id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 11 maart 2005 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20050311.2 Rolnummer: 2003-0386 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2005-09-15 Raadplegingen: 112 - laatst gezien 2026-07-01 02:50 Fiches 1 - 2 De rechter moet de vordering niet alleen beoordelen aan de hand van de feitelijke gegevens die tot staving van een eis of verweer worden aangevoerd, hij moet ook de juridische aard van de eis bepalen zonder daarbij echter de omschrijving van het rechtsfeit of de rechtshandeling te wijzigen. Hij mag evenwel op de feiten de rechtsregel toepassen die hij toepasselijk acht. Voor het leveren van het bewijs van het bestaan van een arbeidsovereenkomst kan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid zich beroepen op het wettelijk vermoeden van artikel 4 WAO. In dat geval komt het aan diegene die het bestaan van een arbeidsovereenkomst alsnog wenst te betwisten toe om het bewijs te leveren van een samenwerking op basis van een overeenkomst zonder ondergeschikt verband of (juridisch) werkgeversgezag. Het juridisch gezag bestaat in de mogelijkheid voor de werkgever om te bepalen welke taken de werknemer moet uitvoeren en hoe, waar en wanneer hij die prestaties moet leveren. De band van ondergeschiktheid laat aan de werkgever toe de werknemer om het even welke arbeid te doen uitvoeren, in de sfeer van zijn beroepsbekwaamheid, op de door hem bepaalde wijze en tijd. Vrije woorden: DE ARBEIDSOVEREENKOMSTEN . LEERLINGEN . ALGEMENE REGELING VAN DE ARBEIDSOVEREENKOMSTEN handelsvertegenwoordigers - rechtspleging - beschikkingsmacht van de rechter - bijdrageregeling - vermoeden van arbeidsovereenkomst - bewijslast - tegenbewijs van gebrek aan ondergeschikt verband. Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 4 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID VOOR WERKNEMERS . ALGEMENE BEGINSELEN VAN DE SOCIALE ZEKERHEID toepassingsgebied - personen - rechtspleging - beschikkingsmacht van de rechter - bijdrageregeling - handelsvertegenwoordiger - vermoeden van arbeidsovereenkomst - bewijslast - tegenbewijs van gebrek aan ondergeschikt verband. Wettelijke bepalingen: Wet - 27-06-1969 - 1 - 04 ELI link Pub nr 1969062710 Nota: Gerangschikt onder II AAN - artikel 4 en onder VII A - artikel
- Tekst van de beslissing Rep. Nr. Eindarrest op tegenspraak Vierde kamer Sociale Zekerheid ARBEIDSHOF TE ANTWERPEN Afdeling Antwerpen ARREST A.R. Nr. 2030386 OPENBARE TERECHTZITTING VAN ELF MAART TWEEDUIZEND EN VIJF In de zaak: RSZ, met zetel gevestigd te XXX, appellant, voor wie verschijnt: mr. I. VAN DEN BOSSCHE loco mr. D. DE GREEF, advocaat te 1731 ZELLIK, tegen : N.V. K.H., met zetel gevestigd voorheen te XXX, en thans te XXX, ingeschreven in het handelsregister te XXX onder nummer 291.571, geïntimeerde, voor wie verschijnt: mr. K. RASSCHAERT, advocaat te 2600 BERCHEM. Na over de zaak te hebben beraadslaagd, wijst het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, het hiernavolgende arrest. Gelet op de zittingsbladen van 17 juni 2004, van 1 oktober 2004, van 14 januari 2005, van 14 januari 2005, en van 28 januari
- Gelet op de stukken van de rechtspleging, waaronder: x het tussenarrest van deze kamer van 17 juni 2004 waarbij de heropening der debatten werd bevolen; x de conclusies voor appellant, ontvangen op de griffie van het Hof op 28 september 2004; x de conclusies voor geïntimeerde, neergelegd op de griffie van het Hof op 8 november 2004; x het schriftelijk advies van het Openbaar Ministerie gelezen en neergelegd op de openbare terechtzitting van 28 januari 2005, ter kennis gebracht aan partijen in toepassing van artikel 767, ,§3, eerste lid van het Ger.W. op 28 januari 2005; x de repliek voor geïntimeerde, ontvangen op de griffie van dit Hof op 3 februari
- Gelet op de stukken van het administratief dossier. Gelet op de stukken in het naar behoren geïnventariseerde dossier van partijen. Gehoord de partijen in de voordracht van hun conclusies en verweermiddelen tijdens de openbare terechtzitting van 14 januari
- Gehoord het schriftelijke advies van het Openbaar Ministerie op de openbare terechtzitting van 28 januari
- Wat er voorafgaat. Bij tussenarrest van deze kamer van 17 juni 2004 werd het hoger beroep ontvankelijk verklaard doch alvorens verder recht te doen ten gronde werd de heropening der debatten bevolen om: "... hetzij appellant te horen bekrachtigen wat geïntimeerde voorhoudt, namelijk dat het Openbaar Ministerie de beschikkingsmacht van de partijen heeft miskend zodat de problematiek in dit geding niet mag worden benaderd vanuit de toepassing van artikel 4 WAO, hetzij om partijen precies toe te laten nader te concluderen over deze benadering vanuit artikel 4 WAO." Bij conclusies ontvangen op de griffie van dit Hof op 28 september 2004 vordert de RSZ het huidig beroep gegrond te horen verklaren, het vonnis a quo teniet te doen en de oorspronkelijke vordering, zowel in hoofdorde als in ondergeschikte orde, ongegrond te verklaren. De vordering van geïntimeerde ongegrond te verklaren. Geïntimeerde te veroordelen tot de kosten. Bij conclusies neergelegd op de griffie van dit Hof op 8 november 2004 vordert de RSZ in hoofdorde het hoger beroep ongegrond te verklaren en het vonnis a quo te bevestigen met veroordeling van de N.V. K.H. tot terugbetaling van 96.694,84 EUR wegens onverschuldigd betaalde bijdragen, vermeerderd met de wettelijke intresten vanaf 16 oktober 2001, de gerechtelijke intresten vanaf de dagvaarding en de kosten. Het vonnis uitvoerbaar te verklaren bij voorraad niettegenstaande elk verhaal en onder uitdrukkelijke uitsluiting van elk vermogen tot kantonnement. In subsidiaire orde de RSZ te veroordelen tot terugbetaling van 48.887,77 EUR te vermeerderen met de moratoire intresten vanaf 16 oktober 2001, de gerechtelijke intresten en de kosten. Verdere beoordeling. Het doorbreken van de éénpersoonsvennootschap. Wat voorligt is de overeenkomst van samenwerking van 1 mei 1993, aangegaan tussen twee vennootschappen: de N.V. K.H. en de B.V.B.A. T.M. (stuk 1 N.V. K.H.). De RSZ verwijst naar het vonnis van de Arbeidsrechtbank van Brugge van 28 januari 1994 in de zaak G. Leekens, dat hij in deze zaak relevant acht. Hij vraagt om ook in deze zaak de vennootschap T.M. te doorbreken en vast te stellen dat de facto de samenwerking werd aangegaan tussen N.V. K.H. en F.N., de man achter T.M. Het doorbreken van de vennootschap is in casu noodzakelijk wil de RSZ gerechtigd zijn op bijdragen. Immers bijdragen zijn enkel verschuldigd indien het bestaan van een arbeidsovereenkomst is aangetoond. Een arbeidsovereenkomst moet altijd intuitu personae worden aangegaan. Het Hof sluit zich aan bij het advies van het Openbaar Ministerie van 1 april 2004 (blz. 7 - punt 4.1.
- inclusief de daar vermelde rechtspraak en rechtsleer) en is van oordeel dat een arbeidsovereenkomst tot stand kan komen door een loutere wilsovereenstemming, zodanig dat haar ontstaan niet onderworpen is aan bepaalde vormvereisten. Het bestaan van een dergelijke contractuele band is door het optreden van de managementvennootschap niet uitgesloten. Met andere woorden het feit dat formeel een geschreven overeenkomst wordt afgesloten tussen een opdrachtgever en een vennootschap, sluit niet uit dat er ook een wilsovereenstemming tot stand kan gekomen zijn tussen de opdrachtgever en de enige vennoot, in casu van de éénpersoonsvennootschap. Het Hof gaat er in casu van uit dat er inderdaad sprake is van een overeenkomst tussen de N.V. K.H. en F.N. in persoon, de enige vennoot van de B.V.B.A. T.M. omdat de overeenkomst van 1 mei 1993 met nadruk het intuitu personae karakter van de samenwerking bevat (artikel 3, artikel 4 en artikel 8 in fine van de overeenkomst). Dit geschil moet worden beoordeeld vanuit de relatie N.V. K.H. versus F.N. en niet vanuit de relatie N.V. K.H. versus B.V.B.A. T.M. Het vermoeden van artikel 4 WAO. Het eventueel van toepassing zijn van artikel 4 van de Wet op de Arbeidsovereenkomsten (WAO) werd door het Openbaar Ministerie in het debat gebracht via zijn advies van 1 april
- Via het tussenarrest van 17 juni 2004 kregen de partijen de kans hun posities in het proces opnieuw te bepalen. De rechten van verdediging werden aldus geëerbiedigd. De N.V. K.H. blijft van oordeel dat hiermee het Openbaar Ministerie de beschikkingsmacht van de partijen heeft doorbroken omdat hij een geschil opwerpt, waarvan het bestaan door de conclusies van de partijen was uitgesloten. De RSZ is van mening dat er geen probleem is en hij sluit zich in conclusies, genomen na het tussenarrest van 17 juni 2004, aan bij de visie van het Openbaar Ministerie en hij vraagt thans om de kwestie ook te beoordelen vanuit de toepassing van artikel 4 WAO. In het tussenarrest van 17 juni 2004 werden de debatten heropend slechts vanuit twee mogelijkheden. Eerste mogelijkheid: de RSZ bevestigt de schending van de beschikkingsmacht van de partijen. Tweede mogelijkheid: partijen stellen de zaak opnieuw in staat, rekening gehouden met een mogelijke toepassing van artikel 4 WAO. Uit de proceshouding van de RSZ na het tussenarrest van 17 juni 2004, blijkt duidelijk dat zij de schending van de beschikkingsmacht van de partijen niet bevestigt. De eerste mogelijkheid uit het tussenarrest valt dus weg. Dat betekent dat het tussenarrest impliciet reeds de beslissing bevatte dat indien de RSZ deze schending niet zou bevestigen er geen sprake is van een dergelijke schending. Deze beslissing heeft thans gezag van gewijsde. De rechter bekijkt niet alleen de feitelijke gegevens die tot staving van een eis of een verweer worden aangevoerd doch hij moet ook de juridische aard van de eis bepalen. Hij mag daarbij de omschrijving van het rechtsfeit of de rechtshandeling niet wijzigen. Doet hij dit niet, dan mag hij op de feiten de rechtsregel toepassen die hij toepasselijk acht (cfr. J.Petit, Sociaal Procesrecht, Die Keure 2000, blz. 39 nr. 41). Het Hof oordeelt dat het rechtsfeit hier de samenwerking uitmaakt tussen N.V. K.H. en F.N. en dat hierop artikel 4 WAO kan worden toegepast, zonder dat hiermee de omschrijving van dit rechtsfeit wordt gewijzigd. Aldus kan de beoordeling in casu gebeuren vanuit de toepassing van artikel 4 WAO. Artikel 4 WAO. Dit artikel bepaalt dat de arbeidsovereenkomst voor handelsvertegenwoordigers de overeenkomst is waarbij een werknemer, de handelsvertegenwoordiger, zich verbindt tegen loon cliënteel op te sporen en te bezoeken met het oog op het onderhandelen over en het sluiten van zaken, onder het gezag, voor rekening en in naam van één of meer opdrachtgevers. Beantwoordde de samenwerking tussen N.V. K.H. en F.N. in de periode die hier aan de orde is aan deze definitie? De taak van F.N. bestond er in om cliënteel op te sporen en te bezoeken met het oog op het onderhandelen over zaken voor de N.V. K.H. (zie artikel 1 van de overeenkomst van 1 mei 1993). Hierbij is niet vereist dat hij ook zaken afsloot. De vermelding in de Nederlandstalige tekst van het artikel: onderhandelen over en het sluiten van zaken, is duidelijk een materiële vergissing (Advies NAR nr. 780 van 17 april 1984). Hier moet staan 'of' in plaats van 'en'. Hij deed dit voor rekening en in naam van de N.V. K.H.. Artikel 4 WAO bepaalt verder dat niettegenstaande elke uitdrukkelijke bepaling van de overeenkomst of bij stilzwijgen ervan, de overeenkomst, gesloten tussen opdrachtgever en tussenpersoon, welke ook de benaming zij, wordt beschouwd als een arbeidsovereenkomst voor handelsvertegenwoordigers, tenzij het tegendeel wordt bewezen. Voor het leveren van het bewijs van het bestaan van een arbeidsovereenkomst mag de RSZ zich beroepen op dit wettelijk vermoeden van artikel 4 WAO (Cass., 23 november 1993, J.T.T. 1993, 64). Indien de RSZ beroep kan doen op een dergelijk wettelijke vermoeden, mag de rechter hem dan ook niet verplichten het bewijs te leveren van het bestaan van een gezagsverhouding (Cass., 17 november 1997, J.T.T. 1998, 396). Bijgevolg komt het in casu niet aan de RSZ toe om het bestaan van werkgeversgezag te bewijzen in het verband van samenwerking tussen N.V. K.H. en F.N., maar komt het aan de N.V. K.H. toe om te bewijzen dat er geen sprake is van het bestaan van een arbeidsovereenkomst van handelsvertegenwoordiger. In het kader van deze bewijslast verwijst de N.V. K.H. op haar beurt naar de toepassing van artikel 4 WAO, waarin nog verder staat bepaald dat geen handelsvertegenwoordiger is o.a. de handelsagent die met zijn opdrachtgever is verbonden door een aannemingsovereenkomst in de zin van de wet betreffende de handelsagentuurovereenkomst. In de Wet van 13 april 1995 betreffende de handelsagentuurovereenkomst wordt deze overeenkomst gedefinieerd als de overeenkomst waarbij de ene partij, de handelsagent, door de andere partij, de principaal, zonder dat hij onder diens gezag staat, permanent en tegen vergoeding belast wordt met het bemiddelen en eventueel het afsluiten van zaken in naam en voor rekening van de principaal. De handelsagent deelt zijn werkzaamheden naar eigen goeddunken in en beschikt zelfstandig over zijn tijd. In casu is er geen betwisting mogelijk dat F.N. 'permanent en tegen vergoeding belast werd met het bemiddelen en eventueel het afsluiten van zaken in naam en voor rekening van N.V. K.H.'. Uit de afgelegde verklaringen volgt duidelijk en het kan redelijkerwijze ook niet worden betwist dat F.N. zijn werkzaamheden naar eigen goeddunken indeelde en zelfstandig over zijn tijd beschikte. Het is duidelijk dat men opnieuw terecht komt bij het element gezag. De N.V. K.H. houdt vol dat er geen sprake was van werkgeversgezag in het samenwerkingsverband tussen N.V. K.H. en F.N. en zij verwijst in eerste instantie naar de kwalificatie die partijen aan hun samenwerking gaven in de overeenkomst van 1 mei
- In deze overeenkomst sluit artikel 2 inderdaad het bestaan van elk dienstverband uit en benadrukt de volle onafhankelijkheid van de samenwerking. Het tegenbewijs van het in artikel 4, tweede lid, van de Arbeidsovereenkomstenwet gestelde vermoeden volgt niet uit de loutere gemeenschappelijke bedoeling van de partijen om een overeenkomst van zelfstandige vertegenwoordiging te sluiten en het feit dat de partijen zich gedurende de hele periode van tewerkstelling niet als door een arbeidsovereenkomst verbonden hebben geacht. (Cass., 17 mei 2004 raadpleging via internet: www.cass.be > NL > Hof van Cassatie > arresten van het Hof > datum ingeven > lijst > nr. RC045H2_2 ) Dat zolang niet is vastgesteld dat de omstandigheden van werkelijke uitvoering van de overeenkomst de gezagsverhouding uitsluiten, een overeenkomst als een arbeidsovereenkomst voor handelsvertegenwoordiging kan worden bepaald op grond van het in artikel 4, tweede lid, van de Arbeidsovereenkomstenwet gestelde vermoeden, ook al hadden de partijen een andere bedoeling of hun overeenkomst anders gekwalificeerd of zich bij de uitvoering van de overeenkomst als niet verbonden door een arbeidsovereenkomst hebben geacht (Cass., 17 mei 2004 - ibidem) In de definitie van een arbeidsovereenkomst in artikel 4 van de Wet van 3 juli 1978 (WAO) wordt met 'gezag' het juridisch gezag bedoeld en niet het economisch gezag of de economische afhankelijkheid. Wat juridisch werkgeversgezag is, kan worden afgeleid uit de volgende, ietwat moeilijke maar correcte definitie van een arbeidsovereenkomst: "Het geviseerde maatschappelijk fenomeen dat door artikel 2 en 3 Arbeidsovereenkomstenwet geregeld wordt, betreft deze economische relaties waarbij een 'werknemer' in de 'onderneming van zijn werkgever' een taak op zich neemt en met daadwerkelijke arbeidskracht invult die vanuit organisatorisch standpunt intern georganiseerd wordt en een onmisbare schakel is binnen de aaneensluitende productieprocessen om samen het maatschappelijk doel van de onderneming te verwezenlijken en over welke taak de werkgever, vanuit zijn eigendomsrecht, beleidsrecht en binnen de grenzen van de contractueel verworven aanvaarding door de werknemer het recht heeft deze taakomschrijving concreet en normerend voor de werknemer in te vullen." Deze definitie is bruikbaar bij de beoordeling van het begrip gezag in artikel 4 WAO dat betrekking heeft op de handelsvertegenwoordigers. Het juridisch gezag is dan precies deze mogelijkheid voor de werkgever om te bepalen welke taken de werknemer moet uitvoeren en hoe, waar en wanneer hij die moet uitvoeren. De band van ondergeschiktheid laat daardoor aan de werkgever toe de werknemer om het even welke arbeid te doen uitvoeren, in de sfeer van zijn beroepsbekwaamheid, op de door hem bepaalde wijze en tijd (C. Engels, De managementvennootschap en het sociaal recht, Oriëntatie 1995, 202-203). Toegepast op de huidige zaak, komt het Hof tot de volgende bevindingen. De aard van de taken (het 'wat'). Artikel 1 van de overeenkomst van 1 mei 1993 omschrijft de opdracht van F.N. als: het leggen van contacten, het prospecteren en het negotiëren met het oog op het afsluiten van bevrachtingsovereenkomsten, agentuurovereenkomsten. Artikel 2 vervolgt dat betrokkene zijn activiteiten uitoefent buiten elk dienstverband om en in volle onafhankelijkheid. Samen gelezen, houden deze beide bepalingen in dat door N.V. K.H. aan F.N. een algemene opdracht werd gegeven maar dat deze opdracht door N.V. K.H. niet elke dag opnieuw werd vertaald naar concrete opdrachten of taken, die hij vervolgens moest uitvoeren. Integendeel het was F.N. die dagelijks zelf concreet gestalte gaf aan de algemene opdracht die enkel in de overeenkomst van 1 mei 1993 werd overeengekomen. Dit betekent enerzijds dat N.V. K.H. niet geïnteresseerd was in de concrete prestaties van F.N. maar enkel in het resultaat ervan, zijnde de aangebrachte contracten. Anderzijds horen deze concrete dagelijkse prestaties van F.N. niet thuis in de interne organisatie van N.V. K.H. maar liggen deze daar geheel buiten. Conclusie: de aard van de taken van F.N. wordt niet normerend opgelegd door N.V. K.H.. Het feit dat hij deze zelf bepaalt en dat N.V. K.H. enkel geïnteresseerd is in het resultaat ervan sluit het werkgeversgezag uit. Dit wordt niet tegengesproken door de aard van de beloning van F.N. De overeenkomst van 1 mei 1993 voorziet een vast maandelijks honorarium en een commissie op het resultaat. Het vast honorarium wordt allicht verklaard door de sterke onderhandelingspositie van F.N. bij het tot stand komen van de overeenkomst. N.V. K.H. wou hem absoluut hebben omwille van zijn ervaring met en zijn kennis van de Duitse markt. Gelet op zijn leeftijd en de problemen met zijn gezondheid was F.N. allicht geneigd om over een vast inkomen te onderhandelen. Voor N.V. K.H. was het te nemen of te laten. Met andere woorden, het is absoluut niet zeker dat de wijze van vergoeden eenzijdig werd bepaald door N.V. K.H.. Het feit dat er ook een commissie werd betaald, bewijst dat het resultaat van de inzet van F.N. belangrijk was en dat hij zijn inkomen zelf kon doen schommelen in functie van dit resultaat. Ook de rapporten die door F.N. werden afgeleverd over zijn werkzaamheden zijn niet bedoeld om na te gaan of hij wel in het rijtje loopt, dit wil zeggen dat ze niet dienen om te controleren of hij de concrete dagelijkse opdrachten die N.V. K.H. voor hem zou bepaald hebben, wel heeft uitgevoerd. De verklaring van P.R. van N.V. K.H. van 4 september 2000 is terzake duidelijk: "De heer N. zijn prestaties worden niet dagelijks gecontroleerd. Hij heeft geen vast werkschema waarin hij functioneert. Hij wordt geëvalueerd op basis van de opbrengsten van de dossiers die hij aanbrengt. De heer N. dient ons te rapporteren over zijn activiteiten. Hij rapporteert aan ons niet met een vaste periodiciteit maar enkel in de gevallen dat er iets te rapporteren valt zoals bijvoorbeeld naar aanleiding van een handelsreis naar het buitenland." Deze verklaring bevestigt dat N.V. K.H. enkel geïnteresseerd is in de opbrengsten van de dossiers die F.N. aanbrengt, niet in zijn arbeid zelf. De wijze waarop F.N. zijn taken uitoefent (het 'hoe'). Vermits de concrete invulling van de dagelijkse werkzaamheden aan F.N. wordt overgelaten, bepaalt deze ook zelf hoe hij deze werkzaamheden zal verrichten. Het ene volgt logisch uit het andere. Nergens wordt er een element aangereikt dat zou aantonen dat N.V. K.H. instructies zou geven over de wijze waarop F.N. zijn job moet uitoefenen. Vermits elke instructie naar de wijze waarop F.N. zijn opdracht concreet moest invullen, ontbrak en vermits op geen enkele wijze enige controle of toezicht gebeurde naar de wijze van werken, sluit dit element het bestaan van werkgeversgezag uit. Het tijdstip waarop er moest worden gepresteerd (het 'wanneer'). Vermits de concrete invulling van de job volledig in handen was van F.N. zijn er geen instructies van N.V. K.H. naar de tijdstippen waarop F.N. moest werken en naar de tijdstippen waarop hij vrij was. Er werd hierop geen enkele controle uitgeoefend. Het enige wat van hem gevraagd werd, was dat hij zou signaleren wanneer hij met vakantie ging. P.R.: "Hij dient ons op de hoogte te brengen van de periode waarin hij met verlof gaat, voor de praktische gang van zaken. Hij hoeft dit niet schriftelijk te vragen. Ik denk niet dat wij het al gevraagd hebben zijn periode te verschuiven." Dus afwezigheid moet enkel worden gesignaleerd om de praktische gang van zaken te bevorderen. Ziekte moet worden geattesteerd. De RSZ ziet hierin een element van werkgeversgezag. Dit zou een element zijn van werkgeversgezag indien het was bedoeld om de interne organisatie van N.V. K.H. in de hand te houden. Elk radertje moet daarin meedraaien en als er eentje stil valt, moet dat onmiddellijk worden gemeld. In die zin is artikel 11 van de overeenkomst niet te lezen. F.N. heeft een belangrijk gezondheidsprobleem. Hij kwam uit een lange periode van inactiviteit wegens hartproblemen. Niemand kon bij het aangaan van de samenwerkingsovereenkomst in de toekomst kijken. Het is wel duidelijk dat een nieuwe uitval van F.N. gedurende langere tijd de samenwerking kon hypothekeren. Het is denkelijk vanuit die bekommernis dat artikel 11 in de overeenkomst werd ingevoerd. Diezelfde bekommernis om de specifieke gezondheidstoestand van F.N. heeft allicht ook gemaakt dat er per jaar maximum gedurende één maand zou worden doorbetaald in geval van ziekte. In ieder geval bevestigt artikel 11 het principe dat er niet betaald wordt wanneer F.N. niet actief is. De verplichting om ziekte te attesteren, die in de praktijk nooit werkzaam is geweest omdat F.N. niet ziek is geweest, is in casu enkel toe te schrijven aan de specifieke gezondheidstoestand van F.N. en als dusdanig is het geen element van werkgeversgezag. Ook wat het tijdstip betreft (het 'wanneer') sluit de regeling op het werkveld het bestaan van werkgeversgezag uit. De plaats van tewerkstelling (het 'waar'). P.R. verklaarde daarover: "De heer N. werkt vooral van bij hem thuis. Verder beschikt hij in het filiaal te Gent over een bureel en een telefoon waarvan hij gebruik kan maken. In Antwerpen komt hij voor occasionele besprekingen. Zijn werkterrein is hoofdzakelijk maar niet exclusief Duitsland en de graansector." Uit deze verklaring volgt duidelijk dat het nooit de bedoeling van N.V. K.H. is geweest om F.N. te doen werken op een wel bepaalde werkplek omdat dit het beste paste in de interne organisatie van N.V. K.H.. Integendeel, F.N. werkte het grootste deel van de tijd bij hem thuis. Iemand die thuis zijn eigen werkzaamheden kan organiseren zonder enige controle is letterlijk zelfstandig. Anderzijds geeft F.N. aan dat hij voor het gebruik minstens van de telefoon in Gent moet betalen. Ook dat element bevestigt dat N.V. K.H. niet dwingend en normerend optrad naar de plaats van tewerkstelling. Dus ook qua plaats van tewerkstelling sluit de dagelijkse realiteit het bestaan van werkgeversgezag uit. De eindconclusie is dan ook dat noch het 'wat', noch het 'hoe', noch het 'wanneer' en het 'waar' in de concrete omstandigheden van elke dag door N.V. K.H. worden aangestuurd. Dit is de essentie van het werkgeversgezag. De wijze waarop het 'wat', het 'hoe', het 'wanneer' en het 'waar' dan wél werd uitgevoerd in de praktijk, was volledig in handen van F.N.. Dat maakt dat er geen sprake was van werkgeversgezag in de relatie tussen N.V. K.H. en F.N.. Daar wordt geen afbreuk aan gedaan door het gegeven dat F.N. exclusief voor N.V. K.H. zou hebben gewerkt noch door het intuitu personae karakter van de overeenkomst. Wat het exclusief werken voor N.V. K.H. betreft: dit element is niet bewezen vermits P.R. verklaarde dat het niet de bedoeling van N.V. K.H. was om F.N. exclusief voor haar te laten werken. Deze exclusiviteit was dus geen vereiste. Tenslotte wat het intuitu personae karakter van de samenwerking betreft en de hieraan verbonden onmogelijkheid van vervanging: het klopt dat het intuitu personae karakter typisch is voor een arbeidsovereenkomst. Dat betekent dat wanneer er geen sprake is van een intuitu personae karakter er ook geen sprake is van een arbeidsovereenkomst. Maar de aanwezigheid van het intuitu personae karakter leidt niet automatisch en op zichzelf tot het bestaan van een arbeidsovereenkomst. In de huidige zaak is F.N. een vrij zeldzame medewerker op het terrein waarop N.V. K.H. opereert. Wanneer zij op zoek gaat naar een medewerker is de keuze niet groot. Het is dan ook duidelijk dat het intuitu personae karakter van de samenwerking enkel daardoor te verklaren is. In die context is het bovendien niet zo evident dat men dergelijke medewerkers onder werkgeversgezag kan plaatsen. Zij kennen hun positie op de markt en het zijn eerder zij die de omstandigheden bepalen waaronder ze willen werken. Kortom het Hof is van oordeel dat terzake de omstandigheden van werkelijke uitvoering van de overeenkomst de gezagsverhouding uitsluiten. Hierdoor wordt het vermoeden van artikel 4 WAO weerlegd en gebeurde de samenwerking tussen N.V. K.H. en F.N. niet onder de vorm van een arbeidsovereenkomst. De vorderingen van de RSZ die noodzakelijkerwijze steunen op een arbeidsovereenkomst zijn ongegrond. Het hoger beroep is ongegrond. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Gehoord de heer F. SLACHMUYLDERS, Substituut-generaal, in de voorlezing van zijn schriftelijke advies, gegeven ter openbare terechtzitting van 28 januari
- Geïntimeerde repliceerde met schriftelijke conclusies ontvangen op de griffie van dit Hof op 3 februari
- Recht doende op tegenspraak. Het tussenarrest van 17 juni 2004 verder uitwerkende, verklaart het hoger beroep thans ook ongegrond. Bevestigt het vonnis van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen van 31 maart
- Legt de kosten van hoger beroep, overeenkomstig artikel 1017, eerste lid van het Gerechtelijk Wetboek, ten laste van de RSZ. Vereffent de kosten aan de zijde van de N.V. K.H. op 279,62 euro rechtsplegingsvergoeding beroep en aan de zijde van de RSZ op 55,77 euro uitgavenvergoeding en 279,62 euro rechtsplegingsvergoeding beroep. Aldus gewezen en uitgesproken door de vierde kamer van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, op de openbare terechtzitting van elf maart tweeduizend en vijf, waar aanwezig waren: de heer J. VERHAVERT, Raadsheer, voorzitter van de kamer, de heer G. GOVAERT, Raadsheer in sociale zaken als werkgever, de heer O. MAGNUS, Raadsheer in sociale zaken als werknemer-arbeider, mevrouw L. VAN CALSTER, Griffier. PDF document ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20050311.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div