id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 11 februari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20050211.3 Rolnummer: 2004-0079 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-03-17 Raadplegingen: 274 - laatst gezien 2026-07-03 12:36 Fiches 1 - 2 De mededeling door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid aan de werkgever gedaan inzake ambtshalve onderwerping aan de bijdrageregeling van de sociale zekerheid voor werknemers en al de andere in dat verband door diezelfde rijksdienst opgestelde documenten kunnen niet beschouwd worden als bestuurshandelingen in de zin van artikel 1 van de wet van 29 juli
- De in deze wet voorziene motiveringsplicht geldt bijgevolg niet voor deze documenten. Het probleem van schijnzelfstandigheid dient na de zogenaamde kwalificatiearresten van het Hof van Cassatie benaderd te worden vanuit de kwalificatie die de betrokken partijen aan hun samenwerking hebben gegeven, waarbij vervolgens onderzocht dient te worden of de feitelijke realiteit dit niet tegenspreekt. Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP-RECHT-WETGEVING . ADMINISTRATIEF RECHT Sociale zekerheid werknemers - bijdrageregeling - bericht van ambtshalve onderwerping - bestuurshandeling - motiveringsverplichting - toepassingsgebied - schijnzelfstandige - kwalificatiearresten. Wettelijke bepalingen: Wet - 29-07-1991 - 1 - 36 ELI link Pub nr 1991000416 Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID VOOR WERKNEMERS . ALGEMENE BEGINSELEN VAN DE SOCIALE ZEKERHEID bijdrageregeling - bericht van ambtshalve onderwerping - bestuurshandeling - motiveringsverplichting toepassingsgebied - schijnzelfstandige - kwalificatiearresten. Wettelijke bepalingen: Wet - 27-06-1969 - 1 - 04 ELI link Pub nr 1969062710 Nota: Gerangschikt onder I L - artikel 1 en onder VII A - artikel
- Annotaties Publicaties: JOURNAL DES TRIBUNAUX DU TRAVAIL - - 2005(00929,P.438-439) Tekst van de beslissing Eindarrest op tegenspraak Vierde kamer Sociale Zekerheid ARBEIDSHOF TE ANTWERPEN Afdeling Antwerpen ARREST A.R. Nr. 2040079 OPENBARE TERECHTZITTING VAN ELF FEBRUARI TWEEDUIZEND EN VIJF In de zaak: RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, met zetel gevestigd te 1060 BRUSSEL, Victor Hortaplein 11, appellante, voor wie verschijnt: mr. T. VANDENBORRE loco mr. W. BUTS, advocaat te 2260 OEVEL-WESTERLO, tegen : N.V. C.P., met zetel gevestigd te x, geïntimeerde, voor wie verschijnt: mr. K. LAMMERS loco mr. D. VAN BELLE, advocaat te 2000 ANTWERPEN. Na over de zaak te hebben beraadslaagd, wijst het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, het hiernavolgende arrest. Gelet op de zittingsbladen van 3 maart 2004 en van 14 januari 2005; Gelet op de stukken van de rechtspleging, waaronder: x het voor eensluidend verklaarde afschrift van het vonnis van 11 december 2003, op tegenspraak gewezen door de Arbeidsrechtbank te Turnhout; x het verzoekschrift in hoger beroep, neergelegd ter griffie van dit Hof op 2 februari 2004 en ter kennis gebracht overeenkomstig artikel 1056 van het Gerechtelijk Wetboek op 3 februari 2004; x het verzoekschrift van geïntimeerde ontvangen ter griffie van dit Hof op 17 mei 2004 in toepassing van artikel 747, ,§2 van het Ger.W.; x de beschikking van mevrouw B. HOMANS van 15 juni 2004 in toepassing van artikel 747, ,§2 van het Ger.W.; x de conclusies voor geïntimeerde, ontvangen ter griffie van het Hof op 1 september 2004; x de conclusies voor appellant, ontvangen ter griffie van het Hof op 3 november 2004; x de syntheseconclusies voor geïntimeerde, neergelegd ter griffie van dit Hof op 1 december
- Gelet op de stukken van het administratief dossier. Gelet op de stukken in het naar behoren geïnventariseerde dossier van partijen. Gehoord de partijen in de voordracht van hun conclusies en verweermiddelen tijdens de openbare terechtzitting van 14 januari
- Gehoord het mondelinge advies van het Openbaar Ministerie op de openbare terechtzitting van 14 januari
- De ontvankelijkheid. Het hoger beroep is naar termijn en vorm regelmatig ingesteld en de ontvankelijkheid ervan wordt niet betwist. Het hoger beroep is dan ook ontvankelijk. Feiten en wat voorafgaat. De N.V. C.P. baat twee krantenwinkels uit: één in de Carnotstraat in Antwerpen en de tweede in Herentals. De N.V. werd opgericht op 22 december 1992 tussen F.N. en zijn echtgenote H.B. Als stille vennoot werd blijkbaar R.F. aangetrokken. F.N. werkt voltijds als ingenieur bij Degussa. De winkel in de Carnotstraat was oorspronkelijk de enige winkel en hij werd uitgebaat door de echtgenote H.B. Vanaf 27 juli 1993 werd deze winkel echter beurtelings opengehouden door H.B. en D.M.. D.M. werd zonder geschreven overeenkomst geëngageerd als zelfstandig gerant. Na een paar maanden nam hij echter fulltime de uitbating van de krantenwinkel voor zijn rekening. De echtgenote is dan blijkbaar de winkel in Herentals gaan uitbaten. D.M. hield er op 30 juni 1995 op eigen initiatief mee op omdat hij de manier van samenwerken niet meer zag zitten. Vanaf 1 augustus 1995 werd dan C. of C.D.C. actief als zelfstandige gerant van de krantenwinkel. Voordien was deze verdeler van kranten voor de groep Vadi. Het is niet echt duidelijk op wiens initiatief de inspectie van de R.S.Z. in actie komt, maar op 1 augustus 1996, precies 1 jaar na het opstarten van de samenwerking tussen de N.V. C.P. en C.D.C., heeft er een inspectie plaats in de winkel in Antwerpen, die later wordt verdergezet in Herentals. In het kader van dit onderzoek worden zowel F.N. verhoord, als D.M. en C.D.C.. Op basis van de elementen die in dit onderzoek naar boven komen, laat de R.S.Z. op 20 mei 1998 aan de N.V. C.P. weten dat er geen aangifte werd gedaan van de beide, wat hij noemt werknemers, welke naar zijn oordeel onderworpen waren aan het algemeen stelsel van sociale zekerheid voor werknemers. De R.S.Z. kondigt aan te zullen overgaan tot regularisatie van de prestaties van de betrokkenen. Aldus worden door de R.S.Z. drie rekeninguittreksels opgemaakt:
- nr. 600, afgesloten op 2 oktober 1998 voor een bedrag van 785.009 ex BEF over het derde en vierde kwartaal 1993 en gans 1994;
- nr. 61, afgesloten op 10 september 1998 voor een bedrag van 1.286.293 ex BEF over 1995, 1996 en de drie eerste kwartalen van 1997;
- nr. 62, afgesloten op 13 april 2000 voor een bedrag van 342.031 ex BEF over het vierde kwartaal van 1997 en het eerste kwartaal van
- Er wordt briefwisseling gevoerd maar er komt blijkbaar geen vergelijk uit de bus. De R.S.Z. gaat een eerste maal tot dagvaarding over op 30 oktober 1998 op basis van het rekeninguittreksel nr. 600 van 2 oktober
- Hij gaat vervolgens een tweede maal tot dagvaarding over op 20 november 1998 op basis van het rekeninguittreksel nr. 61 van 10 september
- Wat het lot is van het derde rekeninguittreksel, is niet duidelijk. Het bestreden vonnis. De eerste rechter voegde de beide zaken bij vonnis van 11 december 2003 samen en wees de vorderingen van de R.S.Z. af omdat er geen gezagsverhouding tussen C.P. en de beide medewerkers werd aangetoond. Volgens de verklaring van de raadslieden op de terechtzitting werd dit vonnis niet betekend. Eisen in hoger beroep. De R.S.Z. tekende beroep aan tegen dit vonnis a quo bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van dit Hof op 2 februari
- Hij verzoekt het hoger beroep toelaatbaar en gegrond te verklaren, het vonnis a quo teniet te doen en opnieuw recht doende, de oorspronkelijke eis ontvankelijk en gegrond te verklaren en de N.V. C.P. te veroordelen tot de kosten van beide aanleggen. Hij meent dat er wel degelijk sprake is van werknemers. Bij conclusies, neergelegd ter griffie van dit Hof op 1 december 2004, vordert C.P. het hoger beroep af te wijzen als ongegrond en het vonnis a quo te bevestigen en in het kielzog hiervan de beslissing van de R.S.Z. van 20 mei 1998 te vernietigen evenals de daarop volgende berichten van wijziging. In ondergeschikte orde minstens de vordering af te wijzen die betrekking heeft op C.D.C. In Rechte. De ambtshalve onderwerping door de R.S.Z. werd door hem onvoldoende gemotiveerd. C.P. merkt op dat de beslissing van de R.S.Z. van 20 mei 1998 (haar stuk 5) niet voldoet aan de uitdrukkelijke en afdoende motiverings-verplichting, zoals deze werd ingevoerd door de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen. Immers in deze beslissing wordt er enkel in abstracto verwezen naar verschillende elementen uit het dossier die zouden aantonen dat D.M. en C.D.C. niet als zelfstandigen kunnen worden beschouwd, maar een concrete opsomming van deze elementen wordt er niet gegeven. Anderzijds bevatten de berichten van wijziging die naar C.P. werden opgestuurd geen verwijzing naar het verslag nr. 97/396/192 van 26 november
- Maar ook bij nalezing van dit verslag, zo vervolgt C.P., blijkt dat het enkel een beschrijving van de omstandigheden inhoudt zonder een oordeel in de ene of de andere zin uit te spreken. De motivering in feite én in rechte is nochtans verplicht in toepassing van de Wet van 29 juli 1991, betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen (artikelen 1, 2 en 3), zo besluit C.P.. Het Hof is het niet met C.P. eens wanneer deze voorhoudt dat de aangehaalde beslissing van de R.S.Z. van 20 mei 1998 tot onderwerping van C.P. aan het stelsel van de sociale zekerheid voor werknemers, een bestuurshandeling is in de zin van artikel 1 van voornoemde wet van 29 juli
- Immers niet elke administratieve handeling die door een bestuur wordt gesteld, is een rechtshandeling die in het kader van voornoemde wet uitdrukkelijk moet worden gemotiveerd. Het toepassingsgebied van de wet is beperkt tot de 'administratieve rechtshandelingen' in de traditionele betekenis, met name deze beslissingen van een of andere administratieve overheid die gezagshalve, zonder toestemming van de betrokkenen, rechten of verplichtingen scheppen en daarom eenzijdig verbindend en uitvoerbaar zijn en het 'privilège di préalable' genieten. (P.VAN ORSHOVEN, De uitdrukkelijke motivering van administratieve rechtshandelingen, R.W. 1991-1992, 489 - zie ook Gedr. St. Kamer, 1990-1991, nr. 1595-4, blz. 2 - Gedr. St. Senaat, B.Z. 1988, nr. 215-3, blz. 31) Het moet bijgevolg gaan om een beslissing die direct rechtsgevolgen teweegbrengt en een uitvoerbare kracht heeft, waarbij het bestuur zich kan beroepen op het voorrecht van de directe tenuitvoerlegging en zich niet eerst tot de rechter hoeft te wenden alvorens zijn beslissing te kunnen uitvoeren. (J. VANDE LANOTTE & C. CEREXHE, De motiveringsplicht van bestuurshandelingen, Die Keure 1992, blz. 23-24) Wanneer de administratie, zoals in casu, zich wel tot de rechter moet wenden, garandeert de gerechtelijke procedure in principe dat de beslissing die voor uitvoering vatbaar is, gemotiveerd is (artikel 149 G.W.). De brief van de R.S.Z. van 20 mei 1998 beantwoordt niet aan deze omschrijving van het begrip 'bestuurshandeling'. In deze brief liggen zeker geen van rechtswege uitvoerbare beslissingen vervat. Met deze brief had de R.S.Z. enkel de bedoeling aan C.P. te laten weten wat zijn standpunt was en kondigde hij aan tot regularisatie te zullen overgaan. De verzending van deze brief dient derhalve gezien te worden als een louter informatieve of voorbereidende handeling op de door de R.S.Z. voorgenomen gerechtelijke vervolging. Hetzelfde geldt voor de andere documenten die in verband met deze zaak uitgingen van de R.S.Z. Dergelijke handelingen kunnen niet worden beschouwd als bestuurshandelingen in de zin van artikel 1 van de wet van 29 juli
- (cfr. Cass., 25 april 1997, Arr. Cass. 1997, nr. 202 blz. 489 e.v. en Cass., 18 december 2000, Soc. Kron. 2001, 192) Er dient dan ook besloten te worden dat er geenszins aanleiding toe bestaat om wegens schending van de motiveringsplicht, voorzien in de wet van 29 juli 1991, welke beslissing dan ook te vernietigen. x x x Ten gronde: het statuut. Een probleem van schijnzelfstandigheid, zoals het zich ook in deze zaak stelt, moet worden benaderd vanuit het volgende principe: "Wanneer uit de uitvoering van de overeenkomst blijkt dat partijen hun samenwerking op een zelfstandige basis hebben georganiseerd dan kan de rechter daar geen andere kwalificatie voor in de plaats stellen, wanneer de elementen die aan zijn beoordeling worden voorgelegd de door de partijen aangenomen kwalificatie niet uitsluiten". Dit principe wordt ook vooropgesteld door het Hof van Cassatie in zijn arresten o.a. van 23 december 2002, van 28 april 2003, van 3 mei en 6 december 2004: (Cass., 23 december 2002 - rolnummer S.01.0169.F ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021223.15 - raadpleging via internet: www.cass.be > NL > Hof van Cassatie > arresten van het Hof > datum ingeven > lijst > nr. JC02CN6_1) (Cass., 28 april 2003 - rolnummer S.010.169.F - raadpleging via internet : www.cass.be > NL > Hof van Cassatie > arresten van het Hof > datum ingeven > lijst > nr. JC034S1_1) (Cass., 3 mei 2004 - rolnummer S.03.0108.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040503.23/1 - raadpleging via internet : www.cass.be > NL > Hof van Cassatie > arresten van het Hof > datum ingeven > lijst > nr. RC04534_1) en (Cass., 6 december 2004 - rolnummer S.04.0102.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041206.4 - raadpleging via internet : www.cass.be > NL > Hof van Cassatie > arresten van het Hof > datum ingeven > lijst > nr. RC04C62_1). Voor het Hof houdt deze recente cassatierechtspraak in dat er niet langer in het feitenmateriaal moet worden gezocht naar de bouwstenen die hetzij een zelfstandig statuut samenstellen, hetzij een werknemersstatuut. Men dient te vertrekken van de kwalificatie die de betrokken partijen aan hun samenwerking hebben gegeven en er dient te worden onderzocht of de feitelijke realiteit dit statuut niet tegenspreekt. Het Hof kan zich bij deze aanpak aansluiten omdat op die manier de vrijheid tot het sluiten van een overeenkomst, een belangrijk principe uit het verbintenissenrecht, wordt verzoend met het dwingend karakter van het arbeidsrecht. x x x Het eerste wat moet worden onderzocht is of uit de uitvoering van de overeenkomst blijkt dat C.P. en D.M. en C.D.C. hun samenwerking op zelfstandige basis hebben georganiseerd. Eerste vraag hierbij: wat zijn deze partijen overeengekomen? Er is geen schriftelijke overeenkomst opgemaakt tussen de betrokken partijen, waaruit zwart op wit de kwalificatie, die zij aan hun samenwerking gaven, zou kunnen blijken. Nu dergelijk geschrift niet voorhanden is, moet deze kwalificatie uit andere elementen van het dossier worden afgeleid. Vermits er geen andere bewijselementen worden bijgebracht dan de door de betrokken partijen afgelegde verklaringen, zoekt het Hof in deze verklaringen naar de elementen die verduidelijken welke kwalificatie deze partijen aan hun samenwerking gaven. D.M. verklaarde op 21 oktober 1997 aan de inspectie: "Hij deelde mij mee dat ik ...de dagbladhandel ...kon uitbaten. Dit moest dan wel op zelfstandige basis gebeuren, als werknemer kon het niet voor hem omdat hij altijd met zelfstandigen werkte. Ik ben hiermee akkoord gegaan en heb mij aangesloten bij het sociaal verzekeringsfonds ..." C.D.C. verklaarde op 1 augustus 1996: "Ik sta als zelfstandig gerant in de krantenwinkel in de Carnotstraat 13 te 2060 Antwerpen sinds 01/08/95." F.N. wijst er in zijn verklaring, afgelegd op 8 april 1997, op dat zowel D.M. als C.D.C. bestuurders waren bij C.P. en dat ze beiden de dagbladhandel in Antwerpen volledig zelfstandig uitbaatten. Uit deze drie verklaringen leidt het Hof af dat de betrokken partijen hun samenwerking kwalificeerden als een samenwerking onder zelfstandig statuut. x x x De R.S.Z. meent nu dat dit zelfstandige statuut in de dagelijkse realiteit van de samenwerking tussen C.P. en haar geranten M. en D.C. niet overeind kan blijven en hij is van oordeel dat er voor hen sprake is van prestaties als werknemer. In het licht van het hogerop geformuleerde uitgangspunt moet er thans worden onderzocht welke concrete elementen in de dagelijkse realiteit van deze samenwerking onverenigbaar zijn met deze kwalificatie van zelfstandige samenwerking. Deze elementen moeten eerst en vooral worden aangereikt én bewezen door de R.S.Z. op wie de bewijslast rust. Bovendien, enkel wanneer deze elementen bouwstenen zijn van een arbeidsovereenkomst en ze gewichtig genoeg zijn, kunnen ze het overeengekomen zelfstandige statuut opzij duwen. Ze moeten, zoals gezegd, terug te vinden zijn in de concrete en dagelijkse werkomstandigheden op het werkveld zelf. Immers artikel 1, ,§1 van de Wet van 27 juni 1969 tot herziening van de Besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders bepaalt: "Deze wet vindt toepassing op de werknemers en werkgevers die door een arbeidsovereenkomst zijn verbonden." Voor de definitie van het begrip 'arbeidsovereenkomst', gebruikt in artikel 1, ,§1 van de Wet van 27 juni 1969 dient verwezen te worden naar de artikelen 2 en 3 van de Wet van 3 juli 1978 (Wet op de Arbeidsovereenkomsten), waar dit begrip omschreven wordt als 'de overeenkomst waarbij een werknemer zich verbindt tegen loon, onder het gezag van een werkgever handarbeid of hoofdarbeid te verrichten.' De constitutieve elementen van een arbeidsovereenkomst zijn inderdaad de arbeid, het loon en het gezag of het ondergeschikt verband. Het zijn deze drie constitutieve elementen die noodzakelijk samen aanwezig moeten zijn in de relatie tussen de vermoedelijke werkgever en de werknemer. Meestal kunnen de elementen 'arbeid' en 'loon' gemakkelijk worden aangetroffen in de samenwerking tussen de betrokken partijen en draait de hele betwisting rond het element 'gezag van de werkgever'. Ook in deze zaak is dit het geval. Uit de dossiers blijkt ten overvloede dat zowel D.M. als C.D.C. 'arbeid' leverden voor C.P., met name het openhouden van de krantenwinkel aan de Carnotstraat in Antwerpen. Beiden werden voor deze prestaties ook beloond. Iedereen erkent dat deze beloning gebeurde in de vorm van commissies op de omzet. Individueel verschillen de verklaringen over het percentage dat werd betaald, maar over het principe, namelijk dat er werd betaald in de vorm van commissies, is iedereen het eens. Blijft nog te onderzoeken of het derde element, namelijk het 'gezag' in deze samenwerking was terug te vinden. In de definitie van een arbeidsovereenkomst in de de artikelen 2 en 3 van de Wet van 3 juli 1978 WAO wordt met 'gezag' het juridisch gezag bedoeld en niet het economisch gezag of de economische afhankelijkheid. Wat juridisch werkgeversgezag is, kan worden afgeleid uit de volgende, ietwat moeilijke maar correcte definitie van een arbeidsovereenkomst: "Het geviseerde maatschappelijk fenomeen dat door artikel 2 en 3 Arbeidsovereenkomstenwet geregeld wordt, betreft deze economische relaties waarbij een 'werknemer' in de 'onderneming van zijn werkgever' een taak op zich neemt en met daadwerkelijke arbeidskracht invult die vanuit organisatorisch standpunt intern georganiseerd wordt en een onmisbare schakel is binnen de aaneensluitende productieprocessen om samen het maatschappelijk doel van de onderneming te verwezenlijken en over welke taak de werkgever, vanuit zijn eigendomsrecht, beleidsrecht en binnen de grenzen van de contractueel verworven aanvaarding door de werknemer het recht heeft deze taakomschrijving concreet en normerend voor de werknemer in te vullen." Het juridisch gezag is dan precies deze mogelijkheid voor de werkgever om te bepalen welke taken de werknemer moet uitvoeren en hoe, waar en wanneer hij die moet uitvoeren. De band van ondergeschiktheid laat daardoor aan de werkgever toe de werknemer om het even welke arbeid te doen uitvoeren, in de sfeer van zijn beroepsbekwaamheid, op de door hem bepaalde wijze en tijd (C. Engels, De managementvennootschap en het sociaal recht, Oriëntatie 1995, 202-203). x x x Welke zijn nu de elementen die de R.S.Z. in het kader van de op hem rustende bewijslast aanvoert om dit werkgeversgezag aan te tonen in de concrete uitvoering van de overeenkomst van werkaanneming? C.P. acht het verwerpelijk dat de diensten van de R.S.Z. zouden ingaan op een "verklikking" door iemand die te kwader trouw is. Uit de aanhef van stuk 2 in het bundel van C.P. zou kunnen blijken dat het onderzoek van de inspectie op gang is gekomen "naar aanleiding van stilzwijgers". Enige verdere verduidelijking hierover bevat het onderzoeksverslag van de inspectie niet. Dat de inspectiediensten een onderzoek opstarten zonder de identiteit van een eventuele tipgever vrij te geven, lijkt geoorloofd, gelet op de toepassing van artikel 12 van de Wet van 16 november 1972 betreffende de arbeidsinspectie. C.P. toont niet aan dat de inspectiediensten in deze een professionele fout hebben begaan en ze toont nog minder aan wat de impact zou zijn van deze eventuele fout op de bewijswaarde van het onderzoek dat nu voorligt. In die omstandigheden moet aan dit onderzoek zijn normale bewijswaarde worden toegekend. Het Hof stelt vast dat de R.S.Z. zijn bewijselementen haalt uit de (uitvoerige) verklaringen, die zowel F.N. als D.M. en C.D.C. aflegden aan de sociale inspectie. Er werd geen onderzoek gedaan op het werkveld zelf. De elementen. In zijn beroepsconclusies haalt de R.S.Z. de volgende elementen aan die het bestaan in concreto van het werkgeversgezag moeten aantonen: De winkel in Antwerpen wordt gehuurd door C.P.. Dit element blijkt genoegzaam uit de afgelegde verklaringen. Het ondersteunt echter niet het al dan niet uitoefenen van werkgeversgezag door C.P.. Het zegt hoogstens iets over wiens economisch project hier aan de orde is. En dat is duidelijk: het is het economisch project van C.P.. Bewijzen welk economisch project aan de orde is, is echter niet relevant in het kader van het bewijs dat er al dan niet effectief gezag werd uitgeoefend over de medewerkers. Het element is niet dienstig. Er is geen tussenkomst van de geranten in de uitbatingskosten. Dit element sluit volledig aan bij het vorige en is om dezelfde reden niet dienstig. De geranten kunnen geen personeel aanwerven. Als er hulp nodig is, zorgt C.P. daar voor. Dit element blijkt uit de verklaring van C.D.C.. F.N. bevestigt in zijn verklaring dat het niet toegelaten was zich te laten vervangen door personen die niet actief waren in de firma. Dit is een element waarmee de R.S.Z. wil aantonen dat de geranten niet zo vrij waren als men van een zelfstandige zou kunnen verwachten. Vooreerst is niet echt duidelijk in de verklaringen waarom C.P. precies geen autonome vervangingen toeliet, maar anderzijds moet de R.S.Z. niet negatief bewijzen dat de geranten geen zelfstandigen waren. Het komt hem toe om positief te bewijzen dat C.P. gezag uitoefende over haar geranten. In die optiek is het element van vervanging niet echt relevant. De geranten moeten de ontvangsten registreren en bijhouden tot ze worden afgehaald. Dit element is er één van interne afspraken en organisatie. In ieder geval bevestigen zowel C.D.C. als D.M. dat zij hun beloning uit de kassa van de ontvangsten mochten nemen. Dergelijk gebruik wijst toch eerder op een zelfstandige samenwerking dan op werken in ondergeschikt verband. Welke ook de afspraken waren tussen de betrokken partijen, ze zijn niet van aard om enig licht te werpen op het al dan niet uitoefenen van juridisch werkgeversgezag door C.P.. De geranten hebben geen aandelen van de vennootschap en ze hebben geen enkele financiële inbreng gedaan. Deze elementen sluiten weer aan bij het eerste en het tweede element. Ze maken duidelijk om wiens economisch project hier alles draait, maar ze zijn niet dienstig om het bewijs te leveren dat de samenwerking daarom in ondergeschikt verband gebeurde. Omgekeerd, indien de geranten wél aandelen zouden gehad hebben en wél een financiële inbreng zouden gehad hebben, zou dit krachtig verwijzen naar een samenwerking op zelfstandige basis; De geranten zijn voor hun activiteiten altijd verantwoording verschuldigd ten overstaan van C.P.. Deze bewering komt het Hof nogal 'gratuit' over. Wat bedoelt de R.S.Z. precies met deze verantwoording? Betreft het een verantwoording over het tijdsgebruik van de geranten of over hun werkwijze of over iets anders? De R.S.Z. licht het element niet toe. Uit de verklaringen die thans voorliggen kan het Hof niet echt afleiden dat de geranten een verantwoording verschuldigd waren die relevant zou kunnen zijn bij de huidige beoordeling over het bestaan van werkgeversgezag. Het element is niet bewezen. De bestellingen. De R.S.Z. wil op basis van de verklaring van D.M. doen geloven dat de geranten niet vrij waren in het doen van de bestellingen. Vooreerst slaat dit element blijkbaar alleen op D.M. en niet op C.D.C., zodat het niet erg volledig is. Bovendien komt uit de verklaringen van D.M., C.D.C. en F.N. precies naar voren dat de geranten grosso modo wél naar eigen believen hun bestellingen konden plaatsen. Wat de R.S.Z. wil voorhouden over de bestellingen, wordt geenszins ondersteund in de verklaringen. Het element is niet bewezen. Bovendien komt net het omgekeerde uit de verklaringen naar voren en in die zin ondersteunt het naar eigen goeddunken kunnen bestellen precies het zelfstandige karakter van de samenwerking. Het element werkt contraproductief. Het gevoel van D.M. dat hij niet zijn eigen baas was. Dit gevoel dat tot uiting komt in de verklaring van D.M. van 21 oktober 1997 wordt helemaal tegengesproken door zijn schriftelijke verklaring van 14 mei 1999 (stuk 16 van C.P.). Er is, in tegenstelling met wat de R.S.Z. meent, geen objectieve reden om de ene verklaring qua bewijswaarde boven de andere te verkiezen. Zolang de R.S.Z. niet aantoont dat de tweede verklaring van 14 mei 1999 onder dwang of onder invloed van C.P. werd afgelegd, blijft ze evenwaardig aan elke andere verklaring. Dit element is niet naar recht bewezen. De geranten werden op commissie betaald. Dit element blijkt uit alle afgelegde verklaringen. Het gegeven dat er louter op commissie werd betaald, ondersteunt krachtig een statuut van zelfstandige samenwerking. Het wijst er immers op dat de beloning rechtevenredig is met het resultaat van de arbeid. Enkel dit resultaat wordt beloond niet de inzet van de arbeid zelf. Dat is typisch voor een zelfstandige samenwerking. F.N. voegt daaraan toe dat in periodes van ziekte of vakantie geen inkomen werd gegarandeerd. Nog een aanwijzing dat qua beloning enkel het resultaat van de arbeid werd geviseerd. Dat de commissie werd bepaald door C.P. doet daaraan een afbreuk. Nergens valt in de verklaringen van D.M. of C.D.C. te lezen dat zij het niet eens zouden geweest zijn met de hun uitbetaalde percentages. Aan dit laatste wordt geen afbreuk gedaan door de vermindering van de commissie van 6% naar 3% op de sigaretten. Dit gegeven is immers alleenstaand. Het element dat op commissie werd betaald werkt in het kader van de huidige bewijsvoering contraproductief. Het mandaat van bestuurder van de geranten. Volgens de R.S.Z. bestond dit alleen op papier en betekende het voor de rest niets. Dat wordt tegengesproken door o.a. de stukken 29 in het dossier van C.P.. Aldus is het element niet bewezen. Conclusie: De elementen die de R.S.Z. aanhaalt om het werkgeversgezag te bewijzen zijn ofwel niet bewezen, ofwel niet dienstig omdat ze wijzen op economische afhankelijkheid maar niet op juridisch gezag, ofwel zelfs contraproductief om de kwalificatie van zelfstandige samenwerking, die de betrokken partijen aangingen, onderuit te halen. In de afgelegde verklaringen zitten bovendien een aantal elementen die het zelfstandige statuut ondersteunen, zoals C.P. terecht aangeeft, waaronder: x De geranten bepaalden zelf hun openingsuren en -dagen. x Zij bepaalden de prijzen van wat ze verkochten als ze niet aan richtprijzen gebonden waren. x Zij deden hun bestellingen grotendeels zelf. x Zij bepaalden vrij hun productengamma. x Zij oefenden gezag uit over werknemers. Eindconclusie. De R.S.Z. slaagt er niet in om naar recht het bestaan van werkgeversgezag te bewijzen. Van het bestaan van een arbeidsovereenkomst kan eerst sprake zijn als cumulatief de componenten arbeid, loon en gezag aanwezig zijn. Terzake is het element gezag niet bewezen, zodat de samenwerking tussen C.P. en D.M. en C.D.C. niet gekwalificeerd kan worden als een arbeidsovereenkomst. De oorspronkelijke vorderingen van de R.S.Z. blijven ongegrond. Het vonnis van de eerste rechter kan worden bevestigd. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Gehoord de heer F. SLACHMULDERS, Substituut-generaal, in zijn gelijkluidend mondelinge advies, gegeven ter openbare terechtzitting van 14 januari 2005, waarover partijen verklaarden geen opmerkingen te hebben. Recht doende op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. Bevestigt het vonnis van de Arbeidsrechtbank te Turnhout van 11 december
- Legt de kosten van hoger beroep, overeenkomstig artikel 1017, eerste lid van het Gerechtelijk Wetboek, ten laste van R.S.Z. Vereffent de kosten aan de zijde van de N.V. C.P. op 205,25 euro rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg en 279,62 euro rechtsplegingsvergoeding beroep. De kosten aan de zijde van de R.S.Z. werden niet begroot en alsdan door het Hof niet vereffend. Aldus gewezen en uitgesproken door de vierde kamer van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, op de openbare terechtzitting van elf februari tweeduizend en vijf, waar aanwezig waren: de heer J. VERHAVERT, Raadsheer wnd. Voorzitter, de heer G. GOVAERT, Raadsheer in sociale zaken als werkgever, de heer O. MAGNUS, Raadsheer in sociale zaken als werknemer-arbeider, mevrouw L. VAN CALSTER, Griffier. PDF document ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20050211.3 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021223.15 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040503.23 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041206.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.