id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 20 december 2004 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2004:ARR.20041220.6 Rolnummer: 2004-0681 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-06-09 Raadplegingen: 118 - laatst gezien 2026-07-01 01:35 Fiches 1 - 3 Hoewel de Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden niet uitdrukkelijk voorziet dat stukken en conclusies die worden neergelegd buiten de in de beschikking van de Eerste Voorzitter bepaalde termijnen uit het debat moeten worden geweerd, blijven de regels van het Gerechtelijk Wetboek onverkort van toepassing. Wanneer de brief houdende kennisgeving van het voornemen tot het geven van ontslag om dringende reden niet ondertekend is door een daartoe bevoegd persoon, dan is het voor de regelmatigheid van die kennisgeving niet vereist dat op het ogenblik van die brief reeds een lastgeving bestond, wanneer blijkt dat de werkgever die rechtshandeling heeft bekrachtigd. De bekrachtiging betreft immers niet de lastgeving zelf, maar de rechtshandeling die door de niet bevoegde lasthebber is verricht. Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP-RECHT-WETGEVING . GERECHTELIJK WETBOEK Beschermde werknemer - procedure in hoger beroep - uit debat weren van conclusies en stukken - voorwaarden - toepassing van regels van gerechtelijk wetboek - kennisgeving voornemen tot geven van ontslag om dringende reden - niet bevoegd persoon - lastgeving - bekrachtiging Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 747,§1,5delid - 30 Link Justel databank 19671010-30 Vrije woorden: ORGANISATIE VAN HET BEDRIJFSLEVEN . ONTSLAGREGELING VAN DE WET VAN 19/03/1991 Verplichtingen van de werkgever - beschermde werknemer - procedure in hoger beroep - uit debat weren van conclusies en stukken - voorwaarden - toepassing van regels van gerechtelijk wetboek - kennisgeving voornemen tot geven van ontslag om dringende reden - niet bevoegd persoon - lastgeving - bekrachtiging Wettelijke bepalingen: Wet - 19-03-1991 - 4§1 - 32 ELI link Pub nr 1991012215 Vrije woorden: ORGANISATIE VAN HET BEDRIJFSLEVEN . ONTSLAGREGELING VAN DE WET VAN 19/03/1991 hoger beroep, termijn, procesregels- beschermde werknemer - procedure in hoger beroep - uit debat weren van conclusies en stukken - voorwaarden - toepassing van regels van gerechtelijk wetboek - kennisgeving voornemen tot geven van ontslag om dringende reden - niet bevoegd persoon - lastgeving - bekrachtiging Wettelijke bepalingen: Wet - 19-03-1991 - 11§2 - 32 ELI link Pub nr 1991012215 Nota: Gerangschikt onder IA - art. 747 ,§1, vijfde lid, onder IVBIS C - art. 4 ,§1 en onder IV BIS, C art. 11,§2 Annotaties Publicaties: SOCIAALRECHTELIJKE KRONIEKEN - - 2006(00001,P.35-37) RECHTSKUNDIG WEEKBLAD - - 2005
(06)(00035,P.1379-1383) Tekst van de beslissing Eindarrest op tegenspraak Derde kamer Beschermde werknemer ARBEIDSHOF TE ANTWERPEN Afdeling Antwerpen ARREST A.R. 2040681 OPENBARE TERECHTZITTING VAN TWINTIG DECEMBER TWEEDUIZEND EN VIER
- F. G.,
- A.B.V.V.
- A.B.V.V. MECHELEN - KEMPEN, appellanten vertegenwoordigd door mr. G. VAN DEN EYNDE, advocaat te Geel, eerste appellante tevens persoonlijk verschijnend, tegen : N.V. S. geïntimeerde vertegenwoordigd door mrs. J. HOFKENS en G. CUPPENS, advocaten te Brussel. Het Hof, na de zaak in beraad te hebben genomen, spreekt in openbare terechtzitting en in de Nederlandse taal het volgend arrest uit. Gelet op de uiteenzetting van de middelen van partijen ter openbare zitting van 13 december
- Gelet op het proces-verbaal van de openbare terechtzitting van 13 december
- I. STUKKEN VAN DE RECHTSPLEGING Gelet op de stukken van de rechtspleging, in het bijzonder: x het eensluidend verklaard afschrift van het op 25 oktober 2004 op tegenspraak gewezen vonnis van de Arbeidsrechtbank te Turnhout, bij gerechtsbrief ter kennis gebracht op 26 oktober 2004; x het verzoekschrift tot hoger beroep, per aangetekende post ontvangen ter griffie van dit Hof op 2 november 2004; x de beschikking d.d. 8 november 2004 overeenkomstig artikel 11 ,§ 2 van de wet van 19 maart 1991, houdende bijzondere ontslagregeling van de personeelsafgevaardigden in de ondernemingsraden en in de comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen alsmede voor de kandidaat-personeelsafgevaardigden; x de conclusies van partijen, ontvangen ter griffie van dit Hof op 22 november 2004 en 6 december 2004 voor de NV S. en op 26 november 2004 voor appellanten. II. PROCEDURE IN EERSTE AANLEG Met exploot van 19 augustus 2004 dagvaardde de NV S. huidige appellanten voor de Voorzitter van de Arbeidsrechtbank te Turnhout, zetelende zoals in kort geding, teneinde, na gepoogd te hebben partijen te verzoenen, de vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren en, bij toepassing van de wet van 19 maart 1991 houdende bijzondere ontslagregeling voor personeelsafgevaardigden in de ondernemingsraden en de comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen alsmede voor de kandidaat-personeelsafgevaardigden, de dringende reden tot beëindiging zoals in de dagvaarding uiteengezet, te erkennen, zodanig dat de arbeidsovereenkomst van mevrouw F.G. kon beëindigd worden zonder opzeggingstermijn of -vergoeding. Bij syntheseconclusie van 27 september 2004 vorderde de N.V. In hoofdorde: Te zeggen voor recht dat de feiten een dringende reden uitmaken waardoor de N.V. de arbeidsovereenkomst kon beëindigen en mevrouw G. te veroordelen tot de kosten van het geding. In ondergeschikte orde: Voor zover de Arbeidsrechtbank zou twijfelen aan de realiteit van de ingeroepen feiten, de N.V. toe te laten door middel van getuigen het bewijs te leveren van het voornemen tot insubordinatie geuit door mevrouw G. opzichtens mevrouw M. F., de heer F. S. en mevrouw W. G. Bij syntheseconclusie van 4 oktober 2004 vorderden huidige appellanten de vordering van de N.V. af te wijzen als niet ontvankelijk, minstens ongegrond, en de N.V. te veroordelen tot de kosten van het geding. Bij bestreden vonnis van 25 oktober 2004 verklaarden de eerste rechters de vordering ontvankelijk en gegrond en erkenden zij de reden tot het dringend ontslag, met name het onmogelijk maken dat de werkgever een arbeidsongeschiktheid laat controleren, met als omstandigheid dat de beweerde arbeidsongeschiktheid een periode betrof aansluitend op een toegestane vakantieperiode, terwijl bij het bespreken van de vakantieregeling er een ergernis geweest was tussen werkgever en werkneemster over de door de werkneemster gevraagde langere periode om vakantie te nemen. Mevrouw G. werd ten slotte veroordeeld tot de kosten van het geding. III. EISEN IN HOGER BEROEP De vordering in hoger beroep van appellanten strekt ertoe, na wering van de conclusies en stukken van de N.V. uit de debatten en na het verstek van de N.V. te hebben vastgesteld, met behandeling van de zaak geacht op tegenspraak in toepassing van artikel 11 ,§ 3 van de Wet van 19 maart 1991, het bestreden vonnis te horen teniet doen en, opnieuw rechtsprekend, de vordering van de N.V. ongegrond te verklaren en haar te veroordelen tot de kosten van het geding. Bij conclusies ter griffie van dit Hof ontvangen op 22 november 2004 en 6 december 2004 vordert de N.V.: In hoofdorde: te zeggen voor recht dat de feiten een dringende reden uitmaken waardoor de N.V. de arbeidsovereenkomst kan beëindigen en mevrouw G. te veroordelen tot de kosten van het geding. In ondergeschikte orde: voor zover het Hof zou twijfelen aan de realiteit van de ingeroepen feiten, de N.V. toe te laten door middel van getuigen het bewijs te leveren van het voornemen tot insubordinatie geuit door mevrouw G. opzichtens mevrouw M. F., de heer F. S. en mevrouw W. G., en voornoemde personen als getuigen op te roepen. IV. ONTVANKELIJKHEID Het hoger beroep werd tijdig en met een naar de vorm regelmatige akte ingesteld, zodat het ontvankelijk is. V. TEN GRONDE
- de feiten Mevrouw G. is sedert 18 oktober 2002 in dienst van geïntimeerde in de hoedanigheid van schoonmaakster in een deeltijdse arbeidsregeling van 10 uren per week. Vanaf 12 mei 2003 was zij tewerkgesteld in een deeltijdse arbeidsregeling van 32 uren per week. Het staat niet ter discussie dat mevrouw G. lid is van de werknemersvertegenwoordiging in de ondernemingsraad van geïntimeerde en dat zij door de representatieve vakorganisatie ABVV werd voorgedragen. In een aangetekende brief van 13 april 2004 deelde geïntimeerde aan mevrouw G. het volgende mee: "Met dit schrijven bevestig ik ons gesprek d.d. 30/3/04 betreffende uw vakantieaanvraag. U vraagt 5 weken vakantie in het hoogseizoen. Hiermee kan ik mij niet akkoord verklaren. U hebt recht op 4 weken jaarlijkse vakantie, waarvan een aaneengesloten periode van maximaal 2 weken tijdens de maanden juli en augustus toegelaten wordt. Ik sprak u over werkplanning, collegialiteit, enz. ... Hierop hebt u mij echter gemeld dat u sowieso 5 weken zou wegblijven, zoals u ook reeds meedeelde aan uw rechtstreekse verantwoordelijke, W. G.. Aan M. F. berichtte u dat u wel een ziektebriefje zou binnenbrengen U begrijpt dat deze uitlatingen onverenigbaar zijn met onze S.stijl. Ik vraag u dan ook met aandrang om ernstig over deze problematiek na te denken, en dienovereenkomstig te handelen." (stuk 4 van geïntimeerde) Op die brief werd door mevrouw G. niet gereageerd. Nadien werd de vakantieperiode van mevrouw G. vastgelegd, met name van 12 tot 23 juli
- Van 25 juni tot 9 juli 2004 was mevrouw G. arbeidsongeschikt wegens ziekte, die met drie opeenvolgende medische attesten werd gestaafd. Vervolgens nam mevrouw G. haar vakantie op. Zij diende het werk op maandag 26 juli te hervatten. Omdat geïntimeerde tot op 29 juli van mevrouw G. niets meer had vernomen, verstuurde zij haar die dag een aangetekende brief met volgende inhoud: "U bent sinds 26 juli 2004 afwezig zonder ons enig bericht te laten geworden. Wij wijzen u op uw plicht om de werkgever zo snel mogelijk op de hoogte te brengen van elke afwezigheid. Wij verzoeken u met aandrang om onmiddellijk het werk te hervatten of uiterlijk dinsdag 3 augustus 2004 om 9.00 uur uw afwezigheid aan ons te rechtvaardigen. Zo u binnen deze termijn niet reageert, geeft u hierdoor de wil te kennen dat u de tussen ons bestaande overeenkomst niet verder wenst te zetten. Wij dienen in dat geval dan ook vast te stellen dat u de arbeidsovereenkomst op eenzijdige wijze wenst te verbreken, waarbij wij ons alle rechten voorbehouden." (stuk 6 van geïntimeerde) Omdat op die brief geen reactie was gekomen, deelde geïntimeerde met aangetekende brief van 5 augustus 2004 aan mevrouw G. en de vakorganisatie die haar had voorgedragen mee dat zij het voornemen had om mevrouw G. wegens dringende reden te ontslaan. (stuk 7 van geïntimeerde) De ingeroepen ernstige tekortkomingen werden op volgende wijze verwoord:
- U bent op 18 oktober 2002 in dienst getreden bij S. N.V. als schoonmaakster. Vanaf 12 mei 2003 bent u werkzaam in een deeltijdse arbeidsregeling van 32 uren per week.
- Op 30 maart 2004 heeft u n.a.v. een bespreking met mevrouw M. F. (meewerkend voorman HH) en F. S. (parkdirecteur) te kennen gegeven dat u 5 weken vakantie wenste te nemen in het hoogseizoen. Wij hebben u er toen op gewezen dat dit onmogelijk was om de reden dat u slechts recht heeft op 4 weken jaarlijkse vakantie, waarvan slechts een aaneengesloten periode van maximaal 2 weken tijdens de maanden juli en augustus toegelaten wordt. U heeft hierop geantwoord dat u sowieso 5 weken zou wegblijven en dat u wel een ziektebriefje zou binnenbrengen. Vermits dit voor S. vanzelfsprekend onaanvaardbaar was, hebben wij u op 13 april 2004 een aangetekende ingebrekestelling gestuurd waarin wij u enerzijds de inhoud van het gesprek van 30 maart 2004 schriftelijk hebben bevestigd en u er anderzijds op gewezen hebben dat wij dergelijke uitlatingen en gedrag niet konden tolereren.
- Vervolgens hebben wij 3 medische attesten ontvangen die uw arbeidsongeschiktheid bevestigden voor de periode van 25 juni 2004 t.e.m. 29 juni 2004, van 30 juni 2004 t.e.m. 6 juli 2004 en van 5 juli 2004 t.e.m. 9 juli
- Na deze periode van arbeidsongeschiktheid hebt u van 10 juli 2004 t.e.m. 25 juli 2004 twee weken vakantie genomen.
- Vanaf 26 juli 2004 bent u afwezig op het werk, zonder enige verantwoording en zonder dat u ons sindsdien nog hebt gecontacteerd. Nochtans bepaalt artikel 5 van uw arbeidsovereenkomst dat u ingeval van arbeidsongeschiktheid omwille van ziekte of ongeval uw werkgever hieromtrent onmiddellijk dient in te lichten, desnoods telefonisch. Bovendien dient u binnen de 48 uren vanaf het begin van de arbeidsongeschiktheid een medisch attest voor te leggen met aanduiding van de verwachte periode van arbeidsongeschiktheid.
- Bij aangetekend schrijven van 29 juli 2004 hebben wij u met aandrang gevraagd om ofwel onmiddellijk het werk te hervatten, ofwel uiterlijk tegen dinsdag 3 augustus 2004 uw afwezigheid te rechtvaardigen. Dit schrijven is tot op heden nog steeds zonder enig antwoord gebleven. Bijgevolg dienen wij vast te stellen dat wij reeds 11 dagen zonder enig nieuws van uwentwege zijn.
- Deze ongewettigde afwezigheid maakt onbetwistbaar een dringende reden tot ontslag uit: het is immers onaanvaardbaar dat een werkneemster zolang ongewettigd afwezig is waarbij zij nalaat haar werkgever hiervan op de hoogte te brengen. (...)" (stuk 7 van geïntimeerde) Op 9 augustus 2004, hetzij 15 dagen nadat geïntimeerde van mevrouw G. niets meer had vernomen, ontving geïntimeerde een vanuit Marokko verzonden medisch attest van een zekere dokter B., volgens hetwelk mevrouw G. arbeidsongeschikt was wegens ziekte van 23 juli tot 21 augustus
- (stuk 9.1 van geïntimeerde) Noch op het medisch attest noch op de enveloppe waarin dit attest werd verstuurd was een naam of adres van een afzender vermeld. (proces-verbaal van de openbare terechtzitting van 13 december 2004) Op 19 augustus 2004 heeft de raadsman van geïntimeerde nog een medisch attest ontvangen vanwege de raadsman van mevrouw G.. Het betreft een tweede medisch controleverslag van dezelfde dokter B. maar gedateerd op 29 juli 2004, opgemaakt in uitvoering van het algemeen verdrag inzake sociale zekerheid tussen het koninkrijk Marokko en het koninkrijk België en dat bestemd was voor de mutualiteit. (stuk 9.2 van geïntimeerde) Op zaterdag 21 augustus hervatte mevrouw G. het werk nadat haar arbeidsongeschiktheid onderworpen geweest was aan de controle van een controlegeneesheer, die had vastgesteld dat de arbeidsongeschiktheid wegens ziekte gewettigd was voor de periode van 26 juli tot 20 augustus
- (stukken 8a en 8 b van appellanten) In toepassing van artikel 5 van de Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden werd op 16 augustus 2004 door de waarnemend Voorzitter van de Arbeidsrechtbank te Turnhout een beschikking geveld waarin werd vastgesteld dat een poging tot verzoening was mislukt en voor recht werd gezegd dat tijdens de duur van de procedure betreffende erkenning van dringende reden de arbeidsovereenkomst van mevrouw G. niet werd geschorst. Op 19 augustus 2004 werd door geïntimeerde dagvaarding uitgebracht op grond van artikel 6 van de Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden. Met beschikking van 1 september 2004 werden conclusietermijnen en een rechtsdag bepaald. Met vonnis van 25 oktober 2004 oordeelden de eerste rechters hetgeen is weergegeven onder punt II van dit arrest. Tegen dit vonnis stelden mevrouw G. en haar vakorganisatie op 2 november 2004 hoger beroep in.
- het verzoek tot het weren uit de debatten van de conclusies en de stukken In toepassing van artikel 11, ,§ 2, van de wet van 19 maart 1991 houdende bijzondere ontslagregeling voor de personeelsafgevaardigden in de ondernemingsraden en in de comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen alsmede voor de kandidaat-personeelsafgevaardigden, hierna kortweg de Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden genoemd, heeft de eerste voorzitter van dit Hof op 8 november 2004 een beschikking genomen, waarbij de zaak werd verwezen naar de derde kamer van dit Hof en waarbij tevens de termijnen werden bepaald binnen dewelke de partijen hun stukken en conclusies moesten neerleggen. Meer in het bijzonder bevat deze beschikking het volgende: "
- (...)
- Bevelen dat de partijen hun stukken evenals hun conclusies ter griffie van het arbeidshof zullen neerleggen uiterlijk op volgende data: x stukken en conclusies van geïntimeerde op 17 november 2004 x antwoordconclusie van appellanten op 26 november 2004 x wederantwoord van geïntimeerde op 6 december 2004." Het Hof stelt vast dat de eerste conclusie en de stukken van geïntimeerde ter griffie van dit Hof werden ontvangen op 22 november 2004 en dit ingevolge de overzending ervan door de hoofdgriffier van de arbeidsrechtbank te Antwerpen, waar die conclusie en de stukken aanvankelijk op 17 november 2004 waren neergelegd. Verder stelt het Hof vast dat geïntimeerde een conclusie, "synthesebesluiten" genaamd, heeft neergelegd op de griffie van dit Hof op 6 december
- Ten slotte heeft geïntimeerde nadien nogmaals dezelfde stukken en conclusies neergelegd, maar dit is voor de beoordeling van huidig geschil niet relevant. In hun conclusie van 26 november 2004 vorderen appellanten dat zowel de "hoofdconclusies" en de stukken als de eventuele "antwoordconclusies" van geïntimeerde uit het debat zouden geweerd worden. De door hen daarvoor aangevoerde rechtsgrond is artikel 747 van het Gerechtelijk Wetboek. Het Hof oordeelt ter zake als volgt. Artikel 11, ,§ 2, van de Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden voorziet dat de eerste voorzitter van het arbeidshof een beschikking neemt waarbij de zaak aan een kamer van het arbeidshof wordt toebedeeld en dat deze eveneens de termijnen voor het neerleggen van stukken en conclusies bepaalt. Artikel 747, ,§ 2, vijfde lid van het Gerechtelijk Wetboek voorziet dat de conclusies die zijn overgelegd na het verstrijken van de termijnen in de beschikking die de rechter heeft genomen op verzoek van een van de partijen, ambtshalve uit de debatten worden geweerd. In de Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden is evenwel niet uitdrukkelijk voorzien dat stukken en conclusies die worden neergelegd buiten de in de beschikking van de eerste voorzitter bepaalde termijnen uit het debat moeten worden geweerd. Naar het oordeel van het Hof neemt dit echter niet weg dat de in het Gerechtelijk Wetboek voorziene regels voor het weren van conclusies uit het debat onverkort van toepassing blijven, wat door partijen blijkbaar ook niet wordt betwist. Hieruit volgt dat, indien geïntimeerde zou aantonen dat zij haar conclusie, samen met haar stukken, uiterlijk op 17 november 2004 aan de raadsman van appellanten heeft overgelegd, die conclusie niet uit het debat moet worden geweerd. In deze is het bewijs daarvan geleverd. Het stuk 15 van geïntimeerde is een per telefax verzonden brief uitgaande van haar raadsman aan de raadsman van appellanten, waarin deze meldt een kopie van zijn conclusies en een nieuw stuk (het stuk 9.1.) over te leggen. Uit het telefaxrapport dat deel uitmaakt van het stuk 15 van geïntimeerde en waarvan de juistheid door appellanten niet wordt betwist, blijkt dat op 17 november om 15.14 uur 29 bladzijden gefaxt werden naar het nummer 0.014.58.55.09, zijnde het op het briefpapier van de raadsman van appellanten vermelde telefaxnummer. Het Hof stelt vast dat de conclusie van geïntimeerde zoals die op de griffie van de arbeidsrechtbank werd neergelegd, het stuk 9.1., de brief en begeleidende faxnota samen 29 bladzijden vormen. Het Hof is van oordeel dat uit die vaststellingen ontegensprekelijk kan besloten worden dat geïntimeerde haar conclusie en haar stuk 9.1 op 17 november 2004 aan de raadsman van appellanten heeft overgelegd. Er bestaat bijgevolg geen aanleiding om die conclusie uit het debat te weren. Nu die eerste conclusie van geïntimeerde tijdig en regelmatig aan de raadsman van appellanten werd overgelegd, bestaat er evenmin aanleiding om de syntheseconclusie van geïntimeerde, die op 6 december 2004 en tevens binnen de in de beschikking van 8 november 2004 bepaalde termijn ter griffie van dit Hof werd neergelegd, uit het debat te weren. Hoewel de Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden zulks niet uitdrukkelijk voorziet, blijft ook de in artikel 740 van het Gerechtelijk Wetboek vastgelegde sanctie, namelijk dat alle memories, nota's of stukken die niet ten laatste met de conclusies zijn overgelegd ambtshalve uit de debatten worden geweerd, onverkort van toepassing, doch met dien verstande dat, rekening gehouden met de bijzondere bepaling van artikel 11 van de Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden, de stukken enkel regelmatig kunnen overgelegd worden op de wijze zoals bepaald in de beschikking van de eerste voorzitter. In casu was dit op 17 november
- Dat in de beschikking werd gesteld dat de stukken moesten worden "neergelegd" op 17 november 2004, doet niets af aan de in het Gerechtelijk Wetboek voorziene regeling voor het weren van stukken uit het debat, waar de laattijdige "overlegging" wordt gesanctioneerd. Zoals hiervoor reeds werd geoordeeld, heeft geïntimeerde tijdig haar conclusies aan de raadsman van appellanten overgelegd. Aan die conclusie was een inventaris gehecht waarop alle stukken waarvan geïntimeerde in graad van hoger beroep gebruik maakte. Appellanten hebben nooit betwist dat de stukken die op die inventaris waren vermeld haar niet of niet allemaal werden overgelegd, zodat moet aanvaard worden dat ook alle stukken tijdig en regelmatig aan appellanten werden overgelegd, met name samen met de op 17 november 2004 overgelegde conclusies. De overige door partijen aangevoerde feiten en middelen zijn niet van aard om afbreuk te doen aan voorgaande overwegingen en besluitvorming.
- ontvankelijkheid van de vordering Naleving van artikel 4 van de Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden: het voornemen en kennisgeving tot het geven van ontslag - lastgeving - bekrachtiging De brief houdende kennisgeving van het voornemen tot het geven van ontslag om dringende reden van 5 augustus 2004 werd namens de B.V.B.A. D. (bestuurder van geïntimeerde die een N.V. is) ondertekend door een zekere heer S., waarvan niet wordt betwist dat hij de parkdirecteur is. Appellanten voeren aan dat de kennisgeving in de brief van 5 augustus 2004 niet geldig zou zijn gebeurd, nu die ondertekend is "in opdracht" door iemand waarvan niet met een geschrift wordt bewezen dat hij de vereiste bevoegdheid had inzake personeelsbeleid. Verder roepen appellanten in dat geïntimeerde wel door de zaakvoerder van de B.V.B.A. D. kon worden vertegenwoordigd, met name door de heer D., maar in casu zou er geen sprake zijn van een lastgeving naar de heer S. toe. Het Hof oordeelt ter zake als volgt. Krachtens artikel 4, ,§ 1, van de Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden moet de werkgever die het voornemen heeft een personeelsafgevaardigde of een kandidaat-personeelsafgevaardigde om een dringende reden te ontslaan, hem en de organisatie die hem heeft voorgedragen hierover inlichten bij een ter post aangetekende brief, die verstuurd wordt binnen drie werkdagen volgend op de dag gedurende welke hij kennis heeft gekregen van het feit dat het ontslag zou rechtvaardigen. Hij moet eveneens binnen dezelfde termijn, bij verzoekschrift zijn zaak aanhangig maken bij de voorzitter van de arbeidsrechtbank. Indien, zoals te dezen, de werkgever een naamloze vennootschap is, dan wordt de kennisgeving regelmatig gedaan door de organen of personen die bevoegd zijn om de vennootschap jegens derden te vertegenwoordigen. (VAN PUYVELDE, I., De voor het ontslag van een personeelsafgevaardigde bevoegde persoon in een N.V. of een B.V.B.A., R.W. 1998-99, 273, nr. 3) De N.V. wordt regelmatig vertegenwoordigd door de raad van bestuur, één of meer bestuurders en het orgaan van dagelijks bestuur. De organen van vertegenwoordiging van een vennootschap kunnen steeds volmacht geven aan lasthebbers, zij het dat die in de regel beperkt moet zijn tot een welbepaalde rechtshandeling of categorie van uitdrukkelijk omschreven rechtshandelingen. Met toepassing van de regels van het gemeen recht is de volmacht aan geen enkele vormvereiste gekoppeld. De volmacht die uitsluitend de kennisgeving van het voornemen tot ontslag betreft, heeft een waarde die lager is dan 375,00 EUR en kan door alle middelen van recht bewezen worden. Krachtens artikel 1998 van het Burgerlijk Wetboek is de lastgever gehouden de verbintenissen na te komen, die de lasthebber overeenkomstig de hem verleende macht heeft aangegaan. Ingeval van rechtshandelingen gesteld door een daartoe niet bevoegd persoon, is hij niet gehouden tot hetgeen daarbuiten mocht zijn gedaan, dan voor zover hij zulks uitdrukkelijk of stilzwijgend bekrachtigd heeft. De bekrachtiging heeft terugwerkende kracht op voorwaarde dat de door derden verkregen rechten niet worden benadeeld. De bekrachtiging betreft niet de lastgeving zélf, maar de rechtshandeling die door een niet bevoegde lasthebber is gesteld. Bijgevolg is de bewering van appellanten als zou geïntimeerde niet het schriftelijk bewijs leveren van het bestaan van een lastgeving aan de heer S. voorafgaand aan het ondertekenen en verzenden van de kennisgeving op 5 augustus 2004, zonder enig belang. In casu blijkt uit de notulen van 6 augustus 2004 van de raad van bestuur van geïntimeerde, dat zij op die datum de intentie om tot ontslag om dringende reden van mevrouw G. over te gaan, zoals die in de Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden bij aangetekende brief aan mevrouw G. werd meegedeeld, heeft bekrachtigd. (stuk 14 van geïntimeerde) Opdat de op 6 augustus 2004 gedane bekrachtiging terugwerkende kracht zou hebben tot 5 augustus 2004, mag geen afbreuk gedaan zijn aan de inmiddels door mevrouw G. verworven rechten. Het Hof ziet evenwel niet in aan welke rechten van mevrouw G. afbreuk zou kunnen gedaan zijn in de periode tussen 5 en 6 augustus 2004, zodat de bekrachtiging van de lastgeving terugwerkende kracht heeft en de kennisgeving regelmatig werd verricht. De vordering is dus wel degelijk ontvankelijk. De overige door appellanten aangevoerde feiten en middelen doen aan voorgaande overwegingen en besluitvorming geen afbreuk.
- de dringende reden Na het einde van haar twee weken durende vakantieperiode, diende mevrouw G. op 26 juli het werk te hervatten. Zij daagde evenwel niet op en geïntimeerde heeft vervolgens op 29 juli aan mevrouw G. een aangetekende brief verstuurd met verzoek het werk te hervatten of uiterlijk tegen dinsdag 3 augustus haar afwezigheid te rechtvaardigen. Omdat geïntimeerde van mevrouw G. niets meer vernam en zij evenmin op het werk verscheen, heeft geïntimeerde bij aangetekende brief van 5 augustus aan mevrouw G. en de vakorganisatie die haar bij de sociale verkiezingen had voorgedragen haar voornemen ter kennis gebracht om over te gaan tot ontslag om dringende reden. Op 5 augustus 2004 was geïntimeerde reeds gedurende 11 dagen zonder enig nieuws van mevrouw G.. Slechts op 9 augustus 2004, dus ruim 15 dagen nadat mevrouw G. het werk had moeten hervatten en wanneer huidige procedure reeds was opgestart, heeft geïntimeerde vanuit Marokko een medisch attest ontvangen volgens hetwelk mevrouw G. arbeidsongeschikt was vanaf 23 juli tot 21 augustus
- Uit de enveloppe (waarop noch een naam noch een adres van een afzender vermeld was) blijkt dat het medisch attest op 29 juli verzonden was. Artikel 5 van het addendum van 12 mei 2003 bij de arbeidsovereenkomst luidt als volgt:
- In geval van arbeidsongeschiktheid omwille van ziekte of ongeval dient de werknemer de werkgever hieromtrent onmiddellijk in te lichten, desnoods telefonisch.
- Bovendien dient de werknemer binnen de 48 uren vanaf het begin van de arbeidsongeschiktheid een medisch attest voor te leggen met aanduiding van de verwachte periode van arbeidsongeschiktheid. Wanneer de arbeidsongeschiktheid langer duurt dan aanvankelijk bepaald werd, moet de werknemer de werkgever een nieuw medisch attest doen toekomen ten laatste de dag waarop zij het werk diende te hervatten. (...)" (stuk 3 van geïntimeerde) Het staat buiten betwisting dat mevrouw G. niet heeft voldaan aan haar contractuele verplichting om haar werkgever onmiddellijk in te lichten van haar arbeidsongeschiktheid en dat zij evenmin heeft voldaan aan de verplichting om binnen de 48 uren vanaf het begin van de arbeidsongeschiktheid een medisch attest voor te leggen. Uit niets blijkt dat mevrouw G. enig valabel motief had om niet te voldoen aan haar verplichting om de werkgever onmiddellijk in te lichten van haar arbeidsongeschiktheid. Zij had nochtans zonder enig probleem geïntimeerde telefonisch, bij telegram of e-mail kunnen verwittigen en het blijkt niet dat zij niet over enig communicatiemiddel beschikte. Bovendien blijkt niet dat de aard van haar ziektetoestand van dien aard was dat het verwittigen van haar werkgever niet mogelijk of zelfs maar moeilijk was. Haar bewering dat zij, mede omwille van haar toestand (die niet nader wordt toegelicht), geen "moderne communicatiemiddelen" ter beschikking had, is volstrekt ongeloofwaardig en wordt door niets zelfs maar waarschijnlijk gemaakt. Dit alles neemt overigens niet weg dat, zelfs indien zij geïntimeerde niet zélf kon verwittigen, zij dit aan een derde had kunnen vragen, bijvoorbeeld aan haar behandelend geneesheer die blijkbaar toch over een gewone telefoon én een gsm beschikte en bovendien de Franse taal machtig was (wat blijkt uit het door hem opgemaakte medisch attest). Evenzeer had zij met de hand een briefje kunnen schrijven en dit door een derde in een postkantoor laten faxen aan geïntimeerde. Het niet onmiddellijk verwittigen van haar werkgever wordt bijgevolg door geen enkel valabel motief verantwoord. Dat mevrouw G. op 29 juli 2004 een medisch attest heeft verstuurd doet daaraan niets af. Bovendien had zij kunnen en moeten weten dat dit attest normalerwijze haar werkgever zelfs niet de maandag daarop had kunnen bereiken, rekening gehouden met het (door haarzelf aangevoerde) feit dat zij in het niet Europese buitenland verbleef. Mevrouw G. diende te weten dat een brief die vanuit Marokko wordt verzonden aanzienlijk meer tijd nodig heeft om een bestemmeling in België te bereiken dan wanneer een brief aan diezelfde bestemmeling vanuit België wordt verzonden. In casu is overigens gebleken dat het attest pas op 19 augustus 2004 ter bestemming is gekomen, zodat het liefst meer dan drie weken onderweg was. Het kan dus niet anders dan dat mevrouw G. wist dat het medisch attest dat haar arbeidsongeschiktheid wegens ziekte staafde bij haar werkgever pas zou toekomen wanneer deze reeds minstens een week in het ongewisse was over de reden waarom zij de arbeid niet had hervat. Niet alleen blijkt hieruit dat mevrouw G. bewust geïntimeerde niet onmiddellijk heeft verwittigd van haar ziekte, maar bovendien blijkt dat zij die ziekte niet heeft gerechtvaardigd met een medisch attest binnen de 48 uren en - wat erger is - zelfs niet binnen een redelijk aanvaardbare termijn. Dat mevrouw G. in de periode van 23 juli tot 20 augustus effectief ziek was, zoals door de controlegeneesheer van geïntimeerde wordt bevestigd, doet daaraan niets af. Naar het oordeel van het Hof kunnen die tekortkomingen, die als bewezen beschouwd worden, aangezien worden als feiten die dermate ernstig zijn dat ze iedere verdere samenwerking tussen mevrouw G. en geïntimeerde onmiddellijk en definitief onmogelijk maken. Uit de omstandigheid dat geïntimeerde bij de voorzitter van de arbeidsrechtbank niet heeft aangedrongen op een schorsing van de arbeidsovereenkomst tijdens de procedure, en de arbeidsovereenkomst thans nog gewoon wordt uitgevoerd, kan niet besloten worden dat de samenwerking niet onmogelijk zou geworden zijn. Alle overige door appellanten aangevoerde feiten en middelen doen naar het oordeel van het Hof aan voorgaande overwegingen en besluitvorming geen afbreuk. Het hoger beroep is bijgevolg ongegrond. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waarvan de voorschriften werden nageleefd. Na beraadslaging, rechtsprekend op tegenspraak, Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. Bevestigt het vonnis van 25 oktober 2004 van de Arbeidsrechtbank te Turnhout in de mate dat het de voor het ontslag om dringende reden ingeroepen feiten erkent, zij het op grond van deels gewijzigde motieven zoals hiervoor aangehaald. Veroordeelt mevrouw G. in de kosten van het hoger beroep. Vereffent deze aan de zijde van mevrouw G. op 58,25 EUR (uitgavenvergoeding verzoekschrift hoger beroep) en 139,81 EUR (rechtsplegingsvergoeding hoger beroep). Vereffent deze aan de zijde van geïntimeerde op 139,81 EUR (rechtsplegingsvergoeding hoger beroep). Aldus gewezen en uitgesproken door de derde kamer van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen in openbare terechtzitting van twintig december tweeduizend en vier, waar aanwezig waren: de heer J. GOEMANS, Raadsheer, wnd. Voorzitter, de heer J. DE NEEF, Raadsheer in sociale zaken, als werkgever, de heer E. DE DECKER, Raadsheer in sociale zaken, als werknemer-arbeider, de heer L. VISKENS, Griffier. PDF document ECLI:BE:AHANT:2004:ARR.20041220.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div