← België

ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20050315.6

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 15 maart 2005 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20050315.6 Rolnummer: 2003-0170 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-03-20 Raadplegingen: 106 - laatst gezien 2026-07-01 02:51 Fiches 1 - 2 De RVA heeft geen wettelijk argument om de periode waarop de opzeggingsperiode betrekking heeft fictief te verlengen met de vakantiedagen die de werkloze door zijn onmiddellijk ontslag, met betaling van een opzeggingsvergoeding, niet heeft kunnen genieten. Vrije woorden: ARBEIDSVOORZIENING . WERKLOOSHEID Toekenningsvoorwaarden - wordt als loon beschouwd - ontslag - opzeggingsvergoeding - fictief verlengen van opzeggingstermijn met niet-opgenomen vakantiedagen. Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 25-11-1991 - 46 - 02 Link Justel databank 19911125-02 Ministerieel Besluit - 26-11-1991 - 20 - 30 ELI link Pub nr 1992013272 Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID VOOR WERKNEMERS . JAARLIJKSE VAKANTIE Uitkering - werkloosheid - ontslag - opzeggingsvergoeding - fictief verlengen van opzeggingstermijn met niet-opgenomen vakantiedagen. Wettelijke bepalingen: Gecoordineerde Wetten - 28-06-1971 - 13 - 03 ELI link Pub nr 1971062850 Koninklijk Besluit - 30-03-1967 - 67 - 01 ELI link Pub nr 1967033001 Nota: Gerangschikt onder VAN - art. 46 en onder VIIG - art.

  1. Annotaties Publicaties: SOCIAALRECHTELIJKE KRONIEKEN - - 2005(00009,P.540-541) Tekst van de beslissing Vierde kamer Eindarrest op tegenspraak Werkloosheidsuitkering ARBEIDSHOF TE ANTWERPEN Afdeling Antwerpen ARREST A.R. 2030170 OPENBARE TERECHTZITTING VAN VIJFTIEN MAART TWEE-DUIZEND EN VIJF In de zaak van: de RIJKSDIENST VOOR ARBEIDSVOORZIENING, gevestigd te 1000 Brussel, Keizerslaan 7, appellant, vertegenwoordigd door mr. A. A. loco mr. R. L., advocaat te Antwerpen, tegen : de heer P. V. M., geïntimeerde, vertegenwoordigd door mr. D. H., advocaat te Gierle. Na over de zaak beraadslaagd te hebben, heeft de vierde kamer van het Arbeids-hof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, het volgende arrest uitgesproken. Gelet op de zittingsbladen d.d. 2 april 2003, 21 december 2004 en 18 januari
  2. Rekening houdend met de akten van de rechtspleging, onder meer: - het eensluidend verklaard afschrift van het vonnis, op 21 februari 2003 uit-gesproken door de tweede kamer van de Arbeidsrechtbank te Turnhout, bij gerechtsbrief overeenkomstig artikel 792 Ger. W. aan de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening ter kennis gebracht op 24 februari 2003; - het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van dit Hof op 11 maart 2003 en ter kennis gebracht overeenkomstig artikel 1056 Ger. W. op 11 maart 2003; - de conclusies voor P. V. M., neergelegd ter griffie van dit Hof op 24 augustus 2004; - het afschrift van het schriftelijk advies van het openbaar ministerie, gelezen en neergelegd ter zitting van 18 januari 2005, bij gerechtsbrief overeen-komstig artikel 767, ,§3, eerste lid, Ger. W., aan partijen ter kennis gebracht op 19 januari 2005; - de repliek voor de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, neergelegd ter grif-fie van dit Hof op 31 januari
  3. Partijen werden gehoord op de openbare terechtzitting van 21 december
  4. Ontvankelijkheid Met een verzoekschrift, neergelegd ter griffie van dit Hof op 11 maart 2003, te-kende de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening hoger beroep aan tegen een von-nis van 21 februari 2003 (A.R.V. 26.017) van de Arbeidsrechtbank te Turnhout. Het vonnis werd aan de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening ter kennis ge-bracht overeenkomstig artikel 792 Ger. W. bij gerechtsbrief op 24 februari
  5. Het hoger beroep werd tijdig ingesteld, is regelmatig naar de vorm en ontvan-kelijk.
  6. Feiten en voorafgaande procedure P. V. M. werkte als bediende bij de NV De Vaderlandsche te Antwerpen vanaf 1 januari
  7. Hij werd op 22 maart 2001 ontslagen met betaling van een opzeggingsvergoeding die de periode van 23 maart 2001 tot en met 22 au-gustus 2002 dekte. P. V. M. diende een aanvraag om werkloosheidsuitkeringen in op 23 augustus
  8. De directeur van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening van het Werkloos-heidsbureau Turnhout stelde vast dat slechts anderhalve dag verlof in 2001 werd genomen en dat P. V. M. het resterend betaald verlof had moeten opnemen; de periode van de opzeggingsvergoeding diende te worden verlengd met deze verlofdagen, zodat er slechts recht op uitkeringen bestond vanaf 18 september
  9. Hiertegen tekende P. V. M. verhaal aan bij de Arbeidsrechtbank te Turnhout met een verzoekschrift, neergelegd ter griffie op 5 november
  10. De eerste rechter verklaarde in zijn vonnis van 21 februari 2003 de vordering ontvankelijk en gegrond en vernietigde de bestreden beslissing; hij zag geen wettelijke basis voor de verlenging van de door de opzeggingsvergoeding ge-dekte periode met de betaalde vakantiedagen waarop P. V. M. recht had in verhouding met zijn prestaties verricht in het vakantiedienstjaar. De Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening stelde hoger beroep in bij verzoek-schrift, neergelegd ter griffie van het Arbeidshof op 11 maart
  11. Eisen in hoger beroep De Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening vordert het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren, het vonnis a quo te vernietigen en de administratieve beslissing te bevestigen. P. V. M. vraagt het hoger beroep ongegrond te verklaren en het vonnis a quo te bevestigen.
  12. Ten gronde Artikel 20 van het M.B. van 26 november 1991, houdende de toepassingsre-gelen van de werkloosheidsreglementering, bepaalt dat de werkloze de dagen, die gedekt zijn door vakantiegeld, ten laatste moet uitputten in de maand de-cember van het jaar dat volgt op het vakantiedienstjaar; de door vakantiegeld gedekte dagen mogen niet uitgeput worden tijdens periodes van volledige werk-loosheid die niet vergoedbaar zijn in toepassing van artikel 46 van het Werk-loosheidsbesluit van 25 november 1991 ingevolge het ontvangen van een ver-goeding wegens de beëindiging van een arbeidsovereenkomst, of in toepassing van artikel 55, 7°, van het K.B. ingevolge de gelijkstelling van de zaterdag met een niet vergoedbare dag. Artikel 67 van het K.B. van 30 maart 1967, tot bepaling van de algemene uit-voeringsmodaliteiten van de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers, schrijft voor dat wanneer het voor de werknemer onmogelijk is zijn vakantie te nemen, het vakantiegeld hem uitbetaald wordt op de normale vakantiedatum, vastgesteld in de onderneming waar hij voor het laatst werk-zaam was, en uiterlijk op 31 december van het jaar dat op het vakantiedienstjaar volgt. Aan P. V. M. werd bij zijn ontslag op 22 maart 2001 een opzeggingsver-goeding uitbetaald die de periode dekte van 23 maart 2001 tot en met 22 au-gustus
  13. Gedurende deze periode had P. V. M. geen recht op werkloosheidsuitkeringen. Vanaf 23 augustus 2002 vroeg hij uitkeringen aan. De Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening schorste fictief de periode, gedekt door de opzeggingsvergoeding, tot 18 september 2002 wegens het niet opnemen van vakantiedagen in die periode. Volgens de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening zijn vakantiedagen te beschouwen als loon overeenkomstig de bepalingen van artikel 46 van het Werkloosheidsbesluit, zodat die dagen geen recht openen op uitkeringen. Samen met de eerste rechter en het openbaar ministerie volgt het Hof de stelling van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening niet: de Rijksdienst voor Arbeids-voorziening kan zich op geen wettelijk argument steunen ten einde de periode, waarop de opzeggingsvergoeding betrekking heeft, fictief te verlengen met va-kantiedagen die P. V. M., door zijn onmiddellijk ontslag, niet heeft kunnen nemen. De uitbetaalde opzeggingsvergoeding dekte de periode van 23 maart 2001 tot en met 22 augustus
  14. Sedert zijn ontslag op 22 maart 2001 voerde P. V. M. geen activiteit meer uit in dienst van zijn werkgever. Hij was dus in de onmogelijkheid om de dagen die gedekt zijn door vakantiegeld (vakantiedienst-jaar 2000) op te nemen uiterlijk op 31 december van het jaar
  15. De opzeggingsvergoeding dekt op forfaitaire wijze alle schade die uit de on-rechtmatige beëindiging van de arbeidsovereenkomst voortvloeit. (Cass. 7 mei 2001, J.T.T., 2001, 410). Het recht op deze forfaitaire vergoeding ontstaat op het ogenblik van het ontslag en wordt op dat ogenblik vastgesteld en begroot. Het is de wettelijk voorziene compensatie voor het niet respecteren van een opzeggingstermijn die in zijn geheel onmiddellijk opeisbaar is. De werkgever is geen vakantiegeld verschuldigd op de opzeggingsvergoeding. De vergelijking met de schorsing van de opzeggingstermijn, indien vakantie wordt genomen, gaat niet op: deze schorsing is niet fictief, maar wettelijk geregeld bij artikel 38 van de Arbeidsovereenkomstenwet. Aangezien er, omwille van het ontslag, buiten de anderhalve dag betaald verlof in 2001, geen onderbreking van de arbeid is geweest wegens vakantie, kan de periode gedekt door de opzeggingsvergoeding niet fictief verlengd worden met de resterende verlofdagen die P. V. M. nooit heeft kunnen genieten. Het hoger beroep is ongegrond. Op die gronden, Het Hof, Heeft kennis genomen van het eensluidend schriftelijk advies, uitgebracht door de heer P. VAN DEN BON, Advocaat-generaal, op de openbare terechtzitting van 18 januari
  16. Houdt rekening met de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalge-bruik in gerechtszaken. Doet uitspraak op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk, doch ongegrond. Bevestigt het vonnis van 21 februari 2003 (A.R.V. 26.017) van de Arbeids-rechtbank te Turnhout. Legt de kosten van het hoger beroep, overeenkomstig artikel 1017, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, ten laste van de Rijksdienst voor Arbeidsvoor-ziening, door P. V. M. begroot op 139,83 EUR rechtsplegingsvergoeding en door het Hof vereffend op 139,81 EUR rechtsplegingsvergoeding; de kosten van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening worden door het Hof niet vereffend daar geen kostenopgave wordt ingediend. Aldus gewezen en uitgesproken door de vierde kamer van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, in openbare terechtzitting op vijftien maart tweeduizend en vijf. Het Hof bestond uit: mevrouw C. VERCAMMEN, kamervoorzitter, de heer F. LAMBERT, raadsheer in sociale zaken als werkgever, de heer C. HOREMANS, raadsheer in sociale zaken als werknemer, de heer R. SMETS, griffier. PDF document ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20050315.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.