← België

ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20050214.4

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 14 februari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20050214.4 Rolnummer: 2004-0360 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-03-09 Raadplegingen: 126 - laatst gezien 2026-07-01 02:24 Fiche 1 Wanneer de werkgever, uitbater van een lunapark, ingevolge een wetswijziging en een daaraan gekoppelde overheidsbeslissing in de onmogelijkheid verkeert om zijn uitbating nog verder te zetten en geen enkele fout heeft begaan die daarmee verband houdt, verkeert hij in de volstrekte onmogelijkheid om na het verval van de vergunning zijn meest essentiële contractuele verbintenis, met name arbeid te verschaffen, na te leven en bestaat er in zijnen hoofde overmacht. Vrije woorden: DE ARBEIDSOVEREENKOMSTEN . ALGEMENE REGELING VAN DE ARBEIDSOVEREENKOMSTEN Einde overeenkomst - overmacht - overheidsbeslissing - voorzienbaarheid. Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 32,5° - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Fiche 2 Het onvoorzienbaar karakter van het feit waarop de schuldenaar zich wil beroepen is geen apart kenmerk, maar het moet gerangschikt worden onder de karakteristiek van afwezigheid van schuld. De onvoorzienbaarheid is een norm die op een redelijke wijze moet worden opgevat. Vrije woorden: DE ARBEIDSOVEREENKOMSTEN . ALGEMENE REGELING VAN DE ARBEIDSOVEREENKOMSTEN einde overeenkomst - overmacht - onvoorzienbaar karakter - afwezigheid van schuld. Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 32,5° - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Fiche 3 Nu de mogelijkheid tot opzegging van een arbeidsovereenkomst berust op artikel 32, 3°, van de Arbeidsovereenkomstenwet, volgens hetwelk de verbintenissen voortvloeiend uit de arbeidsovereenkomst een einde nemen door de wil van een van de partijen, kan, zolang die wil in hoofde van die partij niet bestaat, deze niet verplicht worden gebruik te maken van het hem toegekende recht. Vrije woorden: DE ARBEIDSOVEREENKOMSTEN . ALGEMENE REGELING VAN DE ARBEIDSOVEREENKOMSTEN einde overeenkomst door wil van één der partijen of ingeval van dringende reden - opzegging - recht onmogelijkheid om een partij te verplichten gebruik te maken van dit recht. Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 32,3° - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Nota: Gerangschikt onder II AAN - artikel 32, 5°

(2x)en onder II AAN - artikel 32, 3°. Annotaties Publicaties: JOURNAL DES TRIBUNAUX DU TRAVAIL - - 2005(00928,P.420-421) Tekst van de beslissing ARREST A.R. 2040360 OPENBARE TERECHTZITTING VAN VEERTIEN FEBRUARI TWEEDUIZEND EN VIJF N.V. D. P., appellante vertegenwoordigd door mr. A. PEIFFER, loco mr. K. STAPPERS, advocaat te Antwerpen, tegen : A. G., geïntimeerde vertegenwoordigd door de heer D. VERGOUWEN, afgevaardigde van een representatieve werknemersorganisatie. Het Hof, na de zaak in beraad te hebben genomen, spreekt in openbare terechtzitting en in de Nederlandse taal het volgend arrest uit. Gelet op de uiteenzetting van de middelen van partijen ter openbare zitting van 10 januari
  1. Gelet op de processen-verbaal van de openbare terechtzitting van 7 juni 2004 en 10 januari
  2. I. STUKKEN VAN DE RECHTSPLEGING Gelet op de stukken van de rechtspleging, in het bijzonder: x het eensluidend verklaard afschrift van het op 10 februari 2004 op tegenspraak gewezen vonnis van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen, waarvan geen bewijs van betekening wordt bijgebracht; x het verzoekschrift tot hoger beroep ontvangen ter griffie van dit Hof op 30 april 2004; x de conclusies van partijen, ontvangen ter griffie van dit Hof op 14 mei 2004 en 25 november 2004 voor de heer G. en op 29 oktober 2004 voor de N.V. D. P., hierna de N.V. genoemd; x de beschikking d.d. 20 september 2004 overeenkomstig artikel 747 ,§2 van het Gerechtelijk Wetboek. II. PROCEDURE IN EERSTE AANLEG Met inleidende dagvaarding, betekend op 12 april 2002, vorderde de heer G. de veroordeling van de N.V. tot betaling van 4.921,18 EUR opzeggingsvergoeding, te vermeerderen met de wettelijke intresten, de verwijlminstens de vergoedende intresten vanaf 13 oktober 2001, de gerechtelijke intresten en de kosten van het geding. Bij bestreden vonnis van 10 februari 2004 verklaarden de eerste rechters de vordering ontvankelijk en gegrond en veroordeelden zij de N.V. tot betaling van 4.921,18 EUR opzeggingsvergoeding, te vermeerderen met de wettelijke intresten vanaf 13 oktober 2001, de gerechtelijke intresten op de met het brutobedrag overeenstemmend nettobedrag en de kosten van het geding. III. EISEN IN HOGER BEROEP De vordering in hoger beroep van de N.V. strekt ertoe het bestreden vonnis te horen teniet doen en, opnieuw rechtsprekend, de oorspronkelijke vorderingen van de heer G. ongegrond te verklaren en hem te veroordelen tot de kosten van beide aanleggen. In uiterst ondergeschikte orde vordert de N.V. te zeggen voor recht dat de oorspronkelijke vordering van de heer G. dient te worden herleid met een bedrag gelijk aan het loon en de voordelen m.b.t. de periode van 12 oktober t/m 31 oktober
  3. Tevens vordert zij te zeggen voor recht dat een som van 100.000 BEF, hetzij 2.478,94 EUR, in mindering dient te worden gebracht van het nettobedrag van de gevorderde opzeggingsvergoeding en te zeggen voor recht dat intresten slechts kunnen worden toegekend op het aan de heer G. toekomende nettobedrag. Ten slotte vordert de N.V. haar akte te verlenen van het feit dat zij in voorkomend geval bij wege van tussenvordering een schriftonderzoek wenst te laten plaatsvinden in toepassing van de artikelen 883 e.v. van het Gerechtelijk Wetboek. Bij aanvullende en syntheseconclusie van 25 november 2004 vordert de heer G. het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren, het bestreden vonnis te bevestigen en dienvolgens de N.V. te veroordelen tot betaling van 4.921,18 EUR opzeggingsvergoeding, te vermeerderen met de wettelijke intresten, de verwijlminstens de vergoedende intresten vanaf 13 oktober 2001, de gerechtelijke intresten en de kosten van beide aanleggen. IV. ONTVANKELIJKHEID Het hoger beroep werd tijdig en met een naar de vorm regelmatige akte ingesteld, zodat het ontvankelijk is. V. TEN GRONDE
  4. De feiten Op 1 januari 2001 trad de heer G. als bediende in dienst van de N.V., die sinds 1 juni 2000 het lunapark C. uitbaatte in de Abdijstraat te Antwerpen. Ingevolge de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, werd een nieuwe reglementering vastgelegd inzake kansspelen. Voortaan waren de kansspelinrichtingen van de tweede klasse, de zogenaamde speelautomaathallen, onderworpen aan een voorafgaande vergunning van de kansspelcommissie, die ressorteert onder de Federale Overheidsdienst Justitie. Artikel 34 van die wet luidt als volgt: "De kansspelinrichtingen klasse II of speelautomatenhallen zijn inrichtingen waar uitsluitend de door de Koning toegestane kansspelen worden geëxploiteerd. Er worden ten hoogste 180 kansspelinrichtingen klasse II toegestaan. De uitbating van een kansspelinrichting klasse II moet geschieden krachtens een convenant dat voorafgaandelijk wordt gesloten tussen de gemeente van vestiging en de uitbater. De beslissing om een dergelijk convenant te sluiten, behoort tot de discretionaire bevoegdheid van de gemeente. Het convenant bepaalt waar de kansspelinrichting wordt gevestigd alsook de nadere voorwaarden, de openings- en sluitingsuren, alsook de openings- en sluitingsdagen van de kansspelinrichtingen klasse II en wie het gemeentelijk toezicht waarneemt." Met aangetekende brief van 27 december 2000 diende de N.V. onder meer voor haar uitbating in de Abdijstraat een vergunningsaanvraag in bij de Kansspelcommissie. Ingevolge de invoering van de nieuwe wet legden het college van burgemeester en schepenen en de gemeenteraad van de Stad Antwerpen respectievelijk met besluiten van 7 februari 2001 en van 21 mei 2001 de criteria vast die zouden gehanteerd worden bij het afsluiten van convenanten met lunaparken. (stukken 4 van de heer G.) Met besluit van 18 juni 2001 besliste de gemeenteraad van de Stad Antwerpen geen convenant af te sluiten met de N.V. voor haar kansspelinrichtingen C. (aan de Abdijstraat, waar de heer G. was tewerkgesteld) en M. C.. Met brief van 9 juli 2001, ontvangen door de N.V. op 11 juli 2001, deelde de Kansspelcommissie aan de N.V. mee dat zij op 27 juni 2001 had beslist geen vergunning meer te verlenen en dat de N.V. verplicht werd haar vestiging in de Abdijstraat te sluiten, uiterlijk drie maanden na ontvangst van de beslissing. Tussen partijen wordt niet betwist dat ingevolge het voorgaande de N.V. vanaf 12 oktober 2001 geen kansspelen meer mocht uitbaten in de vestiging van de Abdijstraat. Met aangetekende brief van 27 augustus 2001 vorderde de N.V. bij de Raad van State de vernietiging van het gemeenteraadsbesluit van 18 juni
  5. (stuk 8 van de N.V.) Tevens werden een vordering tot schorsing en een beroep tot nietigverklaring ingesteld van het besluit van de gemeenteraad van de Stad Antwerpen van 21 mei
  6. (stukken 9 en 10 van de N.V.) Ten slotte werden ook een vordering tot schorsing en een beroep tot nietigverklaring ingesteld van het besluit van de Kansspelcommissie van 27 juni 2001 houdende weigering van een vergunning klasse B voor de uitbating "C." van de N.V. (stuk 11 van de N.V.) Tussen partijen wordt niet betwist dat de N.V. op 12 oktober 2001 de arbeidsovereenkomst eenzijdig heeft beëindigd, zich beroepend op overmacht. Met aangetekende brief van 20 november 2001 vorderde de heer G. bij monde van zijn vakorganisatie onder meer de betaling van een opzeggingsvergoeding, omdat de N.V. zich ten onrechte op overmacht zou hebben beroepen. De N.V. weigert daarop in te gaan en op 12 april 2002 dagvaardt de heer G. de N.V. voor de arbeidsrechtbank te Antwerpen in betaling van een opzeggingsvergoeding. Met vonnis van 10 februari 2004 verklaarden de eerste rechters de eis ontvankelijk en gegrond. Tegen dit vonnis stelde de N.V. op 30 april 2004 hoger beroep in.
  7. De beoordeling Opzeggingsvergoeding - overmacht De heer G. vordert de betaling van een opzeggingsvergoeding omdat de N.V. zonder inachtneming van een opzeggingstermijn op 12 oktober 2001 eenzijdig de arbeidsovereenkomst heeft beëindigd, zich ten onrechte op overmacht beroepend. Hij is van oordeel dat geen overmacht voorhanden is omdat de N.V. de sluiting van haar vestiging kon voorzien, vermits zij reeds vóór 12 oktober 2001 (in februari en mei 2001) op de hoogte was van de beslissingen van het college van burgemeester en schepenen en de gemeenteraad van de Stad Antwerpen, in dewelke de criteria waren vastgelegd waaraan de N.V. diende te voldoen om nog een vergunning te kunnen bekomen en aan dewelke de vestiging aan de Abdijstraat niet voldeed. Alleszins was de N.V. er ingevolge de beslissing van de Kansspelcommissie van juli 2001 ervan op de hoogte dat zij vanaf 12 oktober 2001 niet langer over een uitbatingsvergunning zou beschikken. De verplichting tot uitvoering te goeder trouw van de arbeidsovereenkomst aanvoerend, is de heer G. verder van mening dat de N.V. verplicht was opzegging te betekenen van de arbeidsovereenkomst van zodra zij wist dat er een reële kans bestond dat de zaak gesloten zou worden. Er was volgens de heer G. geen enkele rechtvaardiging voorhanden voor het feit dat de N.V. gewacht heeft tot 12 oktober 2001 om de beëindiging van de overeenkomst op grond van overmacht vast te stellen. Het Hof oordeelt ter zake als volgt. Krachtens artikel 20, 1°, van de Arbeidsovereenkomstenwet, is de werkgever verplicht de werknemer te doen arbeiden op de wijze, tijd en plaats zoals overeengekomen. Hieruit volgt dat de hoofdverbintenis van de werkgever bestaat in het verschaffen van de overeengekomen arbeid en dat het gaat om een resultaatsverbintenis. De werkgever kan zich bij het niet nakomen van die verbintenis enkel van zijn contractuele aansprakelijkheid bevrijden door overmacht aan te tonen. Krachtens artikel 32, 5°, van de Arbeidsovereenkomstenwet nemen de verbintenissen voortspruitend uit de door deze wet geregelde overeenkomsten een einde door overmacht. Artikel 1147 van het Burgerlijk Wetboek voorziet dat, indien daartoe grond bestaat, de schuldenaar veroordeeld wordt tot het betalen van schadevergoeding wegens het niet uitvoeren van de verbintenis, hetzij wegens vertraging in de uitvoering, wanneer hij niet bewijst dat het niet nakomen het gevolg is van een vreemde oorzaak die hem niet kan worden toegerekend, en hoewel er zijnerzijds geen kwade trouw is. Volgens artikel 1148 van het Burgerlijk Wetboek is geen schadevergoeding verschuldigd wanneer de schuldenaar door overmacht of toeval verhinderd is geworden datgene te doen waartoe hij verbonden was, of datgene gedaan heeft wat hem verboden was. Overmacht en toeval kunnen worden omschreven als die gebeurtenissen die een onoverkomelijke hindernis vormen voor de uitvoering van een verbintenis uit de overeenkomst en waarbij de schuldenaar zich ten aanzien van het ontstaan van die gebeurtenissen aan geen enkele fout heeft bezondigd. (RAUWS, W., Civielrechtelijke beëindigingswijzen van de arbeidsovereenkomst: nietigheid ontbinding en overmacht, Antwerpen, Kluwer Rechtswetenschappen, 1987, 601; Cass., 9 december 1976, Arr. Cass. 1977, 404) Indien de nakoming van de verbintenis volstrekt of praktisch onmogelijk blijkt te zijn, dan nog is de schuldenaar niet bevrijd, indien de omstandigheid die de nakoming verhindert, te wijten is aan of gepaard gaat met een fout in zijnen hoofde en zonder dewelke de uitvoering van de verbintenis geheel of gedeeltelijk onmogelijk zou zijn geweest. Hierop steunen de regels dat de vreemde oorzaak onvoorzienbaar en onvermijdbaar moet zijn geweest en dat de schuldenaar zich niet kan beroepen op een omstandigheid die aan zijn eigen nalatigheid of onvoorzichtigheid te wijten is. In casu rijst de vraag of de N.V. zich op 12 oktober 2001, zijnde de dag waarop zij niet meer over een regelmatige uitbatingsvergunning beschikte voor haar vestiging aan de Abdijstraat, op overmacht kon beroepen om de arbeidsovereenkomst met de heer G. als beëindigd te beschouwen. Meer in het bijzonder stelt zich de vraag of de sluiting van de vestiging al dan niet voorzienbaar was. Anders dan de heer G. meent was, naar het oordeel van het Hof, de beslissing tot sluiting voor de N.V. redelijkerwijs niet voorzienbaar. Daarbij is het van belang te vermelden dat op het ogenblik dat de heer G. in dienst werd genomen de N.V. over een geldige vergunning beschikte en dat het, zelfs op grond van de nieuwe wet op de kansspelen, redelijkerwijs niet in de lijn van de normale verwachtingen lag dat geen vergunning meer zou kunnen bekomen worden en de uitbating niet meer mogelijk zou zijn. Minstens bestond daarover absoluut geen zekerheid. Voor het overige heeft de N.V. al het nodige gedaan om op grond van de nieuwe wet een vergunning te bekomen. Het onvoorzienbaar karakter van het feit waarop de schuldenaar zich wil beroepen is geen apart kenmerk, maar het moet gerangschikt worden onder de karakteristiek van afwezigheid van schuld. (KRUITHOF, R., "Overzicht van rechtspraak (1974-1980) Verbintenissen", T.P.R., 1983, 625; RAUWS, W., Civielrechtelijke beëindigingswijzen van de arbeidsovereenkomst: nietigheid ontbinding en overmacht, Antwerpen, Kluwer Rechtswetenschappen, 1987, 601.) Het doel van de regel dat de schuldenaar zich van zijn contractuele aansprakelijkheid niet kan bevrijden wanneer het als overmacht ingeroepen feit voorzienbaar is, is dat het ongeoorloofd is dat de schuldenaar zich aan de overeenkomst zou onttrekken wegens een overmacht waarvan hij op voorhand de gevolgen heeft opgevangen. In casu kan aan de N.V. niet de minste fout verweten worden die zou gemaakt hebben dat zij op 12 oktober 2001 niet langer over een geldige vergunning beschikte, waardoor haar uitbating niet langer mogelijk zou zijn. Staande de arbeidsovereenkomst werd de regelgeving voor het bekomen van een uitbatingsvergunning gewijzigd en die was van dien aard dat op grond daarvan de N.V. normalerwijs geen nieuwe vergunning meer zou kunnen bekomen (omdat op grond van de door de gemeente vastgestelde criteria met haar niet het wettelijk vereiste convenant kon gesloten worden). Daardoor kon ook de Kansspelcommissie geen vergunning toekennen. Dit betekent echter nog niet dat het voor de N.V. voorzienbaar was dat zij niet meer over een vergunning zou kunnen beschikken, nu die voorzienbaarheid dient te worden beoordeeld bij het sluiten van de overeenkomst. Bovendien moet de onvoorzienbaarheidsnorm, zoals overigens alle juridische normen, op een redelijke manier worden opgevat. (RAUWS, W., Civielrechtelijke beëindigingswijzen van de arbeidsovereenkomst: nietigheid ontbinding en overmacht, Antwerpen, Kluwer Rechtswetenschappen, 1987, 601.) Aangezien uit niets blijkt dat de N.V. enige fout zou begaan hebben die tot gevolg had dat haar vergunning werd ingetrokken, en zij redelijkerwijs bij het sluiten van de overeenkomst met de heer G. niet had kunnen of moeten voorzien dat haar geen nieuwe vergunning meer zou worden toegekend, was het feit dat zij ingevolge de beslissing van de Kansspelcommissie vanaf 12 oktober 2001 niet meer over een vergunning beschikte in haren hoofde te aanzien als overmacht die het verder uitvoeren van haar verbintenissen ten aanzien van de heer G. definitief onmogelijk maakte. Verder bestond er in hoofde van de N.V. geen verplichting om, zolang zij kon voldoen aan haar meest essentiële verbintenis voortvloeiend uit de arbeidsovereenkomst, met name het verschaffen van arbeid, om de arbeidsovereenkomst door middel van een opzegging te beëindigen tegen de datum waarop volgens de beslissing van de Kansspelcommissie de uitbatingsvergunning zou vervallen. Vooreerst bestond er nog een reële kans voor de N.V. dat de door haar bij de Raad van State aangewende rechtsmiddelen nog vóór 12 oktober 2001 tot gevolg zouden hebben dat de beslissing van de Kansspelcommissie zou worden vernietigd en de uitbating dus kon worden verdergezet. Bovendien berust de mogelijkheid tot opzegging van de arbeidsovereenkomst op artikel 32, 3°, van de Arbeidsovereenkomstenwet, volgens hetwelk de verbintenissen voortvloeiend uit de arbeidsovereenkomst een einde nemen door de wil van een van de partijen. Zolang echter die wil in hoofde van een van die partijen niet voorhanden is, kan deze niet verplicht worden gebruik te maken van het door de wet toegekende recht om opzegging van de arbeidsovereenkomst te betekenen (artikel 37 van de Arbeidsovereenkomstenwet). De heer G. beweert dat er geen overmacht voorhanden was omdat de N.V. de vestiging aan de Abdijstraat reeds eind juli of begin augustus gesloten had en hij vanaf dan in de vestiging aan de Breydelstraat tewerkgesteld werd. Hoewel de heer G. dit niet uitdrukkelijk vermeldt blijkt dat hij daarmee bedoelt dat het voor de N.V. niet volstrekt onmogelijk was om aan haar verbintenissen te voldoen. Het Hof stelt echter vast dat de N.V. die beweringen ten stelligste betwist en dat de heer G. daarvan niet het minste bewijs of zelfs maar begin van bewijs levert. Bijgevolg is, gelet op het ontbreken van enige andere betwisting desbetreffend, wel degelijk het bewijs geleverd dat de N.V. ingevolge de sluiting in de definitieve onmogelijkheid verkeerde om de heer G. nog verder arbeid te verschaffen. Uit wat voorafgaat volgt dat de N.V. terecht de beëindiging van de arbeidsovereenkomst op grond van overmacht heeft vastgesteld en dat zij derhalve geen opzeggingsvergoeding verschuldigd is. De overige door de heer G. aangevoerde feiten en middelen doen naar het oordeel van het Hof aan voorgaande overwegingen en besluitvorming geen afbreuk. Het hoger beroep is gegrond. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waarvan de voorschriften werden nageleefd. Na beraadslaging, rechtsprekend op tegenspraak, Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond. Vernietigt het vonnis van 10 februari 2004 van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen. En opnieuw rechtsprekend, Verklaart de eis van de heer G. ontvankelijk doch ongegrond. Verwijst de heer G. in de kosten van beide aanleggen. Vereffent deze aan de zijde van de N.V. op 205,25 EUR (rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg), 57,01 EUR (uitgavenvergoeding verzoekschrift hoger beroep) en 279,62 EUR (rechtsplegingsvergoeding hoger beroep). Vereffent deze aan de zijde van de heer G. op 97,16 EUR (dagvaarding). Aldus gewezen en uitgesproken door de tweede kamer van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen in openbare terechtzitting van veertien februari tweeduizend en vijf, waar aanwezig waren : PDF document ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20050214.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.