← België

ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20050303.5

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 03 maart 2005 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20050303.5 Rolnummer: 2003-0652 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2005-11-10 Raadplegingen: 107 - laatst gezien 2026-07-01 02:42 Fiches 1 - 2 De (door de curator) ontslagen werknemer die na het faillissement wordt overgenomen door de onderneming die de firma overneemt is principieel gerechtigd op een overbruggingsvergoeding voor de periode tussen ontslag en overname. Wanneer de werknemer de facto geen overbruggingsvergoeding uitbetaald krijgt - wegens het ontvangen van loon in de betrokken periode (tijdelijk in dienst van de curator) - betekent dit niet dat hij/zij gerechtigd zou zijn op een verbrekingsvergoeding. Met de termen : "de werknemer die een overbruggingsvergoeding geniet" in artikel 2 ,§ 5 wet 30 juni 1967 wordt bedoeld : de werknemer die de voorwaarden vervult om aanspraak te maken op de overbruggingsvergoeding, waarbij het niet vereist is dat ze effectief wordt uitgekeerd. Vrije woorden: ARBEIDSVOORZIENING . SLUITING VAN ONDERNEMINGEN . GEWAARBORGDE BETALING VAN LONEN EN VERGOEDINGEN Verplichtingen van het fonds. Wettelijke bepalingen: Wet - 30-06-1967 - 2,§5 - 01 ELI link Pub nr 1967063005 Vrije woorden: ARBEIDSVOORZIENING . SLUITING VAN ONDERNEMINGEN . GEWAARBORGDE BETALING VAN LONEN EN VERGOEDINGEN Overbruggingsvergoeding - toepassingsgebied Wettelijke bepalingen: Wet - 12-04-1985 - 4 - 30 ELI link Pub nr 1985012471 Nota: Gerangschikt onder V E II - artikel 2, ,§ 5 en onder V E IV - artikel

  1. Annotaties Publicaties: JOURNAL DES TRIBUNAUX DU TRAVAIL - - 2005(00927,P.399) Tekst van de beslissing A.R. 2030652 OPENBARE TERECHTZITTING VAN DRIE MAART TWEEDUIZEND EN VIJF In de zaak: FONDS TOT VERGOEDING VAN DE IN GEVAL VAN SLUITING VAN ONDERNEMINGEN ONTSLAGEN WERKNEMERS, openbare instelling met rechtspersoonlijkheid, met burelen gevestigd te 1000 Brussel, Keizerslaan 7, appellant, ter zitting vertegenwoordigd door mr. T. D. S., advocaat te 9200 Dendermonde, tegen: M. S., geïntimeerde, ter zitting vertegenwoordigd door mr. I. D. C., loco mr. L. E., advocaat te 2000 Antwerpen. Het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, spreekt na beraadslaging het volgende arrest uit.
  2. Procedure Het arbeidshof heeft kennis genomen van volgende stukken van rechtspleging: - het proces-verbaal van de openbare terechtzittingen van 3 december 2003, 4 november 2004 en 2 december 2004; - het eensluidend verklaard afschrift van het op tegenspraak gewezen vonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen van 16 oktober 2003 (A.R. 346.069); - het verzoekschrift tot hoger beroep, per aangetekende post verzonden op 13 november 2003 en ontvangen op de griffie van dit hof op 14 november 2003; - de conclusies voor geïntimeerde, ontvangen op de griffie van dit hof op 3 maart 2004; - de beschikking van de eerste voorzitter van dit hof van 7 mei 2004 overeenkomstig artikel 747, ,§2 Ger. W.; - de conclusies voor appellant, ontvangen op de griffie van dit hof op 29 juni 2004; - de aanvullende conclusies voor geïntimeerde, ontvangen op de griffie van dit hof op 30 september 2004; deze conclusies werden buiten de termijn zoals bepaald in de beschikking overeenkomstig artikel 747, ,§2 Ger.W. neergelegd maar appellant verklaarde ter zitting van 4 november 2004 geen bezwaar te hebben tegen de neerlegging ervan; - het schriftelijk advies van het openbaar ministerie, gelezen en neergelegd op de openbare terechtzitting van 2 december 2004, waarvan een afschrift in toepassing van artikel 767, ,§3 Ger.W. aan partijen werd verzonden op 2 december 2004; - de repliekconclusie na advies openbaar ministerie voor geïntimeerde, neergelegd op de griffie van dit hof op 13 december
  3. Het arbeidshof heeft tevens kennis genomen van het bundel van appellant bestaande uit 7 genummerde stukken en het bundel van geïntimeerde bestaande uit 14 genummerde stukken. Het arbeidshof heeft de middelen en conclusies van partijen gehoord tijdens de openbare terechtzitting van 4 november
  4. Daarna zijn de debatten gesloten en is de zaak medegedeeld aan het openbaar ministerie voor uitbrenging schriftelijk advies op de zitting van 2 december
  5. Ontvankelijkheid van het hoger beroep Met een verzoekschrift, per aangetekende post ontvangen op de griffie van dit hof op 14 november 2003, tekende het Fonds tot vergoeding van de in geval van sluiting van ondernemingen ontslagen werknemers (hierna het Fonds genoemd) hoger beroep aan tegen een vonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen van 16 oktober 2003 (A.R. 346.069). Overeenkomstig artikel 792, tweede lid gerechtelijk wetboek werd met gerechtsbrief van 17 oktober 2003 een afschrift van het vonnis aan partijen verzonden. Het hoger beroep werd tijdig ingesteld, is regelmatig naar de vorm en ontvankelijk.
  6. Feiten en voorgaande rechtspleging Mevrouw M. S. was sedert 25 november 1985 werkzaam als bediende bij de nv JEV S.-C. P. te Deurne met een arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur. Bij vonnis van de rechtbank van koophandel te Antwerpen van 3 december 1999 werd de werkgever failliet verklaard. De arbeidsovereenkomst van mevrouw M. S. werd door de curator verbroken met ingang van 10 december 1999 (stuk 1 geïntimeerde: brief van 9 december 1999 uitgaande van Ch. M. en gericht aan M. S.). Vervolgens werd mevrouw M. S. opnieuw door het faillissement, vertegenwoordigd door curator meester E. V. C., in dienst genomen als bediende vanaf 13 december 1999 tot 17 december 1999 (zie stuk 3 geïntimeerde: arbeidsovereenkomst van bepaalde duur van 13 december 1999 tussen faillissement JEV S.-C. P. NV en S. M.). Op 20 december 1999 werd de gefailleerde onderneming overgenomen door de NV B. & M. P. en trad mevrouw M. S. in dienst bij deze overnemer met behoud van anciënniteit (zie stuk 5 geïntimeerde: arbeidsovereenkomst voor bedienden tussen de NV in oprichting BMP en M. S.). Op 21 augustus 2000 diende mevrouw M. S. bij het Fonds een aanvraag in tot tegemoetkoming voor volgende bedragen (zie stuk 4 appellant: formulier BC 901 A): - achterstallig loon van 1/12 t/m 10/12/99: 41.750 fr. (1.034,95 euro) - vakantiegeld: 168.779 fr. (4.183,92 euro) - eindejaarspremie: 110.028 fr. (2.727,52 euro) - sociaal abonnement: 145 fr. ( 3,59 euro) - onkostenvergoeding: 1.217 fr. ( 30,17 euro) - opzeggingsvergoeding: 2.224.556 fr. (55.145,30 euro) Op 16 november 2001 heeft het Fonds aan mevrouw M. S. een bedrag betaald van 3.592,87 euro (144.936 fr.) zijnde het netto equivalent van volgende bruto bedragen (zie stuk 11 geïntimeerde: afrekening van het Fonds inzake aanvraag tot contractuele vergoedingen) - loon voor 1/12 t/m 10/12/1999: 1.750 fr. (1.034,95 euro) - onkostenvergoeding december 1999: 1.217 fr. ( 30,17 euro) - eindejaarspremie: 75.000 fr. (1.859,20 euro) - sociaal abonnement: 145 fr. ( 3,50 euro) - vakantiegeld einde dienst: 137.501 fr. (3.408,56 euro) De door mevrouw M. S. gevorderde opzeggingsvergoeding van 55.145,30 euro (2.224.556 fr.) werd echter door het Fonds niet uitbetaald. Met inleidende dagvaarding, aan het Fonds betekend op 13 mei 2002 door het ambt van gerechtsdeurwaarder A. B., vorderde mevrouw M. S. het Fonds te veroordelen tot betaling van 22.310,42 euro (900.000 fr.) opzeggingsver-goeding te vermeerderen met de gerechtelijke intresten tot de dag van algehele betaling en met de kosten van het geding. Bij vonnis van de eerste kamer van de arbeidsrechtbank te Antwerpen van 16 oktober 2003 werd de vordering van mevrouw M. S. ontvankelijk en als volgt gegrond verklaard: - het Fonds werd veroordeeld tot betaling van 15.973,94 euro aan mevrouw M. S., te verminderen met de wettelijk verplichte inhoudingen, in zoverre verschuldigd, en te vermeerderen met de wettelijke en gerechtelijke intresten op het netto opeisbaar gedeelte van dit bedrag en de kosten; - aan de zijde van mevrouw M. S. werden de kosten begroot op 97,53 euro dagvaarding en op 200,79 euro rechtsplegingsvergoeding; aan de zijde van het Fonds werden de kosten niet begroot. Met verzoekschrift, aangetekend verzonden op 13 november 2003 en ontvangen op de griffie van dit hof op 14 november 2003, tekende het Fonds hoger beroep aan tegen voornoemd vonnis.
  7. Eisen in hoger beroep Het Fonds (appellant) vordert het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren en opnieuw recht doende: x in hoofdorde: - de vordering van geïntimeerde ontvankelijk te verklaren, doch als ongegrond af te wijzen; - de kosten als naar recht te bepalen, doch te zeggen voor recht dat appellant niet kan worden veroordeeld tot de kosten van de dagvaarding; x in ondergeschikte orde: - voor zover het oordeel zou zijn dat geïntimeerde wel aanspraak kan maken op een verbrekingsvergoeding, te zeggen voor recht dat geïntimeerde gerechtigd is op een bruto-bedrag van 15.973,94 euro, met dien verstande dat geïntimeerde verplicht is de inhoudingen te doen die worden opgelegd bij toepassing van de belastingwetgeving, van de wetgeving betreffende de sociale zekerheid en bij toepassing van de bijzondere overeenkomsten of collectieve arbeidsovereen-komsten betreffende de aanvullende voordelen inzake sociale zekerheid en de ingehouden bedragen aan de betrokken instellingen over te dragen; - de gerechtelijke intresten in elk geval slechts toe te kennen op het aan geïntimeerde toekomende netto-bedrag. Mevrouw M. S. (geïntimeerde) vordert: - het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren en het vonnis a quo te bevestigen; - appellant te veroordelen tot de kosten van het geding, aan de zijde van geïntimeerde begroot op 97,53 euro dagvaardingskosten, op 200,79 euro rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg en op 273,67 euro rechtslegingsvergoeding hoger beroep.
  8. Ten gronde 5.1 Situering van het geschil M. S. vordert ten laste van het Fonds de betaling van een verbrekings-vergoeding ten bedrage van 22.310,42 euro. De eerste rechter oordeelde dat het Fonds gehouden is tot betaling van een verbrekingsvergoeding ten bedrage van 15.973,94 euro op grond van volgende overwegingen: "Overeenkomstig artikel 2, ,§ 5 van de Wet van 30 juni 1967 tot verruiming van de opdracht van het Fonds tot vergoeding van de in geval van sluiting van ondernemingen ontslagen werknemers is het Fonds er niet toe gehouden een verbrekingsvergoeding te betalen aan de werknemer die de overbruggingsvergoeding geniet bepaald bij artikel 4 van de wet van 12 april
  9. Overeenkomstig artikel 4 van de Wet van 12 april 1985 kunnen de overgenomen werknemers wier activiteiten onderbroken werden ten gevolge van het faillissement of van het gerechtelijk akkoord door boedelafstand aanspraak maken op een overbruggingsuitkering ten laste van het Fonds voor het tijdvak dat ingaat op de datum van die onderbreking als gevolg van de gehele of gedeeltelijke onderbreking van de activiteit van de onderneming en eindigt op de dag van de indienstneming door de nieuwe werkgever. (...)Ingeval van de verdere tewerkstelling van de werknemers door de curator in het kader van artikel 47 van de faillissementwet is er echter geen sprake van een dergelijke onderbreking (H. VAN HOOGENBEMPT, Overbruggingsvergoeding, A.T.O., O-601, nr. 8110). In casu heeft eiseres van 13 december tot 17 december 1999 gewerkt voor rekening van het faillissement van de NV JEV S.-C. P. zodat er geen sprake is van een onderbreking in de zin van artikel 4 van de Wet van 12 april
  10. Artikel 2, ,§ 5 van de Wet van 30 juni 1967 is bijgevolg niet van toepassing zodat verweerster gehouden is tot een tussenkomst in de verbrekingsvergoeding van eiseres. De Rechtbank is evenwel van oordeel dat zoals verweerster terecht opmerkt haar tussenkomst dient beperkt te worden tot een begrensd bedrag van 22.310,42 EURO per werknemer en per sluiting en dit gelet op de bepalingen van artikel 7, 4° lid van het K.B. van 6 juli
  11. Aangezien eiseres in het kader van de sluiting reeds een bedrag verkreeg van 6.336,48 EURO dient verweerster nog slechts tussen te komen voor een bedrag van 15.973,94 EURO." Appellant laat gelden: - dat, overeenkomstig artikel 2 ,§5 van de wet van 30 juni 1967 tot verruiming van de opdracht van het Fonds tot vergoeding van de ingeval van sluiting van ondernemingen ontslagen werknemers, het Fonds niet gehouden is een verbrekingsvergoeding te betalen indien de ontslagen werknemers recht kunnen laten gelden op een overbruggingsvergoeding overeenkomstig artikel 4 van de wet van 12 april 1985; - dat, gelet op de feitelijkheden in onderhavig geschil, geïntimeerde onmiskenbaar ressorteert onder het toepassingsveld van de wet van 12 april 1985 zodat zij principieel recht heeft op een overbruggings-vergoeding hetgeen de aanspraak op een verbrekingsvergoeding conform de wet van 30 juni 1967 uitsluit. Geïntimeerde laat gelden: - dat zij geen aanspraak kan maken op en overbruggingsvergoeding omdat zij niet voldoet aan de voorwaarden gesteld in artikel 4 van de wet van 12 april 1985 (geen onderbreking van de activiteit ten gevolge van het faillissement); - dat, wanneer er geen recht bestaat op een overbruggingsvergoeding, appellante in toepassing van artikel 2, ,§1 van de wet van 30 juni 1967 gehouden is tot betaling van een verbrekingsvergoeding. 5.
  12. Beoordeling Overeenkomstig artikel 2 ,§1 van de wet van 30 juni 1967 tot verruiming van de opdracht van het Fonds tot vergoeding van de in geval van sluiting van ondernemingen ontslagen werknemers (B.S. 13 juli 1967), dient het Fonds bij sluiting van een onderneming de werknemers ten aanzien van wie de werkgever zijn geldelijke verplichtingen niet nakomt, de lonen te betalen die verschuldigd zijn krachtens de individuele of collectieve arbeidso-vereenkomsten evenals de vergoedingen en voordelen verschuldigd krachtens de wet of collectieve arbeidsovereenkomsten. Overeenkomstig artikel 2 ,§5 van de wet van 30 juni 1967 is het Fonds, in afwijking van ,§ 1 en 2, er niet toe gehouden een verbrekingsvergoeding te betalen aan de werknemer die de overbruggingsvergoeding geniet bepaald bij artikel 4 van de wet van 12 april 1985 waarbij het Fonds tot vergoeding van de in geval van sluiting der ondernemingen ontslagen werknemers belast wordt met de uitbetaling van een overbruggingsvergoeding. In voormelde bepaling van artikel 2 ,§5 van de wet van 30 juni 1967 wordt met de termen "de werknemer die de overbruggingsvergoeding geniet" de werknemer bedoeld die de voorwaarden vervult om aanspraak te maken op de overbruggingsvergoeding (in analoge zin: Cass., 18 november 1991, R.W. 1991-1992, 1060). Om aanspraak te kunnen maken op een overbruggingsvergoeding moeten de werknemers, in toepassing van artikel 5 van de wet van 12 april 1985 waarbij het Fonds tot vergoeding van de in geval van sluiting der ondernemingen ontslagen werknemers belast wordt met de uitbetaling van een overbruggingsvergoeding, 1° ofwel op de datum van het faillissement of het gerechtelijk akkoord door boedelafstand verbonden zijn door een arbeidsovereenkomst of een leerovereenkomst, ofwel ontslagen zijn tijdens de maand die deze datum voorafgaat en recht hebben op een verbrekingsvergoeding die op deze datum niet of slechts gedeeltelijk werd uitbetaald; 2° overgenomen worden op het ogenblik van de overname van de activa of binnen een daaropvolgende bijkomende periode van zes maanden. Uit de niet betwiste feitelijke gegevens blijkt:
  13. dat op datum van het faillissement van de NV JEV S.-C. P., met name op 3 december 1999, geïntimeerde verbonden was door een arbeidsover-eenkomst met deze firma;
  14. dat op 20 december 1999 de activa van de failliete onderneming overgenomen werd door de NV B. & M. P. (BMP);
  15. dat geïntimeerde met ingang van 20 december 1999 in dienst trad van de NV BMP met behoud, in toepassing van de CAO 32bis, van haar anciënniteit bij de NV JEV S.-C. P. Geïntimeerde voldoet dienvolgens aan alle voorwaarden om aanspraak te kunnen maken op de overbruggingsvergoeding zodat zij t.o.v. het Fonds geen recht kan doen gelden op een verbrekingsvergoeding conform artikel 2 ,§5 van de wet van 30 juni 1967 tot verruiming van de opdracht van het Fonds tot vergoeding van de in geval van sluiting van ondernemingen ontslagen werknemers. De redengeving dat geïntimeerde niet daadwerkelijk een overbruggings-vergoeding kan genieten omdat zij loon heeft ontvangen voor de arbeid die verricht werd gedurende het tijdvak van volledige onderbreking van de activiteit van de onderneming (zie cumulatieverbod opgenomen in artikel 7, 2° van de wet van 12 april 1985), is niet terzake dienend. De eerste rechter heeft dienvolgens ten onrechte appellante veroordeeld tot betaling van een verbrekingsvergoeding aan geïntimeerde ten bedrage van 15.973,94 euro. Het hoger beroep is, wat dit onderdeel betreft, gegrond. 5.3 Gerechtskosten Met betrekking tot de gerechtskosten laat appellante ten onrechte gelden dat zij niet kan worden veroordeeld tot de kosten van de dagvaarding aangezien het geding overeenkomstig artikel 704 van het Gerechtelijk Wetboek kon worden ingeleid door middel van een verzoekschrift. Artikel 1017, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek geldt eveneens ten aanzien van de kosten van dagvaarding, wanneer de vordering die krachtens artikel 704, eerste lid van het Gerechtelijk Wetboek, bij verzoekschrift of bij aangetekende brief kon worden ingeleid (Cass., 30 april 1990, J.T.T., 1990, 369). Het hoger beroep is, wat dit onderdeel betreft, ongegrond. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Gehoord de heer J. Dekeersmaeker, substituut-generaal, op de openbare terechtzitting van 2 december 2004, in de lezing van zijn gelijkluidend schriftelijk advies. Geïntimeerde repliceerde schriftelijk op het advies. Doet uitspraak op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond. Vernietigt het vonnis gewezen en uitgesproken op 16 oktober 2003 door de eerste kamer van de arbeidsrechtbank te Antwerpen (A.R. 346.069), behoudens wat de veroordeling en de begroting van de kosten van het geding betreft. Opnieuw recht doende. Verklaart de initiële vordering van geïntimeerde, ingeleid voor de arbeidsrechtbank te Antwerpen met een akte van dagvaarding die aan appellant werd betekend op 13 mei 2002, ontvankelijk doch ongegrond. Verwijst appellant, overeenkomstig artikel 1017, tweede lid van het Gerechtelijk Wetboek, in de kosten van hoger beroep. Vereffent deze kosten aan de zijde van geïntimeerde op 279,62 euro rechtsplegingsvergoeding hoger beroep. Aan de zijde van appellant worden de kosten niet vereffend daar geen kostenopgave wordt ingediend. Uitgesproken in openbare terechtzitting op drie maart tweeduizend en vijf door de vierde kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, die samengesteld was uit : PDF document ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20050303.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.