id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 11 februari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20050211.1 Rolnummer: 2001-0081 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2005-03-10 Raadplegingen: 284 - laatst gezien 2026-07-04 21:30 Fiches 1 - 2 Het onderwerp van de vordering is hetgeen wordt gevraagd. De middelen van de vordering zijn de feitelijke elementen die aan de eis ten grondslag liggen. Zonder belangenschade kan er geen nietigverklaring zijn door de rechter. Wanneer uit de uitvoering van de overeenkomst blijkt dat partijen hun samenwerking op een zelfstandige basis hebben georganiseerd dan kan de rechter daar geen andere kwalificatie voor in de plaats stellen, wanneer de elementen die aan zijn beoordeling worden voorgelegd de door de partijen aangenomen kwalificatie niet uitsluiten. Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP-RECHT-WETGEVING . GERECHTELIJK WETBOEK Instelling van de vordering - exceptie obscuri libelli - vorm waarin de hoofdvordering wordt ingesteld - rechtsingang door dagvaarding - het onderwerp en de korte samenvatting van de middelen. Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 702,3° Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID VOOR WERKNEMERS . ALGEMENE REGELING Toepassingsgebied - personen - schijnzelfstandigheid. Wettelijke bepalingen: Wet - 27-06-1969 - 1,§1 Nota: Gerangschikt onder I A - artikel 702, 3° en onder VII A - artikel 1, ,§
- Tekst van de beslissing ARREST A.R. Nr. 2010081 OPENBARE TERECHTZITTING VAN ELF FEBRUARI TWEEDUIZEND EN VIJF In de zaak: B.V.B.A. A., met zetel gevestigd te R, appellante, voor wie verschijnt: mr. W. C., advocaat te G, tegen : RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, met zetel gevestigd te 1060 BRUSSEL, Victor Hortaplein 11, geïntimeerde, voor wie verschijnt: mr. M.C. R., advocaat te T. Na over de zaak te hebben beraadslaagd, wijst het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, het hiernavolgende arrest. Gelet op de zittingsbladen van 7 maart 2001, 4 december 2003, 10 december 2004 en van 24 december 2004; Gelet op de stukken van de rechtspleging, waaronder: x het voor eensluidend verklaarde afschrift van het vonnis van 26 oktober 2000, op tegenspraak gewezen door de Arbeidsrechtbank te Turnhout. (A.R. 66.403 - 67.405) x het verzoekschrift in hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit Hof op 31 januari 2001 en ter kennis gebracht overeenkomstig artikel 1056 van het Gerechtelijk Wetboek op 1 februari 2001; x de conclusies voor de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, ontvangen ter griffie van het Hof op 30 januari 2003; x de conclusies voor de B.V.B.A. A., neergelegd ter griffie van het Hof op 4 november 2003; x het schriftelijk advies van het Openbaar Ministerie gelezen en neergelegd ter openbare terechtzitting van 24 december 2004; x de kennisgeving van het schriftelijk advies aan partijen in toepassing van artikel 767, ,§3, eerste lid van het Gerechtelijk Wetboek op 27 december 2004; x de conclusies na schriftelijk advies voor appellant, ontvangen ter griffie van het Hof op 5 januari
- Gelet op de stukken van het administratief dossier. Gelet op de stukken in het naar behoren geïnventariseerde dossier van partijen. Gehoord de partijen in de voordracht van hun conclusies en verweermiddelen tijdens de openbare terechtzitting van 10 december
- De ontvankelijkheid. Het hoger beroep is naar termijn en vorm regelmatig ingesteld en de ontvankelijkheid ervan wordt niet betwist. Het hoger beroep is dan ook ontvankelijk. Feiten en wat voorafgaat. De B.V.B.A. A. baat een drukkerij uit, die hoofdzakelijk actief is als zeefdrukkerij en in textielbedrukking. De vennootschap werd op 3 oktober 1995 opgericht door M.A., M.v.d.B. en S.S.. Bij de oprichting verkreeg M.A. 724 aandelen, M.v.d.B. (die niet actief is in de firma) 1 aandeel en S.S. 25 aandelen. M.A. werd benoemd tot zaakvoerder. De aandelen die S.S. in zijn bezit kreeg, heeft hij niet moeten betalen, ze werden hem geschonken. Hiervoor werd geen notariële akte opgesteld. Bij zijn vertrek op 1 juli 1998 werden de aandelen terug overgenomen door M.A. voor 25.000 ex BEF. In hun brief van 26 juni 1998 liet het A.B.V.V. te Turnhout aan de Sociale Inspectie weten dat S.S. vanaf oktober 1996 op zelfstandige basis als werkende vennoot werkte voor de B.V.B.A. A.. Zijn statuut van zelfstandige wordt in deze brief in vraag gesteld. Hierop stelde de inspectie een onderzoek in bij de B.V.B.A. A.. S.S. kwam via een leraar van zijn school in contact met M.A. en haar vriend J.D.R., die volgens hem mee de B.V.B.A. A. leidt. Na een eerste contactname stelden ze aan S.S. voor om mee een B.V.B.A. op te richten en er als vennoot op zelfstandige basis te gaan werken. S.S. stemde hiermee in. Volgens hem werd er toen wel afgesproken dat hij, zodra dit financieel mogelijk was, zou ingeschreven worden als werknemer. Op 3 oktober 1995 werd dan de B.V.B.A. A. opgericht, waarbij S.S. optrad als medeoprichter. Zelf begon hij officieel pas een jaar later op 4 oktober 1996 voor de firma te werken. Hij sloot zich dan met ingang van 1 oktober 1996 als zelfstandige aan bij het sociaal verzekeringsfonds A.S.K.Z.. Vanaf dan begon hij doorlopend te werken in de drukkerij van de B.V.B.A. A.. S.S. verklaarde dat hij zich uitsluitend bezighield met uitvoerend werk in de drukkerij, meer bepaald het drukken van de voorbereiding tot de eindafwerking. Hiervoor had hij geen richtlijnen nodig, hij was degene met de technische kennis. Volgens hem heeft hij zich nooit ingelaten met administratieve, commerciële en financiële aangelegenheden. Deze zouden afgehandeld geweest zijn door M.A. en J.D.R.. Hij verklaarde normaal elke dag gewerkt te hebben van 8 uur tot 17 uur. Deze arbeidstijd zou vooropgesteld geweest zijn door J.D.R.. Regelmatig zou J.D.R. of M.A. gevraagd hebben om langer te werken. S.S. verklaarde dit altijd als een verplichting ervaren te hebben. S.S. beweert dat hij voor zijn prestaties steeds maandelijks een nettovergoeding van 30.000 ex BEF heeft ontvangen. Zijn sociale bijdragen als zelfstandige werden ten laste genomen door de B.V.B.A. Verder kreeg hij vanaf augustus 1997 een firmawagen ter beschikking, die hij ook voor privé-doeleinden mocht gebruiken zonder betaling van enige vergoeding. Op 23 juni 1998 meldde S.S. zich ziek. Na advies van zijn vakbond bracht hij toen een ziekenbriefje binnen. Op 1 juli 1998 diende hij dan per aangetekende brief zijn ontslag in. In de brief werd een opzeggingsperiode van twee weken voorzien, die echter niet werd uitgevoerd. Zijn laatste werkdag was dus 22 juni
- De Sociale Inspectie sloot zijn onderzoek af met een onderzoeksverslag 98/344/192 van 2 september
- Op 2 februari 1999 liet de R.S.Z. aan de B.V.B.A. A. weten dat hij van oordeel is dat S.S. voor zijn tewerkstelling diende onderworpen te worden aan het stelsel van de sociale zekerheid voor werknemers. Hij gaf aan? te zijn overgegaan tot ambtshalve aangifte voor de periode van 4 oktober 1996 tot 22 juni
- Op 25 maart 1999 liet de raadsman van de B.V.B.A. weten dat zijn cliënte niet akkoord gaat met de onderwerping. De R.S.Z. ging vervolgens tweemaal tot dagvaarding over: x éénmaal op 9 juli 1999 voor een bedrag van 16.636,01 EUR, vierde kwartaal 1996/1997/eerste en tweede kwartaal 1998; x éénmaal op 23 februari 2000 voor een bedrag van 2.811,43 EUR vakantiebijdragen 1997-
- Het bestreden vonnis. De eerste rechter voegde bij vonnis van 26 oktober 2000 de beide zaken samen en kende de vordering toe. Van het vonnis wordt geen akte van betekening voorgelegd. Eisen in hoger beroep. De B.V.B.A. A. tekende beroep aan tegen dit vonnis a quo bij verzoekschrift, ontvangen ter griffie van dit Hof op 31 januari
- Zij verzoekt het hoger beroep toelaatbaar en gegrond te verklaren, het vonnis a quo teniet te doen en opnieuw recht doende, de oorspronkelijke eis onontvankelijk minstens ongegrond te verklaren en de R.S.Z. te veroordelen tot de kosten van beide aanleggen. In ondergeschikte orde verzoekt de B.V.B.A. haar toe te laten om met getuigen het bewijs te leveren dat: x de heer S. aangesloten was bij een Verzekeringskas voor zelfstandigen (A.S.K.Z.) x de heer S. individuele verzekeringen afsloot tegen welbepaalde risico's, zo o.m. een ziekteverzekering tegen kleine risico's die door hem werd betaald; x de heer S. een zeer divers werk had met eigen verantwoordelijkheden en zeer uiteenlopende activiteiten o.m.: ontwerpen realiseren van teksten en logo's, beslissingen nemen omtrent de aankoop van machines, computers, programma's, contacten onderhouden met de cliënteel; x er geen vast omlijnd werk- en/of uurschema bestond. De heer S. bepaalde autonoom zijn vakantiedagen, zijn middagpauze, de aanvang en beëindiging van zijn dagtaak. De werkduur was weliswaar relationeel en stond in verhouding met het werkaanbod; x de heer S. werkte niet alleen op de maatschappelijke zetel van de B.V.B.A. A. (verder afgekort 'A.' genoemd), maar ook bij hem thuis alwaar hij met zijn eigen computer ontwerpen maakte. Trouwens, en in meer, de heer S. had een lichtreclame en een bord aan de gevel van zijn woning geplaatst, op eigen kosten, met de vermelding daarop "A. bvba"; x de heer S. geen loon genoot als tegenprestatie van arbeid. Aanvankelijk ontving de heer S. zelfs geen vergoeding. In meer ondergeschikte orde de B.V.B.A. akte te verlenen van haar voorbehoud om ten gronde, ook m.b.t. de omvang van de eis, nog nader te concluderen en te argumenteren van zodra desbetreffend stukken aan haar zouden worden overgemaakt. Minstens een passende onderzoeksmaatregel, zoals de aanstelling van een deskundige, te bevelen teneinde het Hof advies te geven betreffende de omvang en samenstelling van de vordering. Grieven: x oorspronkelijke vorderingen zijn obscuur gelibelleerd; x er was geen sprake van enig ondergeschikt verband; x in ondergeschikte orde worden de bedragen betwist; x nog meer in ondergeschikte orde worden de intresten betwist. Bij conclusies, ontvangen ter griffie van dit Hof op 30 januari 2003, vordert de R.S.Z. het hoger beroep af te wijzen als ongegrond en het vonnis a quo te bevestigen met veroordeling van A. tot de kosten.. In Rechte. De nietigheid van de dagvaardingen. A. werpt in hoofdorde de exceptio obscuri libelli op en houdt vol dat de beide oorspronkelijke dagvaardingen daarom nietig zijn. Zij komt uit deze dagvaardingen immers niet te weten waarom zij werd gedagvaard. A. wijst erop dat de oorspronkelijke dagvaardingen geen feiten, geen onderwerp en geen korte samenvatting van de middelen bevatten, wat artikel 702, 3° van het Gerechtelijk Wetboek nochtans voorschrijft. De rekeninguittreksels, die aan die dagvaardingen zijn gehecht bevatten enkel bedragen, zo vervolgt zij. De R.S.Z. geeft aan dat in de dagvaarding de rechtsregels waarop de vordering is gesteund niet hoeven te worden vermeld, enkel de feitelijke gegevens. Bovendien verwijst de dagvaarding naar het aangehechte rekeninguittreksel. Uit deze rekeninguittreksels blijkt voldoende de aard van de vordering. A. zou verder geen belangenschade hebben geleden gelet op het pertinent verweer dat ze terzake heeft gevoerd. Artikel 702, 3° van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de dagvaarding, op straffe van nietigheid, het onderwerp en de korte samenvatting van de middelen van de vordering bevat. Het onderwerp van de vordering is hetgeen gevraagd wordt (cfr. conclusie W. Ganshof van der Meersch bij Cass., 4 mei 1972, Pas. 1972, I, 815, noten 2,3,4 en 5). De middelen van de vordering zijn de feitelijke elementen die aan de eis ten grondslag liggen (Cass., 24 november 1978, Arr. Cass., 1978-79, 341, conclusie advocaat-generaal E. Krings.) Zij mogen in het kort worden opgegeven. De verplichting om in de dagvaarding het onderwerp en de middelen te vermelden, heeft in het bijzonder tot doel de rechten van verdediging te waarborgen. De verweerder moet immers aan de hand van de dagvaarding weten wat van hem wordt gevorderd en waarom zulks gebeurt (A. Fetweis, Manuel de procédure civile, Luik, 1987, nrs. 196 en 199). In de respectievelijke dagvaardingen van 9 juli 1999 en 23 februari 2000 worden het onderwerp en de middelen van de vordering weergegeven in één enkele standaardclausule, die luidt als volgt : "Aangezien gedaagde partij aan verzoeker verschuldigd blijft aan bijdragen, bijdrageopslagen en intresten, volgens het rekeninguittreksel waarvan hierbij afschrift wordt gegeven en afgesloten op datum van ... een bedrag van ... " Het onderwerp van de vordering is in deze clausule onvoldoende nauwkeurig omschreven omdat niet eens verduidelijkt wordt om welke soort bijdragen het gaat. Gelijkaardige dagvaardingen vermelden tenminste dat het gaat over bijdragen voor maatschappelijke zekerheid. In de dagvaardingen wordt telkens verder verwezen naar het rekeninguittreksel dat gehecht is aan de dagvaardingen. In casu mag worden aangenomen dat dit rekeninguittreksel een integrerend deel uitmaakt van de respectievelijke dagvaardingen en er één geheel mee uitmaakt. Immers de deurwaarder attesteert dat het rekeninguittreksel eensluidend is. Verder klopt de datum van het uittreksel met de datum, vermeld in de dagvaarding. Tenslotte stemmen ook de bedragen uit de dagvaarding en uit het rekeninguittreksel met elkaar overeen. Het rekeninguittreksel gaat uit van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid en maakt dus duidelijk uit dat het om bijdragen voor maatschappelijke zekerheid gaat. Verder bevat dit rekeninguittreksel een aantal details, die toelaten een beter zicht te krijgen op het totaalbedrag dat, zoals gezegd, wel in het exploot van dagvaarding zelf is vermeld. Bovendien wordt op de versozijde van het rekeninguittreksel tekst en uitleg gegeven bij de betekenis van deze details. De rekeninguittreksels zijn opgesteld op naam en adres van A.. Aldus lieten de rekeninguittreksels A. toe om zelfs in detail kennis te nemen van het onderwerp van de vorderingen van de R.S.Z. De dagvaardingsexploten an sich, vervolledigd met de aangehechte rekeninguittreksels, beantwoordden aldus aan het voorschrift van artikel 702, 3° van het Gerechtelijk Wetboek wat de opgave van het onderwerp betreft. De middelen of de feitelijke elementen, die aan de vordering ten grondslag liggen, zijn als dusdanig niet opgenomen in het exploot van dagvaarding zelf. Deze middelen of het waarom van de vordering zijn wél terug te vinden in de brief die de R.S.Z. aangetekend aan A. stuurde op 2 februari 1999 (zie administratief dossier). De exploten van dagvaarding, hogerop nader gespecificeerd, verwijzen echter niet naar deze brief. De rekeninguittreksels die aan deze exploten zijn gehecht, doen dit evenmin. Door het gebruik van verkeerde codes kunnen de rekeninguittreksels bovendien A. nog op het verkeerde been zetten. Bij gebrek aan dergelijke verwijzing, kan de brief van 2 februari 1999 niet beschouwd worden als een onderdeel van de dagvaardingsexploten stricto sensu. Nu deze dagvaardingsexploten met inbegrip van de rekeninguittreksels geen korte samenvatting van de middelen van de vordering bevatten, is er wat dit tweede aspect betreft, niet voldaan aan het voorschrift van artikel 702, 3° van het Gerechtelijk Wetboek. De sanctie op dit verzuim is de nietigheid. De nietigverklaring is evenwel alleen mogelijk indien diegene die de exceptie van nietigheid opwerpt, aantoont dat zijn/haar belangen werden geschaad (toepassing van artikel 861 van het Gerechtelijk Wetboek). In casu is het Hof van oordeel dat de belangen van A. niet werden geschaad. De belangenschade moet immers worden beoordeeld vanuit het perspectief van het waarborgen van de rechten van de verdediging. De aangetekende brief van 2 februari 1999, waarvan hogerop sprake is, heeft A. voldoende ingelicht over waarom de R.S.Z. meende gerechtigd te zijn op bijdragen en aankleven in het stelsel van de Sociale Zekerheid voor werknemers. Meer bepaald wordt in deze brief verwezen naar het verslag dat de Sociale Inspectie opmaakte naar aanleiding van een onderzoek uitgevoerd bij A.. Uit dit verslag wordt dan de conclusie getrokken dat de drie constitutieve elementen van een arbeidsovereenkomst aanwezig waren: loon, prestaties en gezag. Verder geeft de R.S.Z. aan dat hij is overgegaan tot ambtshalve aangifte van de prestaties voor de betrokken werknemer. Al de verdere stappen die de R.S.Z. vervolgens ondernam (het opmaken van de rekeninguittreksels en het uitbrengen van de dagvaardingen op basis van deze uittreksels) zijn een verdere "verwezenlijking" van zijn beslissing om S.S. te beschouwen als een werknemer zodat A. bijdrageplichtig zou worden in het stelsel van de Sociale Zekerheid voor werknemers. Vermits A. niet ontkent dat zij kennis nam van de inhoud van bedoelde brief van 2 februari 1999 (zij reageerde erop via haar raadsman - haar stuk 7), verkreeg zij hierdoor voldoende voorkennis over haar situatie die haar moest toelaten zich accuraat te verdedigen tegen de aanspraken van de R.S.Z., toen deze eenmaal een feit werden. De rechten van verdediging van A. werden aldus niet in gedrang gebracht. Het feit trouwens dat zij zich pertinent verdedigde op deze aanspraken van de R.S.Z. bewijst dit ten overvloede. Nu haar rechten van verdediging niet in gedrang werden gebracht, is evenmin een belangenschade van A. bewezen. Zonder deze belangenschade kan er geen nietigverklaring zijn door de rechter (toepassing van artikel 861 van het Gerechtelijk Wetboek). Aldus kan in casu het niet respecteren van artikel 702, 3° van het Gerechtelijk Wetboek niet leiden tot de nietigverklaring van de oorspronkelijke dagvaardingsexploten. De oorspronkelijke vorderingen van de R.S.Z. zijn dan ook ontvankelijk. x x x De grond van de zaak. Een probleem van schijnzelfstandigheid, zoals het zich ook in deze zaak stelt, moet worden benaderd vanuit het volgende principe: "Wanneer uit de uitvoering van de overeenkomst blijkt dat partijen hun samenwerking op een zelfstandige basis hebben georganiseerd dan kan de rechter daar geen andere kwalificatie voor in de plaats stellen, wanneer de elementen die aan zijn beoordeling worden voorgelegd de door de partijen aangenomen kwalificatie niet uitsluiten". Dit principe wordt ook vooropgesteld door het Hof van Cassatie in zijn arresten o.a. van 23 december 2002, van 28 april 2003, van 3 mei en van 6 december 2004: (Cass., 23 december 2002 - rolnummer S.01.0169.F ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021223.15 - raadpleging via internet: www.cass.be > NL > Hof van Cassatie > arresten van het Hof > datum ingeven > lijst > nr. JC02CN6_1) (Cass., 28 april 2003 - rolnummer S.010.169.F - raadpleging via internet : www.cass.be > NL > Hof van Cassatie > arresten van het Hof > datum ingeven > lijst > nr. JC034S1_1) (Cass., 3 mei 2004 - rolnummer S.03.0108.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040503.23/1 - raadpleging via internet : www.cass.be > NL > Hof van Cassatie > arresten van het Hof > datum ingeven > lijst > nr. RC04534_1) en (Cass., 6 december 2004 - rolnummer S.04.0102.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041206.4 - raadpleging via internet : www.cass.be > NL > Hof van Cassatie > arresten van het Hof > datum ingeven > lijst > nr. RC04C62_1). Voor het Hof houdt deze recente cassatierechtspraak in dat er niet langer in het feitenmateriaal moet worden gezocht naar de bouwstenen die hetzij een zelfstandig statuut samenstellen, hetzij een werknemersstatuut. Thans dient men te vertrekken van de kwalificatie die de betrokken partijen aan hun samenwerking hebben gegeven en dient er te worden onderzocht of de feitelijke realiteit dit statuut niet tegenspreekt. Het Hof kan zich bij deze aanpak aansluiten omdat op die manier de vrijheid tot het sluiten van een overeenkomst, een belangrijk principe uit het verbintenissenrecht, wordt verzoend met het dwingend karakter van het arbeidsrecht. x x x Het eerste wat moet worden onderzocht is of uit de uitvoering van de overeenkomst blijkt dat A. en S.S. hun samenwerking op zelfstandige basis hebben georganiseerd. M.A. verklaarde op 7 augustus 1998 aan de inspectie dat S.S. voor A. werkte als werkende vennoot op zelfstandige basis. S.S. geeft in zijn verklaring van 28 juli 1998 aan dezelfde inspectie toe dat de samenwerking begon op zelfstandige basis maar dat hem was beloofd dat hij op termijn als werknemer kon worden ingeschreven. Het feit dat dit er maar niet van kwam, was volgens hem medeoorzaak van de uiteindelijke breuk tussen hem en A.. Het Hof stelt vast dat S.S. mee verschijnt in de oprichtingsakte van de B.V.B.A. A. (stuk 1 van A.) als oprichter van de vennootschap. Hij bekomt 25 aandelen. Het eerste jaar is hij naar eigen zeggen maar sporadisch actief in de vennootschap. Deze activiteiten kunnen niet ondergebracht worden in een samenwerking in ondergeschikt verband. Over deze periode worden geen vorderingen ingesteld. Op 4 oktober 1996 is S.S. dan blijkbaar beginnen werken bij A.. Volgens M.A. deed hij dat als een echte werkende vennoot. Hij bekommerde zich om het productieproces en hij deed dit naar eigen goeddunken, nog steeds volgens M.A.. S.S. zelf verklaarde dat hij niets te zeggen had in de firma en dat van hem werd verwacht dat hij werkte van 8 uur tot 17 uur, wat hij als een verplichting ervaarde. Uit deze tegenstrijdige verklaringen is moeilijk af te leiden wat de betrokken partijen nu juist wilden omtrent de aard van hun samenwerking. Het komt het Hof voor dat zeker bij de start de samenwerking verliep onder het regime van werkende vennoot maar dat naargelang de tijd vorderde S.S. deze vorm van samenwerking minder en minder zag zitten. De facto werd de samenwerking steeds uitgevoerd op zelfstandige basis. Naar de kwalificatie toe moet er worden van uitgegaan dat de betrokken partijen bij de aanvang hun samenwerking beiden kwalificeerden als een zelfstandige samenwerking maar dat naar het einde van de samenwerking toe deze kwalificatie niet meer werd gedragen door S.S.. Uiteindelijk hebben de betrokken partijen hun kwalificatie van bij het begin niet echt veranderd. Derhalve moet er worden vertrokken van een kwalificatie als zelfstandige, kwalificatie die in het begin van de samenwerking sterker is dan op het einde. x x x De R.S.Z. meent nu dat dit zelfstandige statuut in de dagelijkse realiteit van de samenwerking niet overeind kan blijven en hij is van oordeel dat er voor S.S. sprake is van prestaties als werknemer. In het licht van het hogerop geformuleerde uitgangspunt moet er worden onderzocht welke concrete elementen in de dagelijkse realiteit van deze samenwerking dit statuut van zelfstandige aan het wankelen brengen. Deze elementen moeten eerst en vooral worden aangereikt én bewezen door de R.S.Z. op wie de bewijslast rust. Bovendien, enkel wanneer deze elementen bouwstenen zijn van een arbeidsovereenkomst en ze gewichtig genoeg zijn, kunnen ze het overeengekomen zelfstandige statuut opzij duwen. Ze moeten, zoals gezegd, terug te vinden zijn in de concrete en dagelijkse werkomstandigheden op het werkveld zelf. Immers artikel 1, ,§1 van de Wet van 27 juni 1969 tot herziening van de Besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders bepaalt: "Deze wet vindt toepassing op de werknemers en werkgevers die door een arbeidsovereenkomst zijn verbonden." Voor de definitie van het begrip 'arbeidsovereenkomst', gebruikt in artikel 1, ,§1 van de Wet van 27 juni 1969 dient verwezen te worden naar de artikelen 2 en 3 van de Wet van 3 juli 1978 (Wet op de Arbeidsovereenkomsten), waar dit begrip omschreven wordt als 'de overeenkomst waarbij een werknemer zich verbindt tegen loon, onder het gezag van een werkgever handarbeid of hoofdarbeid te verrichten.' De constitutieve elementen van een arbeidsovereenkomst zijn inderdaad de arbeid, het loon en het ondergeschikt verband. Het zijn deze drie constitutieve elementen die noodzakelijk samen aanwezig moeten zijn in de relatie tussen de vermoedelijke werkgever en de werknemer. Meestal kunnen de elementen 'arbeid' en 'loon' gemakkelijk worden aangetroffen in de samenwerking tussen de betrokken partijen en draait de hele betwisting rond het element 'gezag van de werkgever'. Ook in casu is dit het geval. De partijen betwisten niet dat S.S. in de periode waarop de vorderingen van de R.S.Z. slaan op regelmatige basis prestaties leverde voor A.. Zoals gezegd bekommerde hij zich over gans het productieproces, zeg maar de technische kant van de zaak. Ook het element 'loon' is gemakkelijk in deze samenwerking terug te vinden. S.S. werd betaald met een vaste vergoeding per maand (30.000 ex BEF ). M.A. vermeldt dat dit bedrag met hem werd overeengekomen. Blijft te onderzoeken of het derde element, namelijk het 'gezag' in deze samenwerking was terug te vinden. In de definitie van een arbeidsovereenkomst in de de artikelen 2 en 3 van de Wet van 3 juli 1978 WAO wordt met 'gezag' het juridisch gezag bedoeld en niet het economisch gezag of de economische afhankelijkheid. Wat het juridisch werkgeversgezag is, kan worden afgeleid uit de volgende, ietwat moeilijke maar correcte definitie van een arbeidsovereenkomst: "Het geviseerde maatschappelijk fenomeen dat door artikel 2 en 3 Arbeidsovereenkomstenwet geregeld wordt, betreft deze economische relaties waarbij een 'werknemer' in de 'onderneming van zijn werkgever' een taak op zich neemt en met daadwerkelijke arbeidskracht invult die vanuit organisatorisch standpunt intern georganiseerd wordt en een onmisbare schakel is binnen de aaneensluitende productieprocessen om samen het maatschappelijk doel van de onderneming te verwezenlijken en over welke taak de werkgever, vanuit zijn eigendomsrecht, beleidsrecht en binnen de grenzen van de contractueel verworven aanvaarding door de werknemer het recht heeft deze taakomschrijving concreet en normerend voor de werknemer in te vullen." Het juridisch gezag is dan precies deze mogelijkheid voor de werkgever om te bepalen welke taken de werknemer moet uitvoeren en hoe, waar en wanneer hij die moet uitvoeren. De band van ondergeschiktheid laat daardoor aan de werkgever toe de werknemer om het even welke arbeid te doen uitvoeren, in de sfeer van zijn beroepsbekwaamheid, op de door hem bepaalde wijze en tijd. (C. Engels, De managementvennootschap en het sociaal recht, Oriëntatie 1995, 202-203) x x x Welke zijn nu de elementen die de R.S.Z. in het kader van de op hem rustende bewijslast aanvoert om dit werkgeversgezag aan te tonen in de concrete uitvoering van de overeenkomst? De R.S.Z. haalt deze elementen uit de verklaring van M.A. en S.S.. Hij kon ook moeilijk anders omdat het onderzoek werd gevoerd op een ogenblik dat de samenwerking tussen S.S. en A. reeds een einde had genomen. Het Hof treedt het Openbaar Ministerie bij wanneer het aangeeft dat de verklaring van S.S. met de nodige omzichtigheid moet worden gehanteerd. Tenslotte werd in dit dossier de bal aan het rollen gebracht door een klacht van de vakbond van S.S. bij de inspectiediensten. In deze context was men er zich van bewust wat valabel was in een verklaring en wat niet dienstig was. In die zin is de verklaring van S.S. niet spontaan. In het onderzoeksverslag dat aan de basis lag van de beslissing van de R.S.Z. kiest de inspecteur niet resoluut voor het werknemersstatuut. Hij merkt op dat de verklaringen van M.A. en S.S. elkaar tegenspreken op het vlak van de beslissingsmacht van S.S.. Verder wijst hij wel op een aantal elementen die volgens hem wijzen op het bestaan van een ondergeschikt verband: beperkt aandelenbezit - te jong en onervaren - geen tussenkomst in administratie en financiën - geen volmacht op de rekening en nooit borg gestaan. De inspecteur laat de beslissing over aan de binnendiensten wat erop wijst dat hij twijfelt. In conclusies brengt de R.S.Z. nog de volgende elementen bij: - betaling met vaste vergoeding, - hij werkte vaste uren van 8 uur tot 17 uur, - hij hield zich enkel met het drukken bezig, - hij beschikte gratis over een firmawagen. Beperkt aandelenbezit. Het gegeven van al dan niet aandelen te bezitten is niet dienstig om uit te maken of de opdrachtgever de prestaties van zijn medewerker daadwerkelijk aanstuurde vanuit zijn economisch project. Het is wel een contextelement. Van wie maar een symbolisch aantal aandelen heeft, wordt niet verondersteld dat hij een echte ondernemer is. In casu zou het Hof 25 aandelen niet zomaar symbolisch noemen. Het is natuurlijk geen aanzienlijk pakket maar het is toch meer dan het ene aandeel dat M.v.d.B. verwierf, over wie verder niets wordt vernomen. Op basis van 25 aandelen is het in principe mogelijk om als werkende vennoot aan de slag te gaan. Op zich is dit element niet bewijskrachtig genoeg om elke zelfstandige samenwerking uit te sluiten. Te jong en onervaren. Dat S.S. pas van school kwam en daarom te jong en onervaren was om als zelfstandige aan de slag te gaan, is vanzelfsprekend geen element van bewijs. Het is een opvatting, geen bewijs. Geen tussenkomst in administratie en financiën - geen volmacht op de rekening en nooit borg gestaan. Ook de aard van het werk is als dusdanig geen bewijselement van werkgeversgezag. Ook tussen vennoten kan een bepaalde afspraak worden gemaakt over de taakverdeling. Vennoot A kan verantwoordelijk zijn voor het atelier en vennoot B trekt zich de administratie en de financiële kant van de zaak aan. Het is een kwestie van afspraak. Dit betekent daarom niet dat vennoot B over vennoot A werkgeversgezag uitoefent. Als de R.S.Z. met dit element bedoelt dat S.S. louter uitvoerende taken voor zijn rekening nam en geen beslissingsrecht had in de vennootschap dan wordt dit tegengesproken door M.A. in haar verklaring: "Belangrijke beslissingen werden door ons beiden genomen." Aldus is er tegenspraak in de verklaringen en is dit element, in de interpretatie van gebrek aan beslissingsmacht, niet bewezen. Dit element is, al naargelang de interpretatie, hetzij niet bewezen, hetzij niet dienstig. Betaling met een vaste vergoeding. S.S. beweert dat hij altijd met dezelfde vaste maandvergoeding werd betaald (30.000 ex BEF). M.A. ontkent dit niet maar ze voegt er aan toe dat S.S. vanaf augustus 1997 de beschikking kreeg over een firmawagen. Het feit dat een vergoeding vast is en op een bepaald tijdstip wordt uitbetaald is een element dat wijst op ondergeschiktheid. Het verwijst immers naar het belonen van de arbeid als dusdanig niet op het belonen van de vrucht of het resultaat van de arbeid. Aldus verwijst dit element naar het bestaan van een middelenverbintenis en niet naar een resultaatsverbintenis. Een middelenverbintenis is eerder typisch voor werken in ondergeschikt verband. Anders zou de situatie zijn, mocht zijn aangetoond dat de vennoten onder elkaar zich hadden opgelegd om het vennootschapsvermogen niet meer te belasten dan met een vaste som per maand dit om de groei van het bedrijf niet te belemmeren. Maar een dergelijk bewijs ligt hier niet voor. Het element dat S.S. met een vaste maandvergoeding werd betaald, ondersteunt in casu het bestaan van werkgeversgezag. Hij werkte vaste uren van 8 uur tot 17 uur. M.A. ontkent echter dat S.S. vaste werkuren had: "S.S. heeft zich altijd bezig gehouden met het werk in de drukkerij, contacten met klanten, werk op de computer, eigenlijk dus alle werk dat er moest gebeuren. We zijn altijd samen overeengekomen wanneer hij kwam werken. Hij had geen vaste werkuren." De verklaringen van S.S. en M.A. spreken elkaar tegen op dit punt. Vermits de ene noch de andere verklaring door andere bewijselementen wordt ondersteund, is dit element niet naar recht bewezen. Hij hield zich enkel met het drukken bezig. Dit element werd hogerop reeds besproken en niet dienstig bevonden. Hij beschikte gratis over een firmawagen. Dit element kan thuishoren zowel in een zelfstandige samenwerking als in een samenwerking in ondergeschikt verband. Het is niet dienstig. Conclusie. Van alle door de R.S.Z. aangereikte elementen is er slechts één dat verwijst naar werkgeversgezag: het betalen met een vaste vergoeding. Dit element echter volstaat niet om de kwalificatie van zelfstandigheid die de betrokken partijen aan hun samenwerking gaven uit te sluiten. Het is immers duidelijk dat deze partijen hun samenwerking zijn gestart in een door hen opgerichte vennootschap als zelfstandige vennoten. Deze vorm van samenwerking is uiteindelijk blijven verder duren. Het is niet omdat S.S. gaandeweg voor zichzelf een andere samenwerkingsvorm verlangde dat deze vorm zich ook effectief realiseerde. Dat althans is niet voldoende naar recht aangetoond door de R.S.Z. Daarom is het bestaan van een arbeidsovereenkomst tussen A. en S.S. niet bewezen en zijn de oorspronkelijke vorderingen van de R.S.Z. ongegrond. Het hoger beroep is gegrond. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Gehoord de heer F. SLACHMUYLDERS, Substituut-generaal, in de voorlezing van zijn gelijkluidend schriftelijke advies, gegeven ter openbare terechtzitting van 24 december
- A. repliceerde met schriftelijke conclusies ontvangen ter griffie van dit Hof op 5 januari
- Recht doende op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond. Vernietigt het vonnis van de Arbeidsrechtbank te Turnhout van 26 oktober
- Opnieuw wijzende verklaart de oorspronkelijke vorderingen van de R.S.Z., ingesteld in de dagvaardingen respectievelijk van 9 juli 1999 en 23 februari 2000 ontvankelijk doch ongegrond. Legt de kosten van beide instanties, overeenkomstig artikel 1017, eerste lid van het Gerechtelijk Wetboek, ten laste van de R.S.Z. Vereffent de kosten aan de zijde van A. op 187,41 euro rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg, 53,29 euro uitgavenvergoeding en 279,62 euro rechtsplegingsvergoeding beroep en aan de zijde van de R.S.Z. op 98,86 euro dagvaarding, 75,11 euro dagvaarding, 187,41 euro rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg en 279,62 euro rechtsplegingsvergoeding beroep. Aldus gewezen en uitgesproken door de vierde kamer van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, op de openbare terechtzitting van elf februari tweeduizend en vijf, waar aanwezig waren: PDF document ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20050211.1 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021223.15 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040503.23 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041206.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div