← België

ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20050217.7

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 17 februari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20050217.7 Rolnummer: 2003-0064 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-11-14 Raadplegingen: 112 - laatst gezien 2026-07-01 02:33 Fiches 1 - 2 Het bestaan van een technische bedrijfseenheid moet worden vastgesteld op het tijdstip waarop de indienstneming plaatsvond. Er is pas sprake van een technische bedrijfseenheid wanneer de bedrijvigheid van de eerste werkgever wordt voortgezet door de tweede werkgever. Van een voortgezette bedrijvigheid kan maar sprake zijn als de overlater en de overnemer de voortzetting helemaal zelf in handen hebben en enkel zij tot die voortzetting kunnen beslissen. Er staat geen bedrijfseenheid vast tussen de bedrijvigheid van de eerste werkgever, die omwille van de afloop van de duur van een concessie teneinde kwam en de nieuwe bedrijvigheid van de tweede werkgever die slechts het levenslicht kon zien dankzij een externe factor, namelijk de toewijzing van een concessie. Vrije woorden: ORGANISATIE VAN HET BEDRIJFSLEVEN . ONDERNEMINGSRADEN Verplichting tot instelling van een ondernemingsraad - werknemer die een werknemer vervangt die in de loop van de twaalf kalendermaanden voorafgaand aan de indienstneming in dezelfde technische bedrijfseenheid is geweest - begrip - programmawet - tijdelijke vermindering van de werkgeversbijdragen voor sociale zekerheid ter bevordering van de tewerkstelling. Wettelijke bepalingen: Wet - 20-09-1948 - 14 - 01 ELI link Pub nr 1948092002 Nota: Gerangschikt onder IV BIS A - artikel 14 en onder VII A - artikel 15. Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID VOOR WERKNEMERS . ALGEMENE REGELING Maatschappelijke zekerheid der werknemers - programmawet - tijdelijke vermindering van de werkgeversbijdragen voor sociale zekerheid ter bevordering van de tewerkstelling - werknemer die een werknemer vervangt die in de loop van de twaalf kalendermaanden voorafgaand aan de indienstneming in dezelfde technische bedrijfseenheid werkzaam is geweest - begrip. Wettelijke bepalingen: Wet - 27-06-1969 - 15 - 04 ELI link Pub nr 1969062710 Wet - 30-12-1988 - 117 - 31 ELI link Pub nr 1989021219 Annotaties Publicaties: SOCIAALRECHTELIJKE KRONIEKEN - noot - 2006(00005,P.287-289) Tekst van de beslissing A.R. Nr. 2030064 OPENBARE TERECHTZITTING VAN ZEVENTIEN FEBRUARI TWEEDUIZEND EN VIJF In de zaak: N. C., wonende te D. appellante, verschijnt in persoon bijgestaan door mr. K. R. loco mr. M. A., advocaat te B., tegen : RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, met zetel gevestigd te 1060 BRUSSEL, Victor Hortaplein 11, eerste geïntimeerde, voor wie verschijnt: mr. G. V.D.E., advocaat te G., V.Z.W.A. s. s., met zetel gevestigd te L., tweede geïntimeerde, voor wie verschijnt: mr. W. D. V., advocaat te S. en mr. W. D. V. loco mr. M. V. H., advocaat te S.. Na over de zaak te hebben beraadslaagd, wijst het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, het hiernavolgende arrest. Gelet op de zittingsbladen van 5 maart 2003, van 21 oktober 2004, van 18 november 2004 en van 16 december 2004; Gelet op de stukken van de rechtspleging, waaronder: x het voor eensluidend verklaarde afschrift van het vonnis van 26 december 2002, op tegenspraak gewezen door de Arbeidsrechtbank te Turnhout; x het verzoekschrift in hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit Hof op 23 januari 2003 en ter kennis gebracht overeenkomstig artikel 1056 van het Gerechtelijk Wetboek op 24 januari 2003; x de conclusies voor eerste geïntimeerde, ontvangen ter griffie van het Hof op 7 januari 2004; x het verzoekschrift in toepassing van artikel 747, ,§2 van het Ger.W. van eerste geïntimeerde, ontvangen ter griffie van dit Hof op 26 februari 2004; x de opmerkingen van tweede geïntimeerde, ontvangen ter griffie van dit Hof op 10 maart 2004; x de beschikking in toepassing van artikel 747, ,§2 van het Ger.W. van mevrouw B. HOMANS, Eerste Voorzitter, van 25 maart 2004; x de conclusies voor appellante, neergelegd ter griffie van het Hof op 21 april 2004; x de conclusies voor eerste geïntimeerde, ontvangen ter griffie van dit Hof op 26 mei 2004; x de conclusies voor tweede geïntimeerde, neergelegd ter griffie van dit Hof op 27 mei 2004; x de aanvullende conclusies voor appellante, per aangetekende post ontvangen ter griffie van dit Hof op 29 juni 2004; x de antwoordconclusies voor eerste geïntimeerde, ontvangen ter griffie van dit Hof op 25 augustus 2004; x de aanvullende beroepsconclusies voor tweede geïntimeerde, neergelegd ter griffie van dit Hof op 14 september 2004; x het schriftelijke advies van het Openbaar Ministerie gelezen en neergelegd op de openbare terechtzitting van 16 december 2004 en medegedeeld aan partijen in toepassing van artikel 767,,§3, eerste lid van het Ger.W. op 16 december 2004; x de conclusies voor appellante, per aangetekende post ontvangen ter griffie van dit Hof op 4 januari 2005; x de conclusies voor appellante, neergelegd ter griffie van dit Hof op 5 januari 2005. Gelet op de stukken van het administratief dossier. Gelet op de stukken in het naar behoren geïnventariseerde dossier van partijen. Gehoord de partijen in de voordracht van hun conclusies en verweermiddelen tijdens de openbare terechtzitting van 21 oktober 2004. De ontvankelijkheid. Het hoger beroep is naar termijn en vorm regelmatig ingesteld en de ontvankelijkheid ervan wordt niet betwist. Het hoger beroep is dan ook ontvankelijk. Feiten en wat vooraf gaat. Sinds 1 april 1995 baat N.C. de horecazaak "Zilverbos", gelegen in het provinciaal domein het "Zilvermeer" in Mol, uit. De Bestendige Deputatie van de provincie Antwerpen heeft in de vergadering van 16 februari 1995 de concessie betreffende deze exploitatie aan haar toegewezen voor de periode van 1 april 1995 tot en met 31 maart 2004. De overeenkomst werd ondertekend op 3 maart 1995. Voorheen werd de cafetaria "Zilverbos" uitgebaat door de vader van N.C.. De concessie die aan hem was toegewezen, nam een einde op 31 maart 1995. Vader C. zegde op 23 december 1994 o.a. zijn werknemer I. M. op met een opzeggingstermijn van 28 dagen, termijn die liep tot 22 januari 1995. I. M. werd vervolgens een uitkeringsgerechtigde volledige werkloze. Met een arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur werd I. M. aangeworven door N.C. op 10 april 1995 om in haar dienst te komen op 22 april 1995. N.C. verzocht bij de R.S.Z. om vermindering van bijdragen in het kader van de tewerkstellingsakkoorden o.a. met betrekking tot de tewerkstelling van I. M.. Op 16 december 1998 schreef de R.S.Z. aan het S.s. van N.C. o.a.: "Bij nazicht van uw aanvraag tot vermindering in het kader van de tewerkstellingsakkoorden voor de bovenvermelde kwartalen, werd opgemerkt dat door het bedrijf 2 werknemers werden overgenomen van bedrijf C. J, Zilvermeerlaan zn,, 2400 Mol, met RSZ nummer 017/822.776-30. Hoewel binnen de geldende wetgeving de vraag kan gesteld worden in hoeverre op verminderingen in het raam van de tewerkstellingsakkoorden aanspraak kan gemaakt worden (er werd bij de overdragende werkgever een personeelsvermindering vastgesteld) is de RSZ van oordeel dat het billijk is de verminderingen toe te staan voor het gedeelte van de personeelsaangroei dat niet aan de overdracht te wijten is. Daarom heeft de administratie, voor dit bedrijf en voor elk kwartaal, de vergelijking gemaakt tussen het aantal effectieven van het refertekwartaal en dat van het kwartaal van aanvraag verminderd met het aantal van bedrijf C. J, Zilvermeerlaan zn, 2400 Mol, overgedragen personeelsleden. Zodoende bekomt men een aangroei van 3 effectieven voor het tweede kwartaal 1996, van 1 effectief personeelslid voor het derde kwartaal 1996. Voor het tweede, derde en vierde kwartaal 1995 en het eerste en vierde kwartaal 1996, kon echter geen aangroei aangetoond worden." In opvolging van deze beslissing werd via een bericht van wijziging der bijdragen van 8 juni 1999 een regularisatie doorgevoerd over de periode van het tweede kwartaal 1995 tot en met het eerste kwartaal 1998. De initiële vordering van de R.S.Z. behelsde twee rekeninguittreksels nl: 1. R.U. nr. 62 van 29 juli 1999 - bedrag 118.699 ex BEF of 2.941,73 euro - ambtshalve gewijzigde aangiften, achterstallige bijdragen, bijdrageopslagen en intresten voor het derde en vierde kwartaal 1995, het eerste, derde en vierde kwartaal 1996 en het eerste kwartaal 1997; 2. R.U. nr. 63 van 10 september 1999 - bedrag 392.907 ex BEF of 9.739,91 euro - ambtshalve gewijzigde aangiften, achterstallige bijdragen, bijdrageopslagen en intresten voor het tweede kwartaal 1995 tot en met het eerste kwartaal 1998. De R.S.Z. ging op 30 augustus 2000 over tot verbetering van het rekeninguittreksel van 29 juli 1997. Enkel de regularisatie vakantiebijdrage 1997 bleef nog behouden. Op 23 november 2000 ging N.C. zonder verder voorbehoud over tot betaling van het saldo op het verbeterde rekeninguittreksel. Op 13 december 1999 ging de R.S.Z. over tot dagvaarding. Deze vordering slaat bijgevolg enkel nog op het rekeninguittreksel van 10 september 1999 met betrekking tot de tewerkstelling van I. M.. N.C. betwist ten stelligste de beslissing van de R.S.Z. en voert aan dat zij geenszins de zaak van haar vader heeft overgenomen zodat het bedrijf van haar vader en dit van haar niet als éénzelfde technische bedrijfseenheid kunnen worden beschouwd. Op 26 juli 2004 ging N.C. over tot dagvaarding in tussenkomst en vrijwaring van haar s.s., thans A.. Zij verwijt haar s.s. haar verkeerd te hebben ingelicht en haar de brief van 16 december 1998 met het antwoord van de R.S.Z. niet te hebben overgemaakt. Het bestreden vonnis. De eerste rechter verklaarde bij vonnis van 26 december 2002 de herleide vordering ontvankelijk en gegrond en verklaarde de vordering in tussenkomst en vrijwaring onontvankelijk. De partijen verklaren op de terechtzitting dat dit vonnis niet werd betekend. Eisen in hoger beroep. N.C. tekende beroep aan tegen dit vonnis a quo bij verzoekschrift, ontvangen ter griffie van dit Hof op 23 januari 2003. Zij verzoekt het hoger beroep toelaatbaar en gegrond te verklaren, het vonnis a quo te hervormen en opnieuw recht doende, de oorspronkelijke eis als ongegrond af te wijzen. In ondergeschikte orde: de vordering in tussenkomst en vrijwaring/vordering tot schadevergoeding ontvankelijk en gegrond te verklaren. Dienvolgens A. te veroordelen om haar te vrijwaren voor alle sommen waartoe zij in de huidige aangelegenheid ten voordele van de R.S.Z. zou worden veroordeeld, minstens om haar de schade, die zij heeft geleden, te vergoeden. Geïntimeerden, de R.S.Z. en A., in solidum, te veroordelen tot de kosten. Grieven: x zij is van oordeel dat er geen sprake is van een technische bedrijfseenheid tussen de zaak van haar vader en haar zaak; x zij acht haar s.s. wel degelijk aansprakelijk voor een begane beroepsfout. Het S.s. en de R.S.Z. vragen om het hoger beroep ongegrond te verklaren. In Rechte. Staat enkel nog ter discussie: het voorwerp van rekeninguittreksel nr. 63 van 10 september 1999. De R.S.Z. vordert via dit uittreksel de bijdrageverminderingen terug die N.C. had toegepast met betrekking tot de tewerkstelling van I. M.. N.C. paste deze verminderingen toe zich steunende op de Programmawet van 30 december 1988. De bepalingen van de Programmawet van 30 december 1988 betreffende de vermindering van werkgeversbijdragen, hadden als voornaamste doel de bestaande regelingen van het Koninklijk Besluit nr. 111 van 15 december 1982 en van het Koninklijk Besluit nr. 498 van 31 december 1986 samen te brengen en te harmoniseren. Het Koninklijk Besluit nr. 111 was vooral van toepassing op nieuwe werkgevers die hun eerste werknemer in dienst namen en het Koninklijk Besluit nr. 498 gold voor werkgevers die hun personeelsbestand verhoogden door het in dienst nemen van jonge of langdurige werklozen. Artikel 115 van deze Programmawet voorziet een bijdragevermindering voor de werkgever die een nieuwe werknemer in dienst neemt slechts bij zoverre deze nieuwe werknemer een netto aangroei van het personeelsbestand uitmaakt. Overeenkomstig artikel 117, ,§1 van deze Programmawet wordt de vereiste netto aangroei geacht gerealiseerd te zijn, indien de werkgever:

  1. a)ofwel nooit is onderworpen geweest aan de R.S.Z.-wet van 27 juni 1969,
  2. b)ofwel sedert ten minste twaalf ononderbroken kalendermaanden die de indienstname voorafgaan, niet meer aan deze wet onderworpen is geweest. Volgens artikel 117, ,§2 geniet deze in ,§1 bedoelde werkgever niet van de bepalingen indien de nieuw in dienst genomen werknemer een werknemer vervangt die in de loop van de twaalf kalendermaanden, voorafgaand aan de indienstname, in dezelfde technische bedrijfseenheid werkzaam is geweest. Deze uitzondering was in het oorspronkelijke Koninklijk Besluit nr. 111 niet voorzien. Volgens de memorie van toelichting beoogt de tweede paragraaf van artikel 117 te vermijden dat een loutere wijziging van het juridische statuut van de werkgever, zonder dat dit enige schepping van werkgelegenheid meebrengt, recht geeft op het voordeel van de maatregel (Memorie van toelichting, Gedr. St. Kamer, 1988-89, nr. 609/1,58 ) (Cass., 19 april 3003, J.T.T. 2003, 383t/m 386). In dit verband kan ook worden verwezen naar artikel 129 van deze Programmawet, dat bepaalt dat de toename van het aantal werknemers niet mag voortvloeien uit fusie, splitsing, omzetting of opslorping van ondernemingen. In dit dossier beroept de R.S.Z. zich op de toepassing van dit artikel 117, ,§ 2 van voornoemde Programmawet en houdt hij voor dat er sprake is van eenzelfde technische bedrijfseenheid tussen de uitbating van N.C. en de uitbating van haar vader. Het bestaan van een technische bedrijfseenheid moet worden vastgesteld op het tijdstip waarop de indienstneming plaatsvond. In casu is dit 10 april 1995. Zelf bepaalt de Programmawet niet wat er precies moet worden begrepen onder een 'technische bedrijfseenheid'. Sommigen houden voor dat naar de inhoud van dit begrip alsdan moet worden gezocht in andere wetgevingen. Zo is het begrip 'technische bedrijfseenheid' omschreven in artikel 14 van de Wet van 20 september 1948, houdende de organisatie van het bedrijfsleven. Het Hof meent dat de definitie in deze wet slechts een element van beoordeling is en is het er niet mee eens dat bij ontstentenis van een definitie van het begrip 'technische bedrijfseenheid' in de Programmawet van 30 december 1988 zelf, men zich zonder meer kan verlaten op de inhoud van dit begrip, zoals het in andere wetten wordt gedefinieerd. De begripsomschrijving van de andere wetten is hoogstens een toetssteen. De finaliteit van elke wet is immers anders. Bovendien is er ook rekening te houden met het veranderde tijdsbeeld sinds een bepaalde wet van kracht is geworden. Cruciaal is het begrip bedrijfseenheid. In casu is er geen sprake van een dergelijke eenheid omdat de bedrijvigheid van vader C. juridisch niet werd voortgezet door de dochter, N.C.. Van een voortgezette bedrijvigheid kan maar sprake zijn als de overlater en de overnemer de voortzetting helemaal zelf in handen hebben en enkel zij tot die voortzetting kunnen beslissen. Dat is hier niet het geval: de uitbating van het Zilverbos is een bedrijvigheid die beperkt is in de tijd. Zij is namelijk het voorwerp van een concessie, die slechts voor zes jaren wordt toegewezen door de provincie Antwerpen, eigenaar van het provinciaal domein 'het Zilvermeer'. Voor de concessiehouder neemt deze bedrijvigheid in principe een einde na afloop van deze zes jaren. De concessie wordt vervolgens opnieuw toegewezen en de nieuwe concessiehouder start dan een nieuwe bedrijvigheid voor zes jaren. In casu heeft dit scenario zich perfect voltrokken. De concessie die aan vader C. was toegewezen, nam een einde op 31 maart 1995. Vader C. was geen kandidaat meer bij de toewijzing van de volgende concessie. Zijn bedrijvigheid nam aldus een einde. Consequent hiermee werd I. M., die voor vader C. werkte, tijdig opgezegd. Even consequent kwam I. M. op de werkloosheid terecht. Noch op het ogenblik dat I. M. werd opgezegd (23 december 1994), noch op het ogenblik dat zijn dienstbetrekking werkelijk een einde nam (22 januari 1995) was er door de Bestendige Deputatie een beslissing gevallen over wie er nieuwe concessionaris zou worden (deze beslissing dateert van 16 februari 1995). Er bestond dan ook geen juridische mogelijkheid voor vader en dochter C. om zich van de voortzetting van de bedrijvigheid te verzekeren. De toewijzing van de concessie door een derde instantie, de provincie, vormt een breuk tussen de bedrijvigheid van vader C. en de nieuwe bedrijvigheid van dochter C.. Precies omdat vader en dochter C., omwille van de toewijzing van de concessie, zich niet van de voortzetting van de bedrijvigheid konden verzekeren, konden zij aan I. M. geen enkele garantie bieden van verdere tewerkstelling. Aldus is het zogezegde "ommetje" via de werkloosheid hier niet klaarblijkelijk. De bedrijvigheid van N.C. is een nieuwe bedrijvigheid die kadert in de concessie die haar voor zes jaren werd toegewezen door de provincie. Aldus staat er geen bedrijfseenheid vast tussen de bedrijvigheid van vader C. die omwille van een externe factor (de looptijd van de concessie) teneinde kwam op 31 maart 1995 en de nieuwe bedrijvigheid van N.C. die slechts het levenslicht kon zien dankzij een externe factor, namelijk de toewijzing van de concessie. Deze externe factor, waarvan vader en dochter wezenlijk afhankelijk waren, sluit juridisch de voortzetting van de bedrijvigheid uit. Er zijn geen andere elementen die tussen hen een bedrijfseenheid aantonen. De verwantschap tussen vader en dochter C. is niet relevant omdat de uitbating van het Zilverbos niet hun eigendom was, waarover ze vrij en bij uitsluiting konden beschikken. Er is dan ook niet voldaan aan artikel 117, ,§2 van de Programmawet van 30 december 1988 dat vereist dat de werkzaamheid van de nieuwe werknemer moest plaatshebben binnen dezelfde technische bedrijfseenheid. Tussen vader en dochter C. is er geen sprake van een technische bedrijfseenheid, zoals hogerop is aangegeven. Het stopzetten van zijn bedrijvigheid door vader C. leidde noodzakelijkerwijze tot het opnieuw ter beschikking komen van de werknemers op de arbeidsmarkt. Deze stopzetting leidde tot een verlies van tewerkstelling. Dit verlies was objectief omdat het veroorzaakt werd door een externe factor, namelijk de duurtijd van de concessie. Op het ogenblik dat I. M. in dienst kwam van N.C., betekende hij een netto aanwinst voor de tewerkstelling in het algemeen. Zij mag immers niet ongelijk worden behandeld tegenover een derde aan wie (per hypothese) de nieuwe concessie zou zijn toegewezen, die een andere werkloze dan I. M. in dienst zou hebben genomen. In dit laatste scenario immers zou de tewerkstelling van deze andere werkloze door die niet verwante derde wél als een nieuwe tewerkstelling zijn beschouwd. Voor het overige zijn de partijen het er over eens dat N.C. voldoet aan de voorwaarden van artikel 117, ,§1 van de Programmawet van 30 december 1988. Het hoger beroep in hoofdorde is dan ook gegrond. Het vonnis van de eerste Rechter wordt vernietigd. De oorspronkelijke vorderingen van de R.S.Z. zijn ongegrond. Wat betreft de oorspronkelijke vordering in tussenkomst en vrijwaring, kan het Hof niet anders dan vaststellen dat N.C. door haar s.s. juist werd voorgelicht. A. heeft geen fout begaan. De vordering in tussenkomst en vrijwaring is ongegrond. Deze vordering was wel degelijk toelaatbaar, bij zoverre ze gesteund was op de aansprakelijkheid van A. voor de bijstand die ze verschuldigd was aan N.C. en niet op de bijdrageplicht van N.C. als werkgever. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Gehoord de heer J. DEKEERSMAEKER, Substituut-generaal, in de lezing van zijn schriftelijke advies, gegeven ter openbare terechtzitting van 21 oktober 2004. Appellante repliceerde schriftelijk op het advies met conclusies, per aangetekende post ontvangen op de griffie van dit Hof op 4 januari 2005. Recht doende op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond. Vernietigt het vonnis van de Arbeidsrechtbank te Turnhout van 26 december 2002. Opnieuw wijzende, verklaart de oorspronkelijke vorderingen van de R.S.Z. ontvankelijk doch ongegrond en wijst hem er van af. Verklaart de oorspronkelijke vordering in tussenkomst en vrijwaring toelaatbaar doch ongegrond, wijst N.C. er van af en veroordeelt haar tot de kosten ervan. Legt de kosten van de hoofdvordering in beide instanties, overeenkomstig artikel 1017, eerste lid van het Gerechtelijk Wetboek, ten laste van de R.S.Z. Legt de kosten van de vordering in tussenkomst en vrijwaring ten laste van N.C.. Vereffent de kosten aan de zijde van x N.C. op 105,58 euro dagvaarding in tussenkomst en vrijwaring, 200,79 euro rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg, 55,77 euro aanvullende rechtsplegingsvergoeding en 279,62 euro rechtsplegingsvergoeding beroep; x V.Z.W. A. op 200,79 euro rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg en 279,62 euro rechtsplegingsvergoeding beroep; x de R.S.Z. op 107,98 euro dagvaarding, 200,79 euro rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg, 55,77 euro aanvullende rechtsplegingsvergoeding en 279,62 euro rechtsplegingsvergoeding beroep. Aldus gewezen en uitgesproken door de vierde kamer van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, op de openbare terechtzitting van zeventien februari tweeduizend en vijf, waar aanwezig waren: PDF document ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20050217.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.