id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 28 februari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20050228.6 Rolnummer: 2000-0731 Rechtsgebied: Overige - Arbeidsrecht Invoerdatum: 2009-01-16 Raadplegingen: 157 - laatst gezien 2026-07-04 13:11 Fiche 1 Een voor het eerst in graad van hoger beroep ingestelde vordering strekkend tot gemeenverklaring van het arrest is ontvankelijk, wanneer deze niet strekt tot enige veroordeling. Het recht van verdediging wordt hierdoor niet geschonden. Voor de gegrondheid van een eis strekkend tot verbindendverklaring van een gerechtelijke beslissing, volstaat het dat de eiser in gemeenverklaring er belang bij kan hebben dat hij zich ten aanzien van de derde op het gezag van gewijsde van de gewezen beslissing kan beroepen. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Tussengeschillen - Tussenkomst - Algemeen Vrije woorden: Rechtswetenschap - recht - wetgeving - gerechtelijk recht - tussenkomst - eis tot gemeenverklaring van vonnis - voor het eerst gesteld in graad van hoger beroep - ontvankelijkheid - geen schending van recht van verdediging - gegrondheid - voorwaarden Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 812 - 30 Link Justel databank 19671010-30 Fiche 2 Nu krachtens artikel 9 van de Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden de wetgever aan de Koning de bevoegdheid heeft gegeven om de wijze van berekening vast te stellen van de bijkomende vergoeding die de werkgever tijdens de schorsing van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst aan de beschermde werknemer moet betalen bovenop de werkloosheidsuitkering waardoor deze een inkomen wordt gewaarborgd dat gelijk is aan zijn nettoloon, impliceert dit meteen dat de wetgever aan de Koning de bevoegdheid heeft verleend vast te stellen op welke wijze een inkomen wordt gewaarborgd dat geacht wordt gelijk te zijn aan het nettoloon. Dat de bij K.B. vastgestelde vergoeding niet zou overeenstemmen met de bedoeling van de wetgever doet daaraan niets af. De bijkomende vergoeding moet niet aangepast worden met verhogingen van het loon voor leeftijd en anciënniteit. De bijkomende vergoeding is te aanzien als een aanvulling op een socialezekerheidsvoordeel en is derhalve vrijgesteld van socialezekerheidsbijdragen. UTU-thesaurus: SOCIAAL RECHT - ARBEID - Bedrijfsorganisatie - Ontslagbescherming personeelsafgevaardigden Vrije woorden: Organisatie van het bedrijfsleven - ontslagregeling van de wet van 19 maart 1991 - beschermde werknemer - personeelsafgevaardigde - schorsing van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst - bijkomende vergoeding - berekeningswijze niet strijdig met de wet - geen verhoging van het loon voor leeftijd en anciënniteit - aanvulling van socialezekerheidsvoordeel - geen socialezekerheidsbijdragen verschuldigd. Wettelijke bepalingen: Wet - 19-03-1991 - 9 - 32 ELI link Pub nr 1991012215 Nota: I A - IV BIS C Gerangschikt onder I A - artikel 812 en onder IV BIS C - artikel 9 (andere korte inhouden). Annotaties Publicaties: SRK 2008, nr. 5, blz. 275-278 - - Tekst van de beslissing ARBEIDSHOF TE ANTWERPEN Afdeling Antwerpen ARREST A.R. 2000731 OPENBARE TERECHTZITTING VAN ACHTENTWINTIG FEBRUARI TWEEDUIZEND EN VIJF C. V., wonende te appellante, eiseres in gemeenverklaring, vertegenwoordigd door de heer K. HENDRICKX, afgevaardigde van een representatieve werknemersorganisatie, tegen : N.V. met zetel gevestigd te geïntimeerde vertegenwoordigd door mr. L. DE SCHRIJVER, advocaat te Gent, en B. S., gedaagde partij in gemeenverklaring, vertegenwoordigd door mr. A. LINDEMANS, advocaat te Brussel. Het Hof, na de zaak in beraad te hebben genomen, spreekt in openbare terechtzitting en in de Nederlandse taal het volgend arrest uit. Gelet op de uiteenzetting van de middelen van partijen ter openbare zitting van 22 november
- Gelet op de processen-verbaal van de openbare terechtzitting van 2 oktober 2000, 25 mei 2001, 5 mei 2003, 1 maart 2004, 22 november 2004 en 10 januari
- I. STUKKEN VAN DE RECHTSPLEGING Gelet op de stukken van de rechtspleging, in het bijzonder: * het eensluidend verklaard afschrift van het op 12 januari 2000 op tegenspraak gewezen vonnis van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen, waarvan geen bewijs van betekening wordt bijgebracht; * het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van dit Hof op 7 september 2000; * de conclusies van partijen, ontvangen ter griffie van dit Hof op 19 april 2001, 9 juli 2004 en 18 oktober 2004 voor de N.V. , hierna de N.V. genoemd, en op 26 mei 2003, 3 maart 2004 en 14 september 2004 voor mevrouw V; * het exploot van dagvaarding in gedwongen tussenkomst tot gemeenverklaring, betekend op 7 april 2003; * de conclusie van B. S., ter griffie van dit Hof ontvangen op 19 januari 2004; * de beschikking d.d. 14 juni 2004 overeenkomstig artikel 750 §2 van het Gerechtelijk Wetboek; * het schriftelijk advies van het openbaar ministerie, neergelegd op de openbare terechtzitting van 10 januari 2005; * de schriftelijke replieken op het advies van het openbaar ministerie, ter griffie van dit Hof ontvangen op 19 januari 2005 voor mevrouw V. en de N.V. II. PROCEDURE IN EERSTE AANLEG Met inleidende dagvaarding, betekend op 12 december 1997, vorderde mevrouw V. de veroordeling van de N.V. tot betaling van - minstens en provisioneel - het bedrag van 80.535 BEF netto per maand, te vermeerderen met alle fiscale en parafiscale lasten alsook de volledige anticipatieve tenlasteneming door de N.V. van het deel van de personenbelasting dat het gevolg is, door de progressiviteit van deze belasting, van het uitkeren gedurende een bepaald belastbaar tijdperk, bovenop de gebruteerde vergoeding per maand met betrekking tot dat tijdperk, van de tekorten aan uitkering gedurende 1995, 1996, 1997 en eventueel volgende jaren, ten opzichte van de vergoedingen waarop mevrouw V. recht had. Verder vorderde mevrouw V. de N.V. daarenboven te veroordelen tot betaling van de verschuldigde werkgevers- en werknemersbijdragen voor de sociale zekerheid over dezelfde periode met betrekking tot alle uitbetaalde maandelijkse vergoedingen aan de R.S.Z. Tevens werd de afgifte gevorderd van alle wettelijk verplichte sociale en fiscale documenten, nl. de loonbonnen, individuele rekeningen, fiscale fiche 281.10 en Z.I.V.-verzekeringsbonnen betreffende de uit hoofde van de wet van 19 maart 1991 verschuldigde vergoedingen. Ten slotte werd de betaling gevorderd van de wettelijke en de gerechtelijke intresten vanaf de datum van opeisbaarheid. Bij conclusie ontvangen ter griffie van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen op 25 mei 1998 stelde de N.V. een tegeneis in die ertoe strekte te zeggen voor recht dat zij gerechtigd was, overeenkomstig de bepalingen van artikel 18 van de wet van 3 juli 1978 en artikel 23 van de wet van 12 april 1965, op de bedragen die zij verschuldigd zou zijn aan mevrouw V., inhoudingen te verrichten ten beloop van de bedragen die deze laatste aan haar verschuldigd was tot vergoeding van de schade die zij leed als gevolg van de misdrijven door mevrouw V. gepleegd of waaraan zij medeplichtig was en waarvoor zij, na beschikking van de Raadkamer van 18 februari 1998, vervolgd werd voor de correctionele rechtbank te Antwerpen. Bij conclusie ontvangen ter griffie van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen op 30 december 1998 vorderde mevrouw V. de aanstelling van een deskundige met als opdracht een exacte berekening te maken teneinde de nettovergoeding te bepalen die de N.V. aan haar verschuldigd was, waardoor haar een inkomen zou worden gewaarborgd gelijk aan haar nettoloon. Tevens werd gevorderd de N.V. te veroordelen tot overlegging, overeenkomstig artikel 877 Ger. W., van de stukken m.b.t. de evolutie van de loonbarema's zoals bepaald op ondernemingsniveau. Bij bestreden vonnis van 12 januari 2000 verklaarden de eerste rechters de hoofdeis ontvankelijk doch ongegrond en verwezen zij de tegeneis naar de bijzondere rol. De kosten werden aangehouden. III. EISEN IN HOGER BEROEP Bij samenvattende conclusie van 14 september 2004 vordert mevrouw V. haar hoofdvordering ontvankelijk en gegrond te verklaren en bijgevolg een deskundige aan te stellen met als opdracht een exacte berekening te maken teneinde de nettovergoedingen te bepalen die de N.V. aan haar verschuldigd is, waardoor haar een inkomen wordt gewaarborgd gelijk aan haar nettoloon. Hiertoe formuleert mevrouw V. in besluiten een specifieke opdracht voor de aan te stellen deskundige. Tevens vordert mevrouw V. de N.V. te veroordelen tot overlegging, overeenkomstig artikel 877 Ger. W., van de stukken met betrekking tot de evolutie van de loonbarema's zoals bepaald op ondernemingsniveau. Ten slotte vordert zij haar vordering tot gemeenverklaring gegrond te verklaren en B. S. te veroordelen tot de kosten van de dagvaarding in tussenkomst. Bij aanvullende en syntheseconclusie van 18 oktober 2004 vordert de N.V. het hoger beroep ongegrond te verklaren en het bestreden vonnis te bevestigen in al zijn beschikkingen. Bij conclusie van 19 januari 2004 vordert B. S. de vordering tot tussenkomst en gemeenverklaring onontvankelijk, minstens ongegrond te verklaren en mevrouw V. te veroordelen tot de gerechtskosten van B. S. IV. ONTVANKELIJKHEID Het hoger beroep werd tijdig en met een naar de vorm regelmatige akte ingesteld, zodat het ontvankelijk is. V. TEN GRONDE
- De feiten Op 4 maart 1976 kwam mevrouw V. als bediende in dienst van de N.V. hierna kortweg de N.V. genoemd. Voor de sociale verkiezingen van 1991 werd zij door de BBTK als kandidaat voor de ondernemingsraad voorgedragen maar niet verkozen. Op 25 oktober 1994 startte de N.V. bij de Arbeidsrechtbank te Antwerpen de in artikel 4 van de Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden voorziene procedure, strekkend tot voorafgaande aanneming van dringende redenen, teneinde te kunnen overgaan tot het ontslag van mevrouw V. In november 1994 besliste de Voorzitter van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen de arbeidsovereenkomst te schorsen. Op 12 januari 1995 legde de N.V. strafklacht neer bij de Procureur des Konings te Antwerpen, onder meer tegen mevrouw V. Bij vonnis van de arbeidsrechtbank van 24 januari 1995 werd de vordering van mevrouw V. naar de bijzondere rol verzonden, in afwachting van het resultaat van het strafonderzoek. Bij vonnis van 27 oktober 1998 van de Correctionele Rechtbank te Antwerpen werd mevrouw V. vrijgesproken van de haar ten laste gelegde feiten. Deze beslissing werd bij arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen bevestigd. Het cassatieberoep dat tegen dit arrest werd ingesteld, werd verworpen bij arrest van het Hof van Cassatie van 16 oktober
- Met dagvaarding van 12 december 1997 vorderde mevrouw V. ten laste van de N.V. hetgeen hiervoor sub II werd uiteengezet. Met vonnis van 12 januari 2000 beslisten de eerste rechters hetgeen is weergegeven onder punt II van dit arrest. Tegen dit vonnis stelde mevrouw V. op 7 september 2000 hoger beroep in. Met dagvaarding van 7 april 2003 vorderde mevrouw V. ten laste van B. S. dat hij zou tussenkomen in de procedure en dat het te wijzen arrest hem "gemeen" (lees: verbindend) zou worden verklaard.
- De beoordeling 2.
- de verplichting van de werkgever tot betaling van een inkomen gelijk aan het nettoloon (art. 9 Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden) Artikel 9 van de Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden luidt als volgt: "Indien de voorzitter van de arbeidsrechtbank bij wijze van voorlopige maatregel voor een personeelsafgevaardigde beslist of indien de werkgever voor een kandidaat personeelsafgevaardigde beslist dat de uitvoering van de arbeidsovereenkomst moet geschorst blijven tot hem de in kracht van gewijsde gegane uitspraak over de ernst van de door de werkgever ingeroepen redenen wordt betekend of, indien er geen hoger beroep geweest is, tot bij het verstrijken van de termijn voor hoger beroep moet de werkgever op het einde van elke gewone betaalperiode een vergoeding bovenop de werkloosheidsuitkeringen betalen, waardoor aan de personeelsafgevaardigde of aan de kandidaat personeelsafgevaardigde een inkomen wordt gewaarborgd dat gelijk is aan zijn nettoloon. De Koning bepaalt de wijze van berekening van deze bijkomende vergoeding. Het referteloon dat als basis dient voor de berekening van de bijkomende vergoeding is gebonden aan de evolutie van het indexcijfer van de consumptieprijzen overeenkomstig de formule geregeld bij de collectieve arbeidsovereenkomst die op de werknemer van toepassing is of, bij ontstentenis van dergelijke overeenkomst, volgens de formule die normaal van toepassing is op het loon van deze werknemer. De bepalingen van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers zijn van toepassing op de betaling door de werkgever van de bij dit artikel bedoelde bijkomende vergoeding. De bijkomende vergoeding bedoeld in het eerste lid blijft verworven voor de personeelsafgevaardigde (en aan de kandidaat-personeelsafgevaardigde), ongeacht de beslissing van het arbeidsgerecht over de door de werkgever ingeroepen redenen." Artikel 1 van het K.B. van 21 mei 1991 genomen in uitvoering van voormelde wet, luidt als volgt: "§
- De vergoeding, verschuldigd aan de werknemer in uitvoering van artikel 9 van de wet van 19 maart 1991 houdende bijzondere ontslagregeling voor de personeelsafgevaardigden in de ondernemingsraden en in de comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen alsmede voor de kandidaat personeelsafgevaardigden, is gelijk aan het verschil tussen het maandelijks bedrag van de werkloosheidsvergoedingen en het netto referteloon. §
- Het netto referteloon bestaat uit: - het gemiddeld bedrag van het nettoloon vermeerderd met de voordelen verworven krachtens de arbeidsovereenkomst, - en, in voorkomend geval, van het gemiddeld netto bedrag van de voordelen in natura. Om het nettobedrag van het loon en de voordelen te bepalen, dient men het brutobedrag te verminderen met de persoonlijke bijdragen inzake sociale zekerheid en de fiscale afhouding. Het netto referteloon wordt afgerond naar de hogere honderd franken. Het gemiddelde bedoeld in het eerste lid wordt berekend op basis van het loon of de voordelen die werden betaald of hadden moeten betaald worden in de loop van de twaalf maanden, voorafgaand aan de maand gedurende dewelke de schorsing van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst begon, gedeeld door twaalf. Wanneer de werknemer geen recht gehad heeft op een loon en op voordelen gedurende al de maanden van de referteperiode, zal het gemiddelde slechts berekend worden voor de maanden gedurende dewelke een recht verworven werd. §
- Het maandelijks bedrag van de werkloosheidsuitkering bedoeld in artikel 1, wordt bekomen door het dagbedrag van de werkloosheidsuitkering te vermenigvuldigen met 26." Mevrouw V. voert aan dat zij van de N.V. na de schorsing van de arbeidsovereenkomst in het jaar 1995 en de daaropvolgende jaren niet het netto inkomen heeft ontvangen zoals haar dat door artikel 9 van voormelde wet zou worden gegarandeerd. Uit de dagvaarding blijkt dat zij dit afleidt uit de omstandigheid dat zij voor het inkomstenjaar 1995 aan de fiscus nog een bedrag van 268 171 BEF verschuldigd bleef, daar waar zij in de voorgaande aanslagjaren nooit bijkomende belasting diende te betalen. Uitgaande van een volgens de N.V. verschuldigd nettoloon van 80 535 BEF per maand, en dat volgens mevrouw V. minimaal verschuldigd was, zou de N.V. jaarlijks minimaal nog een nettobedrag van 264 152 BEF moeten ophoesten om aan haar wettelijke verplichtingen te voldoen. Mevrouw V. gaat ervan uit dat de N.V. op grond van de wet gehouden is haar een inkomen te waarborgen dat gelijk is aan het nettoloon dat zij verdiende voorafgaand aan de schorsing van de arbeidsovereenkomst. Blijkbaar wil mevrouw V. dat haar een gelijk fiscaal netto inkomen op jaarbasis wordt gewaarborgd, dit wil zeggen niet alleen na aftrek van socialezekerheidsbijdragen (voor zover die al verschuldigd zijn) en bedrijfsvoorheffing, maar na aftrek van de eigenlijke belasting. Het Hof oordeelt ter zake als volgt. Krachtens artikel 9 van de Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden moet de werkgever op het einde van elke gewone betaalperiode een vergoeding bovenop de werkloosheidsuitkeringen betalen, waardoor aan de personeelsafgevaardigde of aan de kandidaat personeelsafgevaardigde een inkomen wordt gewaarborgd dat gelijk is aan zijn nettoloon. In diezelfde bepaling wordt het aan de Koning overgelaten de wijze van berekening van die bijkomende vergoeding vast te stellen, waaronder dient te worden verstaan dat Hij meteen ook kan vaststellen op welke wijze een inkomen wordt gewaarborgd dat geacht wordt gelijk te zijn aan het nettoloon. Naar het oordeel van het Hof blijkt uit de tekst van artikel 9 niet dat aan de beschermde werknemer wiens arbeidsovereenkomst is geschorst een inkomen wordt gegarandeerd dat gelijk is aan zijn netto maandelijks inkomen, zoals mevrouw V. dat verstaat. Bijgevolg staat niets eraan in de weg dat de Koning, door gebruik te maken van de bevoegdheid die de wetgever Hem heeft gegeven, de omvang van de bijkomende vergoeding derwijze vaststelt dat ze niet noodzakelijk een inkomen garandeert dat gelijk is aan het netto inkomen, zoals mevrouw V. dat verstaat. Naar het oordeel van het Hof bestaat er dan ook geen aanleiding om in toepassing van artikel 159 van de Grondwet de toepassing van artikel 1 van het K.B. van 21 mei 1991 te weigeren. De overige door partijen aangevoerde feiten en middelen doen naar het oordeel van het Hof daaraan geen afbreuk. Ten overvloede merkt het Hof op dat uit niets blijkt dat het de bedoeling van de wetgever zou geweest zijn om aan de beschermde werknemer als bedoeld in artikel 9 van de Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden, een gelijk fiscaal netto inkomen op jaarbasis te waarborgen, in de zin dat van het brutoloon niet alleen de socialezekerheidsbijdragen (voor zover die al verschuldigd zijn) en bedrijfsvoorheffing zouden moeten worden afgetrokken, maar bovendien ook de eigenlijke belasting, temeer omdat dat inkomen mede kan beïnvloed worden door andere - aan de tewerkstelling geheel vreemde - factoren die het voor de werkgever overigens quasi onmogelijk zouden maken zulk een inkomen te becijferen. Bovendien wordt in het sociaal recht onder "netto inkomen" doorgaans het loon bedoeld dat overblijft na aftrek van socialezekerheidsbijdragen en bedrijfsvoorheffing en dus niet na aftrek van de socialezekerheidsbijdragen en de eigenlijke belasting. 2.
- de omvang van de verschuldigde vergoedingen 2.2.
- de indexering van het referteloon Tussen partijen wordt blijkbaar niet betwist dat het netto referteloon zoals bedoeld in artikel 1 van het K.B., 80 535 BEF of 1 996,41 EUR bedroeg. Blijkbaar wordt niet betwist dat de N.V. op basis van dit netto referteloon de bruto door haar verschuldigde aanvullende vergoeding heeft berekend en het daarmee overeenstemmende nettobedrag (na inhouding van bedrijfsvoorheffing en socialezekerheidsbijdragen) aan mevrouw V. heeft betaald. Uitgaande van die vaststelling kan besloten worden dat de N.V. in beginsel aan haar wettelijke verplichtingen heeft voldaan. Mevrouw V. voert echter aan dat de N.V. voor de berekening van de bijzondere vergoeding nagelaten heeft het referteloon aan te passen aan de evolutie van het indexcijfer van de consumptieprijzen, zoals voorgeschreven door artikel 9, 2de lid van de Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden en waarvoor zij klacht heeft neergelegd bij de inspectie van de sociale wetten. Op grond van voornoemde klacht voert de N.V. aan dat de behandeling van de burgerlijke vordering moet geschorst worden op grond van de regel "le criminel tient le civil en état". Het Hof oordeelt ter zake als volgt. De regel neergelegd in artikel 4 van de wet van 17 april 1878 krachtens welke de burgerlijke rechtsvordering die niet terzelfdertijd en voor dezelfde rechters als de strafvordering wordt vervolgd, geschorst is zolang niet definitief beslist is over de strafvordering, is hierdoor verantwoord dat het strafvonnis, ten overstaan van de afzonderlijke ingestelde burgerlijke rechtsvordering, gezag van gewijsde heeft aangaande de punten die aan de strafvordering en aan de burgerlijke rechtsvordering gemeen zijn. De toepassing van voormelde regel impliceert dat de strafvordering aanhangig wordt gemaakt hetzij ingevolge het openen van een gerechtelijk onderzoek op vordering van de procureur des Konings of ingevolge een klacht met burgerlijkepartijstelling, hetzij ingevolge een rechtstreekse dagvaarding voor de strafrechter door de procureur des Konings of de burgerlijke partij. (Cass 16 mei 2003, A.R. C.010473.N, www.cass.be) Nu evenwel uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan niet blijkt dat een strafvordering in de zin zoals hiervoor bepaald aanhangig is gemaakt, bestaat er geen aanleiding om de behandeling van de burgerlijke vordering op te schorten. Voor wat betreft de gegrondheid van de door mevrouw V. geformuleerde aanspraken, stelt het Hof vast dat de N.V. niet betwist dat zij heeft nagelaten het referteloon aan te passen aan de indexeringen zoals hiervoor bedoeld, waardoor de door haar betaalde bijzondere vergoedingen dus niet overeenstemmen met wat wettelijk verschuldigd was. Op de openbare terechtzitting van 22 november 2004 erkent mevrouw V. evenwel dat inmiddels alle indexeringen zoals hiervoor bedoeld door de N.V. werden betaald. Haar eis is bijgevolg zonder voorwerp geworden. 2.2.
- de verhogingen voor anciënniteit en leeftijd Mevrouw V. is tevens van oordeel dat de N.V. gehouden is de bijzondere vergoeding waarvan hiervoor sprake aan te passen aan verhogingen van het loon voor anciënniteit en leeftijd. Het Hof stelt echter samen met het openbaar ministerie en de N.V. vast dat hiervoor geen enkele rechtsgrond voorhanden is. In de mate dat de eis van mevrouw V. steunt op de beweerde verschuldigdheid van verhogingen voor leeftijd en anciënniteit, is de eis ongegrond. Vanzelfsprekend kan evenmin gevolg gegeven worden aan de eis van mevrouw V. om in toepassing van artikel 877 van het Gerechtelijk Wetboek de N.V. te veroordelen tot overlegging van de stukken met betrekking tot de evolutie van de loonbarema's zoals bepaald op ondernemingsniveau. 2.2.
- socialezekerheidsbijdragen Mevrouw V. voert aan dat tijdens de schorsing van de arbeidsovereenkomst door de N.V. geen socialezekerheidsbijdragen op de bijzondere vergoeding werden ingehouden of betaald. Mevrouw V. vordert dat de N.V. zou worden veroordeeld tot betaling aan de RSZ van de verschuldigde werkgevers- en werknemersbijdragen over de periode die betrekking heeft op alle maandelijks uitbetaalde bijzondere vergoedingen. Het Hof kan terzake het advies van het openbaar ministerie volledig onderschrijven. Daarin wordt het volgende gesteld: "Artikel 2, 3de lid, 3° van de Loonbeschermingswet voorziet dat vergoedingen welke rechtstreeks of onrechtstreeks door de werkgever worden betaald en welke moeten beschouwd worden als een aanvulling van de voordelen toegekend voor de verschillende takken van de sociale zekerheid niet als loon worden beschouwd. Het is juist omwille van deze bepaling dat in artikel 9, 3de lid van de Wet betreffende de ontslagregeling van personeelsafgevaardigden uitdrukkelijk werd voorzien dat de bepalingen van de Loonbeschermingswet van toepassing zijn op de betaling door de werkgever van voornoemde bijkomende vergoeding. Vermits de bijdragen voor sociale zekerheid overeenkomstig artikel 14, §§ 1 en 2 van de wet van 27 juni 1969 moeten berekend worden op grond van het loon van de werknemer en voor datgene dat onder 'loon' moet begrepen worden verwezen wordt naar artikel 2 van de Loonbeschermingswet, benevens de door de Koning te bepalen uitbreidingen of beperkingen, dient besloten te worden dat de bijkomende vergoeding als aanvulling van een socialezekerheidsvoordeel vrijgesteld is van socialezekerheidsbijdragen. (B. MERGITS - I. VAN PUYVELDE, De bescherming van de (kandidaat-) personeelsafgevaardigden in de ondernemingsraden en comités voor preventie en bescherming op het werk, uitg. Standaard - 1999, p. 90) De vordering van appellante welke ertoe strekt geïntimeerde te horen veroordelen tot betaling van de socialezekerheidsbijdragen uit hoofde van de aanvullende vergoeding welke door deze laatste verschuldigd is, dient bijgevolg afgewezen te worden." 2.
- de eis in tussenkomst tegen B. S. 2.3.
- de ontvankelijkheid Krachtens artikel 812, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, kan tussenkomst geschieden voor alle gerechten, ongeacht de vorm van de rechtspleging, echter zonder dat reeds bevolen onderzoeksverrichtingen afbreuk mogen doen aan de rechten van de verdediging. Volgens het tweede lid van die bepaling, kan de tussenkomst tot het verkrijgen van een veroordeling niet voor de eerste maal in hoger beroep plaatsvinden. Te dezen heeft mevrouw V. in graad van hoger beroep met dagvaarding van 7 april 2003 B. S. in tussenkomst geroepen teneinde hem het arrest gemeen te horen verklaren (lees: verbindend te verklaren). Nu deze eis niet strekt tot enige veroordeling en bovendien voorheen geen enkele onderzoeksmaatregel was bevolen waaraan afbreuk zou kunnen gedaan zijn, is voldaan aan de voorwaarden van artikel 812 van het Gerechtelijk Wetboek. Deze eis is bijgevolg ontvankelijk. Dat afbreuk zou gedaan zijn aan het recht van verdediging, zoals B. S. beweert, gelet op het grote tijdsverloop tussen enerzijds de dagvaarding en anderzijds de dagvaarding in tussenkomst, houdt geen steek. Dit tijdsverloop tast in genen dele de mogelijkheid om zijn verdediging te voeren aan, temeer daar ten laste van B. S. geen enkele veroordeling wordt gevorderd. Bovendien heeft B. S. kennis kunnen nemen van alle door partijen aangevoerde middelen en hij heeft daarover conclusie kunnen nemen. Het is dan ook bevreemdend dat B. S. zich aangetast voelt in zijn recht van verdediging, terwijl tegelijkertijd moet worden vastgesteld dat hij nagelaten heeft nog gebruik te maken van het hem verleende recht om conclusies te nemen ingevolge de beschikking van 14 juni
- 2.3.
- gegrondheid van de eis in tussenkomst Samen met het openbaar ministerie, is ook het Hof van mening dat de vordering in tussenkomst strekkende tot de verbindendverklaring van het arrest gegrond moet verklaard worden. Het Hof sluit zich dan ook volledig aan bij de hiervoor door het openbaar ministerie ontwikkelde argumentatie, zoals die hierna wordt weergegeven. De vordering tot verbindendverklaring van een te wijzen beslissing heeft enkel tot doel te beletten dat de verweerder op deze eis eventueel in een afzonderlijk met de eiser gevoerde procedure zou kunnen opwerpen dat deze beslissing hem niet kan tegengeworpen worden. Het is dan ook voldoende dat deze mogelijkheid bestaat opdat de eiser van de vordering in verbindendverklaring zou aantonen dat hij er belang bij heeft de te wijzen beslissing bindend voor de verweerder te horen verklaren. Het behoort daarom niet toe aan de rechter, nu de vordering van louter bewarende aard is, bij de beoordeling van dergelijke eis betwistingen te beslechten waarover de partijen eventueel in een tussen hen afzonderlijk gevoerd geding zouden kunnen debatteren, zelfs indien de oplossing van deze betwistingen zou aantonen dat de eiser geen belang heeft bij de verbindendverklaring van de gerechtelijke beslissing. De eis tot verbindendverklaring is toelaatbaar en gegrond zodra een duidelijk belang, namelijk een materieel of moreel voordeel dat door de eiser ervan mag verwacht worden, waardoor zijn actuele rechtstoestand gewijzigd of verbeterd zou kunnen worden, in zijnen hoofde aanwezig is. De eiser in verbindendverklaring dient derhalve slechts aan te tonen dat hij er belang bij heeft zich tegenover de derde te kunnen beroepen op het gezag van gewijsde van het verbindend te verklaren vonnis of arrest. Vermits het Hof slechts gevat is door een vordering in verbindendverklaring ten laste van B. S., kan er niet geoordeeld worden over betwistingen die betrekking hebben op de procedure ten gronde die desgevallend later nog tussen partijen zou kunnen gevoerd worden. 2.
- de oorspronkelijke tegeneis: de devolutieve werking van het hoger beroep Voor de eerste rechters stelde de N.V. ten laste van mevrouw V. een tegeneis in, strekkend tot betaling van een schadevergoeding van 7 039 481 BEF en van 2 248 725 BEF. Met vonnis van 12 januari 2000 werd deze eis naar de bijzondere rol verwezen in afwachting van een definitieve uitspraak van de strafrechter. Ingevolge de devolutieve werking van het hoger beroep is ook dit geschil onttrokken aan de rechter in eerste aanleg en overgeheveld naar de appelrechter. Aangezien partijen met geen woord reppen over deze tegenvordering, past het dat het debat wordt heropend teneinde partijen toe te laten desbetreffende standpunt in te nemen. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waarvan de voorschriften werden nageleefd. Gehoord de heer F. SLACHMUYLDERS, Substituut-generaal, in de lezing van zijn schriftelijk advies op de openbare terechtzitting van 10 januari
- Na beraadslaging, rechtsprekend op tegenspraak, Rechtsprekend over het hoger beroep, Verklaart het ontvankelijk, en reeds in volgende mate ongegrond, Bevestigt het bestreden vonnis van 12 januari 2000 van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen in de mate dat het de eis strekkend tot veroordeling van de N.V. tot betaling van de aanpassingen voor anciënniteit en leeftijd van de bijkomende vergoeding als bedoeld in artikel 9 van de Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden die verschuldigd is aan mevrouw V. en de eis strekkend tot veroordeling van de N.V. tot betaling van socialezekerheidsbijdragen op die bijkomende vergoeding aan de RSZ ongegrond heeft verklaard. Vernietigt het vonnis van 12 januari 2000 van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen in de mate dat het de eis van mevrouw V. strekkend tot betaling van indexaanpassingen op de bijkomende vergoedingen ongegrond verklaard heeft. En opnieuw rechtsprekend daarover, Verklaart deze eis zonder voorwerp. En vooraleer verder recht te spreken, Beveelt de heropening van het debat teneinde partijen toe te laten conclusies te nemen betreffende het in de overwegingen van dit arrest vermelde punt. Stelt deze zaak voor verdere behandeling na heropening van het debat op de openbare terechtzitting van deze kamer van 27 juni 2005, om 9.30 uur, in zaal G, gelijkvloers. Rechtsprekend over de eis in tussenkomst en vrijwaring, Verklaart deze ontvankelijk en gegrond. Verklaart het arrest verbindend ten aanzien van B. S. Houdt de beslissing over de kosten aan. Aldus gewezen en uitgesproken door de tweede kamer van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen in openbare terechtzitting van achtentwintig februari tweeduizend en vijf, waar aanwezig waren : de heer J. GOEMANS, Raadsheer, voorzitter van de kamer, de heer J. DE NEEF, Raadsheer in sociale zaken, als werkgever, de heer H. LUYCKX, Raadsheer in sociale zaken, als werknemer-bediende, de heer L. VISKENS, Griffier. PDF document ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20050228.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div