id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 24 december 2004 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2004:ARR.20041224.4 Rolnummer: 2004202 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2005-11-10 Raadplegingen: 273 - laatst gezien 2026-07-04 12:31 Fiches 1 - 3 Normaal weegt de bewijslast op de schouders van de eisende partij. De RSZ moet grotendeels de bewijslast dragen wanneer hij de kwalificatie die de betrokken partijen overeenkwamen aangaande de vorm van hun samenwerking, op de helling zet. Opdat er werkgeversgezag zou kunnen worden uitgeoefend, is het nodig dat diegene die dergelijk gezag uitoefent de hoedanigheid heeft van werkgever. Deze hoedanigheid houdt o.a. in dat men de interne organisatie in handen heeft, dat men het beleid kan aansturen en dat men de taken van de werknemers concreet en normerend kan invullen. Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP-RECHT-WETGEVING . GERECHTELIJK WETBOEK Bewijs - voorafgaande bepalingen - toepassingsgebied - het feit niet door een arbeidsovereenkomst te zijn verbonden - uitsluiting uit het toepassingsgebied - hoedanigheid van werkgever - gezag. Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 870 Vrije woorden: DE ARBEIDSOVEREENKOMSTEN . LEERLINGEN . ALGEMENE REGELING VAN DE ARBEIDSOVEREENKOMSTEN Bepaling arbeidsovereenkomst voor bedienden - het feit niet door een arbeidsovereenkomst te zijn verbonden - bewijslast - uitsluiting uit het toepassingsgebied - hoedanigheid van werkgever - gezag. Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 2 Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID VOOR WERKNEMERS . ALGEMENE REGELING Toepassingsgebied - personen - het feit niet door een arbeidsovereenkomst te zijn verbonden - bewijslast - uitsluiting uit het toepassingsgebied - hoedanigheid van werkgever - gezag. Wettelijke bepalingen: Wet - 27-06-1969 - 1,§1 Nota: Gerangschikt onder I A - artikel 870, II AAN - artikel 2 en onder VII A - artikel 1, ,§
- Annotaties Publicaties: JOURNAL DES TRIBUNAUX DU TRAVAIL - - 2005(00927,P.392-394) Tekst van de beslissing A.R. Nr. 2040202 OPENBARE TERECHTZITTING VAN VIERENTWINTIG DECEMBER TWEEDUIZEND EN VIER. In de zaak: B.V.B.A. C.J.- V., met zetel gevestigd te X, appellante, voor wie verschijnt: mr. G. M. loco mr. L. V., advocaat te X tegen : RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, openbare instelling, met zetel gevestigd te 1060 Brussel, Victor Hortaplein 11, geïntimeerde, voor wie verschijnt: mr. I. V. D. B. loco mr. D. D. G., advocaat te Z. Na over de zaak te hebben beraadslaagd, wijst het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, het hiernavolgende arrest. Gelet op de zittingsbladen van 7 april 2004 en van 12 november 2004; Gelet op de stukken van de rechtspleging, waaronder: x het voor eensluidend verklaarde afschrift van het vonnis van 26 februari 2004 op tegenspraak gewezen door de Arbeidsrechtbank te Turnhout (A.R. 75.895) x het verzoekschrift in hoger beroep, neergelegd ter griffie van dit Hof op 11 maart 2004 en ter kennis gebracht overeenkomstig artikel 1056 van het Gerechtelijk Wetboek op 12 maart 2004; x het verzoekschrift in toepassing van artikel 747, ,§2 van het Gerechtelijk Wetboek van Mr. L. V., ontvangen ter griffie van dit Hof op 9 juni 2004; x de beschikking van J. Verhavert, Raadsheer, waarnemend Voorzitter, in toepassing van artikel 747, ,§2 van het Gerechtelijk Wetboek van 25 juni 2004; x de conclusies voor de R.S.Z., ontvangen ter griffie van het Hof op 3 augustus 2004; x de conclusies voor de B.V.B.A. C.J.- V., ontvangen ter griffie van het Hof op 9 augustus 2004; x aanvullende conclusies voor de R.S.Z., ontvangen ter griffie van dit Hof op 20 oktober 2004; x de repliek op het mondelinge advies voor de R.S.Z., ontvangen ter griffie van dit Hof op 26 november
- Gelet op de stukken van het administratief dossier. Gelet op de stukken in het naar behoren geïnventariseerde dossier van partijen. Gehoord de partijen in de voordracht van hun conclusies en verweermiddelen tijdens de openbare terechtzitting van 12 november
- Gehoord het mondelinge advies van het Openbaar Ministerie op de openbare terechtzitting van 12 november
- De ontvankelijkheid. Het hoger beroep is naar termijn en vorm regelmatig ingesteld en de ontvankelijkheid ervan wordt niet betwist. Het hoger beroep is dan ook ontvankelijk. Feiten en Voorgaanden. De vennootschap J.C. werd in 1980 opgericht door Jf. C., zijn echtgenote J. V. en F. C., zijn vader. J.C. werd zaakvoerder. Het is een schrijnwerkerij. Op 30 maart 2001 nam J.C. ontslag als zaakvoerder. Zijn dochters A., L .en I. werden benoemd als nieuwe zaakvoerder. Zij kregen elk 250 aandelen van hun ouders, die ze niet moesten betalen. Op 4 april 2001 werd vader J.C. ingeschreven als voltijds arbeider bij de B.V.B.A.. Hij voerde verder de opdrachten uit. Voortaan werd de administratie van de firma waargenomen door de drie dochters. Op 2 augustus 2002 vraagt de directie 'controle' bij de R.S.Z. om onderzoek te verrichten naar het statuut van J.C. "ingevolge een schrijven dat ons werd overgemaakt door de Nationale Patroonskas voor het betaald verlof in de bouwbedrijven en openbare werken". Op 2 december 2002 wordt één van de dochters verhoord, L. C. en op 16 december 2002, de vader J.C.. Op 6 februari 2003 schrijft de R.S.Z. aan de B.V.B.A. dat hij van oordeel is dat J.C. voor zijn tewerkstelling bij de B.V.B.A. ten onrechte werd onderworpen aan het stelsel der sociale zekerheid voor werknemers. Met name zou één van de drie constitutieve elementen van een arbeidsovereenkomst ontbreken, nl. het gezag. Vervolgens ging de R.S.Z. over tot ambtshalve schrapping van de ingediende aangiften voor de periode van 4 april 2001 tot en met 30 september
- Uit een bericht van 'wijziging der bijdragen' opgesteld op 26 maart 2003 blijkt dat aldus voor een bedrag van 17.852,77 EUR aan bijdragen werden geschrapt. Op 2 april 2003 dagvaardt de B.V.B.A. de R.S.Z. voor de Arbeidsrechtbank te Turnhout in erkenning van zijn tewerkstelling onder werknemersstatuut. Het bestreden vonnis. De eerste rechter bij vonnis van 26 februari 2004 wees de vordering van de B.V.B.A. af omdat meerdere elementen er op wijzen dat de kwalificatie van de arbeidsovereenkomst niet met de werkelijkheid overeenstemt: x geen van de dochters kent genoeg van houtbewerking om leiding en toezicht uit te oefenen over de activiteiten van hun vader; x geen van de dochters is tijdens de normale kantooruren op het bedrijf aanwezig om de administratie te doen. Ze hebben allemaal nog een andere dagtaak. x J.C. heeft nog bepaalde contacten met de klanten; x er is geen enkele richtlijn voor de uitvoering van het werk. Eisen in hoger beroep. De B.V.B.A. J.C. tekende beroep aan tegen dit vonnis a quo bij verzoekschrift, ontvangen ter griffie van dit Hof op 11 maart
- Zij verzoekt het hoger beroep toelaatbaar en gegrond te verklaren, het vonnis a quo teniet te doen en opnieuw recht doende, de oorspronkelijke eis ontvankelijk en gegrond te verklaren en de R.S.Z. te veroordelen tot de kosten van beide aanleggen. Grieven: x volgens recente Cassatierechtspraak primeert de kwalificatie van de partijen; x de elementen die de eerste rechter in aanmerking nam om de vordering af te wijzen stroken niet met de realiteit, dienen te worden genuanceerd of zijn geen bewijzen van een zelfstandige samenwerking; x er zijn heel wat elementen die wijzen op ondergeschikt verband: opgelegde arbeidstijdregeling - werk kan niet geweigerd worden - voorzorgsmaatregelen te nemen - lokalen en installaties zijn van de B.V.B.A. - vast uurloon - geen bedrijfsrisico's - toelating vragen voor vakantie - verwittigen bij afwezigheid - schorsing en beëindiging conform de arbeidsovereenkomst; x geen bezit van aandelen of financiële verantwoordelijkheid. Bij conclusies, ontvangen ter griffie van dit Hof op 3 augustus 2004, vordert de R.S.Z. het hoger beroep af te wijzen als ongegrond en het vonnis a quo te bevestigen. In Rechte. De bewijslast. De R.S.Z. betwist dat J.C. voor zijn tewerkstelling bij de B.V.B.A. onderworpen is aan het stelsel der sociale zekerheid voor werknemers (zijn stuk 9). Dit leidde in concreto tot een ambtshalve schrapping van de aangiften, die door de BVBA werden ingediend, voor de periode van 4 april 2001 t.e.m. 30 september
- Om deze schrapping ongedaan te maken, zag appellante zich verplicht om een procedure in te leiden voor de Arbeidsrechtbank. Hierdoor verwierf hij in deze procedure de hoedanigheid van eisende partij. Normaal weegt de bewijslast op de schouders van de eisende partij (artikel 870 Ger. W.) Dit zou betekenen dat appellante het bewijs moet leveren dat hij wél met de B.V.B.A. verbonden is door een arbeidsovereenkomst. Immers het bestaan van een arbeidsovereenkomst is een essentiële voorwaarde tot het onderworpen zijn aan de R.S.Z.- reglementering (artikel 1, ,§1 van de Wet van 27 juni 1969 tot herziening van de Besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders). In de specifieke omstandigheden van deze zaak is het Hof echter van oordeel dat appellante niet uitsluitend gehouden is tot bewijs maar dat ook de R.S.Z. en vooral de R.S.Z. zijn bijdrage in het te voeren bewijs moet leveren. Het Hof oordeelt immers dat de R.S.Z. grotendeels de bewijslast moet dragen wanneer hij de kwalificatie die een werkgever met zijn medewerker overeenkwam aangaande de vorm van hun samenwerking, op de helling zet. (zie o.a. Cass., 23 december 2002 - rolnummer S.01.0169.F ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021223.15 - raadpleging via internet: www.cass.be > NL > Hof van Cassatie > arresten van het Hof > datum ingeven > lijst > nr. JC02CN6_1) (Cass., 28 april 2003 - rolnummer S.010.169.F - raadpleging via internet : www.cass.be > NL > Hof van Cassatie > arresten van het Hof > datum ingeven > lijst > nr. JC034S1_1) en Cass., 3 mei 2004 - rolnummer S.03.0108.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040503.23/1 - raadpleging via internet: www.cass.be > NL > Hof van Cassatie > arresten van het Hof > datum ingeven > lijst > nr. RC04534_1). De R.S.Z. steunt in casu zijn oordeel op het onderzoeksverslag met bijlagen, opgemaakt door Inspecteur M. D. C. met nummer 02/292/192 (zie dossier R.S.Z.). Is J.C. een werknemer of een zelfstandige? Het Hof is van oordeel dat het antwoord op deze vraag moet worden benaderd vanuit het volgende principe: "Wanneer uit de uitvoering van de overeenkomst blijkt dat de betrokken partijen hun samenwerking hebben georganiseerd op basis van een werknemersstatuut dan kan de rechter daar geen andere kwalificatie voor in de plaats stellen, wanneer de elementen die aan zijn beoordeling worden voorgelegd de door de partijen aangenomen kwalificatie niet uitsluiten" (zie de net geciteerde cassatierechtspraak). Uit de processen-verbaal van verhoor van J.C. zelf en van zijn dochter L. C. volgt ontegensprekelijk dat appellante en J.C. vanaf 4 april 2001 hun samenwerking hebben georganiseerd onder het regime van een arbeidsovereenkomst. Zij hebben trouwens deze vorm van samenwerking geformaliseerd in een schriftelijke arbeidsovereenkomst van dezelfde datum (stuk 1 van appellante). In de brief van 6 februari 2003 (stuk 2 appellante), waarmee de R.S.Z. aan appellante liet weten de overeengekomen kwalificatie te betwisten, geeft hij de grondslag van zijn betwisting aan, met name: het ontbreken in de relatie tussen appellante en J.C. van een constitutief element van een arbeidsovereenkomst, namelijk het gezag. Opdat de R.S.Z. bijdragen kan innen is inderdaad vereist dat de prestaties die de medewerker levert, worden geleverd in het kader van een arbeidsovereenkomst. Immers artikel 1, ,§1 van de Wet van 27 juni 1969 tot herziening van de Besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders bepaalt: "Deze wet vindt toepassing op de werknemers en werkgevers die door een arbeidsovereenkomst zijn verbonden." Voor de definitie van het begrip 'arbeidsovereenkomst', gebruikt in artikel 1, ,§1 van de Wet van 27 juni 1969 dient verwezen te worden naar de artikelen 2 en 3 van de Wet van 3 juli 1978 (Wet op de Arbeidsovereenkomsten), waar dit begrip omschreven wordt als 'de overeenkomst waarbij een werknemer zich verbindt tegen loon, onder het gezag, van een werkgever handarbeid of hoofdarbeid te verrichten.' De constitutieve elementen van een arbeidsovereenkomst zijn inderdaad de arbeid, het loon en het ondergeschikt verband. Het zijn deze drie constitutieve elementen die noodzakelijk samen aanwezig moeten zijn in de relatie tussen de werkgever en de werknemer. In casu betwist de R.S.Z. niet dat de elementen 'arbeid' en 'loon' aanwezig zijn in de relatie tussen appellante en J.C., maar hij houdt vol dat het element gezag ontbreekt. De R.S.Z. verwijst naar de volgende elementen, die het ontbreken van werkgeversgezag aantonen: - de familiale context en de verhouding vader - dochters, - het verleden van J.C.: hij was vroeger zaakvoerder van appellante, - er veranderde nagenoeg niets in de concrete werkomstandigheden, - de dochters hebben geen enkele ervaring in de sector, - de dochters hebben geen financiële inbreng gedaan, - de dochters hebben elk een andere bezigheid, twee wonen nog thuis, - de echtgenote van J.C. heeft nog een volmacht op de rekening, - de prijzen zijn doorgegeven door J.C., - J.C. ontvangt geen instructies. Vooraleer deze elementen nader te onderzoeken is het aangewezen aan te duiden wat er precies onder werkgeversgezag moet worden verstaan. In de definitie van een arbeidsovereenkomst in de de artikelen 2 en 3 van de Wet van 3 juli 1978 WAO wordt met 'gezag' het juridisch gezag bedoeld en niet het economisch gezag of de economische afhankelijkheid. Wat het juridisch werkgeversgezag is, kan worden afgeleid uit de volgende, ietwat moeilijke maar correcte definitie van een arbeidsovereenkomst: "Het geviseerde maatschappelijk fenomeen dat door artikel 2 en 3 Arbeidsovereenkomstenwet geregeld wordt, betreft deze economische relaties waarbij een 'werknemer' in de 'onderneming van zijn werkgever' een taak op zich neemt en met daadwerkelijke arbeidskracht invult die vanuit organisatorisch standpunt intern georganiseerd wordt en een onmisbare schakel is binnen de aaneensluitende productieprocessen om samen het maatschappelijk doel van de onderneming te verwezenlijken en over welke taak de werkgever, vanuit zijn eigendomsrecht, beleidsrecht en binnen de grenzen van de contractueel verworven aanvaarding door de werknemer het recht heeft deze taakomschrijving concreet en normerend voor de werknemer in te vullen." Vertaald naar de huidige casus, betekent dit, wil het bestaan van een arbeidsovereenkomst worden weerhouden, dat de interne organisatie bij appellante in handen moet zijn van de drie dochters van J.C.. Verder moet zijn aangetoond dat de dochters eigenaars zijn van appellante en dat zij het beleid binnen appellante aansturen. Tenslotte moet er bewezen zijn dat de taken van J.C. concreet en normerend door zijn dochters worden ingevuld. x x x
- Het Hof is van oordeel dat uit de verklaringen van J.C. en van zijn dochter Leen niet komt vast te staan dat de drie dochters van J.C. de interne organisatie van het bedrijf in handen hadden en hebben. Uit de verklaring van L. C. van 2 december 2002 blijkt immers dat zij en haar zussen enkel de administratieve kant van de zaak voor hun rekening hebben genomen, wat een bepaald takenpakket binnen het geheel betekent. Maar het op zich nemen van de administratie is niet gelijk te stellen met het besturen van het bedrijf of het in handen hebben van de interne organisatie van dit bedrijf. De binnenkomende bestellingen worden doorgegeven aan vader J.C., zo verklaart L.C., vader die dan zelf zijn werk kan indelen. Later zal hij ook zelf doorgeven hoever de werkzaamheden zijn gevorderd. Dergelijke handelwijze wijst er eerder op dat de interne organisatie nog grotendeels bij J.C. berustte. Appellante is een klein bedrijf. Qua organisatie komt het er op aan de orders van de klanten af te werken. De wijze waarop dit gebeurt, bepaalt J.C. blijkbaar. Bovendien blijkt uit de verklaring van L.C. dat J.C. nog een handje toestak bij de administratie en bij de afspraken met de klanten. Dit alles is moeilijk verzoenbaar met wat L.C. verderop in haar verklaring aangeeft, namelijk dat vader J.C. "gewoon zijn uren doet". Deze elementen worden ook bevestigd in de verklaring van J.C. van 16 december
- Hij voegt er nog aan toe dat belangrijke beslissingen nog steeds in overleg met hem worden genomen en dat de prijzen worden bepaald op basis van cijfers die hij heeft doorgegeven. De logische gevolgtrekking is dan ook dat J.C. nog een serieuze vinger in de pap bleef hebben na 1 april
- Het feit dat de interne organisatie bij appellante nog grotendeels afging op J.C., maakt dat hij de rol die normaal toekomt aan de werkgever bleef invullen. Het gevolg daarvan is dat hij moeilijk het gezag dat van zulk een werkgever moet uitgaan, over zichzelf kan uitoefenen. Dit is wat de R.S.Z. aangeeft, wanneer hij verwijst naar de volgende elementen: - de dochters hebben geen enkele ervaring in de sector, - de dochters hebben elk een andere bezigheid, twee wonen nog thuis, - de prijzen zijn doorgegeven door J.C., - J.C. ontvangt geen instructies.
- Wat in tweede instantie volgt uit de bovenstaande definitie om de hoedanigheid van werkgever te bezitten, is eigenaar te zijn van het bedrijf en daardoor het beleid te sturen. Formeel zijn de drie dochters van J.C. inderdaad eigenaar van de aandelen, maar zij hebben er niet voor betaald. Dus in de werkelijkheid blijft het bedrijf in feite behoren tot het (huwelijks)vermogen van J.C.. Eén exponent daarvan geeft J.C. aan in zijn verklaring wanneer hij bevestigt dat de belangrijke beslissingen pas worden genomen na overleg met hem. Het Hof leest deze zinsnede in de verklaring van J.C. zodanig dat de dochters geen belangrijke beslissingen kunnen nemen zonder eerst in overleg te gaan met hun vader. Een en ander is goed te begrijpen vanuit de familiale context waarin het bedrijf thuishoort. De bedrijvigheid van appellante is de broodwinning voor J.C. en zijn gezin, waarvan zijn dochters nog deel uitmaken, minstens twee van hen. Het is duidelijk dat in deze context het financieel zwaartepunt is blijven liggen bij J.C. en rechtstreeks daaraan gekoppeld het feit dat de belangrijke beleidsbeslissingen enkel onder zijn goedkeuring kunnen worden genomen. Deze realiteit duidt de R.S.Z. aan door te verwijzen naar de volgende elementen: - de familiale context en de verhouding vader - dochters, - de dochters hebben geen financiële inbreng gedaan, - de echtgenote van J.C. heeft nog een volmacht op de rekening. Dus ook op financieel vlak en de eraan gekoppelde mogelijkheid om het beleid uit te stippelen, scoren de dochters eigenlijk niet. Dat brengt mee dat deze elementen hun hoedanigheid van werkgever niet ondersteunen, hoedanigheid die ze wel nodig hebben om het werkgeversgezag te kunnen uitoefenen.
- Tenslotte moet er bewezen zijn dat de taken van J.C. concreet en normerend door zijn dochters werden ingevuld. Dit bewijs is evenmin terug te vinden in de verklaringen van J.C. en zijn dochter L. Er wordt in de verklaring van L.C. wel verwezen naar de normale werkuren van maandag tot vrijdag van 8 uur tot 12 uur en van 12 uur 30 tot 17 uur met tweemaal een pauze van 15 minuten, maar dat klinkt nogal vrijblijvend als men daarnaast in die verklaring leest dat vader C. zijn werk zelf kan indelen. Anderzijds kan enige controle op deze arbeidstijd niet worden uitgeoefend omdat elk van de drie dochters een eigen bezigheid hebben (twee werken er en de derde studeert nog), die niet toelaat om de naleving van de arbeidstijd te gaan controleren. Trouwens dergelijke controle zou niet passend zijn in de familiale context die hogerop is geschetst. Bovendien kan het werken op vaste tijdstippen een regelmaat zijn die men zich heeft opgelegd en die ook zinvol kan zijn wanneer men zijn prestaties op zelfstandige basis verricht. Het Hof heeft de indruk dat de arbeidsuren voortkomen uit de documenten (arbeidsovereenkomst en -reglement), die door het Sociaal Bureau als standaarddocumenten zijn voorgelegd (zie bijv. de arbeidsovereenkomst - stuk 1 van appellante). Waar het in het kader van deze bewijsvoering op aankomt, is aan te tonen dat de arbeidsuren zijn opgelegd door de werkgever, die dergelijke uren heeft bedacht omdat ze hem helpen om optimaal zijn economisch project te realiseren. Met andere woorden de arbeidsuren moeten dwingend worden opgelegd door de werkgever. In casu is niet aangetoond dat deze uren dwingend door de dochters aan hun vader werden opgelegd. Anderzijds is hogerop in dit arrest al geoordeeld dat inhoudelijk (welke klanten worden eerst bediend, wat eerst, wat later) er zeker geen instructies werden gegeven maar dat zulks werd overgelaten aan vader C. zelf. Dat qua taakinhoud en qua werkregeling er niet veel veranderde ten aanzien van de periode dat J.C. nog zelfstandige was, illustreert de R.S.Z. door het aanhalen van de volgende elementen: - het verleden van J.C.: hij was vroeger zaakvoerder van appellante, - er veranderde nagenoeg niets in de concrete werkomstandigheden. Conclusie: Opdat er werkgeversgezag zou kunnen worden uitgeoefend, is het nodig dat diegene die dergelijk gezag uitoefent de hoedanigheid heeft van werkgever. Het Hof komt tot de bevinding dat de elementen die de R.S.Z. aanreikt tot het besluit nopen dat dergelijke hoedanigheid niet aanwezig was bij de drie dochters C.: zij hadden te weinig ervaring daartoe, zij namen geen financieel engagement, zij hadden andere bezigheden. Het enige wat zij wél gedaan hebben, is het uit handen nemen van hun vader van de administratieve rompslomp. Het op zich nemen van deze deeltaak heeft hen echter niet tot werkgever gemaakt. Wel zijn ze vrije medewerkers geworden om hun vader te ontlasten. Het gaat om hulpvaardigheid binnen een familiale context. Niets meer, niets minder. Aan de kant van vader J.C. realiseert het Hof zich dat eens op een zekere leeftijd gekomen, het interessant kan zijn om van statuut te veranderen. Men kan dit dan formaliseren, maar dat op zich volstaat niet. In de concrete werkelijkheid moet het duidelijk zijn dat de omschakeling ook effectief is gebeurd en dat zich als het ware op de werkvloer een werkgeversgezag heeft geïnstalleerd dat er vroeger niet was. Hieraan wordt geen afbreuk gedaan door de elementen die appellante naar voren schuift in haar conclusies, elementen die het bestaan van een werknemersstatuut zouden moeten bevestigen. Deze elementen zijn hoofdzakelijk geplukt uit de schriftelijke arbeidsovereenkomst, het instrumentum, maar ze worden niet ondersteund vanuit de dagelijkse praktijk. Of wel zijn ze niet bewezen en blijven ze eerder theoretisch. Het feit dat J.C. per uur wordt betaald, wijst inderdaad op ondergeschikt verband maar het Hof is van oordeel dat dit element kunstmatig is in die zin dat men zich bij de organisatie van het werknemersstatuut wel realiseerde dat men moeilijk anders kon dan een uurloon te voorzien. Appellante legt geen verdere boekhoudkundige stukken neer die moeten aantonen dat het inkomen van J.C. beperkt bleef tot de bedragen van de individuele rekening. Slotsom. De door R.S.Z. aangereikte elementen maken duidelijk dat de dochters C. de hoedanigheid van werkgever nooit echt hebben verworven. Hierdoor kan er geen sprake zijn van werkgeversgezag en bijgevolg ook niet van een arbeidsovereenkomst. De R.S.Z. nam dan ook de juiste beslissing door er van uit te gaan dat J.C. ten onrechte werd onderworpen aan het stelsel der sociale zekerheid voor werknemers. Het eerste vonnis kan worden bevestigd. Het hoger beroep is ongegrond. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Gehoord de heer F. SLACHMUYLDERS, Substituut-generaal, in zijn mondelinge advies, gegeven ter openbare terechtzitting van 12 november 2004, waarover de raadsman van appellante verklaarde geen opmerkingen te hebben over het advies. Op verzoek van de raadsvrouw van geïntimeerde repliceerde schriftelijk op het advies met conclusies ontvangen ter griffie van dit Hof op 26 november
- Recht doende op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. Bevestigt het vonnis van de Arbeidsrechtbank te Turnhout van 26 februari
- Legt de kosten van hoger beroep, overeenkomstig artikel 1017, eerste lid van het Gerechtelijk Wetboek, ten laste van appellante. Vereffent de kosten aan de zijde van de R.S.Z. op 102,63 EUR rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg en 279,62 EUR rechtsplegingsvergoeding beroep en aan de zijde van de B.V.B.A. op 71,63 EUR dagvaarding, 102,63 EUR rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg, 57,02 EUR uitgavenvergoeding en 279,62 EUR rechtsplegingsvergoeding beroep. Aldus gewezen en uitgesproken door de vierde kamer van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, op de openbare terechtzitting van vierentwintig december tweeduizend en vier, waar aanwezig waren: PDF document ECLI:BE:AHANT:2004:ARR.20041224.4 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021223.15 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040503.23 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div