← België

ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20050308.3

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 08 maart 2005 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20050308.3 Rolnummer: 2003-0013 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2005-11-29 Raadplegingen: 270 - laatst gezien 2026-07-03 23:01 Fiche 1 De door artikel 17 Ger. W. vereiste hoedanigheid en het belang moeten beoordeeld worden in hoofde van de eisende partij, en niet in hoofde van de verwerende partijen. Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP-RECHT-WETGEVING . GERECHTELIJK WETBOEK de ontvankelijkheid van de oorspronkelijke vordering. Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 17 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Fiche 2 De in de loop van de procedure bijkomend ingestelde vorderingen (eisuitbreiding) die steunen op het feit van de uitvoering van de veronderstelde arbeidsovereenkomst, feit dat als zodanig niet is terug te vinden in de gedinginleidende dagvaarding (alwaar enkel melding werd gemaakt van vorderingen die in verband staan met de beëindiging van de veronderstelde arbeidsovereenkomst), zijn in toepassing van artikel 807 Ger. W. onontvankelijk. Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP-RECHT-WETGEVING . GERECHTELIJK WETBOEK Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 807 - 30 Link Justel databank 19671010-30 Fiche 3 Het bewijs van de overeenkomst kan uit de constante uitvoering ervan worden afgeleid ("aveu en action"). De door partijen vooropgestelde kwalificatie van zelfstandige samenwerking blijft behouden indien de beschikbare elementen deze kwalificatie niet uitsluiten, en de in functie van het veronderstelde bestaan van een arbeidsovereenkomst geformuleerde eisen moeten bijgevolg worden afgewezen. Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID VOOR WERKNEMERS . ALGEMENE BEGINSELEN VAN DE SOCIALE ZEKERHEID toepassing - personen - vermeende arbeidsovereenkomst - schijnzelfstandigheid. Wettelijke bepalingen: Wet - 27-06-1969 - 1 - 04 ELI link Pub nr 1969062710 Nota: Gerangschikt onder I A - artikel 17, onder I A - artikel 807, en onder VII A - artikel 1 (verschillende korte inhouden). Annotaties Publicaties: LIMBURGS RECHTSLEVEN - - 2005(00002,P.113-131) Tekst van de beslissing ARBEIDSHOF TE ANTWERPEN Tweede Kamer Tegensprekelijk eindarrest (arbeidsovereenkomst voor bedienden) Arbeidshof te Antwerpen AFDELING HASSELT ARREST A.R. 2030013 OPENBARE TERECHTZITTING VAN ACHT MAART TWEEDUIZEND EN VIJF. In de zaak: S.P., Wonende te , appellant, verschijnend bij mr. T. V, advocaat te L; tegen :

  1. D.W. NV, Met zetel te ,
  2. P K, in zijn hoedanigheid van vereffenaar, vennoot, bestuurder, afgevaardigd bestuurder en voorzitter van de raad van bestuur van de CVBA O, K & K, wonende te
  3. A O, in zijn hoedanigheid van vennoot, bestuurder, afgevaardigd bestuurder van de CVBA O, K & K, wonende te
  4. J K, in zijn hoedanigheid van vennoot van de CVBA O, K & K, wonende te geïntimeerden, verschijnend bij mr. S loco mr. J. N, advocaat te H. geïntimeerden, verschijnend bij mr SNEYERS loco mr. J. NULENS, advocaat te Hasselt. Het Hof, na de zaak in beraad te hebben genomen, spreekt in openbare terechtzitting en in de Nederlandse taal het volgende arrest uit. Gelet op de uiteenzetting van de middelen van partijen tijdens de openbare terechtzitting van 8 februari
  5. Gelet op de processen-verbaal van de openbare terechtzitting van 4 februari 2003 en 8 februari
  6. I. RECHTSPLEGINGSSTUKKEN Gelet op de stukken van de rechtspleging, in het bijzonder: - het bestreden eindvonnis van de Arbeidsrechtbank te Hasselt gewezen op tegenspraak tussen partijen op 28 oktober 2002 en waarvan geen betekening wordt voorgelegd; - het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, op 8 januari 2003; - de conclusies van appellant ontvangen ter griffie op 22 januari 2004; - de conclusies en syntheseconclusies, inhoudende incidenteel beroep, van geïntimeerde ontvangen ter griffie op resp. 27 augustus 2003 en 16 november
  7. II. ONTVANKELIJKHEID VAN HET HOGER BEROEP EN VAN HET INCIDENTEEL BEROEP Met een verzoekschrift, op 8 januari 2003 neergelegd ter griffie van dit Hof, tekende appellant hoger beroep aan tegen een vonnis (A.R. 200/1952) van 28 oktober 2002 van de Arbeidsrechtbank te Hasselt. Het hoger beroep werd tijdig ingesteld en is regelmatig naar de vorm. Het hoger beroep is ontvankelijk. Het incidenteel beroep, door geïntimeerden ingesteld bij beroepsconclusies, is eveneens ontvankelijk. III. FEITEN EN VOORAFGAANDE RECHTSPLEGING
  8. Tussen de heer S P, huidige appellant, en de CVBA O A, K P en K J (hierna verder aangeduid als de CVBA), actief als dierenartsenpraktijk, werd op 22 december 1993 een samenwerkingsovereenkomst gesloten. In deze samenwerkingsovereenkomst werd, benevens de vermelding van de voorwaarden en modaliteiten van de samenwerking, onder meer vermeld dat appellant aandeelhouder werd van de CVBA en er als voltijds werkend vennoot actief zou zijn. Tevens werd in fine van deze overeenkomst vermeld dat appellant erkende dat de overeenkomst aangegaan werd op zelfstandige basis. Met een aangetekend schrijven van 10 juni 1999 stelde appellant een einde aan de overeenkomst. Dit schrijven luidt als volgt: "Geachte heer, Ik verwijs naar de overeenkomst zoals bestaande tussen de CVBA O A, K P en K J en mijzelve, overeenkomst d.d. 22.12.
  9. Inzake betreft het een arbeidsovereenkomst conform de wettelijke bepaling hieraan gegeven. Gezien ik gisteren ter griffie van de rechtbank van koophandel te Hasselt kennis heb genomen van het feit dat de CVBA in vereffening is en dit sedert 27.10.1998 zonder dat mij dienaangaande enige mededeling gedaan is - meen ik dat er in mijne hoofde redenen zijn voor ontslag wegens dringende redenen opzichtens u. Immers het hoger aangehaalde dient gelijk gesteld te worden met een verbreking der overeenkomst door u. Op grond van het gegeven dat immers deze vereffening aan mij nooit medegedeeld werd is het vertrouwen zoek en is elke verdere samenwerking onmogelijk. Ik heb dan ook de eer u mede te delen dat ik met ingang van maandag 14.6.1999 mij niet meer bij u zal aanbieden op grond van hoger aangehaalde redenen. Eerdaags zal ik u mijn aanspraken mededelen. Met hoogachting, (handtekening) S. P". Terzelfdertijd werd deze brief overgemaakt aan de heer P K als vereffenaar van de CVBA O.
  10. Op 25 mei 2000 ging appellant over tot dagvaarding van geïntimeerden voor de Arbeidsrechtbank te Hasselt teneinde hun solidair te horen veroordelen tot: - de betaling van een schadevergoeding dewelke hic et nunc provisioneel begroot wordt op 1 BEF; - de betaling van alle kosten van het geding met inbegrip van de rechtsplegings- en uitgavenvergoedingen. Tevens werd gevorderd om de voorlopige tenuitvoerlegging van het tussen te komen vonnis te horen bevelen niettegenstaande alle verhaalmiddelen en zonder borgstelling. Bij tussenvonnis van 29 maart 2001 van de Arbeidsrechtbank te Hasselt werd: - de vordering reeds ontvankelijk verklaard; - een heropening der debatten bevolen ten einde partijen, en inzonderheid appellant, toe te laten nadere gegevens te verstrekken omtrent de deontologische procedure destijds gevoerd voor de Orde der Dierenenartsen in verband met de professionele samenwerking tussen partijen; minstens de nodige nauwkeurige inlichtingen te verstrekken ten einde de rechtbank toe te laten zo nodig artikel 877 Ger. W. te kunnen toepassen ten opzichte van de aldus voldoende nauwkeurig te omschrijven derde en de door deze eventueel over te leggen stukken en/of te verstrekken informatie; partijen toe te laten hieromtrent nader stelling te nemen; - de zaak voor het overige, met inbegrip van de uitspraak over de kosten, aan te houden. Bij eindvonnis van 28 oktober 2002 van de Arbeidsrechtbank te Hasselt werd: - het vorig vonnis verder uitgewerkt; - akte genomen van de tegenvordering en deze werd ontvankelijk verklaard; - de gestelde hoofdvordering in al haar onderdelen ongegrond verklaard evenals de tegenvordering; - appellant veroordeeld tot de gerechtskosten. De eerste rechters oordeelden dat bij gebreke aan het bestaan van een bewezen arbeidsovereenkomst tussen partijen de rechtsgrond ontbreekt waarop appellant zijn vordering steunde zodat deze als ongegrond diende afgewezen te worden. Over de tegenvordering oordeelden zij dat er geen voldoende gronden aanwezig zijn om een schadevergoeding wegens roekeloos en tergend geding, ingesteld door geïntimeerden en begroot op 6.197,34 EUR, toe te kennen.
  11. Tegen dit vonnis van de Arbeidsrechtbank van Hasselt stelde appellant hoger beroep in bij dit Hof. IV. EISEN IN HOGER BEROEP.
  12. Appellant vordert om: - het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren; - het incidenteel beroep van geïntimeerden onontvankelijk, ontoelaatbaar dan wel minstens ongegrond te verklaren; - dienvolgens het vonnis a quo te vernietigen en opnieuw rechtdoende: - de oorspronkelijke vorderingen van geïntimeerden ongegrond te verklaren; - de oorspronkelijke vorderingen van appellant gegrond te verklaren; - dienvolgens te zeggen voor recht dat appellant en de CVBA verbonden waren door een arbeidsovereenkomst dd. 22.12.1993; - verder geïntimeerden solidair, de ene bij gebreke aan de andere, te veroordelen tot betaling aan appellant van een bedrag van 90.455,72 EUR, onder aftrek van de sociale en fiscale inhoudingen, in hoofde van een opzegvergoeding, meer de intresten vanaf 10.06.99; - geïntimeerden solidair, de ene bij gebreke aan de andere, te veroordelen tot betaling aan appellant van een bedrag van 1.206,07 EUR als achterstallig loon, onder aftrek van de sociale en fiscale inhoudingen doch te vermeerderen met de intresten vanaf 10.06.99; - geïntimeerden solidair, de ene bij gebreke aan de andere, te veroordelen tot betaling aan appellant van een bedrag van 756,93 EUR als achterstallige km-vergoedingen, meer de intresten vanaf 10.06.99; - appellant voorbehoud te verlenen voor wat betreft de nog verschuldigde vakantiegelden; - geïntimeerden tot afgifte te bevelen van de sociale documenten en het bewijs dat voldaan werd aan alle sociale en fiscale verplichtingen door de CVBA (inclusief doorstorting van sociale bijdragen en bedrijfsvoorheffing) en dit binnen de acht dagen na betekening van het tussen te komen vonnis, onder verbeurte van een dwangsom van 24,79 EUR per dag vertraging. Tevens appellant voorbehoud te verlenen om een schadevergoeding te vorderen van geïntimeerden voor zover zij aan dit bevel niet zouden voldoen. In ondergeschikte orde en voor zoveel als nodig, alvorens verder te oordelen ten gronde, appellant te machtigen met alle middelen rechtens, het getuigenbewijs in het bijzonder, te bewijzen dat de CVBA voornoemd en appellant verbonden waren door een arbeidsovereenkomst. Meer in het bijzonder het getuigenbewijs aan appellant toe te staan voor wat betreft de volgende punten: xdat de CVBA bepaalde wanneer en welke prestaties appellant diende te leveren; xdat appellant op geen enkel ogenblik hierin inspraak noch de mogelijkheid had zijn werk zelf in te delen, laat staan bepaalde opdrachten kon weigeren; xdat appellant niet zelf kon bepalen wanneer hij wel dan niet werkte: ook om verlof te nemen diende hij toelating te bekomen van de CVBA; xdat appellant niet werd toegelaten een eigen praktijk uit te bouwen en zelf (privé) geen cliënteel mocht ontvangen/helpen; xdat appellant minstens dagelijks verslag diende uit te brengen (zowel mondeling als schriftelijk) i.v.m. de door aan hem gegeven opdrachten; xdat de CVBA ook voortdurend controle en toezicht uitoefende op de prestaties van appellant en appellant steeds verantwoording schuldig was; xdat appellant (behalve voor huisbezoeken) zijn arbeid steeds in de lokalen van de CVBA diende te leveren; xdat appellant betaald verlof kreeg van de CVBA; xdat enkel de CVBA de omvang van het loon van appellant bepaalde. Geïntimeerden tevens te veroordelen tot de kosten van het geding.
  13. Geïntimeerden vorderen om: - het hoofdberoep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren; - het incidenteel beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren; - bijgevolg de beide vonnissen van de arbeidsrechtbank te vernietigen en opnieuw rechtdoende: x de hoofdvordering van appellant onontvankelijk, minstens ongegrond te verklaren; x de tegenvordering van geïntimeerden ontvankelijk en gegrond te verklaren en bijgevolg appellant te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding wegens tergend en roekeloos geding begroot op 6.197,34 EUR, meer de gerechtelijke intresten; - appellant te veroordelen tot de kosten van het geding. V. BEOORDELING V.A. ONTVANKELIJKHEID VAN DE OORSPRONKELIJKE VORDERING V.A.
  14. Artikel 17 Ger.W. Geïntimeerden stellen dat de eerste rechters de oorspronkelijke vordering van appellant ten onrechte zonder enige verdere motivering ontvankelijk hebben verklaard, niettegenstaande geïntimeerden aanvoerden dat de opzichtens hen ingestelde vordering onontvankelijk was wegens het ontbreken van belang en hoedanigheid, dit conform artikel 17 Ger.W. Artikel 17 Ger.W. luidt als volgt: "De rechtsvordering kan niet worden toegelaten, indien de eiser geen hoedanigheid en geen belang heeft om ze in te dienen". Appellant heeft terecht opgemerkt dat de door artikel 17 Ger.W. vereiste hoedanigheid en het belang beoordeeld moeten worden in hoofde van de eisende partij - in dit geval appellant, en niet in hoofde van de verwerende partijen. Of de vordering die door appellant opzichtens de door hem in het geding geroepen partijen werd ingesteld ook effectief vertaald zal worden in een toewijzing van zijn eis(en), betreft als zodanig een beoordeling over de grond van de zaak. Het door geïntimeerden ingeroepen middel werd door hen verkeerdelijk aangebracht als een middel van onontvankelijkheid, terwijl het als zodanig om een verweer of middel ten gronde gaat. Om die reden dient het door geïntimeerden aangevoerde middel, als middel van onontvankelijkheid, te worden verworpen. V.A.
  15. Artikel 807 Ger.W.
  16. Het Hof stelt vast dat appellant in de gedinginleidende dagvaarding navolgende specifieke vordering opzichtens geïntimeerden instelde: "schade die hic et nunc begroot kan worden op 1 Bfr. provisioneel". Als grondslag van deze vordering verwees appellant in de dagvaarding naar het beëindigen (door hemzelf) per 10 juni 1999 van de tussen hem en de CVBA O, K & K bestaande arbeidsovereenkomst, omwille van dringende redenen, en naar de schade die hij ten gevolge van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst had geleden. In besluiten, neergelegd op de griffie van de Arbeidsrechtbank op 22 december 2000, maakte appellant gewag van een uitbreiding van zijn initiële eis. Benevens een vordering tot verkrijging van een verklaring van recht, erop gericht te horen zeggen voor recht dat appellant en de CVBA verbonden waren door een arbeidsovereenkomst van 22 december 1993, vorderde appellant in hoofdorde het navolgende: - 90.455,73 EUR (3.648.975 BEF) opzeggingsvergoeding; - 1.206,08 EUR (48.653 BEF) achterstallig loon; - 756,92 EUR (30.534 BEF) achterstallige km-vergoedingen; - de verlening van voorbehoud "voor wat betreft de nog verschuldigde vakantiegelden"; - de afgifte van sociale documenten onder verbeurte van een dwangsom.
  17. Geïntimeerden roepen, verwijzend naar de bepalingen van artikel 807 Ger.W., de onontvankelijkheid in van deze uitbreiding van eis door appellant. Volgens geïntimeerden heeft deze eisuitbreiding in zijn geheel betrekking op nieuw ingestelde vorderingen waarvan de grondslag niet vervat lag in de gedinginleidende dagvaarding. Artikel 807 Ger.W. bepaalt dat een vordering die voor de rechter aanhangig is, kan uitgebreid of gewijzigd worden, indien de nieuwe, op tegenspraak genomen conclusies, berusten op een feit of akte in de dagvaarding aangevoerd, zelfs indien hun juridische omschrijving verschillend is.
  18. Het Hof is van oordeel dat het door geïntimeerden ingeroepen middel inzake de onontvankelijkheid van de eisuitbreiding ten dele kan worden aangenomen, in zoverre het slaat op de navolgende door appellant bij wijze van eisuitbreiding gevorderde posten: - achterstallig loon (1.206,08 EUR); - achterstallige km-vergoedingen (756,92 EUR); - het gevraagde voorbehoud inzake de nog verschuldigde vakantiegelden; - de afgifte van sociale documenten onder verbeurte van een dwangsom, in zoverre het documenten betreft die geen verband houden met de beëindiging van de eventuele arbeidsovereenkomst. Dergelijke vorderingen steunen normalerwijze op het feit van de uitvoering van de veronderstelde arbeidsovereenkomst. Dergelijk feit of akte is te dezen echter als zodanig niet terug te vinden in de gedinginleidende dagvaarding. Daar werd wel verwezen naar het veronderstelde bestaan van een arbeidsovereenkomst, maar specifiek werd de verbreking ervan vooropgesteld als feit of akte waarop alsdan de vordering tot het bekomen van een schadevergoeding (op dat ogenblik 1 BEF provisioneel) werd ingesteld. Er werd in de gedinginleidende dagvaarding echter op geen enkele wijze melding gemaakt van vorderingen die in verband stonden met de uitvoering zelf van de veronderstelde arbeidsovereenkomst. De vermelding in de dagvaarding van de beëindiging van de veronderstelde arbeidsovereenkomst en de op die basis gesteunde schade-eis, volstaat in het licht van de bepalingen van artikel 807 Ger.W. niet als aanvoering van een feit waarop latere vorderingen tot vergoeding van bepaalde uitvoeringsverplichtingen van die overeenkomst kunnen worden gesteund, zoals (te dezen) loon, verplaatsingskosten of vakantiegeld (vgl. Cass. 21 februari 1994, R.W. 1994-95, 742; Cass. 30 december 1985, J.T.T. 1987, 18). In toepassing van artikel 807 Ger.W. is derhalve de door appellant doorgevoerde eisuitbreiding van zijn oorspronkelijke vordering onontvankelijk m.b.t. het gevorderde achterstallig loon, de achterstallige km-vergoedingen, (het voorbehoud inzake) de vakantiegelden, en de afgifte van sociale documenten die geen verband houden met de beëindiging van de eventuele arbeidsovereenkomst. Het in die zin door geïntimeerden aangevoerde middel wordt in die mate bijgetreden door het Hof. Het bestreden tussenvonnis, dat de vordering van appellant in zijn geheel ontvankelijk verklaarde, moet dienovereenkomstig worden hervormd. Het incidenteel beroep is gedeeltelijk en in die mate gegrond.
  19. Het Hof treedt geïntimeerden niet bij alwaar deze op dezelfde gronden eveneens de onontvankelijkheid aanvoeren van de door appellant toegepaste eisuitbreiding m.b.t. de opzeggingsvergoeding en de afgifte van sociale documenten die in verband staan met het beëindigen van de veronderstelde arbeidsovereenkomst. Deze vorderingen, ingesteld bij uitbreiding van eis, staan duidelijk in verband met het beëindigen van de veronderstelde arbeidsovereenkomst, feit (of akte) dat wel expliciet in de gedinginleidende dagvaarding werd aangevoerd. Degene die, onder aanvoering van het beëindigen van een veronderstelde arbeidsovereenkomst, in de gedinginleidende dagvaarding een (provisionele) vergoeding vordert voor daaruit voortvloeiende schade, kan zijn vordering in een op tegenspraak genomen conclusie uitbreiden tot een opzeggingsvergoeding en de ermee overeenstemmende afgifte van sociale documenten (vgl. i.v.m. de mogelijkheid van eisuitbreiding, Cass. 9 februari 1998, Arr. Cass. 1998, 185). Rekening houdend met de bepalingen van artikel 807 Ger.W. zijn de door geïntimeerde via eisuitbreiding ingestelde vorderingen m.b.t. de opzeggingsvergoeding en m.b.t. de afgifte van sociale documenten die in verband staan met het beëindigen van de veronderstelde arbeidsovereenkomst wel ontvankelijk. De andersluidende argumentatie van geïntimeerden wordt door het Hof verworpen.
  20. Het Hof wijst eveneens de door geïntimeerden ontwikkelde argumentatie af alwaar zij stelden dat de wijziging van de oorspronkelijke vordering in toepassing van artikel 807 Ger.W. slechts mogelijk was indien de oorspronkelijke vordering ontvankelijk was, hetgeen volgens geïntimeerden niet het geval was. Volgens geïntimeerden was de initiële vordering op het ogenblik van de dagvaarding reeds verjaard in toepassing van artikel 15 van de Arbeidsovereenkomstenwet (en dus onontvankelijk), met als gevolg dat een latere eisuitbreiding niet meer mogelijk zou zijn. Dergelijke stelling is naar het oordeel van het Hof niet correct. Appellant heeft met een van hem uitgaande aangetekende brief van 10 juni 1999 een einde gesteld aan de tussen hem en de CVBA bestaande overeenkomst. Dit wordt overigens door geïntimeerden ook zo gesteld in de feitenweergave in hun syntheseberoepsbesluiten (cf. syntheseberoepsbesluiten van geïntimeerden, blz. 9: "-/-Bij aangetekend schrijven dd. 10.06.1999 stelde appellant een einde aan de overeenkomst"). De gedinginleidende dagvaarding werd betekend op 25 mei 2000, hetzij binnen de door artikel 15 van de Arbeidsovereenkomstenwet bepaalde termijn van één jaar na het op 10 juni 1999 te situeren einde van de veronderstelde arbeidsovereenkomst. Van verjaring van de oorspronkelijke door appellant ingestelde eis conform de bepalingen van artikel 15 van de Arbeidsovereenkomstenwet is er bijgevolg geen sprake, en het op die argumentatie gesteunde verweer van geïntimeerden faalt. V.B. TEN GRONDE V.B.
  21. Situering van de betwisting ten gronde De basisbetwisting betreft hier de hoedanigheid die appellant had in het kader van zijn samenwerking met de CVBA O, K P. en K J. Was appellant een zelfstandige (stelling geïntimeerden), of had hij de hoedanigheid van een werknemer-bediende (stelling appellant)? Indien het Hof tot de bevinding zou komen dat er in hoofde van appellant sprake was van de hoedanigheid van werknemer-bediende, dan dienen zijn vanuit die hoedanigheid geformuleerde eisen, in zoverre ze niet onontvankelijk werden verklaard (zie hoger, V.A.2.), op hun eventuele gegrondheid worden getoetst. V.B.
  22. Beoordeling door het Hof. Algemeen. Rekening houdend met de beschikbare gegevens en beoordelingselementen is het Hof van oordeel: 1/- dat appellant op vrijwillige basis een rechtsgeldige overeenkomst aanging als zelfstandige; 2/- dat de als zelfstandige aangegane overeenkomst tijdens de duur van de samenwerking zonder opmerkingen over het statuut door appellant uitgevoerd werd; 3/- dat appellant niet bewijst dat deze door partijen overeengekomen en uitgevoerde kwalificatie door een andersluidende feitelijke realiteit wordt tegengesproken; appellant bewijst niet dat er sprake was van een arbeidsovereenkomst; 4/- dat bijgevolg de op het bestaan van een arbeidsovereenkomst geënte aanspraken van appellant niet in rechte gehonoreerd kunnen worden en dat zijn in die zin ingestelde vorderingen - in zoverre ontvankelijk - ongegrond zijn. Deze beoordeling wordt hierna in detail toegelicht. V.B.
  23. Toelichting van de beoordeling V.B.3.1/- "dat appellant op vrijwillige basis een rechtsgeldige overeenkomst aanging als zelfstandige";
  24. Bij het begin van hun samenwerking, op 22 december 1993, hebben appellant en de CVBA, alsdan vertegenwoordigd door P K, een schriftelijke overeenkomst ondertekend. Hoewel appellant in besluiten deze overeenkomst steevast bestempelt als een "arbeidsovereenkomst", is dit een terminologie en aanduiding die op geen enkele wijze is terug te vinden in deze schriftelijke overeenkomst zelf. In weerwil tot hetgeen appellant aanvoert, werd in bedoelde overeenkomst duidelijk verwezen naar een samenwerking op zelfstandige basis. Zo is in artikel 1 van de bewuste overeenkomst bepaald dat appellant op 22 december 1993 aandeelhouder is geworden van de CVBA, met de bijkomende vermelding als "voltijds werkend vennoot" actief te willen zijn in de CVBA. In de daaropvolgende artikelen van de overeenkomst worden dan de modaliteiten van de samenwerking en tewerkstelling van appellant bepaald, evenals de mogelijke wijze van beëindiging van de samenwerking; tevens werd er een niet-concurrentiebeding opgenomen in de overeenkomst. In het laatste artikel van de overeenkomst, artikel 11, erkent appellant expliciet "dat huidige overeenkomst aangegaan wordt op zelfstandige basis", en hij "verbindt zich om zelf de nodige schikkingen te treffen om zich in orde te stellen in het kader van het sociaal statuut der zelfstandigen". Uit de niet voor enige andere interpretatie vatbare bewoordingen van de door beide contracterende partijen ondertekende basisovereenkomst blijkt derhalve dat er sprake was van een overeenkomst die door appellant in de hoedanigheid van zelfstandige werd aangegaan.
  25. De uitoefening van het beroep van dierenarts is als zodanig zeker niet onverenigbaar met dit zelfstandigenstatuut, integendeel zelfs. Er zijn een aantal beroepscategorieën die van oudsher gericht zijn op de finaliteit van een beroepsuitoefening in de hoedanigheid van zelfstandige. De zogenaamde 'vrije beroepen', waaronder het beroep van dierenarts ressorteert, zijn een als zodanig bekend staande klassieke beroepscategorie. De taalkundige omschrijving is overigens typerend: 'vrije beroepen' zijn beroepen "waarin men zijn eigen baas is, zoals arts, advocaat" (cf. VAN DALE GROOT WOORDENBOEK DER NEDERLANDSE TAAL, Utrecht-Antwerpen , Van Dale Lexicografie, 1999 / 13de herziene uitgave, blz. 3863, bij het woord "vrij"/sub 8).
  26. Degenen die de zin en moed hebben om de niet te onderschatten studies van dierenarts aan te vatten en deze dan ook nog eens met goed gevolg volbrengen, staan bij het veronderstelde daaropvolgende intreden in het beroepsleven voor een keuze. Indien het besef over de diversiteit van de verschillende mogelijke statuten inzake beroepsuitoefening nog niet volledig duidelijk is bij de aanvang van de tot het beroep van dierenarts leidende universitaire studies, dan mag toch met een aan zekerheid grenzende redelijkheid worden verondersteld dat dergelijk besef gaandeweg tijdens het voortschrijden van de studies wel tot stand komt, en dat de jong afgestudeerde dierenarts bij zijn aantreden op de arbeidsmarkt weet wat er inzake beroepsmogelijkheden (of beperkingen daarin), 'te koop is'. De jong afgestudeerde dierenarts kan zich enerzijds met een al dan niet éénzijdig gekleurd enthousiasme aan het avontuur van de zelfstandige ('vrije) beroepsuitoefening wagen, ofwel kan hij/zij anderzijds opteren voor de beroepsuitoefening in statutair of ondergeschikt dienstverband, hetgeen allicht meer garanties biedt inzake de verwerving van een vast maandelijks inkomen en fondsen van bestaanszekerheid. Indien de aspirant-dierenarts na afweging van de voor- en nadelen toch opteert voor een tewerkstelling in de hoedanigheid van een zelfstandig beroepsbeoefenaar, dan maakt hij bewust en uit vrije wil een duidelijke keuze.
  27. Het Hof erkent hier geen enkele reden - althans werd daarvan het bestaan door appellant niet aangetoond - op grond waarvan de rechtsgeldigheid van de door appellant ondertekende overeenkomst, exponent van zijn vrije keuze en wilsuiting, betwijfeld zou dienen te worden. Appellant maakt in besluiten wel melding van door de CVBA toegepaste "bedrieglijke kunstgrepen", maar levert van een in hoofde van de CVBA of van zijn vennoten eventueel bestaand bedrieglijk inzicht niet het minste bewijs. Van enige dwang die door de CVBA of zijn vennoten op appellant zou zijn uitgeoefend bij het aangaan en ondertekenen van deze overeenkomst liggen er geen bewijzen voor. En van enige dwaling die er in hoofde van appellant zou hebben bestaan toen hij deze overeenkomst ondertekende, ligt er evenmin enig bewijs voor. De 'in tempore non suspecto' (d.w.z. toen er van een geschil nog geen sprake was) door appellant aangegane contractuele verbintenis, waarbij hij zich engageerde om in de hoedanigheid van zelfstandige prestaties te verrichten voor de CVBA, was rechtsgeldig en van aard rechtsgevolgen te doen ontstaan. Er was een duidelijke wilsuiting om de contractuele relatie op zelfstandige leest te schoeien.
  28. Hieraan wordt naar het oordeel van het Hof geen afbreuk gedaan door het feit dat er, hoewel er in de basisovereenkomst van 22 december 1993 sprake is van een aandeelhouderschap van appellant, klaarblijkelijk geen formele aandelenoverdracht heeft plaatsgevonden. Appellant schrijft dit wel toe aan een handelwijze (of stilzitten) van de CVBA, terwijl geïntimeerden voorhouden dat dit wel voorgesteld werd aan appellant doch dat deze niet in staat was om kapitaal in te brengen in de CVBA. Feit is dat appellant geen enkele bewijs bijbrengt - bijvoorbeeld in de vorm van een aan de CVBA gerichte aanmaning of ingebrekestelling - waaruit zou kunnen blijken dat hij om de effectieve inkoop of overdracht van aandelen van de CVBA verzocht heeft. Hieruit kan volgens het Hof een aanvaarding in hoofde van appellant van de alsdan bestaande toestand worden afgeleid. Een samenwerking op zelfstandige basis met een CVBA is overigens, zoals door geïntimeerden terecht werd opgemerkt, ook mogelijk zonder dat men effectief aandeelhouder of vennoot is van de vennootschap. Het achterwege blijven, om welke reden dan ook, van een daadwerkelijke aandelenoverdracht aan appellant tast de gelding van de initiële basisovereenkomst van 22 december 1993 en het door appellant op vrijwillige basis aangekleefde zelfstandigenstatuut niet aan. V.B.3.2/- "dat de als zelfstandige aangegane overeenkomst tijdens de duur van de samenwerking zonder opmerkingen over het statuut door appellant uitgevoerd werd";
  29. Vanaf 22 december 1993 tot 10 juni 1999, zijnde vanaf het aangaan van de overeenkomst tot aan de datum van verzending van de brief waarbij appellant het einde van zijn samenwerking met de CVBA kenbaar maakte, heeft appellant de overeenkomst met de CVBA uitgevoerd. Gedurende deze ca. 5,5 jaar durende samenwerking heeft appellant het initieel overeengekomen zelfstandigenstatuut niet ter discussie gesteld ten overstaan van de CVBA en/of haar vennoten. Het Hof stelt aan de hand van de hem voorliggende stukken wel vast dat de samenwerking niet rimpelloos verliep en zelfs aanleiding gaf tot een in april 1996 door appellant bij de Orde der Dierenartsen opzichtens de CVBA geformuleerde klacht over onder meer de hoegrootheid van de hem betaalde vergoeding en over de eventuele (on)geldigheid van het niet-concurrentiebeding dat in de samenwerkingsovereenkomst van 22 december 1993 vervat lag. Uit de verslagen van het daaropvolgende door de Orde van Dierenartsen georganiseerde onderzoek (waarbij zowel appellant, als de heren K en O van de CVBA werden gehoord), heeft appellant wel kenbaar gemaakt van mening te zijn dat hij te weinig verdiende in verhouding met zijn inbreng in de praktijk, en ook dat er problemen waren met de echtgenote van de heer K. Maar tevens gaf appellant aan graag te willen blijven voortwerken, mits zijn vergoeding opgetrokken werd (verslag van de bureauvergadering van de Orde der Dierenartsen van 15 mei 1996 - stuk 11 c van het stukkenbundel van appellant). Het protest van appellant had betrekking op de hoegrootheid van zijn bezoldiging, maar sloeg geenszins op het afgesproken zelfstandigenstatuut. Er zijn geen elementen die erop wijzen dat appellant op dat ogenblik of nadien, voorafgaand aan zijn brief van 10 juni 1999 (houdende de opzegging/beëindiging van zijn samenwerking met de CVBA), binnen de CVBA geprotesteerd heeft tegen de overeengekomen hoedanigheid van zelfstandige of tegen het zelfstandig karakter van zijn beroepsuitoefening in de schoot van de groepspraktijk.
  30. Ook ten overstaan van de buitenwereld heeft appellant zich als een zelfstandige gepresenteerd. Appellant blijft bijzonder zwijgzaam inzake de door geïntimeerden gemaakte opmerking dat appellant ieder jaar een fiscale fiche als zelfstandige ontving (commissieloonfiche 281.50) en zijn belastingaangiftes in de hoedanigheid van zelfstandige indiende. Voor het Hof is het duidelijk - het kwam aan appellant toe om, in reactie op hetgeen geïntimeerden daaromtrent stelden, met eventueel andersluidende gegevens over de brug te komen, hetgeen hij nalaat - dat appellant zich als zelfstandige gedroeg inzake sociale verzekering (aansluiting bij een Sociaal Verzekeringsfonds voor Zelfstandigen en bijdragebetaling in het kader van het Sociaal statuut der Zelfstandigen), en ten overstaan van de fiscus (aangifte + taxatie als zelfstandige). Dit wijst volgens het Hof niet op een simpelweg gedogen van een bepaalde situatie, maar eerder op een bewuste en actieve beleving van de hoedanigheid van zelfstandige.
  31. De jarenlange en zonder protest door appellant aangenomen en 'gecultiveerde' hoedanigheid van zelfstandig beroepsbeoefenaar, medewerker van de CVBA, kan naar het oordeel van het Hof worden opgevat als een duidelijke vorm van erkenning door appellant van een aan de realiteit beantwoordende toestand. In het verbintenissenrecht wordt, volgens een klassieke leer, vooropgesteld dat dergelijke wijze van uitvoering van een overeenkomst, kan worden opgevat als een bewijs ervan. Het gaat volgens deze leer om een "aveu en action", hetgeen desgevallend kan worden vertaald als een "bekentenis door uitvoering". Het bewijs van de overeenkomst kan m.a.w. uit haar uitvoering worden afgeleid (vgl. DE PAGE, H., "Traité élémentaire de Droit civil, T.III", Brussel, Bruylant, 1967, blz 1102 tot 1104, nr. 1032; VANDEPUTTE, R., "De overeenkomst", Brussel, Larcier, 1977, blz. 431; VERHEYDEN-JEANMART, N., "Droit de la preuve", Brussel, Larcier, 1991, blz. 333-335; BUYSSENS, H., "Bewijs inzake arbeidsovereenkomstenrecht", in RIGAUX, M., ed. "Actuele problemen van het Arbeidsrecht 4", Antwerpen-Apeldoorn, Maklu, 1993, blz. 223-224; vgl. eveneens Cass. 17 januari 1969, Pas. 1969, I, blz. 452; Cass. 10 februari 1978, Pas. 1978, 680). Naar het oordeel van het Hof vermag de door appellant toegepaste vrijwillige uitvoering van de overeenkomst in de hoedanigheid van zelfstandige gedurende ca. 5,5 jaren als een erkenning van het bestaan van een in die zin bestaande samenwerkingsovereenkomst tussen zelfstandigen te worden opgevat.
  32. Er zou zelfs kunnen worden gesteld dat de huidige door appellant ingestelde vordering, gesteund op het bestaan van een arbeidsovereenkomst, zonder dat van dergelijke arbeidsovereenkomst voordien gewag werd gemaakt, indruist tegen de door appellant te goeder trouw - zo mag althans worden verondersteld - verrichte uitvoering van de initiële basisovereenkomst waarbij, volgens de bewoordingen ervan, tussen partijen een akkoord werd gesloten om op zelfstandige basis samen te werken. V.B.3.3/- "dat appellant niet bewijst dat deze door partijen overeengekomen en uitgevoerde kwalificatie door een andersluidende feitelijke realiteit wordt tegengesproken; Appellant bewijst niet dat er sprake was van een arbeidsovereenkomst";
  33. De schriftelijke overeenkomst waarbij de partijen hun samenwerking kwalificeerden als een zelfstandige samenwerking, evenals de op die wijze toegepaste conforme uitvoering van deze overeenkomst, heeft tot gevolg dat bij de evaluatie van de tussen partijen bestaande rechtsverhouding deze kwalificatie van zelfstandige samenwerking als uitgangspunt in aanmerking moet worden genomen. Deze kwalificatie van zelfstandige samenwerking dient pas dan terzijde te worden geschoven wanneer er in de concrete samenwerking tussen partijen afdoende elementen kunnen worden onderkend die wijzen op het bestaan van een arbeidsovereenkomst en die voldoende zwaarwichtig zijn om de overeengekomen kwalificatie aan de kant te schuiven (vgl. Arbh. Antwerpen 16 december 2004, A.R.nr. 2030325, www.juridat.be). Dit standpunt sluit aan bij recente cassatierechtspraak. Het Hof van Cassatie oordeelde dat, wanneer partijen hun overeenkomst gekwalificeerd hebben, de bodemrechter geen andere kwalificatie in de plaats vermag te stellen als de beschikbare elementen de door partijen vooropgestelde kwalificatie niet uitsluiten (cf. Cass. 23 december 2002, nr. S010169F ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021223.15; Cass. 28 april 2003, nr. S010169F ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021223.15; Cass. 3 mei 2004, nr. S030108N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040503.23; Cass. 6 december 2004, nr. S040102N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041206.4, allen terug te vinden op www.juridat.be).
  34. Niettegenstaande de expliciete bewoordingen van de schriftelijke overeenkomst, waarbij uitdrukkelijk wordt vermeld dat de overeenkomst werd aangegaan op zelfstandige basis, en niettegenstaande appellant op die wijze gedurende 5,5 jaren uitvoering heeft gegeven aan deze overeenkomst, houdt appellant thans vol dat hij onder het regime van een arbeidsovereenkomst was tewerkgesteld. De bewijslast van het eventuele bestaan van een arbeidsovereenkomst rust op appellant, zijnde degene die zich op het bestaan ervan beroept (cf. artikel 1315 B.W.; vgl. Cass. 17 september 1990, Arr. Cass. 1990-91, 58; Cass. 3 mei 2004, nr. S030108, www.juridat.be)
  35. De arbeidsovereenkomst is de overeenkomst waarbij de ene partij, de werknemer, zich tegen loon ertoe verbindt om onder het gezag van de andere partij, de werkgever, de overeengekomen arbeidsprestaties te verrichten (cf. de artikelen 2, 3, 4, 5 van de Arbeidsovereenkomstenwet van 3 juli 1978). De 3 constitutieve elementen van een arbeidsovereenkomst zijn: - de arbeidsprestaties (te verrichten door de werknemer); - het loon (tegen betaling van -); - onder gezag (van de werkgever over de werknemer). Hierna wordt verder onderzocht of deze constitutieve elementen op cumulatieve wijze gerealiseerd zijn, en, in eventueel bevestigend geval, of er - in weerwil tot de andersluidende kwalificatie die partijen aan hun samenwerking hebben gegeven - het bestaan van een arbeidsovereenkomst kan uit worden afgeleid.
  36. Over het bestaan van het eerste element, de aanwezigheid van arbeidsprestaties, kan er weinig discussie bestaan. Appellant verrichtte als dierenarts arbeidsprestaties in de groepspraktijk, georganiseerd in de schoot van de CVBA. Uit het verrichten van deze arbeidsprestaties op zich, of uit de aard ervan, kan geen dienende gevolgtrekking worden gemaakt in het voordeel van een werknemerstatuut. Dergelijke vorm van inbreng van arbeid is evenzeer mogelijk in het kader van een in die zin overeengekomen samenwerkingsverband tussen zelfstandigen.
  37. Over het feit dat aan appellant een geldelijke vergoeding werd betaald, bij wijze van tegenwaarde van de door hem geleverde arbeidsprestaties, bestaat er evenmin discussie tussen partijen. Appellant werd vergoed tegen een bedrag dat in de basisovereenkomst van 22 december 1993 op 19.831,48 EUR (800.000 BEF) per jaar werd bepaald, betaalbaar d.m.v. maandelijkse voorschotten van telkens 1/12 (artikel 3 van de basisovereenkomst - stuk 1 van de respectieve stukkenbundels van partijen). In de loop van de uitvoering van de overeenkomst werd het bedrag van de aan appellant betaalde vergoeding bij herhaling aangepast: - in zijn op 14 april 1996 aan de Orde der Dierenartsen gerichte klachtbrief, maakt appellant zelf melding van een vergoeding van 2.478,94 EUR (100.000 BEF) per maand: "-/- De vergoeding is momenteel 100.000 BFR bruto voor 25 werkdagen per maand van gemiddeld 12 tot 14 uur -/-" (stuk 11 A van het stukkenbundel van appellant); - in het verslag van het 'onderzoeksonderhoud' d.d. 12 september 1999, opgesteld door een vertegenwoordigster van de Orde der Dierenartsen na een gesprek met appellant, en niet gecontesteerd door appellant, wordt vermeld dat de vergoeding in 1998 opgetrokken werd naar 2.974,72 EUR (120.000 BEF) per maand: "-/- In 1998 vraagt Dr. P om een betere verloning voor zijn werk daar zijn inbreng in de praktijk zeer sterk was toegenomen (factor 1/4). Na aandringen krijgt hij uiteindelijk 120.000 fr/maand i.p.v. 100.000 fr/maand -/-" (stuk 11 L van het stukkenbundel van appellant). Op zich kan uit deze vergoeding of wijze van vergoeding niet het bestaan van een arbeidsovereenkomst worden afgeleid. Ook in een zelfstandig samenwerkingsverband is dergelijke vorm van vergoeding van de arbeidsprestaties mogelijk.
  38. Het Hof meent dat de periodiek doorgevoerde aanpassingen van de verloning van appellant mogelijk zelfs een indicatie vormen van het tegendeel van hetgeen appellant beoogt aan te tonen. De feitelijke gegevens kaderen namelijk perfect in hetgeen in de basisovereenkomst van 22 december 1993 - die werd aangegaan met de expliciete vermelding dat ze op zelfstandige basis werd aangegaan (artikel 11 van de overeenkomst; zie hoger, V.B.3.1) - overeengekomen werd. Een verhoging van de initieel in december 1993 voorziene vergoeding van 19.831,48 EUR (800.000 BEF) per jaar, naar 29.747,22 EUR per jaar (100.000 BEF per maand x 12 = 1.200.000 BEF) in 1996 (of reeds eerder ?), is verklaarbaar en verstaanbaar in functie van hetgeen in artikel 3, lid 2 van de basisovereenkomst tussen partijen overeengekomen was, luidend als volgt: "Jaarlijks kan de Algemene Vergadering van eerstgenoemde de voorziene basisvergoeding aanpassen, rekeninghoudend met de prestaties van de werkende vennoot en de resultaten van eerstgenoemde". Hetzelfde kan worden gesteld voor de daaropvolgende in 1998 doorgevoerde verhoging van de vergoeding naar het bedrag van 35.696,67 EUR per jaar (120.000 BEF per maand x 12 = 1.440.000 BEF). Dit sluit aan bij hetgeen in artikel 3, lid 3 van de tussen partijen bestaande basisovereenkomst bedongen werd: "Na 4 jaar zal de vergoeding van tweedegenoemde als werkend vennoot opgetrokken worden tot 120.000 fr. bruto per maand, mits tweegenoemde er in slaagt door zijn prestaties binnen de vennootschap een gemiddelde bruto omzet te realiseren van 480.000 fr. per maand." In tegenstelling tot hetgeen appellant voorhoudt, kan uit de vastgestelde evolutie van de hem betaalde vergoedingen eventueel een uitvoering van het initieel op zelfstandige basis afgesloten contract worden afgeleid, eerder dan dat er het bewijs van een verloning eigen aan die van een arbeidsovereenkomst uit kan worden geput.
  39. Blijft over, de kwestie van het al dan niet verwezenlijkt zijn van het derde constitutieve en meteen ook meest decisieve kenmerk vereist voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst, het 'gezag' (van de werkgever over de werknemer). Appellant wijst een aantal feitelijke elementen aan waaruit volgens hem het bestaan van een werkgeversgezag kan worden afgeleid.
  40. Zo voert appellant een aantal argumenten aan omtrent de autonomie (of gebrek daaraan) van zijn beroepsactiviteiten. Appellant stelt dat de CVBA bepaalde wanneer en welke prestaties hij diende te leveren, zonder dat appellant hierin inspraak of de mogelijkheid had om zijn werk zelf in te delen, en zonder dat hij bepaalde opdrachten kon weigeren. Tevens stelt appellant dat hij niet zelf kon bepalen wanneer hij wel dan niet werkte, dat hij dagelijks verslag diende uit te brengen i.v.m. de hem gegeven opdrachten, en dat de CVBA voortdurend controle en toezicht uitoefende op de prestaties van appellant en dat hij steeds verantwoording verschuldigd was. Als dierenarts, aangetrokken door de CVBA om de afdeling 'kleine huisdieren' binnen een groepspraktijk uit te bouwen, genoot appellant in zijn omgang met het cliënteel ongetwijfeld over een vrijheid van handelen, vrijheid die er eveneens verondersteld wordt te zijn bij het naar eigen inzicht uitvoeren van de als dierenarts te verrichten handelingen en behandelingen. Dat er daarnaast binnen een vrij strikt kader gehandeld werd inzake werkindeling, rapportering en controle op hetgeen er uitgevoerd werd, is eigen aan het werken in groepsverband. Elke vorm van samenwerking tussen meerdere personen - zelfs een samenwerking tussen juridisch gelijkwaardige partners - noopt tot het maken van bepaalde bindende afspraken en tot min of meer strikte afspraken inzake opvolging van zaken, met het oog op een zo efficiënt mogelijke werking van de collectiviteit. Dergelijke organisatie, strikte planning en opvolging van zaken is niet onverenigbaar met het zelfstandigenstatuut. Dergelijke wijze van organisatie en van afspraken dringt zich des te meer op bij beroepen die, zoals in casu, afgestemd zijn op een vorm van medische behandeling (in casu die van dieren). Bij dergelijke beroepscategorieën is het, met het oog op een behoorlijke diagnostische opvolging van de behandeling, zelfs noodzakelijkerwijze vereist dat er binnen de groep toezicht op elkaars handelen wordt uitgeoefend en dat er sprake is van frequente rapportering. De dierenarts die de wacht verzekert, tijdens de nachten en weekends dat zijn collega's niet aanwezig zijn, moet immers, met het oog op de eventuele opvolging van de 'lopende' zaken, duidelijk geïnformeerd zijn over hetgeen zijn collega's voorheen als diagnose en behandeling hebben gesteld. Dergelijke controle of daarmee in verband staande rapportering dringt zich op vanuit een medisch-diagnostische noodzaak, zonder dat dit als een eventuele uiting van een werkgeversgezag moet worden geïnterpreteerd.
  41. Appellant verwijst naar de verlofregeling en naar het feit dat hij voor het nemen van verlof toelating diende te bekomen van de CVBA. Hier geldt volgens het Hof dezelfde opmerking als bij het vorige punt. Het werken in groepsverband, en zeker indien dit gebeurt in het kader van een in de medische sector te situeren groepspraktijk, veronderstelt dat er met het oog op een permanente verzekering van de dienst duidelijke en strikte afspraken worden gemaakt over de vakantieplanning. Uit dergelijke (strikte) planning kan op zich niet het bestaan van een werkgeversgezag worden afgeleid. De afspraken die desbetreffend gemaakt worden zijn niet onverzoenbaar met de praktische werkverdeling die ook tussen zelfstandigen, die in groepsverband werken, noodzakelijk zijn.
  42. Appellant roept als argument, waaruit volgens hem het bestaan van een werkgeversgezag zou blijken, eveneens in dat hij zijn arbeid steeds in de lokalen van de CVBA diende te leveren, met aanwending van door de CVBA ter beschikking stelde materialen. Op zich is dit standpunt niet geheel correct, nu een deel van het werk van een praktiserende dierenarts in principe ook het afleggen van huisbezoeken bij het cliënteel behelst en zich niet in een behandellokaal afspeelt. En dergelijke terbeschikkingstelling van infrastructuur en materiaal dient niet noodzakelijk als éénrichtingsverkeer te worden beschouwd. Ook de medewerkers kunnen bij dergelijk systeem een duidelijk belang hebben: "als jonge zelfstandigen is het investeren in een eigen praktijk vaak een dure aangelegenheid. Het kunnen instappen in een praktijk waar alles voorhanden is, is dan vaak een welgekomen oplossing. Enkele jaren werken in een groepspraktijk heeft onmiskenbare voordelen voor jonge zelfstandigen: het leren van een beroep door de praktijk, het maken van klanten of patiënten, het verwerven van financiële middelen voor de uitbouw van een eigen praktijk. Het kan in den beginne een springplank zijn naar een eigen praktijk" (Arbh. Antwerpen 4 april 2003; als weergegeven in Cass. 3 mei 2004, nr. S030108N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040503.23, www.juridat.be). Het werken in de lokalen van de CVBA en met materialen van de CVBA is hier volgens het Hof geen element waaruit op zich het bestaan van een werkgeversgezag vermag te worden afgeleid. Het feit dat de materiële infrastructuur door één enkele persoon of vennootschap ter beschikking wordt gesteld, is niet onverenigbaar met een zelfstandig statuut in hoofde van de medewerkers.
  43. Appellant roept tevens in dat hij zich voltijds ter beschikking diende te stellen van de CVBA, zonder dat het hem toegelaten werd een eigen praktijk uit te bouwen en zonder dat hij zelf (privé) cliënteel mocht ontvangen/helpen. Er kan worden vastgesteld dat in de tussen partijen ondertekende basisovereenkomst van 22 december 1993 inderdaad een clausule was opgenomen waarbij bepaald werd dat het door appellant geholpen en bezocht cliënteel "eigendom" was van de CVBA, en dat alle inkomsten uit de dierengeneeskundige activiteiten verworven werden door de vennootschap (artikel 2 van de overeenkomst). Daarnaast was in de basisovereenkomst een niet-concurrentiebeding opgenomen, in geval van beëindiging van de samenwerking (artikel 10 van de overeenkomst van 22 december 1993). Dat de mogelijkheden van appellant om eigen cliënteel te verwerven, of om de uitbouw van een eigen privé-praktijk na te streven, op die wijze ernstig beperkt of zelfs uitgesloten werd, is correct. Dit vloeit echter voort uit een vrije keuze van appellant toen hij de basisovereenkomst van 22 december 1993 ondertekende. Appellant wist wat hij ondertekende en ging daarmee akkoord. Dergelijke contractuele beperkingen zijn niet typisch voor- of exclusief voorbehouden aan arbeidsovereenkomsten. Ook in de samenwerking tussen zelfstandigen zijn dergelijke clausules niet ongebruikelijk. Op zich kan uit dergelijke contractueel bedongen voorwaarden (beperkingen) niet het bestaan van een werkgeversgezag worden afgeleid.
  44. Voorts verwijst appellant nog naar elementen in verband met het bestaan van betaald verlof en naar de wijze van terugbetaling van verplaatsingskosten. Het Hof merkt op dat er als zodanig in de basisovereenkomst van 22 december 1993 geen sprake was van "betaald verlof". Dergelijke terminologie komt er niet in voor. Het feit dat appellant de overeengekomen vergoeding, volgens de bepalingen van de overeenkomst betaalbaar bij maandelijkse voorschotten, onverminderd verder ontving gedurende eventuele verlofperiodes zal hem wellicht - zo schijnt het het Hof toe - op dat ogenblik niet ongenegen zijn geweest. Dergelijke verderbetaling van de vergoeding kan echter evenzeer kaderen in de afspraken die daaromtrent worden gemaakt in een op zelfstandige basis georganiseerd samenwerkingsverband. Uit deze handelwijze kan geenszins het bestaan van een werkgeversgezag worden afgeleid. En dat de verplaatsingsvergoedingen voor het gebruik door appellant van de eigen auto enkel werden betaald na voorlegging van een gedetailleerde kostenstaat, kadert enkel en alleen in de daaromtrent door partijen gemaakte contractuele afspraken. Dergelijke handelwijze is niet ongebruikelijk en schijnt het Hof zelfs plausibel toe. Als zodanig kan uit dergelijke regeling inzake verplaatsingskosten geen dienend argument in de richting van een werkgeversgezag (eigen aan een arbeidsovereenkomst) worden geput.
  45. Evenmin decisief om van een werkgeversgezag te kunnen gewagen, is het feit dat de appellant de toestemming diende te vragen voor het volgen van opleidingen. Het vragen van die toestemming is verklaarbaar vanuit de afweging dat, indien dergelijke opleidingen door appellant zouden worden gevolgd, deze opleidingen mogelijk tijdens de afgesproken werkuren zouden plaatsvinden, zodat verdere afspraken inzake de werkverdeling dienden te worden gemaakt. Dergelijke werkwijze is niet onverenigbaar met een zelfstandigenstatuut en wijst niet op de uiting van een werkgeversgezag. En het Hof ziet niet in op basis van welke overweging appellant tot de gevolgtrekking kan komen dat het feit dat de CVBA zich er contractueel toe verbond om de kosten van dergelijke opleidingen ten laste te nemen, een indicatie zou vormen van een tewerkstelling in onderling dienstverband. Een dergelijk aan de medewerker toegekend voordeel vormt in genendele een uiting van één of andere vorm van (werkgevers)gezag.
  46. Hetzelfde geldt voor het door appellant aangehaalde element dat de CVBA de verbintenis aanging om een verzekeringspolis voor appellant af te sluiten, en om hem ingeval van arbeidsongeschiktheid gedurende één maand een vergoeding uit te betalen. De CVBA verbond er zich inderdaad contractueel toe om een verzekeringspolis af te sluiten waarbij de burgerlijke aansprakelijkheid van appellant binnen het kader van zijn beroepsactiviteit verzekerd werd (artikel 7 van de basisovereenkomst van 22 december 2003). De tenlasteneming van dergelijke beroepsaansprakelijkheidsverzekering is evenzeer mogelijk in het kader van een tussen zelfstandigen overeengekomen samenwerkingsverband, zonder dat daaruit tot het bestaan van een gezagsrelatie, eigen aan een arbeidsovereenkomst, kan worden besloten.
  47. Appellant maakt eveneens gewag van een "gewaarborgd loon". Deze terminologie werd echter door appellant in besluiten gehanteerd, zonder dat ze als zodanig vermeld staat in de basisovereenkomst van 22 december
  48. In de basisovereenkomst werd overeengekomen dat de CVBA gedurende één maand de afgesproken vergoeding verderbetaalde aan appellant, in geval van een tijdelijke gehele of gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid wegens ziekte of ongeval. Dergelijke aan appellant contractueel toegezegde waarborg is niet onverenigbaar met een zelfstandigenstatuut en laat niet toe om er indicaties van een over hem uitgeoefend werkgeversgezag uit af te leiden.
  49. Tenslotte meent appellant het bestaan van een over hem uitgeoefend werkgeversgezag te kunnen puren uit het argument dat hij geen invloed zou hebben gehad op de omvang van zijn loon. Dat appellant geen invloed zou hebben gehad op de omvang van zijn loon, wordt volgens het Hof tegengesproken door de beschikbare feitelijke gegevens. Zoals hoger reeds werd gesteld, zag appellant zijn loon op jaarbasis evolueren van 19.831,48 EUR per jaar (december 2003) naar 29.747,22 EUR per jaar in 1996 (of reeds eerder?), en vervolgens naar 35.696,67 EUR per jaar in 1998, en deze laatste verhoging volgt rechtsreeks uit een in die zin door appellant ten overstaan van de CVBA geformuleerde eis tot het bekomen van een verhoging van de vergoeding (zie hoger, V.B.3.3./5 - 6). Dit wijst er op dat appellant de facto wel degelijk een invloed had bij de bepaling van de hoogte van zijn verloning; zijn vragen voor een verhoging van de verloning sorteerden duidelijk effect. Weliswaar had appellant, omwille van de in die zin overeengekomen voorwaarden, geen recht op een vergoeding per individuele klant die hij ontving of verder hielp, maar dit is een consequentie van de in die zin op vrijwillige basis door hem aangegane overeenkomst. Dat appellant zich op die wijze in niet geringe mate economisch afhankelijk stelde van de CVBA, impliceert echter nog niet dat er sprake was van een juridische gezagsrelatie, eigen aan die van een arbeidsovereenkomst.
  50. Geïntimeerden hebben terecht opgemerkt dat de hoedanigheid die een andere dierenarts bij de CVBA had/heeft (mevrouw K. C) nadat appellant de groepspraktijk had verlaten, op geen enkele wijze toelaat er dienende elementen uit af te leiden over het statuut van appellant. De overeenkomst die een derde met de CVBA afsloot is een 'res inter alios acta', en dergelijke 'derdenovereenkomst' zegt niets over de overeenkomst die er tussen appellant en de CVBA bestond.
  51. Concluderend komt het Hof tot de bevinding dat de feitelijke elementen waarnaar appellant verwijst noch apart noch tezamen een bewijs vormen van het bestaan van een over appellant uitgeoefend 'werkgeversgezag'. De aangehaalde feiten wijzen evenzeer op de mogelijke uitvoering van zelfstandige arbeid en van een zelfstandig samenwerkingsverband en zijn daarmee niet onverenigbaar. De door appellant aangevoerde feiten en argumenten zijn niet van aard de kwalificatie die betrokkenen aan hun samenwerkingsverband hebben gegeven, zijnde die van een samenwerking op zelfstandige basis, te ontkrachten. Deze kwalificatie dient behouden te blijven.
  52. In het licht van de voorgaande beoordeling is het door appellant geformuleerde (getuigen)bewijsaanbod niet meer dienend, aangezien de door appellant opgesomde feiten bij de voorgaande bespreking al volledig, na toetsing op hun waarachtigheid en na eventuele correctie, door het Hof in overweging werden genomen, en aangezien ze niet van aard blijken te zijn om een bewijs te genereren van een gezagsuitoefening en/of van het bestaan van een arbeidsovereenkomst. Vanuit deze afweging is het door appellant voorgestelde getuigenverhoor niet dienend of nuttig, en het Hof gaat er niet op in. V.B.3.4/- "dat bijgevolg de op het bestaan van een arbeidsovereenkomst geënte aanspraken van appellant niet in rechte gehonoreerd kunnen worden en dat zijn in die zin ingestelde vorderingen - in zoverre ontvankelijk - ongegrond zijn"; In het licht van de voorgaande overwegingen behoeft dit aspect van de beoordeling weinig verdere toelichting. Nu appellant niet verbonden was door een arbeidsovereenkomst zijn de door hem op deze grondslag ingestelde vorderingen, in zoverre ze al ontvankelijk werden verklaard (zie hoger, V.A.2.), ongegrond. Een verdere bespreking van de vordering en van de in functie hiervan door partijen ontwikkelde resterende middelen en argumenten is overbodig geworden, aangezien de door appellant ingestelde eisen op grond van de hogervermelde overwegingen als zijnde ongegrond worden afgewezen. De eventueel andersluidende argumenten van partijen zijn in het licht van de voorgaande overwegingen en beoordeling niet verder relevant of dienend, ze doen aan deze beoordeling geen enkele afbreuk en worden door het Hof verder buiten beschouwing gelaten. V.B.
  53. De tegenvordering van geïntimeerden Geïntimeerden formuleerden in de procedure voor de Arbeidsrechtbank een tegenvordering opzichtens appellant, erop gericht hem te horen veroordelen tot een schadevergoeding wegens tergend en roekeloos geding. Het Hof is van oordeel dat deze tegenvordering, thans hernomen als incidenteel beroep, ongegrond was/is. Appellant heeft het nuttig en wenselijk geacht het door hem aangekleefde statuut ter discussie te moeten stellen en steunt zich daarbij op een aantal feitelijke en juridische argumenten. Appellant is gerechtigd om dergelijke eis in te stellen, zonder dat zulks in zijnen hoofde als een misbruik van procesrecht dient te worden bestempeld. In de gegeven omstandigheden en gelet op de aard van de betwisting, die in de rechtspraak frequent het voorwerp van discussie uitmaakt zonder dat dit tot een eensluidend resultaat in de rechtspraak en rechtsleer leidt, dient de door appellant gevoerde procedure niet als tergend en/of roekeloos te worden aangemerkt. De door geïntimeerden op die grondslag ingestelde tegeneis is bijgevolg ongegrond. O P D I E G R O N D E N, Het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, tweede Kamer. Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken waarvan de voorschriften werden nageleefd. Na beraadslaging, recht doende op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk, doch ongegrond. Verklaart het incidenteel beroep ontvankelijk en enkel in de hierna bepaalde mate gedeeltelijk gegrond. Zegt voor recht dat de Arbeidsrechtbank te Hasselt in haar tussenvonnis van 29 maart 2001 de oorspronkelijke vordering van appellant, als door hem uitgebreid, ten onrechte in haar totaliteit ontvankelijk heeft verklaard. Dienaangaande het tussenvonnis hervormend en opnieuw recht doende: zegt voor recht dat deze oorspronkelijke uitgebreide vordering in toepassing van artikel 807 Ger.W. onontvankelijk was/is m.b.t. de volgende vorderingsonderdelen: achterstallig loon, achterstallige km-vergoedingen, (het voorbehoud inzake) vakantiegelden, en de afgifte van sociale documenten die geen verband houden met de beëindiging van de eventuele arbeidsovereenkomst; verklaart de oorspronkelijke uitgebreide vordering voor het resterende gedeelte wel ontvankelijk. Bevestigt het eindvonnis van de Arbeidsrechtbank te Hasselt van 28 oktober 2002 in zoverre het de als ontvankelijk te weerhouden vorderingsonderdelen ongegrond verklaarde, en in zoverre het de tegenvordering ontvankelijk doch ongegrond verklaarde. Wijst partijen af van het meer- of anders gevorderde. Verwijst appellant overeenkomstig de bepalingen van artikel 1017, lid 1 van het Gerechtelijk Wetboek in de gerechtskosten van huidige beroepsprocedure. Vereffent deze aan de zijde van appellant op 57,01 EUR uitgavenvergoeding verzoekschrift hoger beroep en 279,62 EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep. Vereffent deze aan de zijde van geïntimeerde op 279,62 EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep. Aldus gewezen en uitgesproken door de tweede kamer van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, zitting houdend te Hasselt in de openbare terechtzitting van acht maart tweeduizend en vijf, waar aanwezig waren: de heer P. C, Raadsheer, waarnemend Voorzitter, de heer J. V, Raadsheer in sociale zaken, werkgever, de heer F. H, Raadsheer in sociale zaken, werknemer-bediende, mevrouw S. W, Griffier. PDF document ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20050308.3 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021223.15 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040503.23 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041206.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.