categorieën werd ingedeeld. Voor de terugbetaling van de kosten wordt rekening gehouden met het gemiddelde per werknemer in een bepaalde categorie. Dit gemiddelde wordt nog eens bijgestuurd om te komen tot een individueel forfait. Het Hof is van oordeel dat geïntimeerde voldoet aan de verwachting dat zij haar systeem van kostenvergoeding transparant maakt. Is dit systeem in alle redelijkheid ook aanvaardbaar? Geïntimeerde geeft een antwoord op deze vraag via twee elementen: een steekproef die zij organiseerde bij haar personeel en het gegeven dat haar systeem werd goedgekeurd door de fiscus. Belangrijk hierbij is dat de steekproef eigenlijk ten overvloede werd georganiseerd vermits de bewijslast niet op de werkgever rust. Hij moet alleen zijn systeem geloofwaardig maken. Het Hof is het met geïntimeerde en met de eerste rechter eens dat de bijgebrachte stukken aannemelijk maken dat de kosten die door geïntimeerde werden vergoed ook effectief gemaakte kosten waren of zijn. In ieder geval is een belangrijk element van overtuiging de goedkeuring die de belastingadministratie gaf aan het vergoedingssysteem van geïntimeerde (haar stuk 3). De fiscus bevindt zich in een vergelijkbaar uitgangspunt. Hij moet erover waken dat belastingen worden betaald op de inkomsten. De R.S.Z. moet er over waken dat bijdragen worden betaald op het loon. Hun belangen lopen parallel wanneer zij te maken krijgen met terugbetaling van kosten, die geen inkomsten of geen loon zijn. Het verwijzen naar het gegeven dat het om onderscheiden overheidsinstanties gaat, is niet voldoende. De R.S.Z. moet nader aanduiden waarom een vergelijking met de fiscale toestand niet opgaat. Nu geïntimeerde transparant is geweest in het verduidelijken van haar terugbetalingssysteem en nu ze zeer aannemelijk heeft gemaakt dat dit systeem redelijk en verantwoord is, nu is het aan de R.S.Z. om het bewijs bij te brengen dat niet zo is. Welke bewijselementen legt de R.S.Z. voor? Het Hof kijkt elk stuk na dat door de R.S.Z. wordt neergelegd in zijn bundel voor het Hof. Stuk 1: brief van de R.S.Z. aan geïntimeerde van 8 maart
  31. De onkostenvergoedingen, betaald aan het personeel, worden door de R.S.Z. afgewezen omdat geen verantwoordingsstukken worden voorgelegd. Nochtans is het karakteristiek dat geen verantwoordingsstukken worden voorgelegd als er met een forfaitair systeem wordt gewerkt. Zoals hogerop al werd gezegd, is het werken met een forfaitair systeem geoorloofd. Stuk 2: brief van de R.S.Z. aan de Christelijke Centrale der Metaalbewerkers van België van 8 maart
  32. Deze brief behandelt het probleem van de overuren. Deze kwestie komt hier niet aan bod. Het stuk is niet dienstig. Stuk 3: brief van de N.V. Groep V. aan de R.S.Z. van 14 maart
  33. Met deze brief betwist geïntimeerde de zienswijze van de R.S.Z. Het is geen dienstig bewijsstuk. Stukken 4 t.e.m. 20: deze stukken hebben geen betrekking op geïntimeerde maar op een andere rechtspersoon uit de groep V., namelijk V. Industriebouw. Deze stukken horen niet thuis in dit dossier. Stukken 21 t.e.m. 27: het is niet duidelijk van wie deze stukken uitgaan. In ieder geval illustreren ze enkel welke vergoedingen blijkbaar aan de personeelsleden van geïntimeerde werden uitbetaald. Maar hoe ze bewijzen dat deze kosten niet aan de realiteit beantwoorden, is voor het Hof een raadsel. Stukken 28 en 29: het betreft hier het bericht van wijziging der bijdragen van 31 maart
  34. Dit is een intern stuk van de R.S.Z. Als dusdanig is het niet bewijskrachtig omdat het een eigen stuk betreft. Stuk 30: het stuk bevat geen identiteitsgegevens. Er kan niet worden uitgemaakt of dit stuk zinvol thuishoort in het kader van dit geschil. Stuk 31: dit stuk vermeldt: "Betreft: Staalbouw V.". Dit stuk heeft geen betrekking op geïntimeerde, maar op een andere rechtspersoon. Het hoort niet thuis in dit dossier. Stuk 32: dit stuk bevat geen identiteitsgegevens. Er kan niet worden uitgemaakt of dit stuk wel thuishoort in het dienstige dossier. Bovendien lijkt het een vervolg van stuk 31, dat niet dienstig is. Stukken 33 en 34: met goede wil kan men aannemen dat deze stukken samen horen ondanks dat er objectief geen link is tussen deze twee bladzijden. In het verslag wordt er verwezen naar een gesprek met de heren V. en V. B., waarin deze zouden verteld hebben dat de forfaitaire onkostenvergoedingen ook zouden aangewend worden om bepaalde verzekeringspremies mee te betalen. De opsteller van het verslag geeft echter zelf aan dat hij die bewering nooit op papier heeft vastgekregen. Op een bewering kan het Hof inderdaad niet voortgaan. Voor het overige heeft de opsteller blijkbaar geen moeite gedaan om dit gegeven verder uit te vlooien. De inspectie mag immers grondig gebeuren en tot op het bot gaan. De werkgever is verplicht om zijn medewerking te verlenen. Een bewering in een verslag zonder bijkomende ondersteuning is echter onvoldoende. Voor het overige wordt in dit stuk verwezen naar een brief van 8 december 1994 en naar bijlagen. Geen van deze stukken worden bijgevoegd. De stukken volstaan niet als bewijs. Stukken 35 en 36: het zijn 'basisdocumenten voor het wijzigend bericht van 31 maart 1995.' Het zijn interne stukken van de R.S.Z. die het vereiste bewijs niet opleveren. Stukken 37 t.e.m. 40: het betreft de berichten van wijziging van 27 november
  35. Het zijn opnieuw interne stukken van de R.S.Z. die geen dienstig bewijs opleveren. Stukken 41, 42 en 43: het betreft de brieven van 31 oktober 1996 aan geïntimeerde en haar sociaal secretariaat. De waarde ervan werd reeds besproken hogerop in dit arrest, onder de rubriek 'obscuri libelli'. Conclusie: In zijn dossier voor het Hof legt de R.S.Z. geen enkel dienstig stuk neer dat het bewijs inhoudt dat het forfaitair systeem van kostenvergoedingen dat geïntimeerde hanteerde niet deugde. Enig ander dienstig bewijsstuk heeft het Hof in het dossier niet aangetroffen. De R.S.Z. faalt in de op hem rustende bewijslast. De argumentatie van de R.S.Z. De R.S.Z. verwijst naar het advies van de Arbeidsauditeur in eerste aanleg en hij bevestigt dat de methode om per categorie van werknemer eenzelfde bedrag toe te kennen afhankelijk van de wedde van deze werknemer, gekoppeld aan het gegeven dat geen verantwoordingsstukken moesten worden bijgehouden, op zich reeds het bewijs inhoudt dat deze vergoedingen niet met de werkelijkheid overeenstemden en dat ze, minstens gedeeltelijk, verdoken loon waren. Geïntimeerde wijst er op dat er geen automatische koppeling was tussen wedde en vergoeding maar dat er werd gewerkt met een gemiddelde per werknemer in een bepaalde categorie. Dit gemiddelde wordt nog eens bijgestuurd om te komen tot een individueel forfait. De R.S.Z. onkent dit ten onrechte. Het Hof benadrukt dat het eigen is aan een forfaitair systeem dat er met forfaits wordt gewerkt. Per definitie is een forfait een artificiële reconstructie van een bepaalde realiteit. Niet de manier van reconstrueren is aan de orde, ook al kan die bizarre vormen aannemen, maar wel het resultaat. De vraag is immers: beantwoordt de reconstructie in alle redelijkheid aan de realiteit? In casu werd die vraag hogerop in dit arrest reeds beantwoord. Wat de R.S.Z. aan de kaak stelt in dit argument is de aard van de constructie, wat niet dienstig is. De R.S.Z. is van oordeel dat de door geïntimeerde georganiseerde steekproef te miniem is en te anoniem. Het Hof herhaalt dat de bewijslast ligt bij de R.S.Z. Van de werkgever moet worden verlangd dat hij zijn systeem van kostenvergoeding doorzichtig maakt en aannemelijk. De steekproef die geïntimeerde hield is één element. Een tweede en gewichtigste element is de aanvaarding door de fiscus van het systeem. Samen genomen maken deze twee elementen het systeem dat door geïntimeerde werd gehanteerd aannemelijk. Hiermee voldoet geïntimeerde aan wat van haar wordt verwacht. Hieraan wordt geen afbreuk gedaan door de kritiek die de R.S.Z. heeft op de onvolkomenheden van de steekproef. De R.S.Z. houdt voor dat een negatief bewijs leveren onmogelijk is. Opdat het Hof op deze argumentatie wil ingaan, is het wel nodig dat de R.S.Z. een accurater bewijsbundel bijbrengt dan wat hij nu bijbrengt. In ieder geval is het zo dat de R.S.Z. met behulp van zijn inspectiediensten een veel beter resultaat kan voorleggen dan wat hij nu voorlegt. Het Hof sluit zich aan bij de cassatierechtspraak dat de bewijslast rust bij de R.S.Z. Het Hof wijst de stellingname af dat deze bewijslast zou rusten bij de werkgever. Tenslotte wijst de R.S.Z. als het ware 'per definitie' een aantal kosten van de hand die door geïntimeerde worden ingebracht: gebruik van een thuiskantoor, stallingskosten voor de wagen, lidgelden, studiedagen enz... Het Hof kan niet akkoord gaan dat bepaalde kosten 'per definitie' van de hand worden gewezen omdat dat er geen stavingstuk wordt bijgebracht. Deze opstelling is strijdig met de mogelijkheid om kosten forfaitair te vergoeden. Het behoorde aan de R.S.Z. om zijn bezwaren grondiger te onderzoeken in de concrete en dagelijkse werkomstandigheden en desgevallend geïntimeerde te confronteren met zijn bevindingen. Zoals hogerop reeds werd gezegd, faalt de R.S.Z. in zijn bewijslast. Het incidenteel beroep: tergend en roekeloos geding. Geïntimeerde vorderde voor de eerste rechter een schadevergoeding wegens het tergend en roekloos procederen van de R.S.Z. Meer bepaald is zij van oordeel dat de R.S.Z. huidige procedure heeft gevoerd op grond van pertinent onjuiste feiten, zonder ernstige middelen en met een lichtzinnigheid waarvan ieder voorzichtig en behoedzaam mens zich dient te onthouden. Zij verwijt de R.S.Z. bovenop een dilatoire proceshouding. Geïntimeerde verduidelijkt haar standpunt in haar conclusies als volgt: "De invordering van de R.S.Z.-bijdragen op de forfaitaire terugbetaling van kosten eigen aan de werkgever geschiedde naar aanleiding van een controle waarvan de verslagen zijn opgemaakt rond maart
  36. Deze verslagen bevatten gewoon een verwerping door de R.S.Z. van de onkosten, maar geenszins verdere onderzoeksmaatregelen. Ook wordt niet op een afdoende wijze gemotiveerd waarom de R.S.Z. van mening is dat de forfaitaire onkostenvergoedingen in werkelijkheid een verrijking zouden uitmaken. Bijkomend onderzoek wordt niet verricht. - Er werd een akkoord gesloten met het Ministerie van Financiën. De R.S.Z. wenst hiermee geen rekening te houden, en deelt ook de redenen hiertoe niet mee. - Vanwege de Groep V. werden pogingen ondernomen om tot een consensus te komen met de R.S.Z. Dienaangaande werd een vergadering gehouden op 24 januari
  37. Er werd een heel dossier overgemaakt. Hoewel de R.S.Z. beloofde om een accuraat antwoord te formuleren, kwam dit antwoord er niet. Er werd dan gesteld dat één en ander in werkgroepen binnen de R.S.Z. zou besproken worden. Een verslag van de werkgroepen werd echter nooit overgemaakt. Ook is er geen spoor van onderzoek. Nooit werd aan de vennootschap meegedeeld waarom, volgens de R.S.Z., het uitgewerkt systeem van forfaitaire onkostenvergoedingen niet zou deugen. Er werd geen verslag naar de vennootschap verstuurd om mee te delen wat er met het dossier dat zij aan de administrateur-generaal zelf had overhandigd, was geschied. Partij R.S.Z. wacht maar liefst vier jaar om dan zonder enige toelichting de zaak te activeren - Dan blijkt zelfs dat de R.S.Z. de originelen van het dossier, zijnde de steekproef niet meer terugbezorgde en geen stukken heeft. Zelfs op een officieel schrijven van 2 januari 2001, waarin gevraagd werd om uiteindelijk de originelen terug te bezorgen, teneinde de vennootschappen van de Groep V. toe te laten zich op een afdoende wijze te verdedigen, kwam slechts een laattijdige reactie. - Ondertussen blijft het dagvaardingen regenen zonder dat er enige coherentie is. Er wordt zelfs in dagvaardingen niet toegelicht waarover het eigenlijk gaat: forfaitaire onkostenvergoedingen of terugvordering van bijdrageverminderingen. Stukken worden niet meegedeeld. Ook hier dienen de vennootschappen er zelf maar achter te komen wat de inhoud van de dagvaardingen zou kunnen zijn. - De R.S.Z. activeert al de zaken in oktober 2000, zonder toe te lichten wat de eigenlijke rechtsgrond is tot invordering van de bijdragen, en zonder stukken die de eisen konden toelichten. - Zelfs de Arbeidsrechtbank moest vaststellen bij vonnis van 5 september 2001 dat de R.S.Z. geen overtuigingsstukken bijbracht, en beval, conform artikel 871, Ger.W. zijn dossier van rechtspleging te voegen en dit binnen de maand na kennisgeving van het vonnis. Partij R.S.Z. kreeg aldus nog een kans, wat in de gangbare praktijken zeer uitzonderlijk is. Ook voor dit vonnis had de R.S.Z. geen respect en maakte geen stukken over. Hij activeert terug alle zaken, middels de verzoekschriften van 19 februari
  38. Zelfs de Arbeidsrechtbank diende in haar beschikking van 18 maart 2002 voor de tweede maal vast te stellen dat de R.S.Z. de stukken niet op een behoorlijke wijze overlegde. - Pas sedert 2002 (voor bijdragen van 1995 ) is de vennootschap met zekerheid op de hoogte welke stukken de R.S.Z. hanteert. - De procedure werd terug geactiveerd door vaststelling van bindende conclusietermijnen. De vennootschap diende echter vast te stellen dat in sommige zaken geconcludeerd wordt over forfaitaire onkostenvergoedingen, daar waar zij het vermoeden had dat deze zaken handelden over bijdrageverminderingen. Inderdaad, zelfs momenteel in graad van hoger beroep, moeten voor sommige vorderingen nog steeds de exceptio obscuri libelli worden ingeroepen. Uit sommige stukken, liërende aan sommige vorderingen, valt niet met zekerheid vast te stellen waarover het eigenlijk gaat." De eerste rechter was van oordeel dat niet is aangetoond dat de R.S.Z. de huidige procedure heeft gevoerd op grond van pertinent onjuiste feiten, zonder ernstige middelen en met een lichtzinnigheid of een kwaadwilligheid waarvan ieder voorzichtig en behoedzaam mens zich dient te onthouden. Daarom wees hij de oorspronkelijke tegenvordering van geïntimeerde af. Appellant sluit zich bij de eerste rechter aan. Het Hof volgt de eerste rechter niet. Het Hof kan zich aansluiten bij het advies van het Openbaar Ministerie terzake. Dat de R.S.Z. destijds het karakter van de kostenvergoedingen die geïntimeerde aan haar personeel betaalde betwistte en in het kader van deze betwisting tot dagvaarding overging is niet tergend en roekloos, gelet op de stand van de rechtspraak in die periode, die de bewijslast legde op de schouders van de werkgever. Het Hof stelt echter vast dat het feitelijk relaas van geïntimeerde door de R.S.Z. niet afdoende wordt weerlegd. Het wordt trouwens grotendeels ondersteund door de processtukken. De hele proceshouding van appellant, zoals geïntimeerde ze beschrijft, is een procespartij onwaardig. Elke procespartij heeft immers de plicht om de procesgang zo kort te houden als redelijk verantwoord is en om hem zo efficiënt mogelijk te laten verlopen. Dat brengt o.a. mee dat elke partij aan de afloop van het proces moet meewerken en zich strikt moet houden aan de voorschriften terzake van het Gerechtelijk Wetboek. Appellant beging een fout door dagvaardingen uit te brengen die onvoldoende gemotiveerd waren, door geïntimeerde te lang in het ongewisse te laten na het overleg van 24 januari 1996, door het talmen met het mededelen van zijn stukken en door het nodeloos vertragen van de procesgang. Deze fout veroorzaakte bij geïntimeerde schade, al was het alleen maar doordat ze jarenlang in het handelsverkeer bleef aangeschreven als een debiteur van de R.S.Z. Ook omdat ze heel die tijd in het ongewisse bleef over de deugdelijkheid van haar vergoedingssysteem en omdat ze de hele tijd moest blijven voorzien in haar verdediging. Geïntimeerde raamt deze schade op 4.500 EUR, bedrag dat door appellant niet wordt tegengesproken. Het Hof kent dit bedrag toe. Het eerste vonnis moet op dit punt worden hervormd. De tegenvordering: tergend en roekeloos hoger beroep. Geïntimeerde is van oordeel dat ook het door de R.S.Z. ingestelde hoger beroep tergend en roekeloos is omdat het verzoekschrift in beroep uiterst summier is gemotiveerd en omdat de R.S.Z. uitgaat van een foutief feitenrelaas. Verder geeft geïntimeerde aan dat de R.S.Z. redeneert in strijd met de heersende wetgeving, rechtspraak en rechtsleer o.a. wat betreft de bewijslast. Het Hof is van oordeel dat het beroepsverzoekschrift niet zo summier gemotiveerd is als geïntimeerde wil doen uitschijnen. Vooral niet omdat het expliciet verwijst naar het advies van de Arbeidsauditeur in eerste aanleg. Dit advies gaf de R.S.Z. geen ongelijk over gans de lijn maar adviseerde om een gedeelte van de uitbetaalde kostenvergoedingen als loon te beschouwen. De R.S.Z. kon redelijkerwijze de overtuiging zijn toegedaan dat het advies van de Arbeidsauditeur in hoger beroep succesvoller zou zijn dan in eerste aanleg. Daarom was het instellen van hoger beroep niet lichtzinnig. Het procesverloop in hoger beroep is normaal te noemen. Er werd geen noemenswaardige achterstand opgelopen door toedoen van de R.S.Z. Dat geïntimeerde het initiatief nam tot regeling van de conclusietermijnen is een normale proceshandeling die openstaat naar elke procespartij toe. Dat de R.S.Z. zogezegd volhardt in de boosheid wat de bewijslast betreft, is zijn goed recht. Hij mag er naar streven ook gevestigde rechtspraak te laten veranderen. In ieder geval is het zo dat geïntimeerde daardoor geen aanwijsbare schade lijdt. Het hoger beroep is niet tergend of roekeloos. De tegenvordering van geïntimeerde is ongegrond. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Gehoord de heer J. DEKEERSMAEKER, Substituut-generaal, in zijn grotendeels gelijkluidend mondelinge advies, gegeven ter openbare terechtzitting van 15 oktober 2004, waarover partijen verklaarden geen opmerkingen te hebben. Recht doende op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. Verklaart het incidenteel beroep ontvankelijk en gegrond. Bevestigt het vonnis van de Arbeidsrechtbank te Mechelen van 30 juni 2003, behalve bij zoverre het de vorderingen bij haar gekend onder het A.R. nr. 66 958 en A.R. nr. 75 798 ontvankelijk verklaarde en bij zoverre de tegenvordering van geïntimeerde wegens misbruik van procesvoering als ongegrond werd afgewezen. Vernietigt het vonnis wat deze twee onderdelen betreft en verklaart de oorspronkelijke vorderingen gekend onder het A.R. nr. 66958 en A.R. nr. 75798 onontvankelijk wegens nietigheid van de dagvaardingen, respectievelijk van 22 mei 1997 en van 20 juli
  39. Opnieuw wijzende wat het tweede onderdeel betreft: verklaart de oorspronkelijke tegenvordering van geïntimeerde ontvankelijk en gegrond. Veroordeelt appellant, geïntimeerde op incidenteel beroep om aan geïntimeerde, appellante op incidenteel beroep te betalen het bedrag van VIERDUIZEND VIJFHONDERD EUR (4.500 EUR) ten titel van schadevergoeding. Wijst de tegenvordering van geïntimeerde wegens tergend en roekloos hoger beroep van de hand als ontvankelijk maar ongegrond. Legt de kosten van hoger beroep, overeenkomstig artikel 1017, eerste lid van het Gerechtelijk Wetboek, ten laste van de R.S.Z. Vereffent de kosten aan de zijde van B. F. op 200,79 EUR rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg en 279,62 EUR rechtsplegingsvergoeding beroep en de kosten aan de zijde van de R.S.Z. op 88,57 EUR dagvaarding, 2000,79 EUR rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg en 279,62 EUR rechtsplegingsvergoeding beroep. Aldus gewezen en uitgesproken door de vierde kamer van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, op de openbare terechtzitting van zeventien december tweeduizend en vier, waar aanwezig waren: de heer J. VERHAVERT, Raadsheer wnd. Voorzitter, de heer C. SYSMANS, Raadsheer in sociale zaken, als werkgever, aangewezen bij beschikking d.d. 17 december 2004 door de heer J. VERHAVERT, Raadsheer, waarnemend Voorzitter, die de Eerste Voorzitter, verhinderd zijnde, vervangt (artikel 319, eerste lid Ger.W.) om de heer M. HAAN, Raadsheer in sociale zaken, als werkgever, die wettig verhinderd is om de uitspraak van dit arrest, waarover hij mede beraadslaagd heeft, bij te wonen, op het ogenblik van de uitspraak te vervangen. (artikel 779 Ger.W.) de heer O. MAGNUS, Raadsheer in sociale zaken als werknemer-arbeider, mevrouw L. VAN CALSTER, Griffier. PDF document ECLI:BE:AHANT:2004:ARR.20041217.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.