id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 17 januari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20050117.2 Rolnummer: 2003-0546 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2005-11-29 Raadplegingen: 291 - laatst gezien 2026-07-04 04:09 Fiches 1 - 2 Wanneer artikel 40, tweede lid, tweede zin, van de Arbeidswet, bepaling die genomen is ter uitvoering van de Richtlijn 92/85 EG, de in die richtlijn niet voorziene eis stelt dat, opdat de zwangere werkneemster schriftelijk in kennis zou gesteld worden door haar werkgever van de voor het ontslag aangevoerde redenen, ze daartoe een verzoek richt aan de werkgever, dan leidt een richtlijnconforme interpretatie ertoe dat de wijze waarop zulk een verzoek moet worden geformuleerd zeer ruim en soepel moet worden geïnterpreteerd. Wanneer de werkgever gevolg heeft gegeven aan het in artikel 40, tweede lid, tweede zin, van de Arbeidswet voorziene verzoek van de zwangere werkneemster om schriftelijk de redenen voor het ontslag ter kennis te brengen, dan kan hij, rekening gehouden met de finaliteit van die bepaling die genomen is in uitvoering van de Richtlijn 92/85 EG, nadien geen andere redenen meer aanvoeren. Vrije woorden: ARBEIDSREGLEMENTERING . ARBEIDSWET moederschapsbescherming - kennisgeving van redenen voor ontslag - verzoek van de werkneemster - voorwaarde niet voorzien in de richtlijn - richtlijnconforme interpretatie - gevolg - door werkgever schriftelijk ter kennis gebrachte redenen voor ontslag - verbod tot aanvoering van andere redenen. Wettelijke bepalingen: Wet - 16-03-1971 - 40,2delid - 02 ELI link Pub nr 1971031602 Vrije woorden: INTERNATIONALE VERDRAGEN EN VERORDENINGEN . EUROPESE ECONOMISCHE GEMEENSCHAP . RICHTLIJNEN VAN DE EEG 75/117 - 76/207 - 77/187 - moederschapsbescherming - kennisgeving van redenen voor ontslag - verzoek van de werkneemster - voorwaarde niet voorzien in de richtlijn - richtlijnconforme interpretatie - gevolg - door werkgever schriftelijk ter kennis gebrachte redenen voor ontslag - verbod tot aanvoering van andere redenen. Wettelijke bepalingen: Richtlijn EG/EU - 21-06-1991 - 2 Richtlijn EG/EU - 19-10-1992 - 10 Nota: Gerangschikt onder III A - artikel 40, 2de lid en onder IX D 6 - artikel
- Annotaties Publicaties: SOCIAALRECHTELIJKE KRONIEKEN - - 2005(00006,P.339-341) Tekst van de beslissing Tussenarrest op tegenspraak Getuigenverhoor eerste rechters Derde kamer Arbeidsovereenkomst voor arbeiders ARBEIDSHOF TE ANTWERPEN Afdeling Antwerpen ARREST A.R. 2030546 OPENBARE TERECHTZITTING VAN ZEVENTIEN JANUARI TWEEDUIZEND EN VIJF N.V. E met maatschappelijke zetel gevestigd appellante vertegenwoordigd door mr. K. VERLEYSEN loco mr. G. DE BRUYN, advocaat te 9300 Aalst, tegen : M. F. wonende te geïntimeerde vertegenwoordigd door mevrouw S. GABRIËLS, afgevaardigde van een representatieve werknemersorganisatie met volmacht. Het Hof, na de zaak in beraad te hebben genomen, spreekt in openbare terechtzitting en in de Nederlandse taal het volgend arrest uit. Gelet op de uiteenzetting van de middelen van partijen ter openbare terechtzitting van 6 december
- Gelet op de processen-verbaal van de openbare terechtzitting van 25 juni 2004 en 6 december
- I. RECHTSPLEGINGSSTUKKEN Gelet op de stukken van de rechtspleging, in het bijzonder: x het eensluidend verklaard afschrift van het op 25 juni 2003 op tegenspraak gewezen vonnis van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen, waarvan geen bewijs van betekening wordt bijgebracht; x het verzoekschrift tot hoger beroep ontvangen ter griffie van dit Hof op 5 september 2003; x het tussenarrest d.d. 25 juni 2004 waarbij het hoger beroep ontvankelijk werd verklaard doch alvorens ten gronde te oordelen de heropening van de debatten werd bevolen; x de conclusie van M.F. ontvangen ter griffie van dit Hof op 5 augustus 2004; x de conclusie van de N.V. E., hierna genoemd de N.V., ontvangen ter griffie van dit Hof op 30 november
- II. DE FEITEN EN VOORAFGAANDE RECHTSPLEGING Voor wat betreft de uiteenzetting van de feiten en de voorafgaande rechtspleging, verwijst het Hof naar het hiervoor vermelde tussenarrest. III. TEN GRONDE Met tussenarrest van 25 juni 2004 werd de heropening van het debat bevolen teneinde partijen in staat te stellen hun standpunt kenbaar te maken betreffende twee vragen. Vooreerst rijst de vraag of de brief van 8 februari 1999 van de vakorganisatie van M.F. kan aangezien worden als een schriftelijk verzoek van de werknemer, waarvan sprake in artikel 40, tweede lid, tweede zin, van de Arbeidswet. Het Hof oordeelt ter zake als volgt. Artikel 40, tweede lid, tweede zin, van de Arbeidswet, ingevoegd door de wet van 3 april 1995 tot aanpassing van een aantal bepalingen betreffende de moederschapsbescherming (B.S. 10 mei 1995), is de uitvoering van de Richtlijn 92/85/EEG van de Raad van 19 oktober 1992 inzake de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid op het werk van werkneemsters tijdens de zwangerschap, na de bevalling en tijdens de lactatie. (tiende bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van de Richtlijn 89/391/EEG, PB. 28 november 1992 nr. L 348, blz. 0001 - 0008) Artikel 1 van deze Richtlijn luidt als volgt: "Doel
- Deze richtlijn, die de tiende bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van Richtlijn 89/391/EEG is, heeft ten doel maatregelen ten uitvoer te leggen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid op het werk van werkneemsters tijdens de zwangerschap, na de bevalling en tijdens de lactatie.
- Richtlijn 89/391/EEG, met uitzondering van artikel 2, lid 2, geldt ten volle voor het gehele in lid 1 bedoelde terrein, onverminderd meer dwingende en/of specifieke bepalingen die in de onderhavige richtlijn zijn opgenomen.
- Deze richtlijn mag geen verlaging tot gevolg hebben van het niveau van de bescherming van werkneemsters tijdens de zwangerschap, na de bevalling en tijdens de lactatie ten opzichte van de situatie die op het moment van de aanneming van de richtlijn in iedere Lid-Staat bestaat." Artikel 10 van deze Richtlijn luidt als volgt: "Ontslagverbod Ten einde werkneemsters in de zin van artikel 2 te waarborgen dat zij de in het onderhavige artikel erkende rechten inzake de bescherming van haar veiligheid en gezondheid kunnen doen gelden, wordt het volgende bepaald:
- (...)
- wanneer een werkneemster in de zin van artikel 2 wordt ontslagen gedurende de in punt 1 bedoelde periode, dient de werkgever schriftelijk gegronde redenen op te geven voor het ontslag; 3.(...)." Het Hof stelt vast dat in het nationale recht de verplichting voor de werkgever om de redenen voor het ontslag schriftelijk ter kennis te brengen aan de zwangere werkneemster gekoppeld is aan de eis om daartoe een verzoek te richten aan de werkgever, terwijl zulks in de richtlijn niet is voorzien. Ook de Raad van State heeft opgemerkt dat het wetsontwerp (dat uiteindelijk ook aangenomen is) om die reden niet ten volle overeenstemde met de richtlijn 92/85/EEG (Parl. St. 1994-95, 1651/1, 16; advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State bij de wet van 3 april 1995 tot aanpassing van een aantal bepalingen betreffende de moederschapsbescherming, B.S. 10 mei 1995) Volgens vaststaande rechtspraak van het Hof van Justitie geldt de uit een richtlijn voortvloeiende verplichting van de Lid-Staten om het met die richtlijn beoogde resultaat te bereiken, alsook hun verplichting om, krachtens (huidig) artikel 10 E.G.-Verdrag, alle algemene of bijzondere maatregelen te treffen die geschikt zijn om de nakoming van die verplichting te verzekeren, voor alle met overheidsgezag beklede instanties van de Lid-Staten, en dus binnen het kader van hun bevoegdheden ook voor de rechterlijke instanties. (H.v.J. 3 november 1990, Marleasing, C-106/89, Jur., 1990, I
(4135)4146, r.o. 8; H.v.J. 26 sept. 1996, C-168/95, Jur., 1996, I
(4719)4730, r.o. 41; Cass. AR C.00.0483.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030124.5, 24 januari 2003, www.cass.be, op datum) Daaruit volgt dat de nationale rechter bij de toepassing van het nationale recht dit zoveel mogelijk dient uit te leggen in het licht van de bewoordingen en het doel van de richtlijn teneinde het hiermee beoogde resultaat te bereiken en aldus aan artikel 189, derde lid, van het Verdrag te voldoen. (Cass. A.R. C.00.0066.F ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010928.6, 28 september 2001, www.cass.be, op datum) Rekening gehouden met deze principes en met het gegeven dat de Richtlijn 92/85 EEG een maximale bescherming van de zwangere werkneemster beoogt, is het Hof van oordeel dat, wanneer, zoals te dezen, het nationale recht de in de richtlijn niet voorziene eis stelt dat, opdat de zwangere werkneemster schriftelijk in kennis zou gesteld worden door haar werkgever van de voor het ontslag aangevoerde redenen, de wijze waarop dit verzoek moet geformuleerd worden zeer ruim en soepel moet geïnterpreteerd worden. Er anders over oordelen zou afbreuk doen aan de door de Europese regelgever beoogde doelstellingen. Toegepast in huidige zaak, is naar het oordeel van het Hof de brief van 8 februari 1999 uitgaande van de vakorganisatie van M.F. wel degelijk te aanzien als een verzoek in de zin van artikel 40, tweede lid, tweede zin. Hoewel die brief, waarbij de vakorganisatie handelde als lasthebber van M.F., niet uitdrukkelijk een verzoek tot het meedelen van de ware redenen voor het ontslag bevat, blijkt daaruit niettemin impliciet maar zeker dat zulks toch gevraagd werd. In die brief vroeg M.F. immers aan haar werkgever dat hij verduidelijking zou verschaffen bij het in het C4-document opgegeven ontslagmotief "onvoldoening" en dat die ontslagreden zou gestaafd worden door stukken. M.F. vroeg met andere woorden dat haar werkgever duidelijk de redenen zou opgeven waarom zij was ontslagen. Impliciet doch zeker blijkt bovendien dat M.F. verwachtte dat de redenen voor haar ontslag haar schriftelijk ter kennis zouden gebracht worden. Bijgevolg dient te worden aanvaard dat M.F. bij brief van 8 februari 1999 de N.V. verzocht heeft schriftelijk de redenen voor haar ontslag mee te delen. Nu de eerste in het tussenarrest gestelde vraag bevestigend werd beantwoord, is de tweede vraag aan de orde, met name: wat is de finaliteit van artikel 40, tweede lid, tweede zin van de Arbeidswet en welke zijn de gevolgen daarvan op de bewijsplicht van de werkgever (kan hij nog andere dan de op verzoek van de zwangere werkneemster schriftelijk ter kennis gebrachte motieven aanvoeren)? Het Hof oordeelt ter zake als volgt. Volgens het eerste lid van artikel 40 van de Arbeidswet, mag de werkgever die een zwangere werkneemster tewerkstelt geen handeling stellen die ertoe strekt eenzijdig een einde te maken aan de dienstbetrekking vanaf het ogenblik dat hij werd ingelicht omtrent de zwangerschap tot een maand na de postnatale rustperiode, behalve om redenen die vreemd zijn aan de lichamelijke toestand als gevolg van de zwangerschap of van de bevalling. In het tweede lid van die bepaling is voorzien dat de werkgever dient te bewijzen dat zulke redenen voorhanden zijn en dat hij de werkneemster op haar verzoek daarvan schriftelijk in kennis stelt. In het laatste lid van dit artikel is tenslotte voorzien dat wanneer de ingeroepen reden tot staving niet beantwoordt aan het bepaalde in het eerste lid of bij ontstentenis van reden, de werkgever aan de werkneemster een forfaitaire vergoeding dient te betalen gelijk aan zes maanden brutoloon. Met de bewoordingen "de ingeroepen reden tot staving" is tevens de reden bedoeld die de werkgever op verzoek van de zwangere werkneemster schriftelijk ter kennis brengt. Wanneer, zoals te dezen, de werkgever op verzoek van de werkneemster gehouden is schriftelijk de motieven voor het ontslag kenbaar te maken aan de zwangere werkneemster, heeft dit tot doel haar in de mogelijkheid te stellen na te gaan of die motieven al dan niet vreemd zijn aan de zwangerschap en kan zij overwegen of het instellen van een rechtsvordering al dan niet opportuun is. Wanneer de werkgever de mogelijkheid zou hebben nadien nog andere redenen aan te voeren, dan wordt de finaliteit van artikel 40 geheel teniet gedaan en wordt afbreuk gedaan aan datgene wat in de richtlijn 85/92 EEG werd beoogd, met name een adequate bescherming tegen ontslag bieden aan de zwangere werkneemster. Voorafgaand aan de bepalingen van de richtlijn 92/85 EEG overweegt de Raad voor de Europese Gemeenschappen immers het volgende: "(...) Overwegende dat het risico van ontslag om redenen in verband met hun toestand een nadelige uitwerking kan hebben op de lichamelijke en geestelijke toestand van werkneemsters tijdens de zwangerschap, na de bevalling en tijdens de lactatie dat ontslag moet worden verboden; (...)" Tevens kan artikel 10 van de richtlijn in herinnering worden gebracht, waarin het volgende is voorzien: "Ontslagverbod Ten einde werkneemsters in de zin van artikel 2 te waarborgen dat zij de in het onderhavige artikel erkende rechten inzake de bescherming van haar veiligheid en gezondheid kunnen doen gelden, wordt het volgende bepaald:
- de Lid-Staten nemen de nodige maatregelen om ontslag van werkneemsters in de zin van artikel 2 te verbieden gedurende de periode vanaf het begin van hun zwangerschap tot het einde van het in artikel 8, lid 1, bedoelde zwangerschapsverlof, behalve in uitzonderingsgevallen die geen verband houden met hun toestand en overeenkomstig de nationale wetten en/of praktijken zijn toegestaan en, in voorkomend geval, voor zover de bevoegde instantie hiermee heeft ingestemd;
- wanneer een werkneemster in de zin van artikel 2 wordt ontslagen gedurende de in punt 1 bedoelde periode, dient de werkgever schriftelijk gegronde redenen op te geven voor het ontslag;
- de Lid-Staten nemen de nodige maatregelen om werkneemsters in de zin van artikel 2 te beschermen tegen de gevolgen van ontslag, indien dit op grond van punt 1 onwettig is.". Weliswaar voorziet de nationale wet niet uitdrukkelijk dat de werkgever gehouden is het ontslag van een zwangere werkneemster te motiveren uiterlijk op het tijdstip dat het wordt gegeven, doch dit neemt niet weg dat een richtlijnconforme interpretatie moet leiden tot het besluit dat de werkgever, eens in toepassing van artikel 40, tweede lid, tweede zin, van de Arbeidswet aan de werkneemster de redenen voor het ontslag schriftelijk werden ter kennis gebracht, hij geen andere redenen ter verantwoording daarvoor meer kan aanvoeren. Terecht voert de N.V. evenwel aan dat het haar niet verboden is de ter kennis gebrachte redenen later verder "uit te diepen". Dit betekent nochtans niet dat de werkgever zou kunnen volstaan met het ter kennis brengen van vage en in algemene bewoordingen gestelde redenen. De motieven moeten zodanig geformuleerd zijn dat de werkneemster in staat is te beoordelen of ze al dan niet vreemd zijn aan de lichamelijke toestand als gevolg van de zwangerschap of de bevalling. In casu werden de voor het ontslag aangevoerde redenen vermeld in de brief van 12 februari 1999 van de N.V. en de daaraan toegevoegde bijlage, met name een brief gedateerd op 11 december
- (stukken 4 en 5 van de N.V.) Het zijn derhalve alleen die redenen die in aanmerking komen voor de beoordeling of M.F. al dan niet ontslagen werd om redenen vreemd aan haar zwangerschap. Die feiten worden door M.F. betwist, zodat de N.V. deze dient te bewijzen. Voornoemde brief en de daaraan gehechte bijlage volstaan naar het oordeel van het Hof op zich niet als bewijs van de ingeroepen redenen. De brief gaat uit van de N.V. zélf en de bijlage is een niet ondertekend stuk uitgaande van een zekere D. R. en waarin citaten van e-mails afkomstig van klanten werden opgenomen. De inspectierapporten (meerdere dus), waarvan sprake in voornoemde brief en waaruit zou blijken dat de klant zich regelmatig ergerde aan onvolkomenheden waarvoor M.F. verantwoordelijk zou zijn, zijn blijkbaar spoorloos verdwenen. De schriftelijke bevestiging vanwege "de klant" dat deze de overplaatsing van M.F. zou gevraagd hebben wordt evenmin voorgebracht, hoewel die klant volgens de N.V. beloofd had zulks te doen. (stuk 7 van de N.V.) Geen enkel van de aangevoerde feiten is thans bewezen. De N.V. biedt evenwel aan het bewijs te leveren door alle middelen van recht, getuigen inbegrepen, van volgende feiten: - dat er diverse mondelinge en schriftelijke klachten kwamen van de klant/werf waar geïntimeerde tewerkgesteld was, en meer bepaald in verband met M.F.; - dat M.F. de kans kreeg zich bij te sturen, na mondelinge interpellaties van appellante; - dat M.F. evenwel haar houding niet aanpaste en haar prestaties niet verbeterden, zoals kwam vast te staan na diverse controles en inspectieverslagen met blijvende klachten van de klant tot gevolg; - dat M.F. reeds per 11.12.1998 op de hoogte werd gesteld van haar ontslag, gezien haar houding en poetsprestaties niet verbeterd waren en de schriftelijk klacht van de klant; - dat M.F. zelfs ter gelegenheid van het gesprek met mevrouw G. over het regelen van haar opzegperiode op geen enkel ogenblik gewag heeft gemaakt van haar zwangerschap. Het Hof is van oordeel dat die feiten afdoende bepaald en ter zake dienend zijn, zoals vereist door artikel 915 van het Gerechtelijk Wetboek. Bovendien betreft het geen andere feiten dan die welke in de brief van 12 februari 1999 en bijlage ervan werden vermeld en die, zoals hiervoor werd overwogen, uitsluitend in aanmerking kunnen genomen worden als redenen die het ontslag zouden kunnen verantwoorden. Wanneer, zoals te dezen, de wet die vorm van bewijsvoering niet verbiedt, oordeelt de rechter op onaantastbare wijze of een getuigenbewijs dienstig kan geleverd worden. Hij mag daarbij echter het principieel recht om zodanig bewijs te leveren niet miskennen. (Cass. 5 december 1994, R.W. 1995-96, 154; Cass. 20 januari 2003, S020067N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030120.5, onuitg., www.cass.be, op datum) Door te oordelen dat de N.V. geen enkele schriftelijke verwittiging bezorgde en dat de mogelijk door de N.V. op te roepen getuige mevrouw G. niet zonder meer als onafhankelijke getuige zou kunnen aangezien worden omdat zij de arbeidsovereenkomst met M.F. heeft gesloten (namens de N.V.), hebben de eerste rechters het principieel recht van de N.V. om het bewijs te leveren door middel van getuigen miskend. Het door de N.V. geformuleerde bewijsaanbod kan dus worden toegestaan. Vooraleer verder recht te spreken acht het Hof het aangewezen het resultaat van de hierna bevolen onderzoeksmaatregel af te wachten. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waarvan de voorschriften werden nageleefd. Na beraadslaging rechtsprekend op tegenspraak. Vooraleer verder recht te spreken. Machtigt de N.V. het bewijs te leveren door alle middelen van recht, getuigen inbegrepen, van volgende feiten: - dat er diverse mondelinge en schriftelijke klachten kwamen van de klant/werf waar geïntimeerde tewerkgesteld was, en meer bepaald in verband met M.F.; - dat M.F. de kans kreeg zich bij te sturen, na mondelinge interpellaties van appellante; - dat M.F. evenwel haar houding niet aanpaste en haar prestaties niet verbeterden, zoals kwam vast te staan na diverse controles en inspectieverslagen met blijvende klachten van de klant tot gevolg; - dat M.F. reeds per 11.12.1998 op de hoogte werd gesteld van haar ontslag, gezien haar houding en poetsprestaties niet verbeterd waren en de schriftelijk klacht van de klant; - dat M.F. zelfs ter gelegenheid van het gesprek met mevrouw G. over het regelen van haar opzegperiode op geen enkel ogenblik gewag heeft gemaakt van haar zwangerschap. Laat M.F. toe tot het tegenbewijs van dezelfde feiten met dezelfde rechtsmiddelen. Gelast bij toepassing van artikel 1072 van het Gerechtelijk Wetboek de Arbeidsrechtbank te Antwerpen met de uitvoering van de bevolen onderzoeksmaatregel (rechtstreeks verhoor en eventueel tegenverhoor). Houdt de beslissing over de kosten aan. Aldus gewezen en uitgesproken door de derde kamer van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen in openbare terechtzitting van 17 januari 2005, waar aanwezig waren: de heer J. GOEMANS, Raadsheer, wnd. Voorzitter, de heer K. MAGERMAN, Raadsheer in sociale zaken als werkgever, de heer C. HOREMANS, Raadsheer in sociale zaken als werknemer-arbeider, mevrouw L. PELEMANS, Griffier. PDF document ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20050117.2 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010928.6 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030120.5 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030124.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div