id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 14 maart 2005 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20050314.11 Rolnummer: 2003-0154 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2005-11-29 Raadplegingen: 115 - laatst gezien 2026-07-01 02:51 Fiches 1 - 2 Op het ogenblik van het ongeval bevond het slachtoffer zich onder het gezag van zijn werkgever. Het slachtoffer zette het op een lopen, omdat het op dat moment illegaal was tewerkgesteld. Het zich onttrekken aan een politiecontrole wegens illegale tewerkstelling en daarbij door de ruit van een serre lopen, betreft een fout in hoofde van het slachtoffer, maar vormt geen opzet. Vrije woorden: BEROEPSRISICO'S . ARBEIDSONGEVALLEN begripsomschrijving - arbeidsongeval - vermoeden verbonden aan de uitvoering van de overeenkomst - bewijs - tijdens en door de uitvoering van de arbeidsovereenkomst - illegale tewerkstelling - fout van het slachtoffer. Wettelijke bepalingen: Wet - 10-04-1971 - 7,1een2elid - 01 ELI link Pub nr 1971041001 Vrije woorden: BEROEPSRISICO'S . ARBEIDSONGEVALLEN begripsomschrijving - vermoeden van ongeval - bewijs - tijdens en door de uitvoering van de arbeidsovereenkomst - illegale tewerkstelling - fout van het slachtoffer. Wettelijke bepalingen: Wet - 10-04-1971 - 9 - 01 ELI link Pub nr 1971041001 Nota: Gerangschikt onder VI A - artikel 7, 1ste en 2de lid en onder VI A - artikel 9. Annotaties Publicaties: SOCIAALRECHTELIJKE KRONIEKEN - - 2005(00007,P.384-386) Tekst van de beslissing Zevende kamer Tussenarrest op tegenspraak (aanstelling deskundige) Arbeidsongeval ARBEIDSHOF TE ANTWERPEN Afdeling Antwerpen ARREST A.R. Nr. 2030154 OPENBARE TERECHTZITTING VAN 14 MAART TWEEDUIZEND EN VIJF In de zaak : A.B, wonende te x. appellant, verschijnend bij mr. K. Van Put loco mr. C. Bossers, advocaat te 2000 Antwerpen. tegen : 1. E. V.D.K., wonende te x. eerste geïntimeerde, verschijnend bij mr. C. Taels loco mr. K. Mollekens, advocaat te 2800 Mechelen. 2. I.V., wonende te x. tweede geïntimeerde, verschijnend bij mr. C. Taels loco mr. K. Mollekens, advocaat te 2800 Mechelen. 3. FONDS VOOR ARBEIDSONGEVALLEN, met zetel te 1050 ELSENE, Troonstraat 100. derde geïntimeerde, verschijnend bij mr. K. Morel loco mr. L. Nelis, advocaat te 2018 Antwerpen. 4. KBC VERZEKERINGEN N.V., met zetel te 3000 LEUVEN, Waaistraat 6. vierde geïntimeerde, verschijnend bij mr. M. Wuyts loco mr. J. Wuyts, advocaat te 2800 Mechelen. Na over de zaak beraadslaagd te hebben, wijst het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, het hiernavolgende arrest. Gelet op de processen-verbaal d.d. 1 april 2003 en 14 februari 2005; Gelet op de stukken van de rechtspleging, onder meer: - de dagvaarding uitgaande van A.B., betekend door J. Baelde, plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder in vervanging van B. Van Kerckhoven, gerechtsdeurwaarder te Brussel, op 20 oktober 2000 aan E. V.D.K., I.V. en het FONDS VOOR ARBEIDSONGEVALLEN; - het verzoekschrift uitgaande van K.B.C. VERZEKERINGEN N.V., neergelegd ter griffie van de Arbeidsrechtbank te Mechelen op 14 september 2001, houdende het verzoek akte te verlenen van haar vrijwillige tussenkomst in het geding; - het eensluidend verklaard afschrift van het op tegenspraak gewezen eindvonnis van 16 december 2002 van de Arbeidsrechtbank te Mechelen (A.R. 76.398) waarvan geen bewijs van betekening werd bijgebracht; - het verzoekschrift tot hoger beroep uitgaande van appellant, A.B., neergelegd ter griffie van dit Hof op 4 maart 2003; - de beroepsconclusie voor derde geïntimeerde, ontvangen ter griffie van dit Hof op 28 april 2003; - de beschikking van de Eerste Voorzitter, overeenkomstig art. 747, ,§ 2 Ger.W. d.d. 7 mei 2004; - de beroepsconclusie voor vierde geïntimeerde, ontvangen ter griffie van dit Hof op 28 mei 2004; - de beroepsconclusie voor eerste en tweede geïntimeerden, neergelegd ter griffie van dit Hof op 14 juni 2004; - de beroepsconclusie voor appellant, neergelegd ter griffie van dit Hof op 15 oktober 2004; - de syntheseconclusie in hoger beroep voor derde geïntimeerde, neergelegd ter griffie van dit Hof op 10 november 2004 waartegen de overige partijen zich niet verzetten ter zitting; - de samenvattende beroepsbesluiten voor eerste en tweede geïntimeerden, neergelegd ter griffie van dit Hof op 26 november 2004; De partijen werden gehoord in hun middelen en besluiten op de openbare terechtzitting van 14 februari 2005, waarna de debatten werden gesloten en het Hof de zaak in beraad nam. 1. Ontvankelijkheid Het hoger beroep is naar termijn en vorm regelmatig ingesteld en de ontvankelijkheid ervan wordt niet betwist; het hoger beroep dient dan ook ontvankelijk verklaard te worden. 2. Feiten en voorgaanden A.B., verder in dit arrest het "slachtoffer" genoemd, beweert op 23 oktober 1999 het slachtoffer te zijn geworden van een arbeidsongeval, toen hij als arbeider in dienst was van E. V.D.K., die als zelfstandige een tuinbouwbedrijf uitbaat, waarvan de N.V. KBC-VERZEKERINGEN, verder in dit arrest "de wetsverzekeraar" genoemd, de arbeidsongevallenverzekeraar is. De echtgenote van E. V.D.K, I.V, is zelfstandig helpster van haar echtgenoot. Omtrent de feiten welke zich hebben voorgedaan op 23 oktober 1999 kan terzake verwezen worden naar de vaststellingen van de politie te Duffel, weergegeven in het proces-verbaal d.d. 23 oktober 1999 (stuk 26 inventaris appellant): Naar aanleiding van een controle wegens het verbranden afval, begeven twee politieagenten zich naar de serre te Sint Katelijne Waver, Kegelslei 4. Daar bemerken zij twee mannen die aan het borstelen zijn tussen de tomatenplanten. Wanneer de agenten naar hen toegaan, gaat één van hen, zijnde A.B., plots lopen, richting uitgang/ingang van de serre. De agenten begeven zich eveneens in deze richting, waarop A.B. keert en terug loopt, dwars door de ruit van de serre. Het slachtoffer zelf stelt dat hij op 23 oktober 1999 viel door het raam van een serre en zich daarbij verwondde aan zijn rechterarm. Naar aanleiding van dit ongeval werd er tussen het slachtoffer en E. V.D.K. een overeenkomst afgesloten tot vergoeding van de door hem geleden schade: E. V.D.K. betaalde het slachtoffer 40.000 BEF of 991,75 euro. Het slachtoffer is van mening dat het gebeuren moet worden beschouwd als zijnde een arbeidsongeval, en gezien de arbeidsongevallenwetgeving van openbare orde is, is de afgesloten overeenkomst volgens hem nietig. Het slachtoffer dagvaardde vervolgens E. V.D.K., I.V. en het F.A.O., en vorderde de wettelijke vergoedingen conform de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 ingevolge het arbeidsongeval dat hem zou zijn overkomen op 23.10.99. Bij verzoekschrift van vrijwillige tussenkomst, neergelegd ter griffie van de Arbeidsrechtbank te Mechelen op 14.09.01, kwam de wetsverzekeraar vrijwillig tussen in het geding, in haar hoedanigheid van arbeidsongevallenverzekeraar van E. V.D.K. en I.V. De eerste rechter verklaarde bij eindvonnis van 16 december 2002 de vordering ontvankelijk, doch ongegrond en wees A.B. ervan af. De Arbeidsrechtbank te Mechelen veroordeelde de vrijwillig tussenkomende partij, N.V. K.B.C. Verzekeringen, tot de kosten van het geding, met uitzondering voor wat betreft de kosten van het F.A.O. Legde de kosten van het geding betreffende de procedure tegen het F.A.O. ten laste van A.B. Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van dit Hof d.d. 4 maart 2003 tekende A.B. hoger beroep aan tegen voormeld vonnis van 16 december 2002. 3. Eisen in hoger beroep: - A.B., appellant, vordert het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren. Dienvolgens het bestreden vonnis te vernietigen en opnieuw recht doende, en doende wat de eerste rechter had moeten doen, zijn oorspronkelijke vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren. Appellant voor het overige het voordeel te verlenen van het beschikkend ge-deelte van de oorspronkelijke dagvaarding, nl.: (
- a)Geïntimeerde partijen, solidair en in solidum de ene bij uitsluiting van de andere, provisioneel te zien en te horen veroordelen tot betaling van 2.478,94 EUR, hetzij 100.000 BEF.; (
- b)Geïntimeerde partijen, solidair en in solidum de ene bij uitsluiting van de andere, te zien en te horen veroordelen tot vergoeding van medische, farmaceutische en behandelingskosten, onder voorbehoud van alle andere onkosten en schadeposten (zoals exemplatief onder meer esthetische schade), welke uit het arbeidsongeval voortspruiten, de wettelijke intresten op de verschuldigde vergoedingen sedert de vervaldata en de gerechtelijke intresten; (
- c)Geïntimeerde partijen, solidair en in solidum de ene bij uitsluiting van de andere, er te zien en te horen veroordelen om te betalen aan appellant de bij wet op de arbeidsongevallen bepaalde vergoedingen, meer bepaald de dagelijkse vergoedingen voor de periode van tijdelijke volledige arbeidsongeschiktheid van 23/10/1999 tot heden, en tot een jaarlijkse toelage ingevolge een blijvende gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid van minstens 10 %, onder voorbehoud van vermeerdering of vermindering in de loop van het geding, vanaf datum van consolidatie, vast te stellen door een deskundige (zoals hierna diens opdracht bepaald) en rekening gehouden met een basisloon van 22.087,31 EUR hetzij 891.000 BEF, eveneens onder voorbehoud van vermeerdering of vermindering in de loop van het geding; (
- d)Alvorens recht te doen een deskundige aan te stellen om de definitieve schade te begroten; Deskundige met als opdracht, na vooraf de wettelijk voorgeschreven eed te hebben afgelegd, in een met redenen omkleed verslag zijn oordeel te kennen te geven over: 1) de aard van de door appellant opgelopen verwondingen; 2) de duur van de tijdelijk volledige, de duur en de graad van de tijdelijke gedeeltelijke en de graad van de bestendige werkongeschiktheid van appellant; 3) de consolidatie 4) de vergoedingen voor de tijdelijke volledige arbeidsongeschiktheid en de jaarlijkse toelagen voor de blijvende gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid van minstens 10 %, onder voorbehoud van vermeerdering of vermindering in de loop van het geding, vanaf datum van consolidatie, en rekening gehouden met een basisloon van 891.000 BEF (22.087,31 EUR), eveneens onder voorbehoud van vermeerdering of vermindering in de loop van het geding; 5) alle andere punten in verband met het geschil waaromtrent partijen of hun raadslieden (vertegenwoordigers) hem zouden ondervragen; (
- e)Na definitieve vordering van appellant, ten gronde te vonnissen als naar recht; (
- f)Geïntimeerde partijen solidair en in solidum de ene bij uitsluiting van de andere, te zien en te horen veroordelen tot de kosten van het geding met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding zoals voorzien in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek, onder voorbehoud van indexering door de Rechtbank toe te passen in de loop van het geding, en alle uitvoerings- en inningskosten; - E. V.D.K. en I.V., eerste en tweede geïntimeerden, vorderen bij besluiten, neergelegd ter griffie van dit Hof op 26 november 2004, als volgt: - voor wat betreft de vordering van appellant: Het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren. Dienvolgens appellant en/of de oorspronkelijk vrijwillig tussenkomende partij te veroordelen tot de kosten van het geding; Uiterst ondergeschikt en enkel voor zover het Hof voormelde geïntimeerden, hetzij één van hen, per impossibile zou veroordelen tot betaling van enig bedrag, de toegekende bedragen alleszins te verminderen met 991,75 EUR en in die hypothese maximaal een onbenoemde provisie toe te kennen en een deskundige aan te stellen. - voor wat betreft de vordering van KBC-Verzekeringen: Te zeggen voor recht dat er geen voorbehoud kan verleend worden. - HET FONDS VOOR ARBEIDSONGEVALLEN, derde geïntimeerde, vordert bij besluiten, neergelegd ter griffie van dit Hof op 10 november 2004, het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren; De vordering van appellant lastens het F.A.O. ongegrond te verklaren. Dienvolgens het eerste vonnis te bevestigen. Subsidiair, indien het Hof van oordeel zou zijn dat appellant op 23 oktober 1999 het slachtoffer werd van een arbeidsongeval in dienst van eerste en tweede geïntimeerden, te zeggen voor recht dat KBC-Verzekeringen dit ongeval ten laste moet nemen; Dienvolgens het FAO buiten zake te stellen. Appellant te veroordelen tot de kosten van het hoger beroep. - N.V. K.B.C. VERZEKERINGEN, vierde geïntimeerde, vordert bij besluiten, ontvangen ter griffie van dit Hof op 28 mei 2004, het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren. Het eerste vonnis in zijn geheel te bevestigen uitgezonderd wat betreft de gedingkosten in de mate deze lastens vierde geïntimeerde, oorspronkelijk vrijwillig tussenkomende partij, werden gelegd. Rechtdoende op incidenteel beroep, dit ontvankelijk en gegrond te verklaren. Dienvolgens voor recht te zeggen dat appellant gehouden is tot alle geding-kosten, minstens het bestreden vonnis te vernietigen in de mate het de N.V. K.B.C. Verzekeringen veroordeelt tot de gedingkosten met uitzondering van deze van het F.A.O. Appellant te veroordelen tot de kosten van beide aanleggen. Op de openbare terechtzitting van 14 februari 2005 gedroeg de raadsman van N.V. K.B.C. Verzekeringen zich naar de wijsheid van het Hof met betrekking tot de gedingkosten. In ondergeschikte orde en voor zover bij onmogelijkheid de oorspronkelijke vordering toch mocht gegrond verklaard worden, N.V. K.B.C. Verzekeringen akte van voorbehoud te verlenen voor de recuperatie lastens E. V.D.K. en I.V., haar verzekerden, voor alle uitgaven waartoe zij door het tussen te komen vonnis opzichtens appellant mochten worden veroordeeld, zowel in hoofdsom, intresten als kosten. 4. Beoordeling door het Hof In voorliggend geval dient het Hof te oordelen of A.B. op 23 oktober 1999 het slachtoffer werd van een arbeidsongeval. Artikel 7, eerste lid van de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 bepaalt: "Voor de toepassing van deze wet wordt als arbeidsongeval aangezien elk ongeval dat een werknemer tijdens en door de uitvoering van de arbeidsovereenkomst overkomt en dat een letsel veroorzaakt." Artikel 7, tweede lid van de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 bepaalt: "Het ongeval overkomen tijdens de uitvoering van de overeenkomst wordt, behoudens tegenbewijs, geacht als overkomen door het feit van de uitvoering van die overeenkomst." Verder bepaalt artikel 9: Wanneer de getroffene of zijn rechthebbende benevens het bestaan van een letsel, een plotselinge gebeurtenis aanwijzen, wordt het letsel, behoudens tegenbewijs, vermoed door een ongeval te zijn veroorzaakt." De wetgever heeft met andere woorden geen complete bepaling van het arbeidsongeval gegeven. Deze beslissing stoelde op de bekommernis de breedst mogelijke interpretatie toe te laten met het oog op de ruimst mogelijke bescherming van de fysische integriteit van de werknemer. (J.R. Rauws, De behoefte aan een definitie van het wettelijk begrip arbeidsongeval anno 1971, R.W., 1976-1977, 2008 e.v.; Parl. Besch., Senaat, 1969-1970, nr. 328, 10; Parl. Besch., Senaat, 1970-1971, nr. 215, 49; J. Huys, De professionele risicoverzekering dekt ook de "gewone risico's" bij het uitvoeren van de arbeidsovereenkomst, R.W., 1998-1999, 572). Uit de geciteerde wettelijke bepalingen dient te worden afgeleid dat wanneer de aanwezigheid van een arbeidsongeval wordt ingeroepen, dient bewezen te worden: - een plotse gebeurtenis; - een letsel; - en dat het ongeval overkomen is tijdens de uitvoering van de arbeidsovereenkomst. Zijn deze drie elementen bewezen, dan geniet het slachtoffer van het wettelijk vermoeden (artikel 9 van de Arbeidsongevallenwet). Artikel 9 van de Arbeidsongevallenwet geeft zelf geen concrete inhoud aan het begrip plotse gebeurtenis. Een plotse gebeurtenis kan worden omschreven als een duidelijk in tijd en ruimte lokaliseerbare gebeurtenis die bovendien slechts een korte tijdspanne in beslag neemt. (C. Persyn, R. Janvier, W. Van Eeckhoutte, o.c., 1244-1253). Volgens vaststaande rechtspraak van het Hof van Cassatie, die door dit Hof wordt bijgetreden, kan de uitvoering van de gewone en normale dagtaak een plotselinge gebeurtenis opleveren, voor zover in die uitoefening een element aanwijsbaar is dat het letsel kan hebben veroorzaakt; het is niet vereist dat dit aanwijsbaar element te onderscheiden is van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst. (Cass. 2 februari 1998, Soc. Kron., 1998, 422; Cass. 18 mei 1998, S.97.051, onuitg., opgenomen in Justel; Cass. 16 juni 1997, Soc. Kron., 1998, 420, noot P. Palsterman). De plotselinge gebeurtenis is het duidelijk aanwijsbaar, in tijd en ruimte te situeren element dat het letsel heeft kunnen veroorzaken. Het slachtoffer dient het bewijs te leveren van het bestaan van de plotselinge gebeurtenis. Over het bestaan van het letsel ter hoogte van de rechterarm bestaat als zodanig geen betwisting tussen partijen. De feiten die zich hebben voorgedaan op 23 oktober 1999 blijken duidelijk uit de vaststellingen gedaan door de Politie van Duffel, zoals weergegeven in het proces-verbaal d.d. 23 oktober 1999 (stuk 26 inventaris appellant) en kunnen samengevat worden als volgt: Naar aanleiding van een controle wegens het verbranden van afval, begaven twee politieagenten zich naar de serre te S.K.W., . Daar bemerkten zij twee mannen die aan het borstelen waren tussen de tomatenplanten. Wanneer de agenten naar hen toegingen, ging één van hen, zijnde A.B., plots lopen richting uitgang/ingang van de serre. De agenten begaven zich eveneens in deze richting, waarop A.B. zich keert en terug loopt, dwars door de ruit van de serre. Het dwars door de ruit van een serre lopen naar aanleiding van een politiecontrole, betreft een duidelijk aanwijsbaar in tijd en ruimte te situeren element dat het letsel heeft kunnen veroorzaken, zodat ook het bewijs wordt geleverd van een plotselinge gebeurtenis. Bijgevolg geniet het slachtoffer van het wettelijk vermoeden (artikel 9 van de Arbeidsongevallenwet), behoudens tegenbewijs te leveren door wetsverzekeraar. Uit de voorliggende gegevens blijkt dat A.B. op het ogenblik van de feiten d.d. 23 oktober 1999 wel degelijk aan het werk was in de serre. Ook uit het vonnis van de correctionele rechtbank te Mechelen d.d. 12 oktober 2000 (stuk 25 inventaris appellant) blijkt dat A.B. op 23 oktober 1999 illegaal tewerkgesteld was bij E. V.D.K. Samen met de eerste rechter stelt het Hof vast dat de feiten zich hebben voorgedaan tijdens de uitvoering van de arbeidsovereenkomst. Het ongeval wordt pas een arbeidsongeval wanneer het de werknemer overkomt tijdens en door de uitvoering van de arbeidsovereenkomst. De nadruk moet gelegd worden op de voorwaarde dat het ongeval moet gebeurd zijn door het feit van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst en niet de arbeid zelf. Een ongeval is het gevolg van het feit van de uitvoering van de overeenkomst, wanneer het het resultaat is van een oorzaak, die met deze uitvoering verband houdt, met andere woorden wanneer het betrekking heeft op om het even welke omstandigheid, die verband houdt met de activiteit zelf van de werknemer of met de activiteit van de andere personeelsleden van het bedrijf of met het industriële of professionele milieu, waarin de arbeider zich als gevolg van het contract beweegt (in die zin Arbh. Gent 20 maart 1998, Soc. Kron. 2000, 136 en Gedr. St. Kamer 1901-02, nr. 302, ,§31, 1107). Wanneer diegene die door het ongeval getroffen, het willens heeft teweeg-gebracht, ook al heeft hij de gevolgen hiervan niet gewild, is hij uitgesloten van het recht op vergoeding (Cass. 16 februari 1987, Arr. Cass. 1986-87, 800, concl. Adv. Gen. LENAERTS, Pas. 1987, I, 718, R.W. 1986-87, 255). Anders dan de eerste rechter, weerhoudt het Hof in casu geen opzet: het slachtoffer heeft het ongeval niet "willens" teweeggebracht. Het vluchten, het op een lopen zetten teneinde zich te onttrekken aan een politiecontrole wegens illegale tewerkstelling en daarbij door de ruit van een serre lopen, betreft wel een fout in hoofde van het slachtoffer. Maar zelfs de zeer zware fout van het slachtoffer vormt geen hinderpaal voor de toepassing van de Arbeidsongevallenwet, vanaf het ogenblik dat deze fout verband houdt met de uitvoering van de arbeidsovereenkomst. Op het ogenblik van het ongevalgebeuren bevond het slachtoffer zich onder het gezag van zijn werkgever. Bovendien heeft het ongevalgebeuren alles te maken met zijn illegale tewerkstelling in het tuinbouwbedrijf. Het slachtoffer zette het op een lopen, vluchtte in paniek weg, omdat hij op dat moment illegaal was tewerkgesteld. De fout die hij maakte, door zich te willen onttrekken aan de vaststellingen van de politie, houdt duidelijk verband met de uitvoering van zijn arbeidsovereenkomst. De omstandigheid dat de werkgever het slachtoffer illegaal tewerkstelde, en dat het slachtoffer op het ogenblik van de feiten d.d. 23 oktober 1999 arbeidsprestaties aan het leveren was voor zijn werkgever en aldus betrapt werd, heeft het slachtoffer aangezet tot het stellen van de daad die uiteindelijk het letsel heeft veroorzaakt. Deze daad staat in verband met zijn activiteiten in het tuinbouwbedrijf, met het professionele milieu waarin hij zich als gevolg van het contract bevond. Aangezien aangetoond werd dat het ongeval tijdens en door het feit van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst is overkomen en een letsel heeft veroorzaakt, besluit het Hof dat A.B. het slachtoffer werd van een arbeidsongeval op 23 oktober 1999, in de zin van artikel 7, lid 1 van de Arbeidsongevallenwet. Uit de verzekeringspolis die werd bijgebracht door de N.V. K.B.C. Verzekeringen blijkt dat de werkgever, E. V.D.K., een verzekering had afgesloten voor de werklieden die bij hem tewerkgesteld werden (stuk 1 inventaris vierde geïntimeerde). A.B. was tewerkgesteld als arbeider op 23 oktober 1999 en deze polis arbeidsongevallen was van kracht op het ogenblik van de feiten (namelijk sedert 7 november 1998). Dit werd trouwens uitdrukkelijk bevestigd in een schrijven uitgaande van K.B.C.-Verzekeringen aan het F.A.O. d.d. 31 mei 2001 (stuk 2 inventaris vierde geïntimeerde). De discussie of deze tewerkstelling illegaal was en of het slachtoffer was ingeschreven op een loonlijst, is hierbij irrelevant. De illegale tewerkstelling is, voor wat betreft de toepassing van de Arbeidsongevallenwet, zonder enige invloed voor de aanvaarding van het ongeval, voorzover aan de in deze wet gestelde voorwaarden is voldaan. Het F.A.O. dient overeenkomstig artikel 58, ,§1, 3° van de Arbeidsongevallenwet, de schadeloosstelling inzake arbeidsongevallen toe te kennen, wanneer de werkgever GEEN verzekering heeft aangegaan zoals voorgeschreven door artikel 49 of wanneer de verzekeringsonderneming in gebreke blijft. Met in gebreke blijven wordt daarbij bedoeld dat de verzekeraar insolvabel zou zijn, en niet dat hij zijn verplichting om te betalen betwist. Nu het Hof aanneemt dat A.B. het slachtoffer werd van een arbeidsongeval op 23 oktober 1999, en gelet op wat vooraf gaat, is de wetsverzekeraar, de N.V. K.B.C. Verzekeringen, gehouden om de wettelijke vergoedingen uit te keren ingevolge dit arbeidsongeval, overeenkomstig de wet van 10 april 1971. In dit verband merkte de eerste rechter terecht op dat het slachtoffer op de hoogte was van het bestaan van een verzekering voor arbeidsongevallen, gezien er hieromtrent reeds briefwisseling werd gevoerd eind december 1999, zijnde vóór de inleidende dagvaarding werd uitgebracht (stuk 19 inventaris appellant). De eerste rechter besliste dan ook terecht dat de tussenkomst van het F.A.O. dan ook niet vereist was. Teneinde de wettelijke vergoedingen te kunnen bepalen ingevolge het arbeidsongeval d.d. 23 oktober 1999 waarvan A.B. het slachtoffer werd, acht het Hof het noodzakelijk zich te laten voorlichten door een geneesheerdeskundige, met de opdracht zoals hierna omschreven. De vergoedingsregeling in het kader van de Arbeidsongevallenwetgeving raakt de openbare orde. Dit houdt in dat de rechter gehouden is met de grootst mogelijke zekerheid na te gaan welke de periode en de graad is van tijdelijke arbeidsongeschiktheid, en de graad van de blijvende arbeidsongeschiktheid vanaf de consolidatiedatum waardoor het slachtoffer is getroffen, en dat aan betrokkene de vergoedingen worden toegekend waarop hij recht heeft, niet minder maar ook niet meer. Gelet op de bevolen onderzoeksmaatregel, gaat het Hof nu nog niet verder in op het gevorderde voorbehoud door de wetsverzekeraar en de argumenten in dit verband ontwikkeld door eerste en tweede geïntimeerden. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Recht doende op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en reeds gegrond in de volgende mate: Vernietigt het bestreden vonnis van de Arbeidsrechtbank te Mechelen d.d. 16 december 2002 (A.R. nr. 76.398) behalve wat de kosten betreft. Opnieuw rechtsprekend: Zegt voor recht dat A.B. het slachtoffer werd van een arbeidsongeval op 23 oktober 1999. Alvorens verder recht te doen: Stelt Dr. R. Mathijs (evaluatie menselijke schade), Prins Boudewijnlaan 68 te 2610 Wilrijk aan als deskundige, met de volgende opdracht: A.B. aan een onderzoek te onderwerpen met betrekking tot het arbeidsongeval van 23 oktober 1999 en, na zich omringd te hebben van alle nuttige inlichtingen of gegevens en zich zo nodig in verbinding te hebben gesteld met wie het behoort en/of gespecialiseerde onderzoeken te hebben laten uitvoeren, het Hof een advies te geven over: - de graad en de duur van de tijdelijke arbeidsongeschiktheid; - de consolidatiedatum; - de graad van blijvende fysische ongeschiktheid; - de graad van blijvende arbeidsongeschiktheid, hierbij rekening houdend met de fysische ongeschiktheid, de leeftijd, de vakkundigheid, het aanpassingsvermogen, de mogelijkheid tot omscholing en het concurrentievermogen van betrokkene op de algemene arbeidsmarkt; - de eventuele geneeskundige, heelkundige, farmaceutische en verplegingszorgen die ingevolge het ongeval nodig zijn in de zin van artikel 28 van de Arbeidsongevallenwet. Dit alles mits inachtname van de beschikkingen voorzien in artikel 965 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek en na alle nuttige en ter zake dienende vragen van de partijen te hebben beantwoord. Zijn bevindingen neer te schrijven in een met redenen omkleed en onder eed bevestigd verslag, in te dienen ter griffie van dit Hof binnen een termijn van vier maanden te rekenen vanaf de datum van zijn inwerkingstelling. Houdt de beslissing aan inzake alle overige betwistingen en inzake de kosten van het geding. Aldus gewezen en uitgesproken door de zevende kamer van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, op de openbare terechtzitting van 14 MAART TWEEDUIZEND EN VIJF, waar aanwezig waren: mevrouw M. Z., Raadsheer, Voorzitter van de kamer, de heer M. V.G., Raadsheer in sociale zaken als werkgever, aangewezen bij beschikking d.d. 14 maart 2005 door mevrouw M. Z., Raadsheer, voorzitter van de kamer, die de eerste voorzitter, verhinderd zijnde, vervangt (artikel 319, eerste lid Ger.W.) om de heer R. V. T., Raadsheer in sociale zaken, als werkgever, die wettig verhinderd is om de uitspraak van dit arrest, waarover hij mede beraadslaagd heeft, bij te wonen, op het ogenblik van de uitspraak te vervangen. (art. 779 Ger.W.), de heer P. H., Raadsheer in sociale zaken als werknemer, mevrouw L. C., e.a. Adjunct-griffier. PDF document ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20050314.11 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div