id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 28 januari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20050128.2 Rolnummer: 2004-0558;2004-0584 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2005-03-10 Raadplegingen: 104 - laatst gezien 2026-07-01 02:11 Fiches 1 - 3 Een tegenvordering, voor het eerst ingesteld in hoger beroep, is ontvankelijk wanneer ze wordt ingesteld in het beroepsverzoekschrift zelf. Ze is bovendien ontvankelijk wanneer ze betrekking heeft op het voorwerp van de dagvaarding of wanneer ze te beschouwen is als een verweer op de hoofdvordering. Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP-RECHT-WETGEVING . GERECHTELIJK WETBOEK Algemene beginselen - voorafgaande bepalingen - tegenvordering - voor het eerst in hoger beroep - begrip - ontvankelijkheid. Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 14 Gerechtelijk Wetboek - 1042 Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID VOOR WERKNEMERS . ALGEMENE REGELING Toezicht. Wettelijke bepalingen: Wet - 27-06-1969 - 30bis,§1 Nota: Gerangschikt onder I A - artikel 14, I A - artikel 1042 en onder VII A - artikel 30 bis, ,§
- Tekst van de beslissing A.R. Nr. 2040558 en A.R. 2040584 OPENBARE TERECHTZITTING VAN ACHTENTWINTIG JANUARI TWEEDUIZEND EN VIJF In de zaak: B.V.B.A. B.S.L, met zetel gevestigd te S., appellante, voor wie verschijnt: mr. M., advocaat te B., tegen : RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, met zetel gevestigd te 1060 Brussel, Victor Hortaplein 11, geïntimeerde, voor wie verschijnt: mr. D, advocaat te A. Na over de zaak te hebben beraadslaagd, wijst het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, het hiernavolgende arrest. Gelet op het zittingsblad van 8 september 2004; Gelet op de stukken van de rechtspleging, waaronder: In de zaak A.R. 2040558 x het voor eensluidend verklaarde afschrift van het vonnis van 11 mei 2004, op tegenspraak gewezen door de Arbeidsrechtbank te Antwerpen. (A.R. 367.359) x het verzoekschrift in hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit Hof op 26 juli 2004 en ter kennis gebracht overeenkomstig artikel 1056 van het Gerechtelijk Wetboek op 26 juli 2004; In de zaak A.R. 2040584: x hetzelfde voor eensluidend verklaarde afschrift van het vonnis van 11 mei 2004, op tegenspraak gewezen door de Arbeidsrechtbank te Antwerpen. x het verzoekschrift in hoger beroep, neergelegd ter griffie van dit Hof op 30 juli 2004 en ter kennis gebracht overeenkomstig artikel 1056 van het Gerechtelijk Wetboek op 2 augustus 2004; Gelet op de stukken in het naar behoren geïnventariseerde dossier van partijen. Gehoord de partijen in de voordracht van hun conclusies en verweermiddelen tijdens de openbare terechtzitting van 24 december
- Gehoord het mondelinge advies van het Openbaar Ministerie op de openbare terechtzitting van 24 december
- De ontvankelijkheid. De hogere beroepen zijn naar termijn en vorm regelmatig ingesteld en de ontvankelijkheid ervan wordt niet betwist. Ze zijn dan ook ontvankelijk. Feiten en voorgaanden. Op 16 april 2004 werd de B.V.B.A. B. S. L. door de R.S.Z. gedagvaard in betaling van 49.402,48 EUR en de verwijlintresten op een bedrag van 43.198,45 EUR op basis van een rekeninguittreksel nr. 70, afgesloten op 4 maart
- Bij nota, neergelegd ter terechtzitting van 11 mei 2004, herleidt de R.S.Z. zijn vordering tot een bedrag van 45.825,45 EUR in hoofdsom, meer de verwijlintresten op het saldo aan bijdragen (40.122,44 EUR volgens het aangehecht verbeterend rekeningsuittreksel nr. 70 van 4 maart 2004). In een brief aan de eerste rechter legt de raadsman van de B.V.B.A. uit: x dat de B.V.B.A. verplicht was om het aantal arbeiders in haar dienst te herleiden van 9 naar 4; x dat deze inkorting nodig was om het bedrijf rendabel te houden; x dat de achterstallige R.S.Z.-schuld werd veroorzaakt door het te hoog aantal arbeiders; x dat het voor haar onmogelijk is deze schuld op korte termijn af te korten; x dat zij in die omstandigheden vraagt om de schuld af te lossen op een termijn van 20 maanden. Het bestreden vonnis. De eerste rechter verklaarde bij vonnis van 11 mei 2004 de herleide vordering ontvankelijk en gegrond en liet de B.V.B.A. toe haar schuld af te betalen met 3.820 EUR per maand vanaf 1 juni 2004 of gedurende twaalf maanden. De eerste rechter motiveerde daarbij niet waarom ze de afbetalingstermijn bepaalde op twaalf maanden en niet op twintig maanden, zoals door de B.V.B.A. was gevraagd. Er werd geen akte van betekening van dit vonnis voorgelegd. Eisen in hoger beroep. De B.V.B.A. B. S. L. tekende een eerste maal hoger beroep aan tegen dit vonnis a quo bij verzoekschrift, ontvangen ter griffie van dit Hof op 26 juli
- Zij herhaalt op grond van dezelfde argumentatie haar vraag om haar schuld af te korten in een tijdspanne van twintig maanden. De B.V.B.A. tekende een tweede maal hoger beroep aan tegen hetzelfde vonnis van 11 mei 2004 bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van dit Hof op 30 juli
- De vraag van de B.V.B.A. uit het verzoekschrift van 26 juli 2004 wordt aangevuld met de vraag om haar vrijgave te verlenen van de meldingsplicht, de inhoudings- en doorstortingsplicht, geregeld in artikel 30 bis van de R.S.Z.- Wet. In Rechte. Samenhang en samenvoeging. Het hoger beroep, ingesteld bij verzoekschrift van 30 juli 2004, is zo nauw verbonden met het beroep, ingesteld bij verzoekschrift van 26 juli 2004 dat het wenselijk is beide beroepen samen te behandelen en te berechten. (toepassing van artikel 30 Ger. W.) De beide hogere beroepen worden dan ook samengevoegd. Wat de vraag tot afbetaling betreft. Het Hof stelt vast dat appellante zich stipt heeft gehouden aan de afbetalingen van 3.820 euro per maand, die door de eerste rechter werden bevolen (cfr. stuk 4 in haar dossier, ondersteund door haar stukken 5). Dit is positief en het pleit in haar voordeel. Anderzijds is het Hof van oordeel dat de stukken die appellante bijbrengt en die haar vraag tot ruimere afbetalingen moeten ondersteunen (haar stukken 1 en 3) eigen stukken zijn of stukken opgemaakt door haar boekhouder. Het zijn echter geen objectieve stukken die het Hof moeten toelaten een duidelijk beeld te krijgen van de financiële toestand van appellante en van de oorzaken die deze financiële toestand hebben veroorzaakt. In die omstandigheden is het Hof van oordeel dat er geen redenen voorhanden zijn om het oordeel van de eerste rechter te veranderen. Wat de vraag betreft om "vrijgave te verlenen van de meldingsplicht, de inhoudings- en doorstortingsplicht, geregeld in artikel 30 bis van de R.S.Z.- Wet". De vordering van appellante, zoals ingesteld in het verzoekschrift in hoger beroep van 30 juli 2004, is niet duidelijk geformuleerd. In het motiverende gedeelte van het verzoekschrift wordt eigenlijk geen vordering geformuleerd in die zin dat appellante de veroordeling vraagt van de R.S.Z. Zij richt eerder een verzoek rechtstreeks tot de R.S.Z., buiten de gerechtelijke procedure om. Het is pas wanneer er bij de R.S.Z. geen bereidheid zou bestaan op dat verzoek in te gaan dat appellante het Hof vraagt hierover te oordelen. Wat moet het Hof dan precies beoordelen? In het beschikkende gedeelte van dit verzoekschrift echter richt appellante de vraag aan het Hof om "de vrijgave van de meldingsplicht, de inhoudings- en doorstortingsplicht" te verlenen. Met enige goede wil kan deze passage gelezen worden als een vordering van appellante om de R.S.Z. te veroordelen om opzichtens haar toepassing te maken van artikel 30 bis, ,§4 van de Wet van 27 juni 1969 tot herziening van de Besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders. Dergelijke vordering is dan een tegenvordering in de zin van artikel 14 Ger.W., die voor het eerst wordt ingesteld in graad van hoger beroep. Met evenveel goede wil kan deze tegenvordering ontvankelijk worden verklaard, ook al wordt ze geformuleerd in het verzoekschrift in hoger beroep en niet in conclusies. Ze heeft betrekking op het voorwerp van de dagvaarding, het verschuldigd zijn van sociale zekerheidbijdragen, of ze kan minstens worden aanzien als een verweer in het kader van het betalen van deze bijdragen. Maar de vordering is ongegrond omdat niet is aangetoond dat de R.S.Z. geen toepassing maakt van artikel 30 bis, ,§4 van de R.S.Z.-wet. Dit artikel voorziet namelijk dat de (hoofd)aannemer vrijgesteld is van de verplichting tot inhouding en doorstorting indien de onderaannemer op het ogenblik van de betaling voor de verschuldigde betalingen uitstel van betaling heeft gekregen bij een rechterlijke beslissing en hij de opgelegde termijnen naleeft. Zou het de bedoeling van appellante zijn om zich voor de toekomst te verzekeren van deze toepassing van artikel 30 bis, ,§4 van de R.S.Z.-wet door de R.S.Z., dan zou haar vordering een toekomstig voorwerp hebben en daarom niet toelaatbaar zijn. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Gehoord de heer F. SLACHMUYLDERS, Substituut-generaal, in zijn gelijkluidend mondelinge advies, gegeven ter openbare terechtzitting van 24 december 2004, waarover partijen verklaarden geen opmerkingen te hebben. Recht doende op tegenspraak. Voegt de beide zaken A.R. 2040558 en A.R. 2040584 samen onder nummer A.R.
- Verklaart het hoofdberoep ontvankelijk doch ongegrond. Bevestigt het vonnis van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen van 11 mei
- Wijst de tegenvordering af als ongegrond. Legt de kosten van hoger beroep, overeenkomstig artikel 1017, eerste lid van het Gerechtelijk Wetboek, ten laste van appellante. Vereffent de kosten aan de zijde van de B.V.B.A. B. S. L. op 279,62 EUR rechtsplegingsvergoeding beroep. De kosten aan de zijde van de R.S.Z. werden niet begroot en alsdan door het Hof niet vereffend. Aldus gewezen en uitgesproken door de vierde kamer van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, op de openbare terechtzitting van achtentwintig januari tweeduizend en vijf, waar aanwezig waren: PDF document ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20050128.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div