← België

ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20050204.20

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 04 februari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20050204.20 Rolnummer: 2004-0307 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2005-06-03 Raadplegingen: 280 - laatst gezien 2026-07-04 12:51 Fiches 1 - 2 De kwalificatie die de betrokken partijen aan hun samenwerking gaven, moet het voorwerp zijn van een overeenkomst tussen hen. De rechter kan geen andere kwalificatie in de plaats stellen van de door de partijen aangenomen kwalificatie, tenzij de elementen die aan zijn beoordeling worden voorgelegd de kwalificatie van de partijen uitsluiten. Er is sprake van een bewuste kwalificatie wanneer er werd overeenkomen om op de samenwerking niet de rechtsregels van het arbeidsrecht toe te passen, maar wel de regels van het gemeen recht. Deze keuze kan niet zomaar door de rechter worden opzij gezet. Ze heeft voor de partijen bindende kracht. Omdat deze keuze bovendien in een geschrift werd vastgelegd, geldt bovenop de bindende kracht tussen de partijen de bewijskracht van de geschreven akte. Het aanwenden van formules, zoals de UNIZO-formule en het afpunten van een aantal criteria die wijzen hetzij op zelfstandigheid, hetzij op werkgeversgezag, is niet relevant. De rechter moet immers op het werkveld niet meer alle concrete elementen verzamelen en deze dan uitsorteren deels naar een zelfstandig statuut, deels naar een werknemersstatuut toe en dan uitmaken welk statuut het sterkst wordt ondersteund, maar hij moet vertrekken van de kwalificatie die de partijen aan hun samenwerking hebben gegeven, oordelen hoe sterk deze kwalificatie is en in functie daarvan uitmaken of er op het werkveld elementen kunnen worden aangetroffen die deze kwalificatie uitsluiten. Vrije woorden: DE ARBEIDSOVEREENKOMSTEN maatschappelijke zekerheid der arbeiders - toepassingsgebied - schijnzelfstandigheid - ronddrager- bewuste kwalificatie van partijen - schriftelijke overeenkomst - bindende kracht van de geschreven akte - beoordeling vanuit de concrete werkomstandigheden - aanwending van formules, zoals de UNIZO-formule. Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 2 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID VOOR WERKNEMERS toepassingsgebied - personen - maatschappelijke zekerheid der arbeiders - schijnzelfstandigheid - ronddragerbewuste kwalificatie van partijen - schriftelijke overeenkomst - bindende kracht van de geschreven akte - beoordeling vanuit de concrete werkomstandigheden - aanwending van formules, zoals de UNIZO-formule. Wettelijke bepalingen: Wet - 27-06-1969 - 1§1 - 04 ELI link Pub nr 1969062710 Nota: Gerangschikt onder II AAN - artikel 2 en onder VII A - artikel 1 ,§

  1. Tekst van de beslissing A.R. Nr. 2040307 OPENBARE TERECHTZITTING VAN VIER FEBRUARI TWEEDUIZEND EN VIJF In de zaak: DE C.V.P., met zetel gevestigd te A, appellante, voor wie verschijnt: mr. L. V., advocaat te A. en mr. C. C., advocaat te A., tegen : RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, met zetel gevestigd te 1060 BRUSSEL, Victor Hortaplein 11, geïntimeerde, voor wie verschijnt: mr. G. L, advocaat te A. Na over de zaak te hebben beraadslaagd, wijst het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, het hiernavolgende arrest. Gelet op de zittingsbladen van 5 mei 2004, 19 november 2004 en van 17 december 2004; Gelet op de stukken van de rechtspleging, waaronder: x het voor eensluidend verklaarde afschrift van het vonnis van 19 januari 2004, op tegenspraak gewezen door de Arbeidsrechtbank te Antwerpen. (A.R. 350.996) x het verzoekschrift in hoger beroep, neergelegd ter griffie van dit Hof op 9 april 2004 en ter kennis gebracht overeenkomstig artikel 1056 van het Gerechtelijk Wetboek op 13 april 2004; x het verzoekschrift in toepassing van artikel 747, ,§2 van het Gerechtelijk Wetboek van Mr. L. V., ontvangen ter griffie van dit Hof op 15 juni 2004; x de conclusies voor de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, ontvangen ter griffie van dit Hof op 21 juni 2004; x de beschikking van J. Verhavert, raadsheer en voorzitter van de kamer, in toepassing van artikel 747, ,§2 van het Gerechtelijk Wetboek van 29 juli 2004; x de antwoordconclusies voor P.C.V., neergelegd ter griffie van het Hof op 27 augustus 2004; x de aanvullende en tevens hernemende conclusies voor de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, neergelegd ter griffie van het Hof op 30 september 2004; x de syntheseconclusies voor P.C.V., neergelegd ter griffie van dit Hof op 15 oktober 2004; x het schriftelijk advies van het Openbaar Ministerie gelezen en neergelegd ter openbare terechtzitting van 17 december 2004; x de kennisgeving van het schriftelijk advies aan partijen in toepassing van artikel 767, ,§3, eerste lid van het Gerechtelijk Wetboek op 20 december 2004; x de conclusies na schriftelijk advies voor appellante, neergelegd ter griffie van het Hof op 30 december
  2. Gelet op de stukken van het administratief dossier. Gelet op de stukken in het naar behoren geïnventariseerde dossier van partijen. Gehoord de partijen in de voordracht van hun conclusies en verweermiddelen tijdens de openbare terechtzitting van 19 november
  3. Gehoord de lezing van het schriftelijke advies op de openbare terechtzitting van 17 december
  4. De ontvankelijkheid. Het hoger beroep is naar termijn en vorm regelmatig ingesteld en de ontvankelijkheid ervan wordt niet betwist. Het hoger beroep is dan ook ontvankelijk. Feiten en wat voorafgaat. Appellante licht in haar conclusies de feitelijke elementen toe als volgt : P.C.V. is de uitgever van de Gouden Gids, de Gouden Faxgids, de Witte Gids en de Lokale Gids. Zij staat ook in voor de distributie van het 'Medisch Compendium'. Deze gidsen worden jaarlijks, na publicatie van elk boekdeel, sector per sector binnen een bepaalde termijn (één tot zes weken tijd) aan de abonnees bedeeld. Er worden jaarlijks in heel België van de Gouden Gids en van de Witte Gids ongeveer vier miljoen exemplaren en van de Lokale Gids ongeveer twee miljoen exemplaren bedeeld. P.C.V. doet voor de levering van deze telefoon- en faxgidsen een beroep op ongeveer 1.100 zelfstandige ronddragers per jaar. In de praktijk blijkt het hierbij te gaan zowel om natuurlijke personen, handelend in eigen naam of voor rekening van een vereniging, als om rechtspersonen. Zo zijn er onder andere wieler- en andere sportverenigingen, jeugdbewegingen enz., die jaarlijks aan de distributie deelnemen. Deze ronddragers worden aangetrokken via advertenties in regionale kranten. Deze advertenties zijn zo opgesteld dat het voor de belangstellende volstaat om de advertentie in te vullen en terug te sturen naar P.C.V.. De belangstellenden kunnen de sector van hun voorkeur aangeven. Daarnaast schrijft P.C.V. automatisch, ongeveer twee maanden vóór de start van de distributie, de ronddragers die het voorgaande jaar actief waren, aan met de vraag of zij nog geïnteresseerd zijn om opnieuw aan de distributie deel te nemen. Bij dit verzoek is een antwoordformulier gevoegd dat ingeval van belangstelling kan ingevuld en teruggestuurd worden. Voor de bedeling zelf huurt P.C.V. een 35-tal depots, verspreid over geheel België, waarin de te bedelen gidsen sector per sector worden opgevangen. De ronddragers voor de Gouden Gids kunnen zich enkele dagen vóór de distributie, op een dag naar keuze, tot de depotverantwoordelijke wenden voor de definitieve reservatie van de sectoren. De ronddragers kunnen steeds een vooropgestelde sector weigeren. Een sector bestaat uit een aantal wijken binnen een bepaalde postcode of een aantal adressen verspreid over een aantal postcodes ingeval van lagere bevolkingsdichtheid. Op dat moment worden ook de werkingscontracten opgesteld. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen contracten voor niet-BTW-belastingplichtigen en contracten voor BTW-belastingplichtigen. Dit onderscheid is louter ingegeven door de BTW-reglementering. De inhoud van deze contracten is voor het overige identiek. In deze contracten wordt de afgesproken prijs ingevuld die zal worden betaald voor de bedeling van het aantal gidsen, alsook de datum waartegen de distributie moet afgewerkt zijn. De ronddragers kunnen gedurende de hele periode van de distributie de gidsen tijdens de openingsuren van het depot aldaar komen ophalen. Sommige ronddragers komen de gidsen in verschillende keren ophalen; anderen halen het aantal te bedelen gidsen in één lading op en slaan ze thuis op. Nog anderen vragen om de gidsen thuis of in een magazijn dat zij hiervoor gehuurd hebben, af te leveren. Buiten dit laatste geval, betaalt P.C.V. aan de ronddragers een kilometervergoeding voor het traject tussen het depot en de sector waar de gidsen zullen verdeeld worden. De keuze hiervoor ligt exclusief bij de ronddragers zelf. De meeste ronddragers maken voor de distributie gebruik van hun eigen wagen. Voor ronddragers die grote hoeveelheden te bedelen hebben, kan door P.C.V. eventueel een bestelwagen ter beschikking worden gesteld. Hiervoor wordt dan een afzonderlijk contract opgesteld waarin uitdrukkelijk bepaald wordt dat de bestelwagen enkel voor de distributie van de gidsen mag worden gebruikt. Van de ronddragers wordt niet verwacht dat ze bepaalde uren presteren; er wordt enkel verwacht dat ze de distributie afwerken binnen de vooropgestelde periode. Deze periode bedraagt doorgaans drie tot zes weken, daar waar de ronddrager voor de distributie van één sector slechts enkele uren of dagen nodig heeft. De ronddrager is volledig vrij om te bepalen hoe hij zijn tijd verdeelt en op welk tempo hij de gidsen distribueert (bijvoorbeeld alles op één of twee dagen of elke dag een aantal). Van de ronddragers wordt enkel gevraagd dat ze bepaalde richtlijnen van organisatorische aard respecteren zoals bijvoorbeeld geen gidsen bedelen tussen 20 uur en 8 uur (dit uit respect voor de openbare rust en orde omdat men wil vermijden dat mensen tijdens deze uren worden lastig gevallen.) Het is in de praktijk zo dat de ronddragers zich voor de distributie laten bijstaan en/of vervangen. P.C.V. heeft hiertegen de facto geen enkel bezwaar. Trouwens, in het geval van samenwerking met verenigingen is het juist de bedoeling dat de bedeling gebeurt door een niet met namen genoemde groep van personen. De eindverantwoordelijkheid ligt evenwel bij diegene die het aannemingscontract heeft ondertekend. P.C.V. controleert de ronddragers niet tijdens de distributie. Het enige wat P.C.V. doet, is een steekproefsgewijze resultaatscontrole. Deze bestaat hier in dat een aantal abonnees (1 à 2%) uit de sector wordt opgebeld met de vraag of zij de gids al dan niet ontvangen hebben. Wanneer blijkt dat dit niet het geval is, dient de ronddrager de gids alsnog te gaan afleveren. Wanneer alle gidsen zijn bedeeld in de sectoren die op het contract vermeld staan, kan door de depotverantwoordelijke met de ronddragers (her)onderhandeld worden over de prijs. Daarbij wordt uitgegaan van de prijs die initieel werd afgesproken, maar zo de distributie door omstandigheden bemoeilijkt werd of zo er door omstandigheden bijkomende kosten moesten worden gemaakt, kan de prijs op verzoek van de bedeler worden aangepast. Er wordt ook een overeenkomst gemaakt over de te vergoeden verplaatsingskosten. De natuurlijke personen, ronddragers, treden zowel ten aanzien van P.C.V. als ten aanzien van derden als zelfstandigen op. Derhalve werden geen R.S.Z.-bijdragen in het kader van het statuut van werknemers afgehouden, noch betaald. P.C.V. werd in de periode 1996-1999 geconfronteerd met enkele controles van de inspectiediensten van de R.S.Z. De R.S.Z. meende uit dit onderzoek te kunnen afleiden dat de zelfstandige ronddragers - natuurlijke personen - schijnzelfstandigen waren. De R.S.Z. heeft op 6 juli 2001 zijn 'beslissing' aan P.C.V. formeel kenbaar gemaakt, namelijk "dat de ronddragers van telefoongidsen en faxboeken voor hun tewerkstelling (...) onderworpen dienen te worden aan het stelsel der sociale zekerheid voor werknemers" . Hierbij dient te worden opgemerkt dat de R.S.Z. zijn beslissing beperkte tot de natuurlijke personen en daarmee zelf de rechtspersonen alsook de socio-culturele en sportverenigingen uit zijn onderzoek sloot. De R.S.Z. heeft op 11 juli 2002 aan P.C.V. een eerste bericht van wijziging bezorgd met een verschuldigd bedrag van 3.147.161,85 EUR en dit voor de periode vanaf het tweede kwartaal 1996 en met het eerste kwartaal
  5. P.C.V. ontving op 14 oktober 2002 een rekeninguittreksel voor de bijdrageopslagen alsmede de verwijlintresten. Bij brief van 5 november 2002 werd het standpunt van de R.S.Z. door P.C.V. betwist en werden de bijdragebons teruggestuurd. Ondertussen ging de R.S.Z op 23 oktober 2002 over tot dagvaarding en vorderde hij de betaling van achterstallige sociale zekerheidsbijdragen, bijdrageopslagen en intresten tot en met 7 oktober 2002, te vermeerderen met verwijlintresten vanaf deze datum. Het bestreden vonnis. In het vonnis, gewezen door de vijfde kamer van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen op 19 januari 2004, werd de vordering van de R.S.Z. gegrond verklaard. De eerste rechter oordeelde namelijk dat uit de feitelijke vaststellingen duidelijk uit te maken is "dat de bedelers schijnzelfstandigen waren en dus in feite onderworpen dienen te worden aan het statuut van werknemers". P.C.V. werd aldus veroordeeld tot betaling van de som van 4.763.625,51 euro, vermeerderd met de verwijlintresten op het bedrag van 3.488.238,75 euro vanaf 7 oktober 2002 tot op de dag van de algehele betaling. Partijen verklaren op de terechtzitting dat het vonnis werd betekend op 8 april
  6. Eisen in hoger beroep. P.C.V. tekende beroep aan tegen dit vonnis a quo bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van dit Hof op 9 april
  7. Zij verzoekt het hoger beroep toelaatbaar en gegrond te verklaren, het vonnis a quo teniet te doen en opnieuw recht doende, de oorspronkelijke eis van de R.S.Z. als ongegrond af te wijzen en hem te veroordelen tot de kosten van de beide aanleggen. Bij conclusies, neergelegd ter griffie van dit Hof op 30 september 2004, vordert de R.S.Z. het hoger beroep af te wijzen als ongegrond. In Rechte. Een probleem van schijnzelfstandigheid, zoals het zich ook in deze zaak stelt, moet worden benaderd vanuit het volgende principe: "Wanneer uit de uitvoering van de overeenkomst blijkt dat partijen hun samenwerking op een zelfstandige basis hebben georganiseerd dan kan de rechter daar geen andere kwalificatie voor in de plaats stellen, wanneer de elementen die aan zijn beoordeling worden voorgelegd de door de partijen aangenomen kwalificatie niet uitsluiten". Dit principe wordt ook vooropgesteld door het Hof van Cassatie in zijn arresten o.a. van 23 december 2002, van 28 april 2003, van 3 mei en 6 december2004: (Cass., 23 december 2002 - rolnummer S.01.0169.F ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021223.15 - raadpleging via internet: www.cass.be > NL > Hof van Cassatie > arresten van het Hof > datum ingeven > lijst > nr. JC02CN6_1) (Cass., 28 april 2003 - rolnummer S.010.169.F - raadpleging via internet : www.cass.be > NL > Hof van Cassatie > arresten van het Hof > datum ingeven > lijst > nr. JC034S1_1) (Cass., 3 mei 2004 - rolnummer S.03.0108.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040503.23/1 - raadpleging via internet : www.cass.be > NL > Hof van Cassatie > arresten van het Hof > datum ingeven > lijst > nr. RC04534_1) en (Cass., 6 december 2004 - rolnummer S.04.0102.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041206.4 - raadpleging via internet : www.cass.be > NL > Hof van Cassatie > arresten van het Hof > datum ingeven > lijst > nr. RC04C62_1). Voor het Hof houdt deze recente cassatierechtspraak in dat er niet langer in het feitenmateriaal moet worden gezocht naar de bouwstenen die hetzij een zelfstandig statuut samenstellen, hetzij een werknemersstatuut. Men dient te vertrekken van de kwalificatie die de betrokken partijen aan hun samenwerking hebben gegeven en er dient te worden onderzocht of de feitelijke realiteit dit statuut niet tegenspreekt. Het Hof kan zich bij deze aanpak aansluiten omdat op die manier de vrijheid tot het sluiten van een overeenkomst, een belangrijk principe uit het verbintenissenrecht, wordt verzoend met het dwingend karakter van het arbeidsrecht. x x x Het eerste wat moet worden onderzocht is of uit de uitvoering van de overeenkomst blijkt dat P.C.V. en de ronddragers hun samenwerking op zelfstandige basis hebben georganiseerd. Eerste vraag hierbij: wat zijn deze partijen overeengekomen? Uit nazicht van de stukken blijkt dat tussen P.C.V. en de ronddragers telkens een contract van werkaanneming schriftelijk werd aangegaan (zie als voorbeelden: de stukken 3 en 7 van P.C.V.). Punt 1 van dit contract vermeldt uitdrukkelijk dat de prestaties door de ronddragers zullen worden geleverd "buiten elk dienstverband om". Uit de verklaringen van de ronddragers, die de R.S.Z. verzamelde, blijkt niet dat deze contracten hen door P.C.V. werden opgedrongen. Zij hebben deze uit vrije wil ondertekend. Uit deze verklaringen blijkt evenmin dat deze overeenkomsten niet of anders zouden zijn uitgevoerd dan wat er werd gestipuleerd. De uitvoering is dus conform aan de bedingen van de overeenkomst. Aldus is er sprake van een bewuste kwalificatie, dit wil zeggen dat er in casu werd overeengekomen om op de samenwerking niet de rechtsregels van het arbeidsrecht toe te passen, maar wel de regels van het gemeen recht. Deze keuze kan niet zomaar door de rechter worden opzij gezet. Ze heeft voor de partijen bindende kracht. Omdat deze keuze bovendien in een geschrift werd vastgelegd, geldt bovenop de bindende kracht tussen de partijen de bewijskracht van de geschreven akte (W. Van Eeckhoutte, 'Gezag' in de cassatierechtspraak in NJW nr. 95 van 12 januari 2005, blz. 8-9, nrs. 23 en 24) De betrokken partijen hebben zonder twijfel hun samenwerking gekwalificeerd als een samenwerking 'buiten elk dienstverband'om. Zij zijn uit vrije wil tot deze samenwerking toegetreden. In principe is er geen wettelijk bezwaar om een dergelijke samenwerking aan te gaan. x x x De R.S.Z. meent nu dat dit zelfstandige statuut in de dagelijkse realiteit van de samenwerking tussen P.C.V. en haar ronddragers niet overeind kan blijven en hij is van oordeel dat er voor deze ronddragers sprake is van prestaties als werknemer. In het licht van het hogerop geformuleerde uitgangspunt moet er thans worden onderzocht welke concrete elementen in de dagelijkse realiteit van deze samenwerking onverenigbaar zijn met deze kwalificatie van zelfstandige samenwerking. Deze elementen moeten eerst en vooral worden aangereikt én bewezen door de R.S.Z. op wie de bewijslast rust. Bovendien, enkel wanneer deze elementen bouwstenen zijn van een arbeidsovereenkomst en ze gewichtig genoeg zijn, kunnen ze het overeengekomen zelfstandige statuut opzij duwen. Ze moeten, zoals gezegd, terug te vinden zijn in de concrete en dagelijkse werkomstandigheden op het werkveld zelf. Immers artikel 1, ,§1 van de Wet van 27 juni 1969 tot herziening van de Besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders bepaalt: "Deze wet vindt toepassing op de werknemers en werkgevers die door een arbeidsovereenkomst zijn verbonden." Voor de definitie van het begrip 'arbeidsovereenkomst', gebruikt in artikel 1, ,§1 van de Wet van 27 juni 1969 dient verwezen te worden naar de artikelen 2 en 3 van de Wet van 3 juli 1978 (Wet op de Arbeidsovereenkomsten), waar dit begrip omschreven wordt als 'de overeenkomst waarbij een werknemer zich verbindt tegen loon, onder het gezag van een werkgever handarbeid of hoofdarbeid te verrichten.' De constitutieve elementen van een arbeidsovereenkomst zijn inderdaad de arbeid, het loon en het gezag of het ondergeschikt verband. Het zijn deze drie constitutieve elementen die noodzakelijk samen aanwezig moeten zijn in de relatie tussen de vermoedelijke werkgever en de werknemer. Meestal kunnen de elementen 'arbeid' en 'loon' gemakkelijk worden aangetroffen in de samenwerking tussen de betrokken partijen en draait de hele betwisting rond het element 'gezag van de werkgever'. Dat in de samenwerking tussen P.C.V. en haar ronddragers het element 'arbeid' aanwezig is, zou prima facie kunnen betwijfeld worden omdat het eenmalige prestaties betreft en er dus geen sprake is van regelmatige tewerkstelling maar anderzijds kunnen deze eenmalige prestaties worden ondergebracht onder de categorie 'opdracht tot een duidelijk omschreven werk'. Dergelijke opdracht voor een duidelijk omschreven werk kan onbetwistbaar worden gevat in een arbeidsovereenkomst. Aldus is het element 'arbeid' aanwezig in de samenwerking tussen P.C.V. en de ronddragers. Partijen betwisten dit overigens niet. Partijen betwisten evenmin dat het element 'loon' deel uitmaakte van voornoemde samenwerking. De prestaties werden aan P.C.V. gefactureerd, getuige daarvan o.a. de stukken 38, 39 en 40 van P.C.V.. Volgens het onderzoeksverslag ontvangen de bedelers van de gidsen in principe een bedrag van 245 ex BEF per uur, verhoogd met 40 ex BEF kilometervergoeding. Voor de verplaatsing van en naar het depot, waar de gidsen worden opgeslagen, wordt extra een bedrag van 8 ex BEF per km betaald. P.C.V. houdt daarbij voor dat deze bedragen golden als richtprijs, maar dat de mogelijkheid bestond de uiteindelijke beloning bij te sturen in onderling overleg, eens dat de prestaties waren geleverd. De R.S.Z. bewijst niet dat het anders was. Aldus was er tussen de betrokken partijen overeenstemming over de beloning. Blijft nog te onderzoeken of het derde element, namelijk het 'gezag' in deze samenwerking was terug te vinden. In de definitie van een arbeidsovereenkomst in de de artikelen 2 en 3 van de wet van 3 juli 1978 WAO wordt met 'gezag' het juridisch gezag bedoeld en niet het economisch gezag of de economische afhankelijkheid. Wat juridisch werkgeversgezag is, kan worden afgeleid uit de volgende, ietwat moeilijke maar correcte definitie van een arbeidsovereenkomst: "Het geviseerde maatschappelijk fenomeen dat door artikel 2 en 3 Arbeidsovereenkomstenwet geregeld wordt, betreft deze economische relaties waarbij een 'werknemer' in de 'onderneming van zijn werkgever' een taak op zich neemt en met daadwerkelijke arbeidskracht invult die vanuit organisatorisch standpunt intern georganiseerd wordt en een onmisbare schakel is binnen de aaneensluitende productieprocessen om samen het maatschappelijk doel van de onderneming te verwezenlijken en over welke taak de werkgever, vanuit zijn eigendomsrecht, beleidsrecht en binnen de grenzen van de contractueel verworven aanvaarding door de werknemer het recht heeft deze taakomschrijving concreet en normerend voor de werknemer in te vullen." Het juridisch gezag is dan precies deze mogelijkheid voor de werkgever om de arbeid van zijn werknemer aan te wenden ter realisatie van zijn economisch project en deze aanwending ook van de werknemer af te dwingen binnen de krijtlijnen van de wet en van het contract. x x x Welke zijn nu de elementen die de R.S.Z. in het kader van de op hem rustende bewijslast aanvoert om dit werkgeversgezag aan te tonen in de concrete uitvoering van de overeenkomst van werkaanneming? De R.S.Z. haalt deze elementen vooral uit 33 verhoren die werden afgenomen van zelfstandige ronddragers. Deze werden op hun beurt geselecteerd uit de samenvattende staten van de fiscale fiches 325.50, die P.C.V. opmaakte voor al de ronddragers. Er werd blijkbaar geen onderzoek gedaan op het werkveld zelf. P.C.V. vecht aan dat deze 33 verhoren wel voldoende representatief zijn om een bewijs te vormen voor de ongeveer 1100 bedelers die elk jaar de gidsen aan huis ging bezorgen. Het Hof merkt hierbij op dat de inspectiedienst op 29 maart 1996 een verhoor afnam van M.V., het hoofd van de distributieafdeling bij P.C.V. (map 1 in het bundel van de R.S.Z.). M.V. beschrijft de werkwijze die P.C.V. aanwendt om de gidsen bij de abonnees bedeeld te krijgen. Hij maakt daarbij geen onderscheid naargelang de persoon die deze gidsen bedeelt. Hij spreekt zich ook uit over de bedeling als een geheel. Aldus mag worden aangenomen dat de elementen die de R.S.Z. aanreikt en die terug te vinden zijn in de verklaring van M.V. als bewezen kunnen worden beschouwd. De R.S.Z. houdt voor dat de bedeling van gidsen geen job is die zich leent voor uitoefening onder een zelfstandig statuut. Het Hof acht deze voorafgaandelijke beschouwing enkel nuttig wanneer een bepaald element doet twijfelen. Wanneer een bepaalde job zich niet leent voor uitoefening onder een zelfstandig statuut kan een dergelijk element niet dienen om dit zelfstandig statuut te ondersteunen. Het is een feit dat de bedeling van de gidsen het voorwerp zou kunnen uitmaken van een arbeidsovereenkomst voor een welomschreven werk. De elementen. De R.S.Z. reikt de hiernavolgende elementen aan, die het bestaan van werkgeversgezag moeten aantonen: P.C.V. bepaalt de sectoren waarbinnen er moet worden geleverd. Dit wordt door P.C.V. betwist. In conclusies geeft P.C.V. aan dat de ronddragers zelf altijd de sectoren mogen opgeven waarin ze wensen te bedelen. Enkel wanneer een sector niet meer vrij is, zal P.C.V. een andere sector voorstellen, maar weigering is steeds mogelijk. P.C.V. verwijst terecht naar de verklaringen van L D R., H s, A A, L M, V C en andere om dit te ondersteunen. Uit de verklaring van M.V. kan niet worden afgeleid dat P.C.V. stringent de sectoren oplegt aan de bedelers zodanig dat zij terzake geen enkele keuzevrijheid hebben. M.V. zegt wel dat P.C.V. de sectoren afbakent. Bij deze afbakening hebben de bedelers blijkbaar geen inspraak, maar dit lijkt logisch. Indien P.C.V. bedelers zou aanwerven tout court en hen nadien sectoren zou opleggen zonder hun inspraak dan zou dit een element zijn van werkgeversgezag. Als de R.S.Z. dit soort aanwerving hier bedoelt, dan is deze niet bewezen. Het feit dat de bedelers blijkbaar wel inspraak hadden over de sector die zij voor hun rekening gingen nemen, wijst eerder op het ontbreken van werkgeversgezag. P.C.V. bepaalt de termijnen waarbinnen er moet worden geleverd. Iedereen is het er over eens dat P.C.V. de termijnen bepaalt waarbinnen de distributie moet voltooid zijn. Het is echter even duidelijk dat binnen deze periodes de bedelers vrij de concrete tijdstippen kunnen bepalen waarop zij effectief de gidsen zullen bedelen. Dit soort regeling is eerder kenmerkend voor een zelfstandige samenwerking dan voor een samenwerking in ondergeschikt verband. Bij een samenwerking in ondergeschikt verband immers zal de werkgever beslag leggen op het tijdsgebruik van de werknemer en dit tijdsgebruik normerend invullen en opleggen. Dat is hier niet het geval. Dat de bedelers de gidsen kunnen ronddragen op een door hen vrij gekozen tijdstip, wijst erop dat P.C.V. enkel in het resultaat van de bedeling is geïnteresseerd en zich helemaal niet bezig houdt met het optimaliseren van het tijdsgebruik van haar bedelers. Dat P.C.V. een periode afbakent, waarbinnen de gidsen moeten worden bedeeld, is een organisatorische noodzaak. P.C.V. komt daartoe vanuit een engagement naar haar abonnees en naar haar sponsors. P.C.V. bepaalt het volume en daardoor het inkomen van de bedelers. Uit de verklaringen die de R.S.Z. bijbrengt en uit de verklaring van M.V. kan niet met zekerheid worden afgeleid dat een bedeler slechts één sector mag bedienen en niet meer. Evenmin kan uit deze verklaringen met zekerheid worden afgeleid dat bepaalde bedelers die tijd over hadden geen bijkomende sector(en) kregen toegewezen door P.C.V.. Wat wel uit de verklaringen volgt, is dat men slechts kandidaat kan zijn voor een bepaalde sector die "bezet" wordt door iemand anders. Zolang deze laatste de sector blijft bedienen, is deze sector niet "vrij". Dit soort toestanden wordt natuurlijk teweeg gebracht door het feit dat P.C.V. blijft beroep doen op bedelers die voorheen voor haar werkte. Dat P.C.V. het grondgebeid opdeelt in een aantal sectoren en nadien deze sectoren toewijst aan haar bedelers wordt geïnspireerd door een wens naar efficiënte organisatie, niet door een behoefte aan werkgeversgezag. De bedelers worden vergoed met een uurloon en niet met een stukloon. Uit de verklaring van M.V. volgt dat de vergoeding van de ronddragers tot stand komt door een schatting die P.C.V. maakt van het aantal gidsen dat per uur idealiter kan bedeeld worden. P.C.V. moet worden gevolgd wanneer zij voorhoudt dat de bedelers met een forfait worden betaald. De concrete vergoeding staat in functie van het aantal gidsen dat werd bedeeld en niet in functie van de werkelijke tijd die een bedeler individueel nodig had om het pakket gidsen rond te dragen. Van een echt stukloon is eigenlijk ook geen sprake omdat er geen marge zit op het aantal stuks dat de bedeler moet ronddragen. Het is immers de bedoeling dat de bedeler alle gidsen aan huis bezorgt. De basis waarop de vergoeding wordt berekend is niet de werkelijk gepresteerde tijd en in die zin is er geen sprake van een uurloon. Het element beloning, zoals ze in casu werd betaald, is dan ook niet dienstig binnen de huidige beoordeling. Betalen via een forfait is niet kenmerkend voor een samenwerking in ondergeschikt verband. Aldus ondersteunt dit element dergelijke samenwerking niet. P.C.V. bepaalt de uren waarbinnen er kan worden bedeeld. Hiermee bedoelt de R.S.Z. dat P.C.V. verbod oplegde aan zijn bedelers om de gidsen 's nachts en in het weekend rond te dragen. Het is duidelijk dat dergelijke richtlijn niet voortkomt uit de wil van P.C.V. om haar bedelers enkel het pad op te sturen op de momenten die P.C.V. omwille van haar interne organisatiebehoeften zelf heeft bepaald. Deze richtlijn komt gewoon voort uit het respect voor de privacy en de nachtrust van de burgers, respect dat ook door de wet wordt opgelegd. Als de bedeling slechts overdag en buiten het weekend kan gebeuren, dan is dat geen gevolg van het werkgeversgezag dat P.C.V. over zijn bedelers uitoefent maar wel van een aan de relatie extern en vreemd element: respect voor de privacy. P.C.V. bepaalt wanneer de gidsen moeten worden opgehaald. Ook dat is een louter element van organisatie. Het bedelen van miljoenen gidsen is een omvangrijke operatie die moeilijk aan het toeval kan worden overgelaten. Het is normaal dat er afspraken worden gemaakt met de bedelers om de gidsen bij hen te krijgen. Het is een element dat een gevolg is van organisatorische vereisten maar in casu is het geen element dat werkgeversgezag bewijst. P.C.V. bepaalt de werkwijze, met name hoe er moet geleverd worden. Het klopt dat P.C.V. aan zijn bedelers bepaalde richtlijnen bezorgt, zelfs via videobeelden. De wijze waarop de richtlijnen worden gegeven, speelt echter geen rol. P.C.V. geeft terecht aan dat de R.S.Z. niet aantoont dat deze richtlijnen door haar dwingend werden opgelegd in het kader van haar interne organisatie. Het Hof is van oordeel dat het hier niet gaat om strenge instructies maar eerder om een handleiding die het bedelen van de gidsen kan vergemakkelijken. In casu is het geen bewijs van werkgeversgezag. P.C.V. controleert telefonisch of de leveringen correct verliepen. De controle gebeurde bij de abonnees en had tot doel na te gaan of de gids(en) was/waren afgeleverd. Dergelijke controle slaat duidelijk op het beoogde eindresultaat, namelijk de aflevering van gidsen, en niet op het tijdsgebruik, noch op de wijze van uitvoering door de verschillende bedelers. Het betrof een kwaliteitscontrole en dat soort controle kadert binnen de uitvoering van een resultaatsverbintenis. Kwaliteitscontrole is ook inherent aan een zelfstandige samenwerking en is helemaal niet karakteristiek voor het bestaan van werkgeversgezag. Het element 'controle' zoals het zich concreet op het werkveld voordeed was in casu geen bewijs van werkgeversgezag. Dat er dagelijkse controle zou zijn op de bedelers is niet bewezen. P.C.V. zorgt voor opleiding, werk- en promotiemateriaal. Het Hof vindt in de voorgelegde verklaringen geen sluitend bewijs dat de bedelers een verplichte opleiding moeten volgen bij P.C.V.. Evenmin vindt het Hof in deze verklaringen een dergelijke verplichting terug om buiten de gidsen bepaald ander materiaal te gebruiken of uit te delen. Sommigen gewagen van het gebruik van stofjassen of T-shirts en van het gebruik van promotiemateriaal, maar de voorgelegde stukken tonen niet aan dat dit algemeen werd opgelegd door P.C.V.. Dergelijk 'fragmentarisch' bewijselement volstaat dan ook niet om het bestaan van werkgeversgezag te bewijzen. P.C.V. legt bijkomende taken op zoals het controleren van de lijsten. Dit element illustreert wat er behoort tot de afgesproken taak. De aard van de taak op zich is geen bewijs al dan niet van werkgeversgezag. Zoals hogerop in dit arrest al werd aangegeven, leent de ene taak zich beter tot een zelfstandig statuut dan een andere, maar op zichzelf toont een welbepaalde taak niet aan dat de werkgever gezag uitoefende. Het element is niet dienstig. In bepaalde gevallen krijgen bedelers een bestelwagen ter beschikking. Ook dit element illustreert niet dat P.C.V. juridisch gezag uitoefende over haar bedelers. Omgekeerd, wanneer P.C.V. geen bestelwagen ter beschikking zou hebben gesteld van haar bedelers in een zware sector, dan zou dit element krachtig een statuut van zelfstandige hebben ondersteund. Het omgekeerde, de huidige situatie, is niet automatisch een ondersteuning van het werkgeversgezag. Uit de context maakt het Hof op dat het ter beschikking stellen van een bestelwagen gebeurde vooral vanuit economische overwegingen. Op die manier kon P.C.V. allicht een betere prijs afdwingen bij de verhuurmaatschappij en voor de bedelers maakt het in feite niet uit bij welke maatschappij er werd gehuurd. Als bewijs van werkgeversgezag is dit element niet voldoende. Het merendeel van de bedelers is formeel niet in orde als zelfstandige. Dat is een probleem van de bedelers, niet van P.C.V.. Nogmaals, het is niet omdat men geen zelfstandige is dat hierdoor het bestaan van werkgeversgezag is aangetoond. Het element is niet dienstig. Er worden geen facturen opgesteld. Dit element is niet bewezen. P.C.V. houdt terecht voor en illustreert dit aan de hand van stukken (opgesomd op blz. 34 van haar conclusies van 15 oktober 2004) dat er wel degelijk facturen werden opgemaakt door de bedelers. Bij ziekte moeten de bedelers verwittigen. De R.S.Z. toont aan de hand van de afgelegde verklaringen niet aan dat een verzuim van verwittiging ingeval van ziekte of andere omstandigheden die het ronddragen beletten, leidde tot sancties. E is duidelijk een verschil te maken tussen een verwittiging uit beleefdheid en een opgelegde verwittiging die als contractvoorwaarde geldt. De eerste vorm is evenzeer gebruikelijk in een zelfstandige samenwerking. Beleefdheid is immers ten allen tijde en in alle omstandigheden een goede reden om te verwittigen. Dergelijke verwittiging laat de opdrachtgever ook toe om bij te springen als de opdrachthouder er niet in slaagt het werk af te leveren dat was afgesproken. De tweede vorm is het inbouwen van een controlemiddel om na te gaan of de medewerker blijft functioneren zoals de opdrachtgever dit zich had voorgesteld. Het functioneren zelf is dan het belangrijkste, niet zozeer de vrucht van de arbeid. De R.S.Z. bewijst niet dat de tweede vorm van verwittigen in casu aan de orde was. Trouwens de afgelegde verklaringen zijn op dit punt niet eenduidig, wat op zich al een probleem is van bewijs. De overeenkomst is intuiti personae. Bedelers mogen zich niet laten vervangen. Dit element wordt door P.C.V. met klem tegengesproken. Op blz. 30 van haar conclusies van 15 oktober 2004 geeft P.C.V. zes voorbeelden, die zij uit de afgelegde verklaringen haalde, waarin er duidelijk sprake is van vervanging. Zoals gezegd, moet bij de beoordeling enkel rekening gehouden worden met de werkelijkheid in de concrete dagelijkse uitvoering van de samenwerking. Het feit dat bedelers zich de facto konden laten vervangen ontkracht het argument dat de samenwerking intuitu personae werd aangegaan. Het element is niet naar recht bewezen. De bedelers moeten verwittigen indien zij hun opdracht niet binnen de vooropgestelde tijd rond krijgen. Hier geldt dezelfde beoordeling als voor de verwittiging ingeval van ziekte. Er zij hiernaar verwezen. De bedelers zijn economisch van P.C.V. afhankelijk. Hogerop in dit arrest werd al aangegeven dat een bewijs van economische afhankelijkheid niet gelijk te stellen is met een bewijs van werkgeversgezag. Het juridisch werkgeversgezag werd hogerop omschreven. Een element dat verwijst naar economische afhankelijkheid is niet dienstig. Er is geen sprake van een resultaatsverbintenis, wel van een middelenverbintenis. Ze stellen enkel hun arbeidskracht ter beschikking. Was het aangegane engagement van de bedelers een middelenverbintenis geweest dan kwam het erop aan dat zij van P.C.V. de opdracht kregen om in een sector die P.C.V. voor hen uitkoos een wel bepaald pakket gidsen te bedelen, volgens een gedetailleerd uitgewerkte procedure en dito tijdsschema. Zij zouden per uur worden betaald in zoverre zij de afspraken nakwamen. Aan het eind van de rit zou worden nagegaan welke prestaties er nodig waren geweest om de opdracht tot een goed einde te brengen en deze prestaties zouden zijn vergoed. In casu doen zich meerdere verschillen voor met deze situatie: - de bedeler kan zijn sector(en) kiezen, - er wordt geen uitgewerkte bedelingsprocedure door P.C.V. opgelegd, - er wordt geen strikte timing door P.C.V. opgelegd, - de prestaties zelf worden niet vergoed, er wordt forfaitair betaald, ongeacht de werkelijk geleverde prestaties. Er is dus geen sprake van een middelenverbintenis als duidelijk bewijs dat de prestaties in ondergeschikt verband werden geleverd. Het is duidelijk dat de samenwerking enkel resultaatgericht was. De bedelers hebben geen specifieke vaardigheid, reputatie of beroepskennis. Dit element zegt louter iets over de persoonskenmerken van de bedelers. Opnieuw is dit een element dat de R.S.Z. gebruikt om het zelfstandige statuut aan te vechten. Immers een zelfstandige samenwerking wordt gekenmerkt door het beroep doen op "specialisten" of "vaklui", mensen die een bepaalde discipline onder de knie hebben. Het is echter een verkeerde redenering voor te houden dat van zodra dergelijke specifieke vaardigheden ontbreken, dit meteen het bewijs oplevert dat er sprake is van werkgeversgezag. Iets in de zin van: geen zelfstandige, dus werknemer. Van de R.S.Z. wordt niet gevraagd dat hij het bewijs levert dat de medewerkers geen zelfstandigen waren. Hij moet wél bewijzen dat deze medewerkers in ondergeschikt verband werkten. Door dit element aan te halen, levert de R.S.Z. dit bewijs niet. Dus is het element niet dienstig. De contracten zijn te nemen of te laten. Hiermee geeft de R.S.Z. aan dat er geen onderhandelingsruimte was tussen P.C.V. en de bedelers. De voorwaarden werden eenzijdig door P.C.V. bepaald. Ze waren te nemen of te laten. P.C.V. betwist dit en haalt aan dat er wél onderhandelingsruimte was over de sector bijvoorbeeld, over het aanwenden van een bestelwagen en na de uitvoering van de opdracht over de prijs. Het Hof is van oordeel dat de onderhandelingsruimte niet bijster groot was en dat de voorwaarden van P.C.V. in de samenwerking de doorslag gaven. Dit element ondersteunt inderdaad meer een samenwerking in ondergeschikt verband dan een zelfstandige samenwerking. Maar dit element alleen is niet krachtig genoeg om de overeengekomen kwalificatie tussen P.C.V. en haar bedelers opzij te drukken of uit te sluiten. Eén zwaluw maakt de lente niet. Er zijn immers in de samenwerking ook elementen terug te vinden die het zelfstandige statuut ondersteunen, zoals bijvoorbeeld het gegeven dat door P.C.V. een resultaatsverbintenis wordt beoogd. P.C.V. geeft ook terecht aan dat de bedeling niet alleen door natuurlijke personen gebeurde maar ook door rechtspersonen en verenigingen. Deze laatste categorieën kunnen onmogelijk in ondergeschikt verband werken. Dit gegeven ondersteunt het argument dat de bedeling best als een zelfstandige activiteit kon worden opgevat. De bedelers zetten geen eigen middelen in. Dit element illustreert de economische afhankelijkheid van de bedelers, maar het is geen bewijs dat er effectief werkgeversgezag werd uitgeoefend. Conclusie: De elementen die de R.S.Z. aanhaalt om het werkgeversgezag te bewijzen zijn ofwel niet dienstig als dusdanig of omdat ze wijzen op economische afhankelijkheid maar niet op juridisch gezag, ofwel onvoldoende sterk om de kwalificatie van zelfstandige samenwerking, die de betrokken partijen wilden, onderuit te halen. Het aanwenden van formules, zoals de UNIZO-formule en het afpunten van een aantal criteria die wijzen hetzij op zelfstandigheid, hetzij op werkgeversgezag, is in de huidige stand van de cassatierechtspraak niet relevant. De rechter moet immers op het werkveld niet meer alle concrete elementen verzamelen en deze dan uitsorteren deels naar een zelfstandig statuut, deels naar een werknemersstatuut toe en dan uitmaken welk statuut het sterkst wordt ondersteund, maar hij moet vertrekken van de kwalificatie die de partijen aan hun samenwerking hebben gegeven, oordelen hoe sterk deze kwalificatie is en in functie daarvan uitmaken of de R.S.Z. op het werkveld elementen kan aantreffen die deze kwalificatie uitsluiten. In casu is er sprake van een kwalificatie als zelfstandige en zijn er door de R.S.Z. onvoldoende krachtige elementen aangereikt die wijzen op werkgeversgezag en die de aangenomen kwalificatie uitsluiten. Eindconclusie. De R.S.Z. slaagt er niet in om naar recht het bestaan van werkgeversgezag te bewijzen. Van het bestaan van een arbeidsovereenkomst kan eerst sprake zijn als cumulatief de componenten arbeid, loon en gezag aanwezig zijn. Terzake is het element gezag niet bewezen, zodat de samenwerking tussen P.C.V. en haar ronddragers niet geherkwalificeerd kan worden als een arbeidsovereenkomst. De oorspronkelijke vordering van de R.S.Z. is ongegrond. Het hoger beroep van P.C.V. is gegrond. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Gehoord de heer J. DEKEERSMAEKER, Substituut-generaal, in de voorlezing van zijn gelijkluidend schriftelijke advies, gegeven ter openbare terechtzitting van 17 december
  8. Appellante repliceerde schriftelijk op het advies met conclusies neergelegd op de griffie van dit Hof op 30 december
  9. Recht doende op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond. Vernietigt het vonnis van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen van 19 januari
  10. Opnieuw wijzende, verklaart de oorspronkelijke vordering van de R.S.Z. ontvankelijk doch ongegrond en wijst hem er van af. Legt de kosten van beide instanties, overeenkomstig artikel 1017, eerste lid van het Gerechtelijk Wetboek, ten laste van de R.S.Z. Vereffent de kosten aan de zijde van P.C.V. op 205,26 euro rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg en 279,62 euro rechtplegingsvergoeding beroep en aan de zijde van de R.S.Z. op 146,51 euro kosten dagvaarding, 205,26 euro rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg en 279,62 euro rechtsplegingsvergoeding hoger beroep. Aldus gewezen en uitgesproken door de vierde kamer van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, op de openbare terechtzitting van vier februari tweeduizend en vijf, waar aanwezig waren: de heer J. VERHAVERT, Raadsheer wnd. Voorzitter, de heer C. SYSMANS, Raadsheer in sociale zaken als werkgever, de heer O. MAGNUS, Raadsheer in sociale zaken als werknemer-arbeider, mevrouw L. VAN CALSTER, Griffier. PDF document ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20050204.20 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021223.15 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040503.23 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041206.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.