id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 22 maart 2005 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20050322.31 Rolnummer: 2003-0346 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-03-16 Raadplegingen: 122 - laatst gezien 2026-07-01 02:56 Fiche De tijd gedurende dewelke de werknemer in opdracht van zijn werkgever tijdens een 14-daagse uitwisselingsreis in Marokko aanwezig is teneinde een aantal jongeren uit het straathoekwerk te begeleiden en ononderbroken te waken over hun veiligheid en gezondheid, zelfs indien de betrokken werknemer geen zodanige beroepsactiviteiten verricht en zich kan ontspannen en rusten, dient gelijkgesteld te worden met arbeidsduur in de zin van artikel 19, lid 2 van de Arbeidswet (cfr. arresten Simap en Jaeger van het H.v.J. mbt het Europees rechtelijk begrip arbeidstijd, met de plicht van de nationale rechter om het nationale recht richtlijnconform te interpreteren). Vrije woorden: ARBEIDSREGLEMENTERING . ARBEIDSDUUR algemene regel. Wettelijke bepalingen: Wet - 16-03-1971 - 19,lid2 - 02 ELI link Pub nr 1971031602 Annotaties Publicaties: JOURNAL DES TRIBUNAUX DU TRAVAIL - - 2005(00928,P.419-420) Tekst van de beslissing ARREST A.R. 2030346 OPENBARE TERECHTZITTING VAN TWEEËNTWINTIG MAART TWEEDUIZEND EN VIJF VZW M., met maatschappelijke zetel gevestigd te..., appellante, geïntimeerde op incidenteel beroep vertegenwoordigd door mr. M. DE RAEDEMACKER, advocaat te 2800 Mechelen, tegen : dhr. E.K...., wonende te ..., geïntimeerde, appellant op incidenteel beroep vertegenwoordigd door mevrouw M. ROBBEETS, afgevaardigde van een representatieve werknemersorganisatie met volmacht. Het Hof, na de zaak in beraad te hebben genomen, spreekt in openbare terechtzitting en in de Nederlandse taal het volgend arrest uit. Gelet op de uiteenzetting van de middelen van partijen ter openbare terechtzitting van 22 februari
- Gelet op de processen-verbaal van de openbare terechtzitting van 15 september 2003 en 22 februari
- I. RECHTSPLEGINGSSTUKKEN Gelet op de stukken van de rechtspleging, in het bijzonder: - het eensluidend verklaard afschrift van het op 22 oktober 2002 op tegenspraak gewezen vonnis van de Arbeidsrechtbank te Mechelen, op verzoek van de heer ... aan de VZW M..., betekend bij gerechtsdeurwaardersexploot van 28 april 2003; x het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van dit Hof op 27 mei 2003; x de conclusie van de heer E.K. ontvangen ter griffie van dit Hof op 25 februari 2004 waarbij incidenteel beroep wordt ingesteld; x de vervangende conclusie van de heer E.K. ontvangen ter griffie van dit Hof op 27 februari 2004; x de beschikking d.d. 16 november 2004 overeenkomstig artikel 747,§2 Ger.W.; x de conclusie van de VZW M.... neergelegd ter griffie van dit Hof op 17 december 2004; x de aanvullende conclusie van de heer E.K. ontvangen ter griffie van dit Hof op 14 januari 2005; x de conclusie van de VZW .M.. neergelegd ter griffie van dit Hof op 19 januari 2005, m.b.t. de ontbrekende pagina 3 van de op 17 december 2004 neergelegde besluiten. II. FEITEN EN VOORAFGAANDE PROCEDURE De heer E.K. is in dienst getreden van de V.Z.W. R. op 1 februari 1993 en dit in hoedanigheid van bediende - jeugdwerker/straathoekwerker (stuk 1 dossier E.K.). Het staat als zodanig niet ter discussie dat het straathoekwerkproject, waaraan de heer E.K. werkte, door het stadsbestuur van Mechelen vanaf 1 mei 1995 van de V.Z.W. R. werd overgeheveld naar de V.Z.W. M..., hierna de V.Z.W. genoemd (cfr. stuk 11 en 14 dossier E.K.). Het staat evenmin tussen partijen ter betwisting dat de heer E.K. in zijn hoedanigheid van jeugdwerker vanaf voormelde datum voltijdse arbeidsprestaties leverde voor de V.Z.W.M tot en met 31 januari
- Op 1 februari 1996 schakelde hij over naar een deeltijdse tewerkstelling (stuk 3 dossier E.K.). Met aangetekende brief van 25 september 1998 betekende de V.Z.W.M een opzeggingstermijn aan de heer E.K. van 3 maanden, ingaand op 1 oktober 1998 (stuk 4 dossier E.K.). Aansluitend betaalde de V.Z.W.M het loon voor 31 kalenderdagen gedurende dewelke de uitvoering van de opzeggingstermijn werd geschorst. Met brief van 18 januari 1999 maakte de heer E.K. aanspraak op een aanvullende opzeggingsvergoeding gelijk aan 3 maanden loon (stuk 6 dossier E.K.) op grond van de overweging dat rekening diende te worden gehouden met de anciënniteit die hij had verworven bij de V.Z.W. R.. Tevens claimde hij loontoeslag voor overuren gepresteerd als begeleider van een vakantiekamp met jongeren in Marokko van 4 april 1998 t/m 18 april
- Verdere briefwisseling tussen partijen leidde niet tot een vergelijk. Op 30 september 1999 dagvaardde de heer E.K. de V.Z.W.M voor de Arbeidsrechtbank te Mechelen in betaling van: - 127.555 BEF bruto aanvullende opzeggingsvergoeding - 196.212 BEF bruto loon en loontoeslag voor uren en overuren in april 1998 te vermeerderen met de wettelijke en de gerechtelijke intresten vanaf hun eisbaarheid en de kosten van het geding. De heer E.K. vorderde tenslotte de afgifte van de sociale en fiscale documenten binnen de maand na betekening van het vonnis onder verbeurte van een dwangsom van 100 BEF per dag en per ontbrekend document. Met vonnis van 22 oktober 2002 van de Arbeidsrechtbank te Mechelen werd de vordering van de heer E.K. ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond verklaard. De V.Z.W.M werd veroordeeld tot betaling van: - 3.162,11 EUR bruto aanvullende opzeggingsvergoeding - 2.415,19 EUR bruto achterstallig loon en loontoeslag te verminderen met de wettelijk verplichte inhoudingen en te vermeerderen met de wettelijke intresten vanaf 26 september 1988 (lees: 1998, cfr. P.V. van terechtzitting van 22 februari 2005 waarbij partijen bevestigen dat de datum van 1988 in het bestreden vonnis een materiële vergissing betreft) en de gerechtelijke intresten vanaf datum van dagvaarding, deze intresten te berekenen op het netto opeisbaar deel van de brutobedragen. De V.Z.W.M werd tevens veroordeeld tot afgifte van de gevorderde documenten onder verbeurte van een dwangsom van 2,48 EUR per dag vertraging en per ontbrekend document. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Bedoeld vonnis werd betekend op 28 april
- Tegen dit vonnis stelde de V.Z.W.M met verzoekschrift, neergelegd ter griffie van dit Hof op 22 mei 2003, hoger beroep in. Met vervangende beroepsbesluiten, ontvangen ter griffie van dit Hof op 27 februari 2004, stelde de heer E.K. incidenteel beroep in beperkt tot de uitspraak van de eerste rechter m.b.t. de vordering inzake achterstallig loon en loontoeslag voor overuren. III. EISEN IN HOGER BEROEP Met verzoekschrift vordert de V.Z.W.M het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren, dienvolgens het bestreden vonnis te hervormen en de oorspronkelijke vordering van de heer E.K. als ongegrond af te wijzen en hem te veroordelen tot de kosten van de procedure. Met besluiten, neergelegd ter griffie van dit Hof op 17 december 2004, vordert de V.Z.W.M het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren, het incidenteel beroep van de heer E.K. af te wijzen, dienvolgens het bestreden vonnis te hervormen en te zeggen voor recht dat de V.Z.W.M niet gehouden is tot betaling van 3.162,11 EUR ten titel van een bijkomende verbrekingsvergoeding en tot betaling van 2.415,90 EUR ten titel van achterstallig loon en loontoeslag. Tenslotte de heer E.K. te veroordelen tot de kosten van de procedure. Met vervangende beroepsbesluiten, ontvangen ter griffie van dit Hof op 27 februari 2004, vordert de heer E.K. het hoger beroep van de V.Z.W.M ontvankelijk doch ongegrond te verklaren. Tevens vordert hij zijn incidenteel beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren en bijgevolg het bestreden vonnis: - te bevestigen daar waar het de V.Z.W.M veroordeelt tot betaling van de supplementaire verbrekingsvergoeding ten bedrage van 3.162,11 EUR. - te hervormen op het punt van het achterstallig loon en loontoeslag en opnieuw rechtsprekend op dit punt, de V.Z.W.M te veroordelen tot betaling van 4.863,97 EUR bruto ten titel van achterstallig loon en loontoeslag. Ondergeschikt vraagt de heer E.K. het bestreden vonnis te bevestigen in al zijn onderdelen. Alvorens recht te doen en na vastgesteld te hebben dat er gewichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende vermoedens bestaan dat de V.Z.W.M stukken onder zich heeft die het bewijs inhouden van een terzake dienend feit, aan de V.Z.W. in toepassing van artikel 877 van het Ger.W., te bevelen dat zij de overeenkomst met het stadsbestuur van Mechelen omtrent de overdracht van het straathoekwerkproject van de V.Z.W. R. naar de V.Z.W.M bij het dossier van de rechtspleging zou voegen. Tenslotte de V.Z.W.M te verwijzen in de kosten van het geding. Bij aanvullende conclusie ontvangen ter griffie van dit Hof op 14 januari 2005 biedt de heer E.K. aan te mogen bewijzen met alle middelen van recht getuigen inbegrepen: - dat hij de enigste begeleider was van de 7 jongeren die van 04/04/1998 t.e.m. 18/04/1998 naar Marokko gereisd zijn - dat hij die jongeren voortdurend geleid en begeleid heeft in de afwerking van het programma dat door de VZW M uitgewerkt werd (diverse steden zijn bezocht en er is een trektocht geweest van enkele dagen in de bergen) en hij zich nooit van hen verwijderd heeft - dat de lokale Marokkaanse gids nooit gewerkt heeft met de jongeren en nooit enige leiding of verantwoordelijkheid t.o.v. die jongeren opgenomen heeft IV. ONTVANKELIJKHEID Het hoger beroep en het incidenteel beroep werden tijdig en met een naar vorm regelmatige akte ingesteld, zodat het hoger beroep en het incidenteel beroep ontvankelijk zijn. V. TEN GRONDE
- M.b.t. de aanvullende opzeggingsvergoeding Met toepassing van artikel 82 van de Arbeidsovereenkomstenwet kan slechts rekening gehouden worden met de dienstjaren bij dezelfde werkgever. Onder dienst van dezelfde onderneming of werkgever wil zeggen bij dezelfde economische exploitatie-eenheid, ongeacht de wijzigingen in de juridische aard; verder dient tussen de ondernemingen een juridische band te bestaan en moet de dienstperiode ononderbroken zijn. Anders dan de V.Z.W.M, is het Hof van oordeel dat de V.Z.W. R. en zijzelf niet kunnen aangemerkt worden als onderscheiden exploitatie -eenheden. In dit verband stelt het Hof aan de hand van de neergelegde stukken vast: - dat de juridische structuur van beide V.Z.W.'s gemeenschappelijk is; in dit kader kan nuttig verwezen worden naar het door de heer E.K. neergelegde stuk 16, pagina 1 en 2 houdende brochure Mechels overleg en organisatie van het jeugdwelzijnswerk, waarin het volgende wordt vermeld: " 1994 De vzw ... neemt een nieuwe start. De vzw's die de werkingen kansarme jeugd beheren (R., B. en D.V.v.E.K.), samen met de vzw Steunpunt Tewerkstelling, besluiten over te gaan tot één beheer. De vijf vzw's krijgen één AV en één RvB." - dat de werkingsmiddelen van V.Z.W. R. werden overgeheveld naar de V.Z.W. M(stuk 16, pagina 1 dossier E.K.):"Alle nieuwe middelen (vfik, impulsfonds) worden overgedragen aan de vzw ..." - dat het " straathoekwerk", project waarin de heer E.K. aanvankelijk als bediende was tewerkgesteld bij de V.Z.W. R., vanaf 1 mei 1995 één der werkingen van de V.Z.W.M werd, zoals blijkt uit bijlage van voormeld stuk
- Dat er een overheveling van het straatwerkproject van de V.Z.W. R. naar de V.Z.W.M is tot stand gekomen per 1 mei 1995, blijkt met zoveel woorden uit de brief van de V.Z.W. dd. 3 mei 1999 zelf (stuk 14 dossier E.K.) - dat de heer E.K. hetzelfde werk verrichtte voor beide V.Z.W's in dezelfde functie, met name als bediende-jeugdwerker, aan hetzelfde loon, op dezelfde plaats en in dezelfde locatie, met name ,... te Mechelen (cfr. bijlage stuk 16 E.K.) - dat het als zodanig niet tegengesproken wordt dat de leiding van bedoeld project zowel ten tijde van de tewerkstelling bij de V.Z.W. R. als bij de V.Z.W. in handen is gebleven van dezelfde coördinator, met name de heer R. P - dat de tewerkstelling niet onderbroken werd: uit de gegevens van de fiscale fiche 281.10 van 1995 uitgaande van de V.Z.W. R. blijkt dat de arbeidsovereenkomst tussen de heer E.K. en V.Z.W. R. werd beëindigd op 30 april 1995 (stuk 2 dossier E.K.) en dat de heer E.K per 1 mei 1995 in dienst trad van de V.Z.W.M (cfr individuele rekeningen en loonbrieven, respectievelijk stukken 3 en 5 dossier E.K.). De omstandigheid dat vakantiegeld einde dienst werd uitbetaald bij de beëindiging van de arbeidsovereenkomst tussen de V.Z.W. R. en de heer E.K. kan van geen invloed zijn op de vraag of er al dan niet sprake is van dezelfde werkgever in de zin van artikel 82 van de Arbeidsovereenkomstenwet. Op grond van al deze elementen besluit het Hof dat voldoende naar recht is aangetoond dat:
- de V.Z.W.M de bedrijvigheid (de zgn.straathoekwerking), met de uitvoering waarvan de heer E.K. werd opgedragen, heeft overgenomen van de V.Z.W. R.;
- de overheveling van deze bedrijvigheid geschiedde naar aanleiding van de beslissing van de V.Z.W's om over te gaan tot één beheer waardoor zij een zelfde juridische structuur en band vertonen;
- de dienstbetrekking van de heer E.K. nooit werd onderbroken zodat de V.Z.W. R. als de V.Z.W. (...) ondubbelzinnig als "dezelfde werkgever" moeten worden aangemerkt als bedoeld in artikel 82 van de Arbeidsovereenkomstenwet. Uit wat voorafgaat werd door de eerste rechter terecht de anciënniteit uit de tewerkstelling van de V.Z.W. R. meegerekend bij de bepaling van de door de V.Z.W.M in aanmerking te nemen opzeggingstermijn, zodat de oorspronkelijke vordering van de V.Z.W.M in betaling van een aanvullende opzeggingsvergoeding gelijk aan 3 maanden loon terecht werd toegekend. Dat bij toepassing van artikel 82 van de Arbeidsovereenkomstenwet geen wijziging van de persoon van de werkgever kan optreden, waaruit de V.Z.W.M dan aansluitend een tegenstrijdigheid meent te kunnen ontwaren, kan het Hof niet onderschrijven. Zoals reeds hoger gezegd, beoogt het begrip " zelfde werkgever" de economische exploitatie-eenheid die de onderneming uitmaakt, ongeacht de wijziging van de identiteit van de persoon van de werkgever (Cass. 22 december 1971, Pas. 1972, 411). Behoud van anciënniteit kan zich derhalve ook manifesteren als de persoon van de werkgever wijzigt, maar de economische bestemming van de eerste onderneming wordt teruggevonden in de tweede onderneming, zoals ten deze het geval is (cfr. D. VOTQUENNE, " Arbeidsrechtelijke beëindigingswijzen" in A.T.O., O 102-535, Kluwer rechtswetenschappen, Antwerpen). Komt daarbij nog dat in casu de overname uitsluitend betrekking had op het straakhoekproject (en niet op een onderneming ) en dat de heer E.K. zorgde voor de verwezenlijking ervan zowel in dienst van de V.Z.W. R. als in dienst van de V.Z.W.M. De overige door de V.Z.W.M aangevoerde feiten en middelen doen naar het oordeel van het Hof geen afbreuk aan bovenstaande overwegingen en besluitvorming. Het hoger beroep is wat dit onderdeel betreft ongegrond.
- M.b.t. de door de heer E.K. gepresteerde overuren De heer E.K. betwist de uitspraak van de eerste rechter op de toepassing van artikel 19, tweede lid van de Arbeidswet van 16 maart 1971 en laat gelden dat hij in de periode van 4 april 1998 tot en met 18 april 1998 tijdens een uitwisselingsreis in Marokko in opdracht van de V.Z.W.M een 7-tal jongeren uit het straathoekwerk heeft begeleid en toezicht heeft gehouden, zodat deze tijd als arbeidstijd dient te worden gekwalificeerd. Het Hof oordeelt ter zake als volgt. De bewering van de V.Z.W.M dat nog twee andere begeleiders de groep jongeren in Marokko vergezelden, is niet bewezen en derhalve ongefundeerd en kan het Hof evenmin overtuigen. Uit de in dit verband neergelegde verklaring van de heer B.M enerzijds en deze van de deelnemende jongeren anderzijds, blijkt onomstreden dat de heer E.K. de enige begeleider was van deze jongeren tijdens hun verblijf in Marokko van 4 april 1998 t/m 18 april
- Ook aan de lokale gids kan niet de functie van begeleider van de jongeren worden toegemeten, nu niet ernstig betwist wordt dat deze niet heeft gewerkt in opdracht van de V.Z.W.M maar enkel als contactpersoon optrad. Het in dit verband door de V.Z.W.M geformuleerde bewijsaanbod is in de gegeven omstandigheid niet dienstig, zodat het Hof hierop niet moet ingaan. A fortiori kan de door de V.Z.W.M in dit kader ontwikkelde argumentatie dat de heer E.K. de mogelijkheid had om zijn overuren te compenseren, niet worden bijgetreden. Het begrip arbeidsduur gaat niet noodzakelijk gepaard met effectieve arbeid en is bijgevolg breder dan de notie "werkelijke arbeidsduur". Uit de voorbereidende werken van de Arbeidsduurwet van 1964 alsook van de Arbeidswet van 1971 blijkt inderdaad dat de wetgever van 1964 en van 1971, en dit in tegenstelling met de voorgaande wetgeving van 1921 en een bepaalde strekking in de rechtspraak inzake arbeidsduur, ervan uitgegaan is dat de gehele tijd dat de werknemer ter beschikking staat van de werkgever in aanmerking moet genomen worden. Het ter beschikking staan van de werkgever wordt aldus als effectieve arbeid aanzien (cfr. Verslag namens de commissie voor de tewerkstelling, de arbeid en de sociale voorzorg, Parl. St. Senaat, 1963 - 1964, nr. 287, 19; wetsontwerp betreffende de arbeidsduur in de openbare en particuliere sectoren van 's lands bedrijfsleven, Memorie van Toelichting, Parl. St. Kamer 1962 - 1963, nr. 467/1, 5). De werknemer wordt geacht arbeid te verrichten wanneer hij onder het bevel van de werkgever staat; d.w.z. wanneer hij zijn activiteit ter beschikking van deze laatste stelt. Derhalve is geen arbeidstijd, de tijd van aanwezigheid waarover de werknemer vrijelijk kan beschikken zonder een onvoorziene oproep te moeten verwachten, waarvan de voortdurende mogelijkheid tot gevolg zou hebben dat hij ononderbroken ter beschikking van de werkgever zou blijven, en zonder een bijkomende taak (bijv. toezicht) te moeten uitoefenen (Parl. St. Senaat, o.c.). Zo beklemtoont J. PETIT (De arbeidstijdregeling, I.C.A.-reeks, 2001, die Keure, Brugge, nr. 9 en de aldaar geciteerde voorbereidende werken) dat in de tekst van het wetsontwerp dat leidde tot de wet van 15 juli 1964 op de arbeidsduur sprake was van "werkelijke" arbeidsduur, een overname van de wet van 14 juni 1921 tot invoering van de achturendag en van de achtenveertigurenweek. Ingevolge een amendement in de Kamer, werd het woord "werkelijk" weggelaten en een omschrijving gegeven van de arbeidsduur. Het woord "werkelijk" was trouwens onjuist en overbodig. Onjuist omdat ook, volgens artikel 19 vijfde lid van de wet, bepaalde periodes van inactiviteit, zoals de tijd die normaal nodig is om in de mijn af te dalen of om ervan terug naar boven te komen, als arbeidsduur wordt aangezien. Overbodig omdat reeds bij de toepassing van de wet van 14 juni 1921 rechtsleer en rechtspraak het begrip "arbeidsduur" ruim hadden geïnterpreteerd. Wanneer bijgevolg uit de contractuele en feitelijke toestand - zoals ten deze het geval is - blijkt dat de heer E.K. in de periode van 4 april 1998 t/m 18 april 1998 onafgebroken aanwezig was in Marokko teneinde in opdracht van de V.Z.W.M een aantal jongeren, die aan hem werden toevertrouwd, te begeleiden en over hen permanent toezicht te houden en dat hij aldus "ter beschikking" moest zijn, kan er niet de minste twijfel bestaan dat de tijd aan beschikbaarheid als arbeidsduur in de zin van de Arbeidswet dient te worden aanzien. De omstandigheid dat de V.Z.W.M van de heer E.K. geen ononderbroken daadwerkelijke uitoefening van beroepswerkzaamheden verlangde en dat hij kon rusten tijdens de perioden waarin van hem geen arbeid werd vereist, neemt niet weg dat de heer E.K. in die periode fysiek aanwezig was in Marokko en dat zo vaak en zo lang als nodig bleek of wanneer hij daarom werd verzocht, een beroep op hem kon worden gedaan om zijn diensten te verlenen ten behoeve van de jongeren die onder zijn hoede stonden. Bovendien was de heer E.K. gedurende de volledige periode duidelijk beperkt in zijn doen en laten en bleef hij bovendien op dat ogenblik volledig verstoken van enig familiaal leven. Het Europees Hof van Justitie heeft zich in twee recente arresten (H.v.J. 3 oktober 2000, zaak C-303/98, arrest Simap, http:/www.curia.eu.int/ en H.v.J. 9 september 2003, zaak C-151/02, arrest Jaeger, http:/www.curia.eu.int) uitgesproken over de draagwijdte van het begrip" arbeidstijd" zoals bedoeld in artikel 2.
- van de Richtlijn 93/104/EG van de Raad van 23 november 1993 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd (zoals gewijzigd op een aantal punten door de RL 2000/34/EG d.d. 22 juni 2000). Artikel 2 van de Richtlijn omschrijft de arbeidstijd als " de tijd waarin de werknemer werkzaam is, ter beschikking van de werkgever staat en zijn werkzaamheden of functie uitoefent, overeenkomstig de nationale wetten en/of gebruiken". In voornoemde arresten besliste het Hof van Justitie dat de tijd waarin de wachtdiensten worden verricht waarbij fysieke aanwezigheid op de arbeidsplaats vereist is, volledig als arbeidstijd in de zin van voornoemde richtlijn moet worden beschouwd, zelfs indien de betrokken werknemer op zijn werkplek mag rusten tijdens de perioden waarin van hem geen arbeidsprestaties worden vereist. Vermits op de nationale rechter de plicht rust het nationale recht zoveel mogelijk in overeenstemming met het Europees recht uit te leggen (cfr. H.v.J. 13 november 19990, C-106/89 (Marleasing), Jur.H.v.J. 1990, I-4135) en niets van artikel 19, tweede lid van de Arbeidswet van 16 maart 1971 zich daartegen verzet, dient ook het begrip "arbeidstijd" uit artikel 19, lid 2 van de Arbeidswet in die zin te worden geïnterpreteerd. Geconverteerd op de heer E.K.'s situatie is het evident dat betrokkene de volledige tijd gedurende dewelke hij in Marokko aanwezig was, teneinde jongeren te begeleiden en ononderbroken te waken over hun veiligheid en hun gezondheid, zelfs indien hij geen zodanige beroepswerkzaamheden verrichtte en zich kon ontspannen en rusten, ter beschikking stond van de V.Z.W.M, zodat hij aldus geacht wordt zijn werkzaamheden te hebben uitgeoefend. Anders dan de eerste rechter, is het Hof van oordeel dat de gehele tijd gedurende dewelke de heer E.K. in Marokko verbleef in opdracht van de V.Z.W.M gelijkgesteld moet worden met arbeidsduur in de zin van artikel 19, lid 2 van de Arbeidswet. De oorspronkelijke vordering van de heer E.K. wordt cijfermatig niet betwist, zodat de heer E.K. aanspraak kan maken op de betaling van de som van 4.863,97 EUR. Voor zoveel als nodig laat het Hof opmerken dat de omstandigheid dat aan de heer E.K. in zijn andere deeltijdse tewerkstelling bij de V.Z.W. I werd toegelaten geen arbeidsprestaties te leveren tijdens zijn verblijf in 1998 in Marokko met doorbetaling van loon, evident niet tot gevolg heeft dat de huidige vordering tot betaling van overuren voor de helft ten laste moet worden gelegd van deze V.Z.W. I, in wiens opdracht de heer E.K. geen prestaties heeft verricht. Tenslotte kan de V.Z.W.M evenmin gevolgd worden in haar in ondergeschikte orde ontwikkelde argumentatie om de regeling van de slapende waak, zoals die geldt in het P.C. voor de Opvoedingsinstellingen (P.C. 319), toe te passen, nu het als zodanig niet ter betwisting staat dat de V.Z.W.M m.b.t. de tewerkstelling van de heer E.K. ressorteert onder de bevoegdheid van het Paritair Comité voor de socio-culturele sector (P.C. nr. 329) waar een dergelijke regeling niet is voorzien. Het incidenteel beroep is wat dit onderdeel betreft gegrond; het hoger beroep dient op dit punt als ongegrond te worden afgewezen. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waarvan de voorschriften werden nageleefd. Na beraadslaging recht sprekend op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. Verklaart het incidenteel beroep ontvankelijk en gegrond. Vernietigt het vonnis van 22 oktober 2002 van de Arbeidsrechtbank te Mechelen in zoverre de V.Z.W. M... werd veroordeeld tot betaling van 2.415,19 EUR ten titel van achterstallig loon en loontoeslag, te verminderen met de wettelijke sociale en fiscale inhoudingen en te vermeerderen met de wettelijke intresten sedert 26 september 1988 en de gerechtelijke intresten op het met dit bruto bedrag overeenstemmende netto bedrag. En opnieuw recht sprekend hieromtrent. Veroordeelt de V.Z.W.M ... tot betaling aan de heer E.K. de som van 4.863,97 EUR (vierduizend achthonderd drieënzestig euro zevenennegentig cent) ten titel van achterstallig loon en loontoeslag, te verminderen met de wettelijk voorgeschreven bijdragen voor de sociale zekerheid en de bedrijfsvoorheffing in zoverre verschuldigd, het overeenstemmende netto gedeelte te vermeerderen met de wettelijke intresten vanaf 26 september 1998 en de gerechtelijke intresten. Bevestigt het bestreden vonnis voor het overige. Legt de kosten van het hoger beroep ten laste van VZW M.... Vereffent deze aan de zijde van de VZW M... op 279,62 EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep. Vereffent deze aan de zijde van de heer E.K. op nihil. Aldus gewezen en uitgesproken door de tweede kamer van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen in openbare terechtzitting van 22 maart 2005, waar aanwezig waren: mevrouw H. CROISIAU, Raadsheer, Voorzitter van de kamer, de heer W. MASSCHELIER, Raadsheer in sociale zaken als werkgever, de heer L. VAN NESPEN, Raadsheer in sociale zaken als werknemer-bediende, de heer P. DEVOCHT, Griffier. PDF document ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20050322.31 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div