← België

ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20050204.19

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 04 februari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20050204.19 Rolnummer: 2002-0385 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2005-03-10 Raadplegingen: 238 - laatst gezien 2026-07-04 12:33 Fiches 1 - 4 Berusting in een beslissing die is gegrond op wetsbepalingen die van openbare orde zijn, is onmogelijk. Een vordering wegens tergend en roekloos procesgedrag is in elke stand van het geding ontvankelijk, zo zij regelmatig is ingesteld. De RSZ kan niet het principe van een forfaitair terugbetalingssysteem aanvaarden aan de ene kant en aan de andere kant van de werkgever verlangen dat hij ter staving van de forfaitair uitbetaalde vergoedingen in detail stavingstukken voorlegt. De werkgever moet het systeem van forfaitaire terugbetaling dat hij toepast, verduidelijken en verhelderen zodanig dat het transparant en zichtbaar is. Verder kan van hem worden verwacht dat hij alle uitleg en informatie verschaft die zijn systeem aannemelijk maken. Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP-RECHT-WETGEVING . GERECHTELIJK WETBOEK Rechtsmiddelen - algemene bepalingen - berusting - materie van openbare orde - vordering wegens tergend procesgedrag - ontvankelijkheid. Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 620 Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP-RECHT-WETGEVING . GERECHTELIJK WETBOEK Rechtsmiddelen - algemene bepalingen - berusting - materie van openbare - vordering wegens tergend procesgedrag - ontvankelijkheid. Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 1072BIS Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID VOOR WERKNEMERS . ALGEMENE REGELING Toepassingsgebied - uitbreiding van de regeling - berekening - afwijking. Wettelijke bepalingen: Wet - 27-06-1969 - 2,lid1 Koninklijk Besluit - 28-11-1969 - 19,§2,4° Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID VOOR WERKNEMERS . ALGEMENE REGELING De bijdragen - berekening - afwijking. Wettelijke bepalingen: Wet - 27-06-1969 - 14 Nota: Gerangschikt onder I A - artikel 620, I A - artikel 1072 bis, VII A - artikel 2, lid 1 en onder VII A - artikel 14. Tekst van de beslissing A.R. Nr. 2020385 OPENBARE TERECHTZITTING VAN VIER FEBRUARI TWEEDUIZEND EN VIJF In de zaak: RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, met zetel gevestigd te 1060 Brussel, Victor Hortaplein 11, appellant, incidenteel geïntimeerde, voor wie verschijnt: mr. G, advocaat te A, tegen : N.V. A, met zetel gevestigd te Z, geïntimeerde, incidenteel appellante, voor wie verschijnt: mr. S, advocaat te A. Na over de zaak te hebben beraadslaagd, wijst het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, het hiernavolgende arrest. Gelet op de zittingsbladen van 4 september 2002, van 2 mei 2003, van 3 december 2004 en van 21 januari 2005; Gelet op de stukken van de rechtspleging, waaronder: x het voor eensluidend verklaarde afschrift van het vonnis van 19 december 2000, op tegenspraak gewezen door de Arbeidsrechtbank te Antwerpen. (A.R. nr.312.452) x het verzoekschrift in hoger beroep, neergelegd ter griffie van dit Hof op 20 juni 2002 en ter kennis gebracht overeenkomstig artikel 1056 van het Gerechtelijk Wetboek op 20 juni 2002; x de conclusies voor de N.V. A., neergelegd ter griffie van het Hof op 31 maart 2003; x de conclusies voor de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, ontvangen ter griffie van het Hof op 15 maart 2004; x het verzoekschrift in toepassing van artikel 747, ,§2 van het Gerechtelijk Wetboek van mr. G, ontvangen ter griffie van dit Hof op 10 mei 2004; x het verzoekschrift in toepassing van artikel 747, ,§2 van het Gerechtelijk Wetboek van mr. G, ontvangen ter griffie van dit Hof op 17 juni 2004; x de opmerkingen van mr. S, neergelegd ter griffie van dit Hof op 20 juli 2004; x de beschikking door J. Verhavert, Raadsheer, voorzitter van de kamer, van 29 juli 2004, in toepassing van artikel 747, ,§2 van het Gerechtelijk Wetboek; x de aanvullende conclusies voor de N.V. A., neergelegd ter griffie van dit Hof op 1 oktober 2004; x de aanvullende conclusies voor de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, neergelegd ter griffie van dit Hof op 19 oktober 2004; x de tweede aanvullende conclusies voor de N.V. A., neergelegd ter griffie van dit Hof op 19 november 2004; Gelet op de stukken van het administratief dossier. Gelet op de stukken in het naar behoren geïnventariseerde dossier van geïntimeerde. Gehoord de partijen in de voordracht van hun conclusies en verweermiddelen tijdens de openbare terechtzitting van 3 december 2004. Gehoord het mondelinge advies van het Openbaar Ministerie op de openbare terechtzitting van 3 december 2004. Feiten en wat voorafgaat A. baat een pluimveebedrijf uit. Bij een administratieve controle op 21 november 1996, die volgde op een controle van de Inspectie van de Sociale Wetten van 29 mei 1996, werd in de boekhouding van A. vastgesteld dat aan E.V. (volgens het onderzoeksverslag een technisch-afgevaardigde in buitendienst), een forfaitaire onkostenvergoeding van 6.000 ex BEF werd uitgekeerd (5.000 ex BEF tot september 1994) plus een dagvergoeding van 400 ex BEF, telkens per maand. Er werd met A. afgesproken dat zij in december 1996 stavingstukken zou bijhouden, die de realiteit van deze kosten 'eigen aan de werkgever' konden onderbouwen. Op 7 januari 1997 kwam adjunct-inspecteur B. J. deze stukken bij A. ophalen. Later schrijft A. aan de R.S.Z. dat er op dat ogenblik geen kritiek werd gegeven op deze stukken, zodat zij er van uitging dat alles in orde was. Het onderzoeksverslag werd door de inspectie pas afgesloten op 18 november 1998. De R.S.Z. steunt zich op dit onderzoeksverslag wanneer hij op 16 februari 1999 aan A. schrijft dat hij van oordeel is dat de onkostenvergoeding van respectievelijk 5.000 en 6.000 ex BEF als loon moet worden beschouwd. Van de forfaitaire dagvergoeding van 400 ex BEF aanvaardt de R.S.Z. een fractie van 180 ex BEF als zijnde een reële kostenvergoeding. Verder kondigt de R.S.Z. aan dat tengevolge van zijn beslissing de nodige regularisatie gebeurde. A. protesteerde bij schrijven van 11 maart 1999 en legde in dit schrijven ook het systeem uit waarop de vergoedingen zijn berekend. In zijn antwoord van 23 maart 1999 volhardt de R.S.Z. in zijn standpunt. Op 7 april 1999 stuurde de R.S.Z. aan A. een afrekening ten bedrage van 1.727,62 euro. Op 13 april 1999 volgde een tweede afrekening ten bedrage van 11.631,06 euro. Op 7 januari 1999 had de zaakvoerder van A. al laten verstaan dat hij niet akkoord was met de visie van de R.S.Z. en dat hij vrijwillig niet zou betalen. Op 19 april 1999 volgde een eerste dagvaarding door de R.S.Z. voor een bedrag van 25.238 ex BEF, te vermeerderen met de intresten. Op 19 juli 1999 volgde een tweede dagvaarding voor een bedrag van 257.054 ex BEF, te vermeerderen met de intresten. Het bestreden vonnis In een eerste vonnis van 6 juni 2000 voegde de eerste rechter de beide rechtsvorderingen samen. Hij oordeelde vervolgens dat de onkostenvergoedingen (5.000 of 6.000 ex BEF) wél loon zijn maar dat de integrale dagvergoeding (400 ex BEF) geen loon is. Hij beval de heropening der debatten om de R.S.Z. toe te laten de fractie van 220 ex BEF dagvergoeding, die hij per dag als loon in rekening bracht, uit de berekening te verwijderen. In zijn conclusies na tussenvonnis gaf de R.S.Z. aan dat de volgende "wijzigingen" werden opgesteld in het voordeel van A.: x eerste kwartaal 1994 : 10.028 ex BEF x tweede, derde en vierde kwartaal 1994: 25.307 ex BEF x 1995-1996: 71.845 ex BEF. In zijn eindvonnis van 19 december 2000 was de eerste rechter van oordeel dat de R.S.Z. zijn vordering tot deze bedragen herleidt en hij veroordeelde A. tot de betaling ervan. Partijen verklaren op de terechtzitting dat geen van deze vonnissen werd betekend. Eisen in hoger beroep Pas op 20 juni 2002 tekende de R.S.Z. beroep aan tegen beide vonnissen. Grieven: x de eerste rechter oordeelde ten onrechte dat een forfaitaire dagvergoeding van 400 ex BEF niet overdreven was. De R.S.Z. blijft er bij dat maximaal 180 ex BEF als reële vergoeding van kosten in aanmerking komt; x de eerste rechter oordeelde verkeerd wanneer hij dacht dat de R.S.Z. zijn vordering herleidde tot 107.180 ex BEF. In werkelijkheid moest dit bedrag in mindering worden gebracht van de bedragen die oorspronkelijk werden gevorderd. A. voert onder andere de volgende middelen aan: x dat de R.S.Z. in het vonnis van 6 juni 2000 berustte: dus het hoger beroep is onontvankelijk; x bij zoverre het Hof deze zienswijze niet volgt, dat A. zijn vrijheid herneemt en dat zij incidenteel hoger beroep aantekent; x dat de fiscus alle forfaitaire bedragen wél aanvaardt als kostenvergoedingen; x dat de eerste rechter terecht de bewijslast legt op de schouders van de R.S.Z.; x dat de betaalde vergoedingen een terugbetaling zijn van effectief gemaakte kosten. In Rechte Is het hoofdberoep ontvankelijk? In hoofdorde vordert A. de afwijzing van het hoofdberoep en zij steunt zich hierbij op de impliciete maar onmiskenbare berusting door de R.S.Z. in het eerste vonnis van 6 juni 2000. De R.S.Z. houdt vol dat hij niet in het vonnis van 6 juni 2000 berustte. Het is niet nodig de argumentatie die partijen ter zake aanvoeren nader te onderzoeken want berusting in een beslissing die is gegrond op wetsbepalingen die van openbare orde zijn, is onmogelijk. (zie o.a. Cass., 27 november 2000 - rolnummer S000065N ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20001127.6t - raadpleging via internet: www.cass.be > NL > Hof van Cassatie > arresten van het Hof > datum ingeven > lijst > nr. JC00BR2_1) In het vonnis van 6 juni 2000 doet de eerste rechter uitspraak over vorderingen van de R.S.Z. die zijn gegrond op bepalingen (o.a. artikel 14) uit de R.S.Z.-wet (Wet van 27 juni 1969 tot herziening van de Besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders). Deze wet is in haar geheel van openbare orde. Het hoofdberoep is tijdig, regelmatig en ontvankelijk. Is het incidenteel beroep ontvankelijk? Indien het Hof niet aanvaardt dat de R.S.Z. berustte in het vonnis van 6 juni 2000, herneemt A. haar vrijheid, zo concludeert zij, en stelt zij incidenteel beroep in tegen zowel het vonnis van 6 juni 2000 als tegen het vonnis van 19 december 2000 van de Arbeidsrechtbank. Dit incidenteel beroep is volgens A. uitgelokt door de R.S.Z. als een gevolg van zijn weigering om zijn berusting in het vonnis van 6 juni 2000 te aanvaarden. In beroepsconclusies acht de R.S.Z. dit incidenteel beroep ontvankelijk. Het Hof ziet geen middel van onontvankelijkheid dat ambtshalve moet worden opgeworpen. Het volstaat dan ook vast te stellen dat de ontvankelijkheid van het incidenteel beroep niet wordt betwist. Het incidenteel beroep, regelmatig bij conclusies ingesteld, is ontvankelijk. Is de tegenvordering van A. ontvankelijk? Bij beroepsconclusies van 31 maart 2003 stelt A. een tegenvordering in wegens tergend en roekeloos hoger beroep en/of wegens tergend procesgedrag. De R.S.Z. vraagt om deze tegenvordering ontoelaatbaar, onontvankelijk minstens ongegrond te verklaren. De R.S.Z. echter argumenteert niet waarom de tegenvordering van A. ontoelaatbaar dan wel onontvankelijk zou zijn. Blijkbaar hanteert de R.S.Z. deze begrippen enkel als een stijlformule om op die manier zijn verontwaardiging over het instellen van deze tegenvordering kracht bij te zetten. Artikel 1072 bis Ger. W. maakt duidelijk dat een tegenvordering wegens tergend of roekeloos hoger beroep ontvankelijk is, zo deze regelmatig werd ingesteld. Dat is in casu het geval. De ratio legis die ten grondslag ligt aan dit artikel 1072 bis is ook dienstig om een vordering te beoordelen wegens tergend en roekeloos procesgedrag. Dergelijke vordering bestrijkt immers meer dan de beroepsprocedure alleen. Het is duidelijk dat zolang het proces loopt, de balans van een passend procesgedrag kan omslaan in een tergend procesgedrag. Bij de beoordeling daarvan moet de opstelling van de aangeklaagde procespartij over gans het proces kunnen worden meegenomen. Vandaar de logica dat een vordering wegens tergend en roekloos procesgedrag in elke stand van het geding ontvankelijk is, zo zij regelmatig is ingesteld. Dat is in casu het geval. De grond van het incidenteel beroep Het is aangewezen het incidenteel beroep eerst te beoordelen omdat dit incidenteel beroep de grond van de oorspronkelijke vorderingen van de R.S.Z. over gans de breedte bestrijkt. De R.S.Z. namelijk is van oordeel dat bepaalde vergoedingen, die aan E. V. werden betaald, loon zijn waarop R.S.Z.-bijdragen zijn verschuldigd, behalve een bedrag van 180 ex BEF (4,43 euro) per dag dat kan worden aanzien als een terugbetaling van werkelijke door E. V. gedane uitgaven ten laste van A.. Met name betwistte de R.S.Z. dat een forfaitaire vergoeding, eerst van 5.000 ex BEF later van 6.000 ex BEF, die elke maand aan E. V. werd uitbetaald, een kostenvergoeding was. Dezelfde betwisting voerde hij met betrekking tot een forfaitaire dagvergoeding van 400 ex BEF die aan E. V. werd uitbetaald. Hiervan accepteerde de R.S.Z. enkel een fractie van 180 ex BEF als werkelijke kostenvergoeding. De eerste rechter volgde het standpunt van de R.S.Z. met betrekking tot de maandvergoedingen, die als loon moeten worden aanzien maar hij was van oordeel dat de dagvergoedingen integraal kostenvergoedingen waren en dus geen loon zijn. Krachtens artikel 14, ,§2 van de Wet van 27 juni 1969 tot herziening van de Besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, wordt het begrip 'loon', dat voor de berekening van de bijdragen in aanmerking wordt genomen, bepaald door artikel 2 van de Wet van 12 april 1965, betreffende de bescherming van het loon der werknemers (de Loonbeschermingswet). De Koning kan evenwel dit begrip 'loon' verruimen of beperken. Artikel 19, ,§2, 4° van het Koninklijk Besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de Wet van 27 juni 1969 bepaalt dat, in afwijking van artikel 2, eerste lid van de Wet van 12 april 1965 (Loonbeschermingswet) niet als loon worden aangemerkt, onder meer de bedragen die gelden als terugbetaling van de kosten die ten laste van de werkgever vallen. De terugbetaling van deze kosten kan gebeuren na voorlegging van kwijtschriften of stukken, die bewijzen dat de kosten werkelijk zijn gemaakt. De terugbetaling kan ook forfaitair gebeuren zonder dat er stavingstukken moeten worden voorgelegd. In casu paste A. de tweede optie toe: het systeem van forfaitaire terugbetaling. Het Hof stelt vast dat de R.S.Z. in casu aanvaardt dat A. werkt met een forfaitair terugbetalingssysteem. Immers de R.S.Z. aanvaardt dat van de uitbetaalde dagvergoeding (400 ex BEF) een fractie van 180 ex BEF geldt als terugbetaling op forfaitaire basis van kosten die ten laste van A. vallen. Wanneer de R.S.Z. het hanteren van een forfaitair terugbetalingssysteem door A. aanvaardt dan moet hij al de gevolgen van een dergelijk systeem mee aanvaarden. Forfaitair betekent immers dat de werkgever op regelmatige basis een bepaald afgerond bedrag aan zijn werknemer betaalt, waarbij men er van uitgaat dat dit bedrag kosten opvangt die de werknemer maakt voor rekening van zijn werkgever. Men kan dit systeem maar toepassen als de job meebrengt dat dergelijke kosten in werkelijkheid ook worden gemaakt. Het is echter niet vereist dat deze kosten nog stuk voor stuk worden gestaafd. Het is immers juist de bedoeling om rond het inventariseren van deze kosten en het bijhouden van kwitanties of andere stavingstukken geen administratie te voeren. De R.S.Z. kan niet het principe van een forfaitair terugbetalingssysteem aanvaarden aan de ene kant en aan de andere kant van de werkgever verlangen dat hij ter staving van de forfaitair uitbetaalde vergoedingen in detail stavingstukken voorlegt. De R.S.Z. kan wél betwisten dat de vergoedingen die de werkgever uitkeert de werkelijke kosten die de werknemer voor zijn baas moet betalen, overschrijden. De werkgever kan met het overschatten van de werkelijke kosten immers de bedoeling hebben om de werknemer extra loon toe te schuiven, waarop geen sociale zekerheidsbijdragen worden betaald. Dergelijke betwisting doet zich terzake voor. Door het aanvaarden van een forfaitaire terugbetaling a rato van 180 ex BEF per dag, neemt de R.S.Z. aan dat de job van E. V. meebracht dat bij het uitvoeren ervan, er kosten 'ten laste van de werkgever' werden gemaakt. In het onderzoeksverslag wordt deze job omschreven als: technische afgevaardigde in buitendienst. Dergelijke job komt inderdaad in aanmerking om dergelijke kosten te genereren. Hieruit zou kunnen worden afgeleid dat de betwisting van de R.S.Z. in casu draait om de hoogte van de kostenvergoedingen en niet zozeer om het principe ervan. Dat gedeelte van de vergoedingen dat geen terugbetaling kan zijn van kosten, valt dan niet onder de uitzondering van artikel 19, ,§2, 4° van het Koninklijk Besluit van 28 november 1969 en is als bijdrageplichtig loon te beschouwen. Wanneer wordt voorgehouden dat de vergoedingen die aan de werknemer(

  1. s)zijn betaald ten titel van betaling van 'kosten eigen aan de werkgever', het karakter van 'loon' hebben, dan dient de instelling die is belast met de inning van de bijdragen, de R.S.Z. in casu, aan te tonen dat die bedragen geen terugbetaling zijn van kosten die de werkgever moet dragen (cfr. Cass., 14 januari 2002, J.T.T. 2002 - 105). De R.S.Z. blijft - ten onrechte - de bewijslast leggen op de schouders van A.. In eerste instantie is de R.S.Z. aan zet om het bewijs te leveren dat de uitbetaalde vergoedingen als loon moeten worden aangemerkt. Het klopt dat de werkgever de speurtocht van de R.S.Z. naar het nodige bewijs niet mag hinderen en dat hij op de meest loyale manier moet meewerken aan het onderzoek dat de R.S.Z. houdt. Hij mag geen gegevens achterhouden of dienstige informatie verzwijgen. Maar het is de R.S.Z. die beslist hoe grondig hij zijn onderzoek zal voeren en welk bewijs hij zal voorbrengen. Schiet hij tekort dan kan hij de schuld daarvoor niet afwentelen op de werkgever, tenzij is aangetoond dat deze werkgever obstructie leverde. De medewerking die de werkgever wordt geacht te verlenen aan de bewijsvoering kan als volgt worden geconcretiseerd: de werkgever moet het systeem van forfaitaire terugbetaling dat hij toepast, verduidelijken en verhelderen zodanig dat het transparant en zichtbaar is. Verder kan van hem worden verwacht dat hij alle uitleg en informatie verschaft die zijn systeem aannemelijk maken. Beantwoordt de werkgever aan deze twee verwachtingen, dan ligt de bal in het kamp van de R.S.Z. en moet de R.S.Z. bewijzen, hard maken dus dat de uitbetaalde vergoedingen geheel of gedeeltelijk geen terugbetaling zijn van kosten die de werkgever moet dragen. Toepassing in casu. Wat de dagvergoeding betreft: artikel 4 van de arbeidsovereenkomst, afgesloten tussen A. en E. V. voorziet dat forfaitair een dagvergoeding wordt betaald van 400 ex BEF. In conclusies legt A. hierbij uit dat E. V. veel de baan op is als technisch commercieel afgevaardigde en hierdoor regelmatig maaltijden "buitenshuis" gebruikt. Anderzijds brengen de verplaatsingen die hij maakt nog andere kosten mee zoals sanitaire en koffiepauzes. Hoe dan ook A. werkte met de inspectie mee om gedurende de maand december 1996 de effectieve "baankosten" om ze zo te noemen, te inventariseren aan de hand van kwitanties. A. legt deze kwitanties neer. Op bladzijde 4 en 5 van haar beroepsconclusies van 31 maart 2003 rekent A. voor dat alsdan gemiddeld per werkdag zo'n 399 ex BEF werkelijk werd uitgegeven. Op deze manier beantwoordt A. helemaal aan wat van haar in het kader van een geschil als dit mag worden verwacht: zij maakt enerzijds duidelijk dat de dagvergoeding de dagelijkse kleine uitgaven (hoofdzakelijk catering) opvangt die E. V. doet wanneer hij voor A. actief is buiten de zetel van het bedrijf en anderzijds maakt zij aan de hand van de steekproef aannemelijk dat deze uitgaven realistisch zijn (399 > Zoals gezegd, komt het in die omstandigheden aan de R.S.Z. toe om het bewijs bij te brengen dat de uitbetaalde dagvergoeding van 400 ex BEF geen terugbetaling van kosten is maar loon. Welk bewijs legt de R.S.Z. voor? De R.S.Z. vraagt zich in conclusies af of het niet eigenaardig is dat de voorgebrachte restauranttickets hoofdzakelijk afkomstig zijn van snelwegrestaurants in Burcht en Zwijnaarde. Deze verwondering is echter geen bewijs. Als de R.S.Z. meent dat dit gegeven verdacht is, moet hij een nader onderzoek instellen en bewijzen verzamelen, wat hij in casu niet heeft gedaan. Anderzijds vecht de R.S.Z. aan dat het hier uitgaven betreft die ten laste vallen van de werkgever. Uitgaven als deze zijn immers niet inherent aan de arbeid omdat geen enkele wettelijke verplichting de werkgever oplegt om aan zijn werknemer maaltijden te verschaffen. Het Hof is het hier niet mee eens. Misschien moet de werkgever aan zijn personeel geen voedsel verschaffen in de strikte zin van het woord, maar hij voorziet meestal wel in de nodige infrastructuur opdat de werknemers tijdens hun pauzes een maaltijd kunnen gebruiken. Deze infrastructuur kan hij niet ter beschikking stellen van werknemers die in buitendienst werken. Nu deze werknemers deze infrastructuur moeten missen, zijn ze aangewezen op betalende accommodatie die ze terugvinden langs de wegen, waarlangs ze onderweg zijn. Het is algemeen aanvaard dat personeel in buitendienst geconfronteerd wordt met uitgaven die eigen zijn aan het feit dat ze hun job overal te lande moeten uitoefenen. Geen redelijk mens betwist dit nog heden ten dage (cfr. de stukken 11 en 12 in het dossier van A.). Deze uitgaven worden wel degelijk veroorzaakt door de arbeid die ze leveren en ze zijn ten laste van de werkgever. Het Hof stelt vast dat buiten deze twee overwegingen, de R.S.Z. eigenlijk geen bewijs bijbrengt dat de dagvergoeding van 400 ex BEF die aan E. V. werd betaald, geen reële uitgaven dekte. Bovendien is de R.S.Z. inconsequent. Hoe legt hij immers uit dat een fractie van 180 ex BEF wél aanvaardbaar is als forfaitaire terugbetaling van kosten eigen aan de werkgever? De argumentatie die hij aanvoert om de vergoeding van 400 ex BEF aan te vechten, geldt toch even goed voor de fractie van 180 ex BEF. Waarom het ene niet en het andere wel? Aldus faalt de R.S.Z. in de op hem rustende bewijslast en is zijn vordering wat dit onderdeel betreft ongegrond. x x x Wat de maandvergoeding betreft: artikel 4 van de arbeidsovereenkomst, afgesloten tussen A. en E. V. voorziet dat forfaitair een maandvergoeding wordt betaald van 5.000 ex BEF "wegens bureelkosten - klantenbezoek" (de voorgelegde kopie is moeilijk leesbaar). In september 1994 werd dit bedrag van 5.000 ex BEF verhoogd naar 6.000 ex BEF wegens stijging van de energieprijs, de aanschaf van een microscoop en het duurder worden van cadeaus en wassen kledij, aldus de zaakvoerder van A. in een brief van 17 januari 1997 aan de inspectie. In de aangetekende brief van 1 maart 1999 van de zaakvoerder van A. aan de R.S.Z. wordt uitgelegd waar deze maandvergoeding van 5.000/6.000 ex BEF voor staat: "Aangezien de heer V. ... een technische functie heeft, moet hij regelmatig bij hem thuis, klein labo-onderzoek doen. Vandaar zijn aanschaf van een microscoop voor een bedrag van 45.000 ex BEF af te schrijven over 5 jaar. Tevens heeft hij bij hem thuis een frigo nodig voor het stockeren van vaccins welke aan de kippen moeten gegeven worden, welke hem 12.000 Bf heeft gekost af te schrijven over 5 jaar. Die frigo verbruikt elektriciteit welke kan geschat worden op 4.000 BF/jaar. Aangezien hij ook thuis bureelwerk heeft, heeft hij zich een bureeltje aangeschaft voor een bedrag van 7.000 BF af te schrijven over 5 jaar. De verwarming van zijn bureel kost hem 5.000 Bf/jaar. De huur van zijn garage waar de frigo staat wordt geschat op 5.000 BF/jaar. Tevens moet hij zich overalls en laarzen aanschaffen voor het binnengaan van kippenstallen. Dit bedraagt 4.000 BF. Bovendien moeten deze gewassen worden wat 10.000 BF/jaar kost. Hij schaft zich 5.000 BF/jaar papierbenodigdheden aan. Aangezien hij reeds jarenlang ons cliënteel bezoekt, heeft hij een vriendenrelatie gecreëerd met hen. Bijgevolg geeft hij hun een cadeautje bij speciale gelegenheden, zoals geboortes en huwelijken. Dit zit gemiddeld per jaar op 10.000 BF. Aangezien zijn wagen er proper moet uitzien moet hij wekelijks naar de car-wash wat hem 325 BF x 48 weken = 15.600 BF kost." Op bladzijde 5 en 6 van haar beroepsconclusies van 31 maart 2003 rekent A. voor dat deze opgesomde kosten jaarlijks 71.400 ex BEF bedragen en dat de vergoeding die werd betaald 72.000 ex BEF was. De afronding is aanvaardbaar. Ten overvloede geeft A. aan dat de betaalde kilometervergoeding (welke niet in betwisting
  2. is)in feite ontoereikend was om de werkelijke autokosten te dekken. Het kleine saldo van de maandvergoeding kan daar alvast voor worden aangewend. Het minste dat hierbij kan gezegd worden, is dat A. in detail de uitgaven opsomt die E. V. met zijn forfaitaire maandvergoeding moet bestrijden. Hiermee voldoet A. ruimschoots aan het eerste onderdeel van de medewerking die van haar qua bewijs kan worden verwacht: verduidelijking en verheldering verschaffen over de uitgaven die met de forfaitaire vergoeding moeten worden bestreden. Het tweede onderdeel van deze medewerking slaat dan op het aannemelijk zijn van deze uitgaven. Het detail dat A. verstrekt over de uitgaven van E. V. is geloofwaardig. Het Hof is van oordeel dat deze uitgaven rechtstreeks verband houden met de specifieke functie die E. V. in het bedrijf van A. uitvoerde. De aard en het bedrag van de uitgaven zijn aannemelijk. In die omstandigheden ligt ook wat de forfaitaire maandvergoeding betreft de bal opnieuw in het kamp van de R.S.Z. Het komt de R.S.Z. toe het bewijs bij te brengen dat deze wel omschreven uitgaven in de werkelijkheid niet werden gedaan door E. V. en/of dat het bedrag van deze uitgaven, zoals opgegeven door A., niet overeenstemde. Welk bewijs brengt de R.S.Z. ter zake bij? Geen. De R.S.Z. houdt vol dat A. aan de hand van stavingstukken het bewijs moet bijbrengen van wat ze beweert. Bewijs van hem verlangen, komt neer op het opleggen van negatieve bewijsvoering, wat niet mogelijk is, aldus de R.S.Z. De R.S.Z. verliest hierbij uit het oog dat de terugbetaling forfaitair gebeurde. Zoals hogerop in dit arrest al werd vastgesteld aanvaardde de R.S.Z het forfaitair karakter van het vergoedingssysteem. Hiertoe was hij niet verplicht. Het is zijn keuze geweest. Deze keuze was geoorloofd want terugbetalen op forfaitaire basis is mogelijk. Het gevolg van een forfaitaire terugbetaling is wel dat de werkgever de uitgaven niet meer in detail moet staven, want dan verliest een forfaitaire terugbetaling elke zin. Het volstaat dat hij zicht verleent op deze uitgave (vereiste van transparantie) en dat hij de uitgave aannemelijk maakt. Slaagt hij daarin, wat in casu het geval is, dan komt het de R.S.Z. toe te bewijzen dat de terugbetaling geen uitgaven vergoedt, maar loon is. Van de R.S.Z. wordt er geen negatief bewijs verwacht. Hij kan met behulp van de inspectiediensten, die uitgebreide bevoegdheden hebben, een grondig onderzoek voeren niet alleen in de boeken van de werkgever maar ook bij de werknemer, desgevallend bij de werknemer thuis. Dergelijk onderzoek kan het vereiste bewijs opleveren. Als de R.S.Z. echter verkiest van dergelijk doorgedreven onderzoek niet te doen, dan is dit zijn keuze. Deze keuze blijft evenwel voor zijn rekening. Ook wat de forfaitaire maandvergoedingen betreft, die door A. aan E. V. zijn uitbetaald, brengt de R.S.Z. niet het vereiste bewijs bij dat het hier niet gaat om vergoedingen van uitgaven eigen aan de werkgever maar om loon. In die omstandigheden is de oorspronkelijke vordering van de R.S.Z. met betrekking tot dit onderdeel eveneens ongegrond. Het incidenteel beroep is integraal gegrond. De grond van het hoofdberoep Gelet op de beoordeling van het incidenteel beroep en het gegrond zijn ervan, is het hoofdberoep van de R.S.Z. logischerwijze ongegrond. De grond van de tegenvordering A. vordert van de R.S.Z. een provisioneel bedrag van 2.500 euro vermeerderd met de intresten wegens tergend en roekeloos procesgedrag. A. ergert zich enerzijds aan het feit dat de R.S.Z. meer dan twee jaar wachtte na het controlebezoek van de inspecteur om met zijn betwisting naar buiten te komen. Anderzijds verwijt A. aan de R.S.Z. dat hij, na eerst de indruk te hebben gegeven van te berusten in het tussenvonnis van 6 juni 2000, plots tóch hoger beroep instelt tegen dit vonnis. A. moet zich realiseren dat inzake R.S.Z.-bijdragen de inspectiediensten geen beslissingen kunnen nemen. Het is de R.S.Z. zelf die deze beslissingen neemt. Ingaan op suggesties van de inspectiediensten, gebeurt in principe op eigen risico. Heeft er een onderzoek door de inspectiediensten plaats gehad, dan hangt potentieel een vordering boven het hoofd van de werkgever die de inspectie onderging en dit zolang de verjaringstermijn loopt. Deze vordering moet komen van de R.S.Z. Van de werkgever die zich in die omstandigheden bevindt en die over zijn situatie zekerheid wenst, mag er worden verwacht dat hij minstens informeert naar de stand van zaken bij de diensten van de R.S.Z. In casu heeft de R.S.Z. de termijn tussen inspectie en beslissing niet zodanig ver laten uitlopen dat er sprake is van een fout. Wat het tergend en roekeloos hoger beroep betreft. Hogerop in dit arrest werd al geoordeeld dat berusting in een vonnis over een materie van openbare orde onmogelijk is. Met die wetenschap voor ogen had A. zich, wat de aanwending door de R.S.Z van rechtsmiddelen betreft, zekerheid kunnen verschaffen door het laten betekenen van de vonnissen waarin zijzelf wenste te berusten. De tegenvordering van A. is ongegrond. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Gehoord de heer ,J. DEKEERSMAEKER, Substituut-generaal, in zijn gelijkluidend mondelinge advies, gegeven ter openbare terechtzitting van 3 december 2004, waarover partijen verklaarden geen opmerkingen te hebben. Recht doende op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. Verklaart het incidenteel beroep ontvankelijk en gegrond. Bevestigt het tussenvonnis van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen van 6 juni 2000 enkel bij zoverre het de forfaitaire terugbetaling van uitgaven a rato van 400 ex BEF per gepresteerde dag aanzag als een kostenvergoeding ten laste van de werkgever in de zin van artikel 19, ,§2, 4° van het Koninklijk Besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de Wet van 27 juni 1969. Vernietigt dit vonnis voor het overige. Vernietigt het eindvonnis van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen van 19 december 2000. Opnieuw wijzende, verklaart de oorspronkelijke door de R.S.Z. ingestelde vorderingen (dagvaardingen van 19 april en 19 juli 1999) ontvankelijk doch ongegrond en wijst de R.S.Z. er van af. Legt de kosten van beide instanties, overeenkomstig artikel 1017, eerste lid van het Gerechtelijk Wetboek, ten laste van de R.S.Z. Vereffent de kosten aan de zijde van de x N.V. A. op 255,82 EUR rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg, 53,29 EUR aanvullende rechtsplegingsvergoeding en 279,62 EUR rechtsplegingsvergoeding beroep; x R.S.Z. op 91,82 EUR dagvaarding, 61,63 EUR dagvaarding, 255,82 EUR rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg, 53,29 EUR aanvullende rechtsplegingsvergoeding en 279,62 EUR rechtsplegingsvergoeding beroep. Aldus gewezen en uitgesproken door de vierde kamer van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, op de openbare terechtzitting van vier februari tweeduizend en vijf, waar aanwezig waren: de heer J. VERHAVERT, Raadsheer wnd. Voorzitter, de heer M. HAAN, Raadsheer in sociale zaken als werkgever, de heer O. MAGNUS, Raadsheer in sociale zaken als werknemer-arbeider, mevrouw L. VAN CALSTER, Griffier. PDF document ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20050204.19 Gerelateerde publicatie(
  3. s)citeert: ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20001127.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.