← België

ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20050126.10

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 26 januari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20050126.10 Rolnummer: 2003-0097 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2005-11-29 Raadplegingen: 241 - laatst gezien 2026-07-04 23:28 Fiches 1 - 4 Uitgeprocedeerde asielzoekers die een machtiging tot verblijf op grond van artikel 9, 3de lid, van de Vreemdelingenwet aanvragen, kunnen, in tegenstelling tot degenen die een dergelijke aanvraag op grond van de Regularisatiewet van 22 december 1999 indienden, geen recht laten gelden op maatschappelijke dienstverlening. Ingevolge de programmawet van 22 december 2003 en het uitvoeringsbesluit van 24 juni 2004 hoeft het OCMW enkel te onderzoeken of de jongere jonger is dan 18 jaar, de jongere en hun ouders illegaal in het Rijk verblijven, het kind behoeftig is en de ouders hun onderhoudsplicht niet nakomen, dan wel niet kunnen nakomen; en het OCMW moet dan enkel meedelen naar welk opvangcentrum de jongere zich dient te wenden tot het verkrijgen van de nodige hulp. Die minderjarige illegalen kunnen dan ook geen beroep meer doen op het OCMW voor het verkijgen van die hulp. Deze regeling is op zich niet strijdig met artikel 8 EVRM en het Kinderrechtenverdrag, dat geen rechtstreekse werking heeft. Door geen gevolg te geven aan het bevel om het grondgebied te verlaten brengen de ouders zich bovendien door eigen toedoen in een toestand waardoor zij hun kinderen niet degelijk kunnen opvoeden en schieten zij dus zelf tekort in hun onderhoudsplicht. Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP-RECHT-WETGEVING . VREEMDELINGEN maatschappelijke dienstverlening - onwettig verblijvende vreemdelingen - aanvraag tot voorlopige verblijfvergunning - minderjarigen - beperkte bevoegdheid van het OCMW - verwijzing naar opvangcentrum - geldigheid - onderhoudsplicht van de ouders - uitvoering van het uitwijzingsbevel. Wettelijke bepalingen: Wet - 15-12-1980 - 9,3delid - 30 ELI link Pub nr 1980121550 Vrije woorden: INTERNATIONALE VERDRAGEN EN VERORDENINGEN . RAAD VAN EUROPA verdrag rechten van de mens - maatschappelijke dienstverlening - onwettig verblijvende vreemdelingen aanvraag tot voorlopige verblijfvergunning - minderjarigen - beperkte bevoegdheid van het OCMW - verwijzing naar opvangcentrum - geldigheid - onderhoudsplicht van de ouders - uitvoering van het uitwijzingsbevel. Wettelijke bepalingen: Verdrag EG/EU - 04-11-1950 - 8 - 38 Link Justel databank 19501104-38 Vrije woorden: INTERNATIONALE VERDRAGEN EN VERORDENINGEN . ORGANISATIE VAN DE VERENIGDE NATIES internationaal verdrag rechten van het kind - maatschappelijke dienstverlening - onwettig verblijvende vreemdelingen - aanvraag tot voorlopige verblijfvergunning - minderjarigen - beperkte bevoegdheid van het OCMW - verwijzing naar opvangcentrum - geldigheid - onderhoudsplicht van de ouders - uitvoering van het uitwijzingsbevel. Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 20-11-1989 - 2 - 36 Link Justel databank 19891120-36 Vrije woorden: SOCIALE VOORZORG . OPENBARE CENTRA VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN taken van het OCMW - algemene taken en uitvoering - maatschappelijke dienstverlening - onwettig verblijvende vreemdelingen - aanvraag tot voorlopige verblijfvergunning - minderjarigen - beperkte bevoegdheid van het OCMW - verwijzing naar opvangcentrum - geldigheid - onderhoudsplicht van de ouders - uitvoering van het uitwijzingsbevel. Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 24-06-2004 - 3 - 30 ELI link Pub nr 2004002072 Wet - 08-07-1976 - 57§2 - 01 ELI link Pub nr 1976070810 Nota: Gerangschikt onder I P - artikel 9, 3de lid, onder IX C 3 - artikel 8, onder IX F 9 - artikel 2 en onder X E - artikel 57 ,§

  1. Annotaties Publicaties: SOCIAALRECHTELIJKE KRONIEKEN - - 2005(00003,P.125-128) Tekst van de beslissing Vierde kamer Eindarrest op tegenspraak Maatschappelijke dienstverlening ARBEIDSHOF TE ANTWERPEN Afdeling Antwerpen ARREST A.R. 2030097 OPENBARE TERECHTZITTING VAN ZESENTWINTIG JANUARI TWEEDUIZEND EN VIJF In de zaak van: het OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN VAN ANTWERPEN, gevestigd te 2000 Antwerpen, Lange Gasthuisstraat 32, appellant, geïntimeerde op incidenteel beroep, vertegenwoordigd door mevrouw A. B., tegen: de heer F. R. en zijn echtgenote, mevrouw M. R., geïntimeerden, appellanten op incidenteel beroep, vertegenwoordigd door mr. E. D. S., advocaat te Antwerpen. Na over de zaak beraadslaagd te hebben, heeft de vierde kamer van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, het volgende arrest uitgesproken. Gelet op de zittingsbladen van 5 maart 2003, 25 juni 2003, 10 december 2003, 7 april 2004, 27 oktober 2004, 24 november 2004 en 8 december
  2. Rekening houdend met de akten van de rechtspleging, onder meer: x het eensluidend verklaard afschrift van het vonnis, op 6 januari 2003 uitgesproken door de veertiende kamer van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen, overeenkomstig artikel 792, tweede lid, Ger. W., aan het O.C.M.W. van Antwerpen ter kennis gebracht bij gerechtsbrief op 9 januari 2003; x het verzoekschrift tot hoger beroep, op 7 februari 2003 neergelegd ter griffie van dit Hof en ter kennis gebracht overeenkomstig artikel 1056 Ger. W. op 10 februari 2003; x de conclusies voor het O.C.M.W. van Antwerpen, neergelegd ter griffie van dit Hof op 18 juni 2003; x de conclusies voor het echtpaar R., neergelegd ter griffie van dit Hof op 24 juni 2003; x de syntheseconclusies voor het echtpaar R., ontvangen ter griffie van dit Hof op 27 juni 2003; x de syntheseconclusies voor het O.C.M.W. van Antwerpen, neergelegd ter griffie van dit Hof op 30 maart 2004; x de aanvullende conclusies voor het echtpaar R., neergelegd ter zitting van 7 april 2004; x het afschrift van het schriftelijk advies van het openbaar ministerie, gelezen en neergelegd ter zitting van 8 december 2004, bij gerechtsbrief overeenkomstig artikel 767, ,§3, eerste lid, Ger. W., aan partijen ter kennis gebracht op 9 december
  3. Partijen werden gehoord op de openbare terechtzitting van 27 oktober
  4. Ontvankelijkheid Met een verzoekschrift, neergelegd ter griffie van dit Hof op 7 februari 2003, tekende het O.C.M.W. van Antwerpen hoger beroep aan tegen een vonnis van 6 januari 2003 (A.R. 347.488 en A.R. 347.489, samengevoegd onder het A.R. nummer 347.488) van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen. De machtiging daartoe werd verleend door de Raad voor Maatschappelijk Welzijn op 28 februari
  5. Het vonnis werd aan het O.C.M.W. van Antwerpen ter kennis gebracht overeenkomstig artikel 792, tweede lid, Ger. W., bij gerechtsbrief op 9 januari
  6. Het hoger beroep werd tijdig ingesteld, is regelmatig naar de vorm en ontvankelijk. Bij conclusies van 24 juni 2003 stelt het echtpaar R. incidenteel beroep in. Dit incidenteel beroep is ontvankelijk.
  7. Feiten en voorafgaande procedure Het betreft een man, een vrouw en zes kinderen, afkomstig uit Servië-Monte-negro. Het echtpaar R. vroeg asiel aan op 23 september
  8. In het kader van het spreidingsplan werden zij toegewezen aan de gemeente As-senede, en aldaar gesteund door het plaatselijk O.C.M.W. Ze verbleven evenwel in Antwerpen. De asielaanvraag werd geweigerd op 25 januari 2000 en ze kregen een bevel om het grondgebied te verlaten. Hiertegen werd beroep aangetekend bij het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. Het beroep werd afgewezen op 23 juni
  9. Bij arrest van de Raad van State van 5 april 2001 werd het beroep tegen de be-slissing van het Commissariaat-generaal verworpen. Sedertdien verblijven zij illegaal in het Rijk. Desondanks bleef het O.C.M.W. van Assenede verder steun verlenen tot en met december
  10. Op 10 juli 2001 werd een eerste aanvraag om maatschappelijke dienstverlening ingediend bij het O.C.M.W. van Antwerpen. Deze werd afgewezen op 26 maart
  11. Er werd geen beroep aangetekend bij de Arbeidsrechtbank. Een tweede maal werd om maatschappelijke dienstverlening gevraagd op 26 maart
  12. Deze werd weerom geweigerd en er werd evenmin verhaal aangetekend bij de Arbeidsrechtbank. Op 29 juni 2002 dienden zij een aanvraag in tot machtiging van verblijf van meer dan drie maanden op basis van artikel 9, 3, van de Vreemdelingenwet van 15 december
  13. Vervolgens vroegen zij op 2 juli 2002 opnieuw maatschappelijke dienstverlening aan. Het Bijzonder Comité voor Sociale Bijstand besliste op 17 juli 2002 F. R. en M. R. het levensminimum te weigeren vanaf 1 juli 2002, met als motivering "Uw verblijfsdocumenten zijn niet geldig." Waarborg verpleging en verzorging werd verder toegekend. Deze beslissingen werden aangetekend ter kennis gebracht op 29 juli
  14. Hiertegen tekenden zowel F. R. (A.R. 347.488) als M. R. (A.R. 347.489) verhaal aan bij de Arbeidsrechtbank te Antwerpen met verzoekschriften, per aangetekende post ontvangen ter griffie op 8 augustus
  15. Na beide zaken te hebben samengevoegd verklaarde de eerste rechter, in haar vonnis van 6 januari 2003, de vorderingen ontvankelijk en gegrond, vernietigde de bestreden beslissingen van het Bijzonder Comité voor Sociale Bijstand van 17 juli 2002 en zegde voor recht dat "eiser gerechtigd is op volgende maatschappelijke dienstverlening: - de gewaarborgde kinderbijslag voor zijn zes kinderen en - betaling door het OCMW van de huishuur, rechtstreeks aan de huiseigenaar. Voor de periode van 01 juli 2002 tot datum van dit vonnis dient deze steun verleend te worden ten bedrage van de onbetaalde facturen voorgelegd vanwege de huisbaas, de school of caritatieve instellingen." Het O.C.M.W. van Antwerpen stelde tegen dit vonnis hoger beroep in bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Arbeidshof op 7 februari
  16. Eisen in hoger beroep Het O.C.M.W. van Antwerpen vordert het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren, het vonnis a quo te vernietigen en de beslissingen van het Bijzonder Comité voor Sociale Bijstand van 17 juli 2002 te bevestigen. Het echtpaar R. vraagt het hoger beroep ontvankelijk, doch ongegrond te verklaren; het incidenteel beroep toelaatbaar en gegrond te verklaren en voor recht te zeggen dat zij gerechtigd zijn op maatschappelijke dienstverlening ten laste van het O.C.M.W. van Antwerpen, bestaande uit het levensminimum aan het tarief voor een gezinshoofd met 6 minderjarige kinderen ten laste, te vermeerderen met een bedrag gelijk aan de gewaarborgde gezinsbijslagen voor 6 kinderen, en dit voor de periode vanaf 1 juli 2002; in ondergeschikte orde, het vonnis a quo integraal te bevestigen, met dien verstande dat het O.C.M.W. van Antwerpen niet alleen zou worden veroordeeld tot rechtstreekse betaling van de huishuur, maar van alle vaste kosten, met name de nuts- en de schoolkosten.
  17. Ten gronde 4.
  18. Ultra Petita In de verzoekschriften, ontvangen ter griffie van de Arbeidsrechtbank op 8 augustus 2002, werd door F. R. en M. R. maatschappelijke dienstverlening gevorderd, uitdrukkelijk en enkel en alleen voor de maand juli
  19. Er werden geen conclusies genomen. Na het schriftelijk advies van het Openbaar Ministerie werd door het echtpaar gerepliceerd en werd nog steeds nadrukkelijk steun gevraagd, uitsluitend voor de maand juli
  20. Desondanks kende de eerste rechter meer steun toe dan gevorderd: zij achtte F. R. en M. R. gerechtigd op maatschappelijke dienstverlening voor de periode van 1 juli 2002 tot de datum van het vonnis, zijnde 6 januari
  21. Zij oordeelde derhalve ultra petita vanaf 1 augustus
  22. In graad van hoger beroep breiden F. R. en M. R. hun vordering uit met de periode vanaf 1 augustus
  23. Deze uitbreiding is toelaatbaar. 4.
  24. Artikel 9, 3 van de Vreemdelingenwet F. R. en M. R. vorderen met ingang van 1 juli 2002 de toekenning van maatschappelijke dienstverlening, "bestaande uit het levensminimum aan het tarief voor een gezinshoofd met 6 minderjarige kinderen ten laste te vermeerderen met een bedrag gelijk aan de gewaarborgde gezinsbijslagen voor 6 kinderen, en dit voor de periode vanaf 01.07.2002." Zij roepen in dat zij, door niet gedwongen te zijn geworden gevolg te geven aan het bevel om het land te verlaten, gedoogd worden op het grondgebied en dat zij alzo de facto, naar analogie met de regularisatiewet van 22 december 1999, en met verwijzing naar de cassatiearresten van 17 juni 2002, 7 oktober 2002 en 7 juni 2004, recht hebben op steun doordat zij een aanvraag tot machtiging van verblijf van meer dan drie maanden overeenkomstig artikel 9, 3, van de Vreemdelingenwet indienden op 29 juni 2002; vanaf deze laatste datum zouden zij niet meer illegaal in het land verblijven. Vooreerst dient te worden opgemerkt dat het Hof van Cassatie reeds eerder stelde dat het feit dat een bevel om het grondgebied te verlaten niet wordt uitgevoerd, niet toestaat te denken dat het verblijf regelmatig zou zijn of dat er een stilzwijgend akkoord zou ontstaan zijn volgens hetwelk men verder op het grondgebied zou mogen verblijven. (Cass., 4 september 1995, A.C., 1995, 734). Artikel 1 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn bepaalt: "Elke persoon heeft recht op maatschappelijke dienstverlening. Deze heeft tot doel eenieder in de mogelijkheid te stellen een leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid." Artikel 57, ,§1, van dezelfde wet, schrijft voor: "Onverminderd het bepaalde in artikel 57ter, heeft het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn tot taak aan personen en gezinnen de dienstverlening te verzekeren waartoe de gemeenschap gehouden is. Het verzekert niet alleen lenigende of curatieve doch ook preventieve hulp. Deze dienstverlening kan van materiële, sociale, geneeskundige, sociaal-geneeskundige of psychologische aard zijn." Artikel 57, ,§2, van dezelfde wet, bepaalt: "In afwijking van de andere bepalingen van deze wet, is de taak van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn beperkt tot het verlenen van dringende medische hulp, wanneer het gaat om een vreemdeling die illegaal in het Rijk verblijft. Een vreemdeling die zich vluchteling heeft verklaard en heeft gevraagd om als dusdanig te worden erkend, verblijft illegaal in het Rijk wanneer de asielaanvraag is geweigerd en aan de betrokken vreemdeling een bevel om het grondgebied te verlaten is betekend. De maatschappelijke dienstverlening aan een vreemdeling die werkelijk steuntrekkende was op het ogenblik dat hem een bevel om het grondgebied te verlaten werd betekend, wordt, met uitzondering van de dringende medische hulpverlening, stopgezet de dag dat de vreemdeling daadwerkelijk het grondgebied verlaat, en ten laatste de dag van het verstrijken van de termijn van het bevel om het grondgebied te verlaten. Uit niets blijkt dat het verblijf van F. R. en M. R. inmiddels werd geregulariseerd. Aan F. R. en M. R. kan pas een legaal verblijfsstatuut worden verstrekt vanaf het ogenblik dat zij overeenkomstig de beslissing van de minister in het bezit worden gesteld van de nodige verblijfsdocumenten. Vóór deze datum blijft hun verblijfstoestand illegaal. De in artikel 13 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen bedoelde machtiging tot verblijf aan de vreemdeling die, overeenkomstig artikel 9 van dezelfde wet, machtiging vroeg voor een verblijf van meer dan drie maanden, geldt slechts voor de toekomst en heeft niet tot gevolg dat vorige beslissingen worden ingetrokken waardoor met terugwerkende kracht recht op maatschappelijke dienstverlening ontstaat. (Cass., 19 maart 2001, en S.99.0195.N ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010319.6, Soc.Kron, 2001, 388) Geen enkele wetsbepaling laat toe maatschappelijke dienstverlening te verstrekken voor de bewuste periode van illegaliteit, zoals ook de eerste rechter terecht oordeelde. Tevergeefs vergelijken F. R. en M. R. hun situatie met die van vreemdelingen die een aanvraag tot regularisatie van hun verblijf indienden op grond van de wet van 22 december
  25. Deze wet bevat immers een bepaling onder artikel 14 die stelt dat de aanvragers niet gedwongen kunnen worden het grondgebied te verlaten. Dergelijke bepaling is niet voorzien voor de aanvragers van een machtiging tot verblijf op basis van artikel 9, 3, van de Vreemdelingenwet, zodat artikel 57, ,§2, van de O.C.M.W.-wet, onverkort van toepassing blijft. Het incidenteel beroep is ongegrond. 4.
  26. Het kinderrechtenverdrag F. R. en M. R. beriepen zich op de directe werking in de Belgische rechtsorde van de artikelen 3, 6, 26 en 27 van het Verdrag inzake de rechten van het kind, aangenomen te New York op 20 november 1989, ten einde maatschappelijke dienstverlening te bekomen voor hun kinderen. De eerste rechter volgde hun redenering. Het Hof is van mening dat aan de ingeroepen artikelen van het Verdrag inzake de rechten van het kind geen rechtstreekse werking kan worden toegekend, gelet op de zeer algemene bepaling ervan. Artikel 2 van het Verdrag bepaalt dat de Staten die partij zijn bij het Verdrag alle passende maatregelen nemen om te waarborgen dat het kind daadwerkelijk wordt beschermd tegen elke vorm van discriminatie die is gebaseerd op de juridische situatie van zijn ouders; dit artikel bepaalt bovendien dat de Staten die partij zijn bij dit Verdrag de in het Verdrag omschreven rechten voor ieder kind onder hun rechtsbevoegdheid eerbiedigen en waarborgen. Alleen de kinderen die onder de rechtsbevoegdheid vallen van een Staat die partij is, kunnen zich beroepen op de toepassing van het Verdrag. Vreemdelingen en hun minderjarige kinderen die illegaal in het Rijk verblijven vallen niet meer onder de rechtsbevoegdheid van België in de zin van het Verdrag van New York. De toestand van uitgeprocedeerden en hun kinderen is wezenlijk verschillend van de toestand van minderjarige asielzoekers of van kinderen die illegaal het land binnenkomen De bewoordingen van de ingeroepen artikelen van het Verdrag sluiten iedere directe werking van het Verdrag uit. Aangezien ze zich slechts tot Staten richten, houden deze bepalingen slechts verplichtingen in ten overstaan van de Staten zonder dat, rechtstreeks, subjectieve rechten op steunverlening aan particulieren kunnen worden verleend. Artikel 57, ,§2, kan niet terzijde worden geschoven. Zelfs in de veronderstelling dat een particulier rechten zou kunnen ontlenen aan het Verdrag, dan zijn deze niet onvoorwaardelijk; artikel 3 in zijn tweede punt stelt immers dat de Staten die partij zijn zich ertoe verbinden het kind te verzekeren van de bescherming en de zorg die nodig zijn voor zijn welzijn, rekening houdend met de rechten en plichten van zijn ouders. Hieronder dient begrepen te worden, het verblijfsrecht en de plicht om vrijwillig een bevel dat aan de ouders werd gegeven om het grondgebied te verlaten uit te voeren. Ook de andere ingeroepen artikelen richten zich uitdrukkelijk tot de Staten en zijn duidelijk gebaseerd op de grondrechten van, onder meer, het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten; het Arbitragehof oordeelde reeds desbetreffend in zijn arrest van 29 juni 1994 dat het "voor elke Staat slechts (kan) gaan om de personen voor wie hij instaat. Daartoe kunnen, hoewel zij zich op het grondgebied bevinden, niet de vreemdelingen worden gerekend die het bevel hebben gekregen het grondgebied te verlaten, nadat is gebleken dat de voorwaarden die in verband met hun verblijf waren gesteld, niet meer in acht werden genomen." In de bestreden beslissing worden geen rechten ontnomen aan kinderen, maar worden volwassenen die hier illegaal verblijven en als ouder dienen in te staan voor hun kinderen aangezet om gevolg te geven aan een rechtmatig genomen beslissing en bevel om het grondgebied te verlaten. F. R. en M. R. hebben de asielprocedure volledig doorlopen en alzo hun rechten op regelmatig verblijf uitgeput. Minderjarige kinderen van asielzoekers beschikken niet over een verblijfsvergunning ten persoonlijke titel en volgen het statuut van hun ouders. Als uitgeprocedeerde vreemdelingen die illegaal op het grondgebied verblijven zijn F. R. en M. R. gehouden het Rijk te verlaten en terug te keren naar het land van herkomst, alwaar zij legaal zullen verblijven en alzo aan hun verplichtingen ten opzichte van hun kinderen kunnen voldoen. In tegenstelling tot F. R. en M. R. heeft de Belgische Staat zich van zijn taak gekweten in overeenstemming met de bepalingen van het Kinderrechtenverdrag. Het gebrek aan gedwongen uitvoering doet daar niets aan af. Dat het echtpaar door overmacht weerhouden wordt om gevolg te geven aan het bevel om het grondgebied te verlaten, wordt overigens niet aangetoond. Zij vroegen ook niet om vrijwillige repatriëring, zodat evenmin kon worden vastgesteld of zij in de absolute onmogelijkheid waren om terug te keren naar hun land. F. R. en M. R. hebben zich dus door eigen toedoen in een toestand gebracht waardoor zij eventueel hun kinderen niet degelijk kunnen opvoeden en schieten dus zelf mogelijk tekort in hun onderhoudsplicht. Bij gebrek aan rechtstreekse werking van de ingeroepen artikelen van het Verdrag inzake de rechten van het kind, blijft artikel 57, ,§2, van de O.C.M.W.-wet, onverkort van toepassing. (cf. in dezelfde zin: POULEAU, V., Propos sur l'applicabilité (directe) de la convention des droits de l'enfant dans l'ordre juridique interne belge, Rev. Trim. Dr.Fam., 1991, 495; PIETERS, E., Sociale dienstverlening aan vreemdelingen die illegaal in België verblijven: nieuwe vragen opgeworpen door het nieuwe artikel 57,§2 van de organieke wet..., B.T.S.Z., 1998, 165; VERHOEVEN, J., La notion d'applicabilité directe du droit international, Revue belge de droit international, 1983,
  27. Cass., 31 maart 1999, Soc.Kron., 2000, 204; Cass., 4 november 1999, R.W., 2000-2001, 232; Cass., 4 november 1999, R.W., 2000-2001, 232; Arbh. Antwerpen, afd. Hasselt, 7 mei 1999, A.R. 980065, niet uitg.; Arbh. Mons, 23 maart 1999, J.T.T., 2000, 251; Arbh. Gent, 10 december 2004, A.R. nr. 2003/188, onuitg. R.v.St., 7 februari 1996, nr. 58.032; R.v.St., 11 juni 1996, nr. 60097; R.v.St., 26 september 1996, nr. 61990; R.v.St., 28 juni 2001, nr. 97206, R.W., 2002-2003, 63). 4.
  28. Het arrest van het Arbitragehof van 22 juli 2003 F. R. en M. R. verwijzen verder naar het arrest van het Arbitragehof van 22 juli 2003 ten einde daaruit alsnog rechten te putten voor het verkrijgen van "levensminimum" voor een gezin, een bedrag gelijk aan de gewaarborgde gezinsbijslag voor zes kinderen en de betaling van de huishuur en alle vaste kosten. Inderdaad heeft het Arbitragehof op 22 juli 2003, zonder zich uit te spreken over de al dan niet directe werking van het Kinderrechtenverdrag, geoordeeld: "Artikel 57, ,§2, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 2, 3, 24.1, 26 en 27 van het Verdrag inzake de rechten van het kind, in zoverre het, ten aanzien van minderjarigen wier ouders illegaal op het grondgebied van het Rijk verblijven, zelfs de maatschappelijke dienstverlening die zou voldoen aan de in B.7.7 vermelde voorwaarden, uitsluit." Die voorwaarden vermeld onder B.7.7 zijn: "Maatschappelijke dienstverlening moet kunnen worden toegekend onder de drievoudige voorwaarde dat de bevoegde overheden hebben vastgesteld dat de ouders hun onderhoudsplicht niet nakomen of niet in staat zijn die na te komen, dat vaststaat dat de aanvraag betrekking heeft op onontbeerlijke uitgaven voor de ontwikkeling van het kind ten voordele van wie die dienstverlening wordt aangevraagd en dat het centrum zich ervan vergewist dat de dienstverlening uitsluitend zal dienen om die uitgaven te dekken. Het staat dus aan het centrum - onder voorbehoud van een optreden van de wetgever die een andere gepaste regeling zou aannemen - een dergelijke dienstverlening toe te kennen, op voorwaarde evenwel dat die valt binnen de perken van de specifieke behoeften van het kind, dat zij wordt verleend in de vorm van een dienstverlening in natura of een tenlasteneming van uitgaven ten behoeve van derden die een dergelijke dienst verlenen, teneinde elk mogelijk misbruik in het voordeel van de ouders uit te sluiten en met dien verstande dat die dienstverlening niet belet dat de maatregel inzake de verwijdering van de ouders en hun kinderen wordt uitgevoerd." Het zou dus principieel kunnen dat F. R. en M. R. eventueel aanspraak zouden kunnen maken op enige vorm van dienstverlening voor hun kinderen. Het Arbitragehof stelt in zijn arrest van 22 juli 2003 nergens een financiële steun voorop die ten goede komt aan het ganse gezin, ouders inbegrepen. Hulp aan kinderen kan slechts onder welbepaalde voorwaarden. Geldbedragen, zoals F. R. en M. R. die vragen, zijnde het bedrag gelijk aan de gewaarborgde gezinsbijslag voor zes kinderen, zijn helemaal uit den boze. Enkel steun in natura of het rechtstreeks betalen van bepaalde rekeningen in het uitsluitende belang van de kinderen kan mogelijk van het O.C.M.W. gevergd worden. De eerste rechter oordeelde alvast onterecht om het O.C.M.W. van Antwerpen te veroordelen in betaling van de "gewaarborgde kinderbijslag voor zijn zes kinderen". Het O.C.M.W. is immers niet de bevoegde instantie die gehouden is om de gewaarborgde gezinsbijslag uit te betalen. 4.
  29. Het arrest van het Arbitragehof van 17 september 2003 Er dient echter ook rekening gehouden te worden met het arrest van het Arbitragehof van 17 september 2003 (B.S., 7 november 2003, p. 54364), waarbij door dit Hof werd geoordeeld dat de dienstverlening in feite nooit retroactief kan verleend worden, ook niet door de rechter. Het Arbitragehof besloot immers: "Doordat het niet bepaalt dat maatschappelijke dienstverlening wordt toegekend voor de periode die begint te lopen op datum van de aanvraag, schendt artikel 1 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet." Daarbij overwoog het Arbitragehof het volgende: "B.
  30. Uit wat voorafgaat volgt dat het tot de bevoegdheid van het betrokken centrum behoort en, in geval van conflict, tot die van de rechter, om uitspraak te doen over het bestaan van een behoefte aan dienstverlening, over de omvang daarvan en om "de meest passende middelen voor te stellen om daarin te voorzien". Er bestaan immers geen wettelijke normen die bepalen in welke mate en in welke vorm bijstand moet worden verleend. Het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn kan bijgevolg, binnen de perken van zijn wettelijke opdracht, bijstand verlenen om de op het ogenblik van de beslissing nog bestaande gevolgen te verhelpen van een mensonwaardig bestaan dat men voorheen heeft geleid, in zoverre die de betrokkene beletten alsdan een leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid. B.
  31. Ook al neemt de maatschappelijke dienstverlening de concrete vorm aan van de storting van een bedrag gelijk aan het bestaansminimum, toch blijft zij in aard verschillen van het bestaansminimum. Het is niet discriminerend dat de wetgever, wat het bestaansminimum betreft, uitdrukkelijk heeft bepaald dat de beslissing waarbij het wordt toegekend, uitwerking heeft op de datum van de aanvraag terwijl hij, wat de maatschappelijke dienstverlening betreft, niet eenzelfde bepaling heeft aangenomen. Immers, het bestaansminimum kan niet, wegens de forfaitaire aard ervan, door het centrum of de rechter worden aangepast aan de concrete situatie van de begunstigde, terwijl maatschappelijke dienstverlening van nature een instrument is dat moet worden aangepast aan de reële en actuele behoeften van elke begunstigde." (onderlijning door het Hof) Met andere woorden, de rechter kan op het ogenblik van zijn beslissing enkel dienstverlening toekennen voor de toekomst en niet voor de tot dan toe verlopen periode, tenzij de betrokkenen aantonen dat ze op het ogenblik van de rechterlijke beslissing nog de negatieve gevolgen ondergaan van een mensonwaardig bestaan dat voorheen werd geleid, en die de betrokkenen beletten heden een leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid. F. R. en M. R. tonen dit niet aan, zodat ze alleszins voor de periode voorafgaand aan het tussen te komen arrest ook niet via de rechten van hun kinderen aanspraak kunnen maken op enige financiële dienstverlening. 4.
  32. Rechten op dienstverlening na het arrest Samen met het Openbaar Ministerie is het Hof van mening dat ook nà de uitspraak van huidig arrest het O.C.M.W. van Antwerpen niet gehouden is tot de gevorderde maatschappelijke dienstverlening, gelet op de recente wijzigingen in de toepasselijke wetgeving en regelgeving. Zo werd bij artikel 483 van de programmawet van 22 december 2003 (B.S., 31 december 2003) artikel 57, ,§2, van de organieke wet van 8 juli 1976 vervangen door de volgende bepaling: ",§
  33. In afwijking van de andere bepalingen van deze wet, is de taak van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn beperkt tot: 1° het verlenen van dringende medische hulp, wanneer het gaat om een vreemdeling die illegaal in het Rijk verblijft; 2° het vaststellen van de staat van behoeftigheid doordat de ouders hun onderhoudsplicht niet nakomen of niet in staat zijn die na te komen, wanneer het gaat om een vreemdeling jonger dan 18 jaar die met zijn ouders illegaal in het Rijk verblijft. In het geval bedoeld in 2°, wordt de maatschappelijke hulp beperkt tot de materiële hulp die onontbeerlijk is voor de ontwikkeling van het kind en wordt uitsluitend verstrekt in een federaal opvangcentrum overeenkomstig de voorwaarden en modaliteiten bepaald door de Koning." Deze bepaling werd uitgevoerd door het K.B. van 24 juni 2004, waarbij het 'Federaal agentschap voor de opvang van asielzoekers' werd opgericht. In dit K.B. worden tevens de voorwaarden gesteld volgens dewelke de betrokkenen hun aanspraken op hun rechten dienen na te streven. Zo wordt bepaald dat de aanvraag dient te gebeuren via het plaatselijke O.C.M.W. Dit centrum hoeft enkel te onderzoeken of de jongere jonger is dan 18 jaar, de jongere en de ouders illegaal in het Rijk verblijven, het kind behoeftig is en de ouders hun onderhoudsplicht niet nakomen, dan wel niet kunnen nakomen. Wordt aan alle voorwaarden voldaan, dan zal het O.C.M.W. meedelen naar welk opvangcentrum de jongere zich dient te wenden tot het verkrijgen van de nodige hulp. Conform artikel 2 van dit K.B. dient deze vorm van steun vooraf aangevraagd te worden. Noch F. R. en M. R., noch de minderjarige kinderen, noch iemand voor hen hebben zulke aanvraag ingediend. Zowel het aldus inmiddels gewijzigde artikel 57, ,§2, van de O.C.M.W.-wet, als het uitvoeringsbesluit zijn thans van kracht, zodat F. R. en M. R. enkel nog voor de procedure, zoals beschreven in het uitvoeringsbesluit, beroep kunnen doen op het O.C.M.W. van Antwerpen, en niet meer voor het verkrijgen van financiële dienstverlening. Terloops kan er op gewezen worden dat, conform de omzendbrief van 16 augustus 2004 van de minister voor maatschappelijke integratie (www.mi-is.be), de mogelijkheid van de opvang van de ouders samen met hun kinderen mogelijk blijft en niet van tevoren reeds uitgesloten wordt. Men kan er dus niet zomaar van uitgaan dat deze nieuwe regeling een schending inhoudt van artikel 8 E.V.R.M. Door de gegrondheid van het hoofdberoep is de uitbreiding van de eis ongegrond. Op die gronden, Het Hof, Heeft kennis genomen van het eensluidend schriftelijk advies, uitgebracht door de heer J. DEKEERSMAEKER, Substituut-generaal, op de openbare terechtzitting van 8 december
  34. Houdt rekening met de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken. Doet uitspraak op tegenspraak. Verklaart het hoofdberoep ontvankelijk en gegrond. Doet het vonnis van 6 januari 2003 (A.R. 347.488 en A.R. 347.489, samengevoegd onder het A.R. nummer 347.488) van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen teniet, behalve wat het gestelde onder punt 3.
  35. - het recht van verblijf op grond van artikel 9, 3, van de Vreemdelingenwet -, de ontvankelijkheid van de vorderingen en de kosten betreft. Opnieuw recht doende, verklaart de oorspronkelijke vorderingen ongegrond en bevestigt de bestreden beslissingen van het Bijzonder Comité voor Sociale Bijstand van 17 juli
  36. Verklaart de uitbreiding van de eis van F. R. en M. R. toelaatbaar, doch ongegrond. Verklaart het incidenteel beroep ontvankelijk, doch ongegrond. Legt de kosten van de procedure in hoger beroep, overeenkomstig artikel 1017, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, ten laste van het O.C.M.W. van Antwerpen, door het echtpaar R. begroot op 133,86 EUR rechtsplegingsvergoeding en door het Hof vereffend op 139,81 EUR rechtsplegingsvergoeding; de kosten van het O.C.M.W. van Antwerpen worden door het Hof niet vereffend daar geen kostenopgave wordt ingediend. Aldus gewezen en uitgesproken door de vierde kamer van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, in openbare terechtzitting op zesentwintig januari tweeduizend en vijf. Het Hof bestond uit: mevrouw C. VERCAMMEN, kamervoorzitter, de heer R. PEETERS, raadsheer in sociale zaken als werkgever, mevrouw G. SCHAMPAERT, raadsheer in sociale zaken als werknemer, de heer R. SMETS, griffier. PDF document ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20050126.10 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010319.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.