id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 20 januari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20050120.18 Rolnummer: 2003-0762 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2005-11-10 Raadplegingen: 120 - laatst gezien 2026-07-01 02:07 Fiches 1 - 2 Wanneer de werkgever op grond van artikel 34 KB 28 november 1969 gehouden is voorschotten te betalen op de te betalen bijdragen, kan hij afwijken van de normale regel van 30 % op de bijdragen van het refertekwartaal. Bij de raming van de verschuldigde bijdragen dient de werkgever zich te gedragen als een "goed huisvader" en dient hij op het ogenblik dat hij de raming dient te doen (begin van het betrokken kwartaal) rekening te houden met alle elementen die hij zeker kent of waarvan hij redelijkerwijze mocht verwachten dat ze een invloed zouden hebben. Wanneer de raming "ontoereikend" blijkt te zijn, zonder dat aangetoond wordt dat de werkgever zich niet als een "goed huisvader" gedragen heeft bij de raming van de voorschotten, is de bijdrageopslag van artikel 54 KB verschuldigd en niet de "vergoeding" van artikel 54 bis K.B.. Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID VOOR WERKNEMERS . ALGEMENE REGELING Inning en invordering van de bijdragen - bijdrageplicht - voorschotten - afwijking algemene regeling raming - begrip. Wettelijke bepalingen: Wet - 27-06-1969 - 23 Wet - 28-11-1969 - 34 Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID VOOR WERKNEMERS . ALGEMENE REGELING Burgerlijke sancties - bijdrageplicht - voorschotten - afwijking algemene regel - raming - begrip. Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 28-11-1969 - 54 Wet - 27-06-1969 - 30 Nota: Gerangschikt onder VII A - artikel 23 en onder VII A - artikel
- Annotaties Publicaties: JOURNAL DES TRIBUNAUX DU TRAVAIL - - 2005(00927,P.390-392) Tekst van de beslissing A.R. Nr. 2030762 OPENBARE TERECHTZITTING VAN TWINTIG JANUARI TWEEDUIZEND EN VIJF In de zaak: C, appellante, voor wie verschijnt: mr. H. SCHYVENS, advocaat te 2018 ANTWERPEN, tegen : RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, met zetel gevestigd te 1060 BRUSSEL, Victor Hortaplein 11, geïntimeerde, voor wie verschijnt: mr. I. VAN DEN BOSSCHE loco mr. D. DE GREEF, advocaat te 1731 ZELLIK. Na over de zaak te hebben beraadslaagd, wijst het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, het hiernavolgende arrest. Gelet op de zittingsbladen van 4 februari 2004, van 16 september 2004, van 21 oktober 2004 en van 16 december 2004; Gelet op de stukken van de rechtspleging, waaronder: x het voor eensluidend verklaarde afschrift van het vonnis van 27 oktober 2003, op tegenspraak gewezen door de Arbeidsrechtbank te Antwerpen; x het verzoekschrift in hoger beroep, neergelegd ter griffie van dit Hof op 24 december 2003 en ter kennis gebracht overeenkomstig artikel 1056 van het Gerechtelijk Wetboek op 29 december 2003; x het verzoekschrift in toepassing van artikel 747, ,§2 van het Ger.W. van appellante, ontvangen ter griffie van dit Hof op 17 februari 2004; x de beschikking van mevrouw B. HOMANS, Eerste Voorzitter, van 19 februari 2004 in toepassing van artikel 747, ,§2 van het Ger.W.; x de conclusies voor geïntimeerde, ontvangen ter griffie van het Hof op 16 april 2004; x de conclusies voor appellante, neergelegd ter griffie van dit Hof op 7 juni 2004; x de syntheseconclusies voor geïntimeerde, ontvangen ter griffie van dit Hof op 9 juli 2004; x het schriftelijke advies van het Openbaar Ministerie gelezen en neergelegd ter zitting van de openbare terechtzitting van 21 oktober 2004, ter kennis gebracht aan partijen in toepassing van artikel 767, ,§3, eerste lid van het Ger.W. op 22 oktober 2004; x de schriftelijke repliek van de geïntimeerde, ontvangen ter griffie van dit Hof op 4 november 2004; x de schriftelijke repliek van de appellante, ontvangen ter griffie van dit Hof op 4 november
- Gelet op de stukken van het administratief dossier. Gelet op de stukken in het naar behoren geïnventariseerde dossier van partijen. Gehoord de partijen in de voordracht van hun conclusies en verweermiddelen tijdens de openbare terechtzitting van 16 september
- Gehoord het schriftelijke advies van het Openbaar Ministerie op de openbare terechtzitting van 21 oktober
- De ontvankelijkheid. Het hoger beroep is naar termijn en vorm regelmatig ingesteld en de ontvankelijkheid ervan wordt niet betwist. Het hoger beroep is dan ook ontvankelijk. Feiten en voorgaanden. Bij C verlieten 21 werknemers het bedrijf einde december 2001 en in het voorjaar van 2002 werden 35 werknemers collectief ontslagen. Deze belangrijke wijzigingen in het personeelsbestand hadden een invloed op de bijdragen voor de sociale zekerheid, die C aan de R.S.Z. verschuldigd was. Meer bepaald ontstond er tussen C en de R.S.Z. onenigheid over de toepasselijkheid van de wettelijke regeling over het betalen van voorschotten op de verschuldigde bijdragen. Overeenkomstig artikel 34, lid 2 van het K.B. van 28 november 1969 tot uitvoering van de Wet van 27 juni 1969 tot herziening van de Besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der werknemers (hierna aangeduid als: K.B. 28.11.1969), is appellante gehouden voor elk kwartaal voorschotten te betalen, gelijk aan 30% van het bedrag van de werkgeversbijdragen, verschuldigd voor het voorlaatste vervallen kwartaal. Huidige zaak betreft de voorschotten verschuldigd voor het kwartaal 2002/2, die in principe dienden berekend te worden op basis van de bijdragen voor het kwartaal 2001/
- Volgens appellante kon de omvang van de bijdragen, verschuldigd voor het kwartaal 2001/4, geen basis vormen voor deze van het 2002/2 omdat er een structurele vermindering van het personeelsbestand was sedert 1 januari
- Appellante geeft aan dat gedurende het kwartaal 2001/4, 21 werknemers het bedrijf verlieten zodat ingevolge hun uitdiensttreding eveneens vakantiegeld verschuldigd was. Bovendien werd de eindejaarspremie betaald in het vierde kwartaal zodat het kwartaal 2001/4 niet echt representatief was voor de berekening van de bijdragen van het kwartaal 2002/
- Appellante berekende derhalve de verschuldigde voorschotten voor het kwartaal 2002/2 niet op basis van de bijdragen van het kwartaal 2001/4, zoals wettelijk voorzien, maar meende gebruik te kunnen maken van de uitzonderingsbepaling van artikel 34, lid 2, laatste zin van het K.B. van 28 november 1969, dat bepaalt dat het voorschot mag worden beperkt tot 30% van de vermoedelijke bijdragen van het lopende kwartaal wanneer het bedrag van 30% van de bijdragen verschuldigd voor het voorlaatste kwartaal het bedrag van 30% van de vermoedelijke bijdragen van het lopende kwartaal overschrijdt. Appellante betaalde voor het kwartaal 2002/2 uiteindelijk maandelijkse voorschotten ten bedrage van 50.000 EUR, terwijl over het kwartaal 2002/2 het totaal van de door haar verschuldigde bijdragen 518.085,28 EUR beliep. Appellante betaalde aldus slechts voorschotten ten belope van 10% van de uiteindelijk verschuldigde bijdragen. De R.S.Z. stelde dan ook vast dat appellante had nagelaten voldoende voorschotten voor het kwartaal 2002/2 te betalen. Zij is dan ook volgens artikel 54bis van het K.B. 28.11.1969 een forfaitaire vergoeding verschuldigd van 4.957,87 EUR, aldus de R.S.Z. Met het rekeninguittreksel van 25 september 2002 bracht de R.S.Z. deze forfaitaire vergoeding van 4.957,87 EUR in rekening. Appellante verzocht bij schrijven van 14 oktober 2002 om een vrijstelling van de verschuldigde forfaitaire vergoeding en zij verwees hiertoe naar het feit dat gedurende het kwartaal 2001/4 niet representatief was omwille van de afvloeiing van 21 werknemers en de betaling van een eindejaarspremie tijdens het kwartaal. Op 21 oktober 2002 liet de R.S.Z. weten dat haar een gedeeltelijke (50%) vermindering van de vaste vergoeding i.v.m. voorschotten werd toegekend en dit overeenkomstig artikel 55, ,§2 van het K.B. van 28 november
- Voormeld artikel voorziet dat de R.S.Z. een maximale vrijstelling van de forfaitaire bijdrage kan verlenen indien de werkgever het bewijs levert dat de niet tijdige betaling van de voorschotten toe te schrijven is aan uitzonderlijke omstandigheden. De R.S.Z. maakte in zijn schrijven tevens melding van het rechtsmiddel dat tegen zijn beslissing kan worden aangewend: 'Ingeval u meent dat de met dit schrijven meegedeelde beslissing een onjuiste toepassing van de hierboven aangehaalde wettelijke bepalingen zou inhouden, kan een beroep tot nietigverklaring worden aangetekend bij de Raad van State.' Appellante kon zich evenwel niet akkoord verklaren met het standpunt van de R.S.Z. en stelde, bij monde van haar raadsman, dat haar verzoek tot vrijstelling niet in de eerste plaats steunde op uitzonderlijke omstandigheden zoals bedoeld in artikel 55, ,§2 van het K.B. van 28 november
- Appellante betwist in hoofdorde dat zij tijdens het kwartaal 2002/2 kon gehouden zijn tot betaling van hogere voorschotten dan deze die zij heeft betaald. Aldus betwist appellante dat haar rechtens de forfaitaire vergoeding kan worden opgelegd zoals bedoeld in artikel 54 bis van het K.B. van 28 november
- In het schrijven van haar raadsman van 3 december 2002, wordt als reden eveneens aangehaald dat de maandelijkse voorschotten onvoldoende bleken omdat appellante zou geconfronteerd zijn met een nieuw feit, hetwelk nog onbekend was, toen het bedrag van de voorschotten voor het kwartaal 2002/2 werd vastgesteld. Dat uiteindelijk een belangrijke som aan sociale zekerheidsbijdragen was verschuldigd, heeft volgens appellante uitsluitend te maken met de herstructurering bij het einde van het kwartaal 2002/2 waarbij een belangrijk aantal werknemers zou zijn afgevloeid. De V.D.A.B. zou bij schrijven van 13 mei 2002 de toelating hebben gegeven om over te gaan tot het voorgenomen collectief ontslag van de bedoelde werknemers. De arbeidsovereenkomsten van deze werknemers werden, nog steeds volgens appellante, opgezegd met aangetekend schrijven van 24 mei 2002 en de aangezegde opzeggingstermijnen gingen aldus in op 1 juni
- Appellante beweert vervolgens dat pas in de tweede helft van juni 2002, na onderhandelingen, werd besloten om de betrokken werknemers onmiddellijk te laten afvloeien. Dit bracht de uitbetaling mee van een (saldo) verbrekingsvergoeding ten belope van het resterende deel van de opzeggingstermijn. Appellante houdt voor dat er derhalve in extremis een abnormaal hoge loonmassa ontstond voor het kwartaal 2002/2, waardoor de betaalde voorschotten onvoldoende bleken. Bij schrijven van 9 december 2002 bevestigde de R.S.Z. zijn eerder standpunt in de volgende zin: 'In antwoord op uw bovenvermelde brief delen wij u mede dat wij u op 17/10/2002 gedeeltelijke ontheffing van de bijdrageopslag(en) en/of vaste vergoeding i.v.m. voorschotten verleenden. Dit is de grootste vermindering die wij in uw geval kunnen toestaan, op grond van artikel 55 van het koninklijk besluit van 28 november 1969.' De R.S.Z. maakt opnieuw melding van de mogelijkheid om een beroep tot nietigverklaring in te dienen bij de Raad van State. Appellante diende op 23 december 2002 bij de Raad van State een verzoek tot nietigverklaring in van de beslissingen van 21 oktober 2002 en 9 december 2002 vanwege de R.S.Z.. Volgens het verzoekschrift, wordt de nietigverklaring van de bewuste beslissingen gevorderd in ondergeschikte orde ten aanzien van het 'beroep' en de vordering die zij instelde voor de arbeidsrechtbank. Op 26 december 2002 gaat C. over tot dagvaarding van de R.S.Z. voor de Arbeidsrechtbank van Antwerpen en zij vordert om aan haar te betalen: x uit hoofde van onverschuldigde betaling, de som van - provisioneel en minimaal 4.957,87 EUR vermeerderd met verwijlintresten vanaf de datum van betaling, minstens vanaf 14 oktober 2002, minstens vanaf 3 december 2002, tot op heden; x uit hoofde van schadevergoeding, de som van - provisioneel en minimaal - 2.000 EUR, vermeerderd met de gerechtelijke intresten vanaf heden. Ondergeschikt de R.S.Z. er aan haar kwijtschelding te zien en te horen verlenen van de "vaste vergoeding" haar opgelegd, een en ander overeenkomstig artikel 55, ,§1 van het K.B. van 28 november 1969, minstens de 'beslissing' die de R.S.Z. hieromtrent heeft genomen, en weergegeven in de brief van de R.S.Z. aan haar raadsman, van 9 december 2002, wegens machtsoverschrijding, miskenning van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, en alle andere middelen, op tijd en stond te doen gelden, onwettig te zien en te horen verklaren. Er aan haar akte te zien en te horen verlenen van haar voorbehoud om haar vordering uit te breiden, aan te passen en te wijzigen. Het bestreden vonnis. De eerste rechter volgde het advies van het Openbaar Ministerie, dat vooropstelde dat er in het geding drie vragen aan de orde zijn:
- Heeft C. haar verplichtingen inzake het betalen van voorschotten op sociale zekerheidsbijdragen voor het tweede kwartaal 2002 nageleefd?
- Heeft de R.S.Z. terecht de 'vaste vergoeding' bedoeld in artikel 54 bis van het K.B. van 28 november 1969 in rekening gebracht?
- Kan C. aanspraak maken op kwijtschelding van de sancties, overeenkomstig artikel 55, ,§1 van het K.B. van 28 november
- Met betrekking tot deze vraag, meent de R.S.Z. dat de arbeidsrechtbank niet bevoegd is voor de behandeling van dit twistpunt. De eerste rechter, in een vonnis van 27 oktober 2003, besliste vervolgens dat de arbeidsgerechten niet bevoegd zijn om vraag 3 te beantwoorden. Hij antwoordde op de twee andere vragen: vraag 1: er is geen sprake van een prejudicieel geschil en C. heeft haar verplichtingen tot betaling van voorschotten voor het kwartaal 2002/2 niet correct nageleefd. vraag 2: de R.S.Z. bracht de vaste vergoeding bedoeld in artikel 54 bis van het K.B. van 28 november 1969 terecht in rekening. x verklaart zich niet bevoegd om zich uit te spreken over de kwijtschelding van de vaste vergoeding, kwijtschelding zoals deze is voorzien in artikel 55 van het K.B. van 28 november
- x verklaart de vordering voor het overige ongegrond. Er wordt geen akte van betekening voorgebracht. Eisen in hoger beroep. De N.V. C. Logistics tekende beroep aan tegen dit vonnis a quo bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van dit Hof op 24 december
- Zij verzoekt het hoger beroep toelaatbaar en gegrond te verklaren, het vonnis a quo te bevestigen en opnieuw recht doende, de oorspronkelijke eis: "preliminair: te zeggen dat het geschil dat appellante aan de beoordeling van de Rechtbank, c.q. thans het Hof, heeft onderworpen, in zijn geheel, en in alle opzichten een geschil is tot kennisneming waarvan de Rechtbank, c.q. thans het Hof, bij uitsluiting van alle rechten of rechtsmachten, bevoegd is, op grond van artikel 580, 1° van het Ger.W., nu het geschil de verplichtingen betreft die op appellante wegen, uit hoofde van haar hoedanigheid van werkgever, en zulks specifiek op grond van de regelgeving inzake de sociale zekerheid voor werknemers; te zeggen dat het verweer van de R.S.Z., gesteund op de stelling dat de Rechtbank, c.q. thans het Hof, niet, of slechts ten dele voor het geschil bevoegd is, ongegrond is; dit verweer, en de excepties die ermee verband houden, af te wijzen; in hoofdorde: de vordering tijdig, regelmatig, ontvankelijk, toelaatbaar en gegrond te verklaren; dienvolgens:
- te zeggen dat appellante rechtens niet gehouden was tot betaling van de "vaste vergoeding" die de R.S.Z. aan haar in rekening heeft gebracht, uit hoofde van beweerdelijk ontoereikende betaling van voorschotten op sociale zekerheidsbijdragen over het kwartaal 2002/2;
- de R.S.Z. te veroordelen om aan appellante te betalen: - uit hoofde van onverschuldigde betaling, de som van - provisioneel en minimaal - 4.957,87 EUR vermeerderd met verwijlintresten vanaf de datum van betaling, minstens vanaf 14 oktober 2002, minstens vanaf 3 december 2002 tot op 26 december 2002, datum van de dagvaarding, en met gerechtelijke intresten sedertdien; - uit hoofde van schadevergoeding, de som van - provisioneel en minimaal - 2.000 EUR vermeerderd met gerechtelijke intresten vanaf 26 december 2002, datum van de dagvaarding;
- aan appellante akte te verlenen van haar voorbehoud om haar vordering in de loop van het geding te wijzigen, uit te breiden of aan te passen;
- met veroordeling van de R.S.Z. tot de kosten van het geding, in beide aanleggen, aan de zijde van appellante begroot zoals hieronder opgegeven;
- het arrest uitvoerbaar te verklaren bij voorraad, spijt alle verhaal, zonder borgstelling en trots kantonnement; in ondergeschikte orde: aan appellante kwijtschelding te verlenen van de 'vaste vergoeding' haar opgelegd, een en ander overeenkomstig artikel 55, ,§1 van het K.B. van 28 november 1969, minstens de beslissing die de R.S.Z. hieromtrent heeft genomen, en weergegeven in de brief van de R.S.Z. aan appellantes raadsman, d.d. 9 december 2002, wegens machtsoverschrijding, miskenning van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en alle middelen, op tijd en stond te doen gelden, onwettig te verklaren; ook in dat geval de R.S.Z. te veroordelen om aan appellante te betalen: - uit hoofde van onverschuldigde betaling: de som van - provisioneel en minimaal - 4.957,87 EUR vermeerderd met verwijlintresten vanaf de datum van betaling, minstens vanaf 14 oktober 2002, minstens vanaf 3 december 2002 tot op 26 december 2002, datum van de dagvaarding, en met gerechtelijke intresten sedertdien; - uit hoofde van schadevergoeding, de som van, provisioneel en minimaal, 2.000 EUR vermeerderd met gerechtelijke intresten vanaf 26 december 2002, datum van de dagvaarding. Bij conclusies, ontvangen ter griffie van dit Hof op 9 juli 2004, vordert de R.S.Z. het hoger beroep af te wijzen als ongegrond, het bestreden vonnis te bevestigen en de N.V. C. te veroordelen tot de kosten. In Rechte. Het betalen van voorschotten (artikel 34 K.B. 28 november 1969). Partijen zijn het er over eens dat de arbeidsgerechten, en dus ook het Hof, bevoegd zijn om zich uit te spreken over het geschil dat zij hebben in verband met de toepassing van artikel
- Er stelt zich op dit punt geen bevoegdheidsgeschil. Partijen zijn het er ook over eens dat appellante valt onder de categorie van werkgevers die artikel 34 aanwijst als dezen, die ertoe gehouden zijn voorschotten te storten. Artikel 34 bepaalt als algemene regel dat dit kwartaalvoorschot 30 pct. bedraagt van het bedrag van de bijdragen die verschuldigd waren voor het voorlaatste vervallen kwartaal. Toegepast in deze zaak betekent dit dat het voorschot dat appellante voor het tweede kwartaal 2002 diende te storten in principe 30 pct. bedroeg van het vierde kwartaal
- Dergelijk voorschot moet dan worden gestort bij het begin van elke maand en uiterlijk de vijfde van elke maand van het desbetreffende kwartaal. De werkgever kan echter het bedrag van het voorschot, bepaald met toepassing van bovenstaande algemene regel, verminderen wanneer dit bedrag het bedrag van 30 pct. van de vermoedelijke bijdragen van het lopende kwartaal overschrijdt. In dat geval mag de werkgever het voorschot herleiden tot 30 pct. van deze vermoedelijke bijdragen voor het lopende kwartaal. Toegepast in deze zaak betekent dit dat appellante kon afstappen van de algemene regel, wanneer zij van oordeel was dat een voorschot, verschuldigd voor het tweede kwartaal 2002 en berekend op de verschuldigde bijdragen voor het vierde kwartaal 2001, meer zou bedragen dan 30 pct. van de vermoedelijke bijdragen voor het tweede kwartaal van
- De R.S.Z. geeft toe dat de beslissing om van de algemene regel af te wijken een beslissing is van de werkgever, in casu van appellante dus. Appellante legt in haar conclusies uit dat zij inderdaad de beslissing nam om van de algemene regel af te wijken bij het bepalen van het voorschot zowel voor het eerste kwartaal als voor het tweede kwartaal
- Voor het tweede kwartaal 2002, dat ons in casu bezighoudt, was het vierde kwartaal 2001 geen geschikt refertekwartaal, aldus appellante, omdat er einde 2001 meerdere personeelsleden waren afgevloeid, omdat er vakantiegeld einde dienst verschuldigd was en omdat ook de oudejaarspremies toen werden uitbetaald. Het Hof is van oordeel dat de beslissing van appellante om in die omstandigheden het vierde kwartaal 2001 niet als refertekwartaal aan te nemen, in alle opzichten redelijk was. Men kan inderdaad moeilijk appelen met citroenen vergelijken. Uit de redactie van artikel 34 moet worden afgeleid dat het bepalen van het bedrag van de maandelijkse voorschotten door de werkgever gebeurt bij de aanvang van het kwartaal, waarvoor deze voorschotten verschuldigd zijn. Toegepast in casu kwam het aan appellante toe om de maandelijkse voorschotten voor het tweede kwartaal 2002 vast te leggen begin april
- Het is op dat tijdstip dat appellante de bijdragen moet inschatten die vermoedelijk voor het tweede kwartaal 2002 zullen verschuldigd zijn. Deze inschatting moet gebeuren als een 'goed huisvader' rekening gehouden met alle mogelijke elementen, die op dat tijdstip voorhanden zijn om het volume aan bijdragen dat effectief zal verschuldigd zijn zo dicht mogelijk te benaderen. Welke waren de elementen die voor appellante begin april 2002 belangrijk waren om de vermoedelijk verschuldigde R.S.Z.-bijdragen voor het tweede kwartaal van 2002 in te schatten? Een eerste element waarmee appellante rekening mocht houden was dat de afwijking van de algemene regel van artikel 34, die zij had toegepast voor het eerste kwartaal 2002 en waarbij zij de voorschotten voor dit kwartaal evenmin had bepaald in functie van de bijdragen die waren betaald voor het voorlaatste vervallen kwartaal, blijkbaar de goedkeuring wegdroeg van de R.S.Z. Deze formuleert immers geen enkele opmerking bij de afwijking van de algemene regel. Appellante mocht erop vertrouwen dat zij voor het inschatten van de vermoedelijk verschuldigde bijdragen voor het tweede kwartaal 2002 dezelfde principes mocht hanteren. Voor het overige mocht en moest appellante rekening houden met alle parameters die eigen zijn aan het personeelsbestand dat zij begin april 2002 tewerkstelde. Er zijn geen aanwijzingen dat appellante dit niet zou hebben gedaan. Specifiek in verband met dit personeelsbestand kon appellante redelijkerwijze niet inschatten dat de personeelsleden die met collectief ontslag waren bedreigd op dat ogenblik, het bedrijf nog voor het einde van het kwartaal definitief zouden verlaten mits de uitbetaling van een opzeggingsvergoeding. Begin april 2002 waren er nog teveel onzekere factoren over de finale afloop van dit collectief ontslag. De conclusie is dan ook dat appellante in het begin van april 2002 de vermoedelijk verschuldigde bijdragen voor het tweede kwartaal heeft ingeschat als een goed huisvader. Zij bleef aldus binnen de toepassing van artikel 34 van het K.B. van 28.11.
- Er werd geen inbreuk op dit artikel begaan. De correcte houding van appellante wordt nog onderlijnd door het gegeven dat zij het bedrag van de maandelijkse voorschotten voorzichtigheidshalve opvoerde van 40.000 euro naar 50.000 euro ondanks dat daar, strikt genomen, geen noodzaak toe was. Appellante heeft voldaan aan de verplichtingen, zoals deze voortvloeien uit de toepassing van artikel 34 van het K.B. van 28.11.1969 met betrekking tot het tweede kwartaal
- De wetgever heeft in artikel 34 aan de werkgever de mogelijkheid gelaten om af te wijken van de algemene regel. Hij heeft de toegang tot deze afwijking opengelaten aan de werkgever. Het is met andere woorden de werkgever die zelf zal bepalen wanneer hij van de afwijking gebruik maakt. Dat is duidelijk af te leiden uit het gebruik door de wetgever van het woord "kan". Daarbij heeft de werkgever er alle belang bij dat hij de vermoedelijk verschuldigde bijdragen voor het lopende kwartaal zo nauwkeurig mogelijk inschat. Immers de stok die de wetgever achter de deur houdt, is dat de bijdrageopslag die voorzien is in artikel 54 van hetzelfde Koninklijk Besluit verschuldigd is wanneer het door de werkgever ingeschatte voorschot ontoereikend is. Dat is het risico dat de werkgever loopt, wanneer hij de afwijking uit artikel 34 toepast. In casu is het duidelijk dat de door appellante ingeschatte maandelijkse voorschotten voor het tweede kwartaal 2002 ontoereikend waren. Zij bedroegen namelijk geen 30% van de uiteindelijk verschuldigde bijdragen voor dit tweede kwartaal
- Dit had alles te maken met het zich aandienen helemaal aan het einde van het tweede kwartaal 2002 van het eindresultaat van het collectief ontslag van 13 werknemers, namelijk de uitbetaling van evenveel opzeggingsvergoedingen. Deze "Deus ex machina" komt het hele systeem van voorschotberekening doorkruisen, maar dat risico blijft voor rekening van de werkgever, appellante in casu. Het is als het ware de keerzijde van de medaille, die, in het systeem van voorschotberekening zoals het is geregeld door artikel 34, de afwijkingsmogelijkheid is. De tekst van de wet: "wanneer het aldus betaalde voorschot ontoereikend is", laat niet toe te sleutelen aan 'het ontoereikend zijn' via de oorzaak ervan, in casu de beschreven "Deus ex machina". De tekst van de wet laat geen speelruimte: zodra de voorschotten ontoereikend zijn, uit welke oorzaak ook, slaat de stok van de wetgever toe en is de bijdrageopslag ex artikel 54 van het K.B. van 28.11.1969 in principe verschuldigd. Het probleem in casu echter is dat deze bijdrageopslag niet wordt gevorderd door de R.S.Z. en dus niet het voorwerp is van het huidige geschil. De R.S.Z. paste namelijk een andere sanctie toe dan deze voorzien in artikel 34 van het Koninklijk Besluit en hij bracht de in artikel 54 bis voorziene vergoeding in rekening. Bracht de R.S.Z. de vergoeding van artikel 54 bis van het K.B. van 28.11.1969 terecht in rekening? Ook over deze tweede vraag zijn partijen het eens dat het Hof bevoegd is om er uitspraak over te doen. Het antwoord is neen. Immers de sanctie van dit artikel 54 bis kan maar worden opgelegd als de werkgever de verplichtingen, hem opgelegd door artikel 34 niet nakomt. Uit wat hogerop in dit arrest werd beoordeeld, volgt dat appellante als werkgever de verplichtingen van artikel 34 wel degelijk nakwam. Zij schatte als goed huisvader de vermoedelijk verschuldigde bijdragen voor het tweede kwartaal 2002 correct in, rekening houdend met alle mogelijke elementen die zij ter beoordeling moest meenemen en dit op het tijdstip dat deze inschatting reglementair moest gebeuren. Dat ondanks deze correcte inschatting de uiteindelijk verschuldigde bijdragen de ingeschatte bijdragen in belangrijke mate overtroffen was niet te wijten aan een tekortschieten door appellante in haar verplichtingen maar aan een onverwacht feit, dat appellante niet kon kennen op het ogenblik dat zij aan haar verplichtingen ex artikel 34 tegemoet moest komen en waarmee zij dus geen rekening kon houden. De toepassingsvoorwaarde van artikel 54 bis van het K.B. van 28.11.1969 is niet vervuld, zodat de sanctie ervan ook niet aan appellante kan worden opgelegd. Het Hof sluit zich hierbij aan bij het advies van het Openbaar Ministerie. De R.S.Z. werpt hiertegen op dat de sanctie die artikel 34, tweede lid in fine voorziet de toepassing van artikel 54 bis niet uitsluit. Dit is onjuist. Artikel 54 bis kan enkel worden toegepast als de werkgever zich in de voorwaarden van artikel 54 bis bevindt, met name wanneer hij tekort komt aan zijn verplichtingen. Dat is in casu niet het geval. Verdere argumentatie over de toepassing van de artikelen 34, 54 en 54 bis van het K.B. van 28.11.1969 moet het Hof, gelet op de bovenstaande beoordeling, niet onderzoeken. Wat dit aspect van de vordering betreft is het hoger beroep gegrond. De vordering van appellante. Onderdeel
(1). Artikel 54 bis van het K.B. van 28.11.1969 is in casu niet van toepassing, zodat appellante niet gehouden was tot betaling van de vaste vergoeding, die in dit artikel is voorzien. Appellante betaalde deze in eerste instantie wel, maar er mag worden aangenomen dat deze betaling niet gebeurde in het volle besef van de juiste toepassing van de artikelen 34 en 54 bis van het Koninklijk Besluit, en niet met de volle goedkeuring van appellante. Dit kan worden afgeleid uit de brief van 14 oktober 2002 die appellante schreef aan de R.S.Z. (haar stuk 7). In deze brief wordt weliswaar aangedrongen op een vermindering van de vaste vergoeding, maar hij maakt in ieder geval duidelijk dat appellante het niet eens is met het feit dat deze vergoeding haar wordt aangerekend. Met de brief van de raadsman van appellante van 3 december 2002 (haar stuk 9) wordt wel duidelijk dat appellante het niet eens is met de R.S.Z. over het principe zelf van het opleggen van de vaste vergoeding. Een betaling aan de R.S.Z., ook al is men het er niet mee eens, kan verantwoord zijn omdat het niet betalen het odium "slechte betaler" of "debiteur" meebrengt dat in het handelsverkeer wordt verspreid. Het is een verstandige beslissing om eerst te betalen en het geschil nadien verder uit te spitten. Bovendien is de materie van openbare orde, waardoor de particulier noch de R.S.Z. vrij over de rechten en de plichten beschikken. Enkel wat de wet voorschrijft, is verschuldigd. Een spontane betaling kan daaraan geen afbreuk doen. Onderdeel
(2). A. Appellante vraagt de veroordeling van de R.S.Z. tot terugbetaling van een bedrag - "provisioneel en minimaal"- van 4.957,87 euro. Dit bedrag vertegenwoordigt de vaste vergoeding die in casu door de R.S.Z. werd opgelegd ingevolge (verkeerdelijke) toepassing van artikel 54 bis van het Koninklijk Besluit. Appellante geeft terecht aan dat destijds dit bedrag 'onverschuldigd' werd betaald aan de R.S.Z. zodat zij recht heeft op terugbetaling. Afgezien van de kwestie van de intresten is er geen reden om dit bedrag "provisioneel en minimaal" toe te kennen. Het Openbaar Ministerie merkte in zijn advies terecht op dat de helft van dit bedrag, na de beslissing van de R.S.Z. van 21 oktober 2002 (stuk 8 appellante), in het voordeel van appellante werd verrekend. Appellante beaamt deze verrekening in haar repliekconclusies van 4 november 2004 en zij voegt zelfs de nodige stavingsstukken desbetreffend aan deze conclusies toe. Zij verduidelijkt dat de vaste vergoeding ex artikel 54 bis haar door de R.S.Z. werd aangerekend in een rekeninguittreksel van 30 september
- Appellante betaalde op 14 oktober
- Het is op 30 oktober 2002 dat appellante de toegestane vermindering van 2.478,93 euro compenseerde in de betaling van het bedrag dat ze alsdan verschuldigd was. Bijgevolg heeft appellante thans nog recht op de terugbetaling van: 4.957,87 min 2.478,93 = 2.478,94 euro. B. Appellante vordert de veroordeling van de R.S.Z. om haar op het terug te betalen bedrag verwijlintresten toe te kennen vanaf 14 oktober 2002, dag waarop ze haar onverschuldigde betaling deed. Zij verwijst naar de toepassing van artikel 1378 B.W. Het Hof is het eens met het Openbaar Ministerie dat de kwade trouw in hoofde van de R.S.Z. niet bewezen is. Deze kwade trouw is een noodzakelijke voorwaarde tot toepassing van artikel 1378 B.W. De verwijlintresten kunnen wel worden toegekend vanaf de ingebrekestelling tot terugbetaling, die, zoals het Openbaar Ministerie terecht bevestigt, voor het eerst gebeurde in de brief van de raadsman van appellante van 3 december
- Op het bedrag van 2.478,94 euro is de R.S.Z. intresten verschuldigd vanaf 3 december
- C. Appellante vordert tenslotte de veroordeling van de R.S.Z. om aan haar een schadevergoeding te betalen van alweer - "provisioneel en minimaal" - van 2.000 euro. Appellante verwijt de R.S.Z. een fout te hebben begaan o.a. door het omstandig verweer dat haar raadsman in zijn brief van 3 december 2002 voerde, naast zich neer te leggen en onbeantwoord te laten. Het Hof stelt vast, na lectuur van het bedoelde verweer, dat de argumentatie tegen de beslissing van de R.S.Z. tot het opleggen van de vaste vergoeding ex artikel 54 bis van het K.B. van 28.11.1969, pertinent, correct en volledig was. Dit betekent dat de R.S.Z. als overheidsinstelling over alle documentatie en argumenten beschikte om zijn beslissing in te trekken gesteund op het inzicht dat hij een verkeerde toepassing had gemaakt van artikel 54 bis van het K.B. van
- De R.S.Z. levert niet het bewijs dat hij het verweer van appellante heeft onderzocht en ernstig heeft genomen. Het behoorde aan de R.S.Z. om dit te doen en om ten aanzien van dit verweer, dat, het weze herhaald, zeer omstandig en pertinent was, stelling in te nemen. Het antwoord van de R.S.Z. van 9 december 2002 beantwoordde niet aan dit vereiste. Door dit na te laten, beging de R.S.Z. een fout. Als overheidsinstelling is zij gehouden o.a. door de plicht van motivering en van zorgvuldigheid. Het Hof stelt vast dat ook het Openbaar Ministerie deze mening is toegedaan. Zowel de R.S.Z. als het Openbaar Ministerie geven echter aan dat appellante niet de schade bewijst, die het gevolg is van deze fout. Bovendien verwijt de R.S.Z. aan appellante dat zij op dit aspect van haar vordering ten gronde nader ingaat naar aanleiding van de repliekconclusies die ter griffie werden ontvangen op 4 november
- Hierdoor acht hij zijn rechten van verdediging geschonden. Het Hof is van oordeel dat inderdaad alle argumenten die appellante aan het Hof voorlegt om haar vordering in schadevergoeding te ondersteunen niet het voorwerp zijn geweest van een tegensprekelijk debat. Om dit tegensprekelijk debat mogelijk te maken, heropent het Hof de debatten. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Gehoord de heer J. DEKEERSMAEKER, Substituut-generaal, in de voorlezing van zijn gelijkluidend schriftelijke advies, gegeven ter openbare terechtzitting van 21 oktober
- Geïntimeerde repliceerde met schriftelijke conclusies ontvangen ter griffie van dit Hof op 4 november
- Appellante repliceerde met schriftelijke conclusies ontvangen ter griffie van dit Hof op 4 november
- Recht doende op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en reeds gedeeltelijk gegrond. Vernietigt het vonnis van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen van 27 oktober
- Opnieuw wijzende, verklaart de oorspronkelijke vordering van appellante ontvankelijk en in eerste instantie al gegrond in de volgende mate: Veroordeelt de R.S.Z. om aan appellante terug te betalen: het bedrag van TWEEDUIZEND VIERHONDERDACHTENZEVENTIG EUR en VIERENNEGENTIG EUROCENT (2.478,94 EUR), te vermeerderen met de verwijlintresten vanaf 3 december 2002 en de gerechtelijke intresten. Wat betreft het resterende gedeelte van de vordering van appellante: heropent de debatten omwille van de in het motiverende gedeelte van dit arrest aangegeven redenen op 21 april 2005 om 9.30 uur. Houdt de uitspraak over de kosten aan. Aldus gewezen en uitgesproken door de vierde kamer van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, op de openbare terechtzitting van twintig januari tweeduizend en vijf, waar aanwezig waren: PDF document ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20050120.18 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div