← België

ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20050324.2

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 24 maart 2005 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20050324.2 Rolnummer: 2002-0302 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2005-05-02 Raadplegingen: 112 - laatst gezien 2026-07-01 03:01 Fiches 1 - 3 In casu werd geïntimeerde door V.E. in persoon tewerkgesteld en dient te worden onderzocht of de arbeid die zij onder gezag van deze natuurlijke persoon verrichtte uiteindelijk een winstgevend doel had. De juridische vormgeving van de onderneming, vennootschap of natuurlijke persoon, is in het kader van artikel 14 van de Bedrijfsorganisatiewet zonder relevantie. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan blijkt dat V.E. in werkelijkhied twee ondernemingen had namelijk enerzijds de uitbating van een rusthuis voor bejaarden te Alken genaamd "D.V." waarvoor hij ook sedert 24 januari 1984 een inschrijving had in het handelsregister en anderzijds een soort "Dienst thuisverpleging" bestaande uit een 50-tal verpleegsters die werden uitgestuurd om bejaarden bij hun thuis of in kleinere privé rusthuizen de nodige lichaams- en gezondheidszorgen te verlenen. Voor deze laatste activiteit bestond er geen inschrijving in het handelsregister. Het betreft twee van elkaar onderscheiden activiteiten en deze dienen als zodanig ook onafhankelijk van elkaar beoordeeld te worden. Geïntimeerde maakt deel uit van deze "Dienst thuisverpleging". Zij werkte niet in het bejaardentehuis "D.V." eigendom van V.E. Gezien het voorgaande is de argumentatie van geïntimeerde, die gebaseerd is op de economische finaliteit van de uitbating van een rusthuis, in casu niet relevant. Het Hof is van oordeel dat de onderneming van V.E. die erin bestond verpleegkundigen aan te werven en hen uit te sturen naar de privé-woonst van bejaarden of privé-rusthuizen met het oog op het wassen en verzorgen van deze bejaarden, hen inspuitingen te geven enzovoort, kortom hen de nodige lichaams- en geneeskundige verzorging te geven geen economische finaliteit bezit. Zulke activiteiten kunnen niet worden beschouwd als activiteiten verricht met het oog op het verkrijgen van winst. Volledigheidshalve merkt het Hof op dat zelfs indien ervan zou uitgegaan worden dat de activiteiten in het kader van de uitbating van het bejaardenhuis "D.V." in Alken gebeurden dan nog is het Hof de mening toegedaan dat de Sluitingswetten niet van toepassing zijn. Vrije woorden: ORGANISATIE VAN HET BEDRIJFSLEVEN . ONDERNEMINGSRADEN verplichting tot instelling van een ondernemingsraad - uitbating bejaardenhuis - economische finaliteit. Wettelijke bepalingen: Wet - 20-09-1948 - 14 - 01 ELI link Pub nr 1948092002 Vrije woorden: ARBEIDSVOORZIENING . SLUITING VAN ONDERNEMINGEN . SCHADELOOSSTELLING WEGENS SLUITING toepassingssfeer - uitbating bejaardenhuis - economische finaliteit. Wettelijke bepalingen: Wet - 28-06-1966 - 2 - 01 ELI link Pub nr 1966062802 Vrije woorden: ARBEIDSVOORZIENING . SLUITING VAN ONDERNEMINGEN . GEWAARBORGDE BETALING VAN LONEN EN VERGOEDINGEN verplichtingen van het fonds - uitbating bejaardenhuis - economische finaliteit. Wettelijke bepalingen: Wet - 30-06-1967 - 2§2 - 01 ELI link Pub nr 1967063005 Nota: Gerangschikt onder IV BIS A - artikel 14, onder V E I - artikel 2 en onder V E II - artikel 2 ,§ 2. Tekst van de beslissing A.R. 2020302 OPENBARE TERECHTZITTING VAN VIERENTWINTIG MAART TWEEDUIZEND EN VIJF In de zaak: FONDS TOT VERGOEDING VAN DE INGEVAL VAN SLUITING VAN ONDERNEMINGEN ONTSLAGEN WERKNEMERS, met zetel gevestigd te 1000 Brussel, Keizerslaan nr. 7, Appellante, tegen: J M, Geïntimeerde, Na over de zaak beraadslaagd te hebben, wijst het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, in openbare terechtzitting en in de Nederlandse taal het hiernavolgend arrest. Gezien de stukken van het dossier van rechtspleging, inzonderheid: x het bestreden eindvonnis van de Arbeidsrechtbank te Hasselt gewezen op tegenspraak tussen partijen op 11 september 2002, onder AR. nr. 99/2880, en hen behoorlijk ter kennis gebracht bij gerechtsbrief van 16 september 2002 conform artikel 792 van het Gerechtelijk Wetboek; x het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het Arbeidshof op 15 oktober 2002; x het tussenarrest van 11 maart 2004; x de conclusies na tussenarrest van geïntimeerde ontvangen ter griffie op 11 oktober 2004. Gehoord de partijen in hun middelen en voordracht hunner conclusies ter zitting van 27 januari 2005. I. Feiten en voorafgaande rechtspleging Geïntimeerde trad op 17 november 1990 in dienst van de Heer E V, Zelfstandig kinesitherapeut van beroep, (stuk 17 geïntimeerde) en sinds 24 januari 1984 ook uitbater van een privé-rustoord voor bejaarden (max. zeven) genaamd "D V" te A, , Handelsregister Tongeren 45.986 erkend door de Minister van de Vlaamse Gemeenschap, administratie gezin en welzijn, Afdeling Bejaardenzorg (nr. PE 1264 dd. 19 januari 1984 ref. 8/II/RDR/GL 173.001.079/PE 1264) (stuk 13 appellante) Geïntimeerde werd echter niet tewerkgesteld in het bejaardentehuis van V doch werd door deze laatste tewerkgesteld als verpleegkundige met als opdracht bejaarden privé thuis of in kleinere privé bejaardentehuizen met weinig of geen personeel te verzorgen, meer bepaald te verschonen, te wassen, medicatie toe te dienen en dit vooral in Wallonië. Zij ontving steeds 's avonds telefonisch haar opdrachten voor de volgende dag en kwam enkel op het kantoor van het rustoord te A voor administratieve formaliteiten en loonbetalingen. (cfr. besluiten geïntimeerde in eerste aanleg neergelegd op 22 januari 2001) Op 18 juni 1992 werd door V E de opzegging betekend die liep van 01 juli 1992 tot en met 30 september 1992. Bij het einde van de overeenkomst was het loon voor de maanden augustus en september 1992 en de verlenging van de opzeg tot 15 oktober 1992 niet voldaan; evenmin werd het vakantiegeld bij uitdiensttreding betaald. Op 10 februari 1993 liet V zijn handelsregister schrappen per 31 december 1992 en verhuisde blijkbaar hij naar O. Bij gebreke aan minnelijke regeling ging geïntimeerde op 11 maart 1993 over tot dagvaarding van V E voor de Arbeidsrechtbank te Tongeren in betaling van : - 111.422 Bef. bruto meer de wettelijke rente als achterstallig loon; - 66.228 Bef. bruto als vakantiegeld bij uitdiensttreding; - de gerechtelijke intresten op voormelde bedragen en de gerechtskosten. Bij vonnis dd. 03 februari 1994 werd de vordering van geïntimeerde ontvankelijk en gegrond verklaard en werd V E veroordeeld tot betaling van voormelde bedragen. De uitvoering van dit vonnis bleek onmogelijk. V bleek insolvabel. De gerechtsdeurwaarder berichtte terzake op 05mei 1995 : "Het spijt me U dit dossier te moeten terugzenden zonder dat volledige betaling kon worden bekomen. Mijn konfrater slaagt er niet in nog betalingen vast te krijgen. Betrokkene, die in O woonde, is er spoorloos verdwenen en zal er weldra ambtshalve worden geschrapt. Verdere uitvoering is bijgevolg uitgesloten. Een beschikbaar wordt nog op uw rekening overgeschreven." (stuk 3 geïntimeerde) Geïntimeerde deed bij appellante begin juni 1995, middels indiening van een BC 901 A, een aanvraag tot tegemoetkoming op basis van art. 2 ,§2 van de wet 30 juni 1967 tot verruiming van de opdracht van het Fonds tot vergoeding van de in geval van sluiting van ondernemingen ontslagen werknemers. (stuk 1 appellante) De aanvraag werd echter afgewezen op basis van hiernavolgende motivering : "Het beheerscomité besliste tijdens zijn zitting van 16.10.1997 de wet van 30.06.67 niet van toepassing te verklaren omdat de onderneming geen economische finaliteit uitoefende." Geïntimeerde kon niet akkoord gaan met deze beslissing en nam hiertegen verhaal bij de Arbeidsrechtbank te Hasselt met verzoekschrift neergelegd ter griffie op 30 augustus 1999. Met vonnis van 11 september 2002 verklaarde de Arbeidsrechtbank te Hasselt de vordering van geïntimeerde ontvankelijk en gegrond en veroordeelde zij appellante tot betaling van de som van 2762,08 Euro bruto (ten titel van loonachterstallen) en 154,39 Euro bruto (ten titel van vakantiegeld), de hiermee overeenstemmende uitbetaalbare netto bedragen) meer de gerechtelijke intresten. De eerste rechters oordeelden het volgende : "De heer V stelde eiseres tewerk in zijn hoedanigheid van privé-persoon en zijn werkgeversactiviteiten - ongeacht of zij in de 'zorgsector' van de bejaardenhulp werden ontplooid - waren vanuit het standpunt van "de onderneming" duidelijk ingegeven door mercantiele overwegingen en ze waren zonder de minste twijfel gericht op winstbejag. Er was bijgevolg in hoofde van de ex-werkgever van eiseres wel degelijk sprake van een economische finaliteit;" Met verzoekschrift van 15 oktober 2002 neergelegd ter griffie stelde appellante hoger beroep in tegen voormeld vonnis. Met tussenarrest van 11 maart 2004 verklaarde het Hof het hoger beroep ontvankelijk doch alvorens uitspraak te doen ten gronde werden de debatten heropend teneinde : - appellante toe te laten haar bundel met 15 overtuigingstukken bij te brengen; - partijen duidelijkheid te laten verschaffen omtrent de juiste datum van sluiting van het bejaardenhuis te A en de juiste datum van domicilieverandering van V; (verhuisd van A naar O) - geïntimeerde toe te laten alle stukken voor te leggen welke zij gebruikt heeft in de oorspronkelijke procedure tegen V bij de Arbeidsrechtbank te Tongeren. II. In rechte 1. Ten aanzien van de uitvoering van het tussenarrest Appellante en geïntimeerde brengen de gevraagde stukken bij. Met betrekking tot de domicilieverandering van V E stelt geïntimeerde het volgende in besluiten na tussenarrest ontvangen ter griffie van het Hof op 11 oktober 2004 : "V E was vanaf 17.07.75 (daarvoor ingeschreven in E) tot 12.03.93 ingeschreven te A, waarna zijn domicilie naar de Z te O werd verplaatst. Aldaar is hij enkele keren verhuisd tot hij vanaf 06.12.95 gedomicilieerd bleef in de K A O. Er is nu wel een voorstel tot ambtshalve schrapping dd. 27.07.04, dewelke zonder bericht tot regularisatie van V effectief zal plaatsvinden op 08.11.04." 2. Ten aanzien van de definitieve stopzetting van de activiteiten door Vaes Eric

  1. a)Artikel 2, 4° lid van de wet van 28 juni 1966 betreffende de schadeloosstelling van de werknemers die ontslagen worden bij sluiting van ondernemingen (B.S. 02 juli 1966) bepaalt het volgende : "Voor de toepassing van deze wet is er "sluiting van de onderneming" wanneer, in geval van definitieve stopzetting van de hoofdactiviteit van de onderneming of van een afdeling ervan het aantal tewerkgestelde werknemers wordt verminderd beneden het vierde van het aantal werknemers dat er gemiddeld was tewerkgesteld tijdens het kalenderjaar dat datgene voorafgaat, (waarin de stopzetting van de activiteit zich voordoet)."
  2. b)Appellante werpt op dat uit de gegevens van de LATG-databank blijkt dat V E nog steeds een activiteit uitoefent zodat van stopzetting geen sprake is geweest, en zodat de vordering van geïntimeerde niet ontvankelijk is. Geïntimeerde stelt hiertegenover vooreerst dat vermits dit verweer pas voor het eerst in hoger beroep wordt ingeroepen én vermits dit verweer in strijd is met de beslissing van het beheerscomité van het F.S.O. dd. 17 juli 1997, dewelke tot op heden nog altijd niet herzien is geworden, dit nieuwe verweer als onontvankelijk dient te worden afgewezen. Er zou haar immers één aanleg ontnomen worden.
  3. c)Het Hof onderschrijft dit standpunt van geïntimeerde echter niet; Artikel 1068 Gerechtelijk Wetboek bepaalt het volgende: "Hoger beroep tegen een eindvonnis of tegen een vonnis alvorens recht te doen maakt het geschil zelf aanhangig bij de rechter in hoger beroep." Door het hoger beroep gaat het geschil op de appelrechters over met alle feitelijke en juridische vragen die daarmee samenhangen. (Cass. 11.1.1988, Arr. Cass., 1987-88, 587; Cass. 22.11.1993, Arr. Cass., 1993, 972). Het hoger beroep tegen een eindvonnis maakt het geschil zelf aanhangig bij de appelrechter en dat geschil wordt niet beperkt door de juridische kwalificatie die de eerste rechter aan de betwisting heeft gegeven (Cass. 5.2.1995, R.W., 1995-96,459). Bovendien legt appellante een schrijven voor uitgaande van haarzelf en gericht aan advocaat Mr. D in een aanverwant dossier waarin het volgende wordt gestipuleerd : "Ingevolge Uw aanvraag tot tussenkomst van het Fonds voor hoger vernoemde werkneemster, werd door het Fonds een onderzoek uitgevoerd inzake de toepasselijkheid van de sluitingswetten op hoger vernoemde werkgever. Artikel 2 par. 3 van de wet van 28.6.1966 bepaalt dat "voor de toepassing van deze wet er sluiting van onderneming is wanneer ingeval van definitieve stopzetting van de hoofdactiviteit van de onderneming (...) het aantal werknemers wordt verminderd beneden het vierde..." Hiermee wordt bedoeld dat het Fonds enkel tussenkomst verleent indien wordt aangetoond dat de werkgever definitief alle aktiviteiten heeft stopgezet en 75% van het personeel heeft ontslagen. Het Fonds nam in de loop van het onderzoek verschillende keren contact op met de diensten van de RSZ (toepassing artikel 1 van het K.B. van 20 februari 1968) teneinde de sluitingsdatum zoals bepaald in hoger genoemde wet te kunnen bepalen. De diensten van de RSZ konden evenwel enkel meedelen dat de werkgever V E (immatriculatienummer 330/0880010-18) tot en met het eerste trimester 1997 aangiften heeft ingediend en dat tot en met 3 juli 1997 geen stopzetting van het nummer werd aangevraagd. Op grond van de hoger vermelde feitelijke gegevens, nI. enerzijds de weigering van de rechtbank van koophandel om het faillissement uit te spreken wegens te weinig bewijs dat het een handelsactiviteit betrof, en anderzijds de mededeling van de RSZ dat de werkgever nog steeds actief is, meent de dienst dat de voorwaarden voor de tussenkomst, zoals gesteld door de wet van 28.6.1966, niet vervuld zijn. De dienst zal bijgevolg een negatief advies overmaken aan het Beheerscomité van het Fonds, welke de bevoegdheid heeft over al dan niet toepasselijkheid van de sluitingswetgeving te beslissen. ..." (stuk 4 appellante) Uit het voorgaande blijkt dat appellante haar weigeringsbeslissing wel degelijk heeft laten steunen (onder meer) op de overweging dat niet aangetoond was dat de activiteiten van de ex-werkgever van geïntimeerde volledig waren stopgezet, zodat het dienaangaande gevoerde verweer wel degelijk ontvankelijk is. Wat nu de gegrondheid van het ingeroepen middel (= niet-stopzetting van de activiteit) betreft stelt het Hof vast dat appellante weliswaar verwijst naar de LATG-databank, zijnde een R.S.Z.-databank inzake registratie van loon- en arbeidstijdgegevens doch hiervan geen enkel bewijs voorlegt. Appellante beweert verder dat V E één werknemer tewerkstelt. Uit de stukken van het dossier blijkt echter dat V E sedert het tweede trimester van 1997 geen R.S.Z. aangifte meer heeft gedaan. Geïntimeerde brengt eveneens een print bij van de R.S.Z.-gegevens van V E welke zij op internet heeft opgezocht. (stuk 13 geïntimeerde) Hieruit blijkt dat V E sedert 05 januari 2003 geschrapt werd. Appellante kan dan ook niet ernstig blijven volhouden, zoals zij doet op 12 maart 2003, dat V E nog één werknemer in dienst had. Tevens is het feit dat het R.S.Z.-nummer van V E niet doorgehaald is geworden geen bewijs dat er nog activiteiten ontplooid worden of zijn geworden. Het feit dat er geen R.S.Z.-aangiften meer zijn gebeurd sedert 1997 bewijst wel dat er effectief geen activiteiten, waarbij personeel was betrokken, uitgeoefend zijn geworden. Het runnen van een bejaardentehuis of het verstrekken van verzorging aan bejaarden kan echter niet gebeuren zonder personeel, en ook niet met maar één personeelslid. Ook stelt appellante dat V E in O woonachtig is, er een rustoord uitbaat en dit rustoord nooit zou opgehouden te hebben bestaan. Nochtans blijkt uit de informatie van de Rechtbank van Koophandel (cfr. stuk 14 bundel appellante) dat V E voor 09 mei 1994 niet in het handelsregister in Oostende ingeschreven was. Uit het feit dat de Rechtbank van Koophandel te Brussel weigerde om V E failliet te verklaren kan niet besloten worden dat hij nog activiteiten uitoefent. Immers de Rechtbank van Koophandel te Brussel heeft V E niet failliet verklaard omdat hij niet als handelaar kon beschouwd worden. Het bejaardentehuis B werd niet door V E uitgebaat doch wel door een V.Z.W. waarvan hij beheerder was. Het zetelen als beheerder in een V.Z.W. duidt niet op een voortzetting van activiteit in het kader van onderhavige problematiek. Tenslotte is er nog de brief van de uitvoerende gerechtsdeurwaarder dd. 05 mei 1995 waarvan de inhoud spreekt voor zichzelf (zie Sub I en stuk 3 geïntimeerde) alsook de brief van 05 november 2003 uitgaande van geïntimeerde en gericht aan de gerechtsdeurwaarder waarin geïntimeerde hem vroeg betreffende volgende vragen een onderzoek in te stellen : - Zijn er uitvoeringsmogelijkheden tegen V E? Is hij al dan niet onvermogend? - Ontplooit V E op zijn huidig adres of elders als natuurlijk persoon een (economische) activiteit? Baat hij momenteel op zijn huidig adres een bejaardentehuis uit? Ontplooit hij activiteiten als vennoot of beheerder? (stuk 14 geïntimeerde) Op 26 november 2003 liet de gerechtsdeurwaarder weten : "De heer V E is een zeer gekend debiteur. Hij woont gemeubeld en bezit niets dat vatbaar is voor beslag. Hij heeft een hoop schulden waaronder heel wat bevoorrechte. Lastens hem heb ik tot op heden alle dossiers als oninvorderbaar moeten afsluiten." (stuk 15 geïntimeerde) Uit hetgeen voorafgaat is naar het oordeel van het Hof voldoende naar recht aangetoond dat V E inderdaad elke activiteit heeft stopgezet. 3. Ten aanzien van de economische finaliteit van de activiteit van V E Artikel 2, 1° lid van de wet van 28 juni 1966 betreffende de schadeloosstelling van de werknemers die ontslagen worden bij sluiting van ondernemingen bepaalt het volgende : " Voor de toepassing van de wet geldt als onderneming de technische bedrijfseenheid bedoeld in artikel 14 van de wet van 20 september 1948 betreffende de organisatie van het bedrijfsleven." Het tweede lid van hetzelfde artikel bepaalt verder : "Voor de toepassing van deze wet wordt met onderneming gelijkgesteld elke afdeling van een onderneming waar tijdens het laatst verlopen kalenderjaar gemiddeld tenminste het in artikel 1 bepaalde minimum aantal werknemers was tewerkgesteld." Overeenkomstig artikel 14 van de wet op de organisatie van het bedrijfsleven wordt de technische bedrijfseenheid bepaald op grond van de economische en sociale criteria maar in geval van twijfel primeren de sociale criteria. Volgens de interpretatie die indertijd aan deze omschrijving werd gegeven, bedoelde men ondernemingen met een uitgesproken economische activiteit. (zie dienaangaande Parl. Stukken Kamer, 1966-65, nr. 166/1). Economisch doeleinde betekent zoveel als winstbejag. De rechter dient bij de beoordeling van concrete gevallen na te gaan of de onderneming al dan niet een economisch doel nastreeft. (Spaey R. en Swennen R., het begrip onderneming in de wetgeving op de sluiting van ondernemingen, Soc. Kron., 1982,466-470). Dienaangaande kan eveneens worden verwezen naar een belangrijk arrest van het Hof van Cassatie dd. 25 oktober 1982 (Soc. Kron., 1982, 461). Het Hof bevestigde hierin nogmaals het principe dat ondernemingen zonder economisch doel niet onder de toepassing van de wetgeving op de sluiting van ondernemingen vallen dit niettegenstaande de wet van 23 januari 1975 waarbij artikel 14 van de bedrijfsorganisatiewet werd aangevuld met de bepaling dat de Koning de mogelijkheid heeft om het toepassingsgebied van de wet uit te breiden tot ondernemingen zonder handels- of industriële activiteit wat de Koning ook gedaan heeft bij Koninklijk Besluit van 24 januari 1975. Het Hof van Cassatie was namelijk van oordeel dat deze uitbreiding van het toepassingsgebied van de bedrijfsorganisatiewet niet tot gevolg had dat ook de verplichtingen van appellante uitgebreid werden tot het verlenen van tussenkomst bij sluiting van ondernemingen zonder handels- of industriële activiteit. Voor het Hof heeft de wijziging door de wet van 23 januari 1975 en het Koninklijk Besluit van 24 januari 1975 geen wijziging aangebracht aan het begrip onderneming maar werd de Koning slechts de bevoegdheid verleend om het toepassingsgebied van de wetgeving op de ondernemingsraden uit te breiden. In casu werd geïntimeerde door V E in persoon tewerkgesteld en dient te worden onderzocht of de arbeid die zij onder gezag van deze natuurlijke persoon verrichtte uiteindelijk een winstgevend doel had. De juridische vormgeving van de onderneming, vennootschap of natuurlijk persoon, is in het kader van artikel 14 van de Bedrijfsorganisatiewet zonder relevantie. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan blijkt dat V E in werkelijkheid twee ondernemingen had namelijk enerzijds de uitbating van een rusthuis voor bejaarden te A genaamd "D V" waarvoor hij ook sedert 24 januari 1984 een inschrijving had in het handelsregister (stuk 13 appellante) en anderzijds een soort "Dienst thuisverpleging" bestaande uit een 50- tal verpleegsters die werden uitgestuurd om bejaarden bij hun thuis of in kleinere privé rusthuizen de nodige lichaams- en gezondheidszorgen te verlenen. Voor deze laatste activiteit bestond er geen inschrijving in het handelsregister. Het betreft twee van elkaar onderscheiden activiteiten en deze dienen als zodanig ook onafhankelijk van elkaar beoordeeld te worden. Geïntimeerde maakt deel uit van deze "Dienst thuisverpleging". Zij werkte niet in het bejaardenhuis "D V" eigendom van V E. Gezien het voorgaande is de argumentatie van geïntimeerde, die gebaseerd is op de economische finaliteit van de uitbating van een rusthuis, in casu niet relevant. Het Hof is van oordeel dat de onderneming van V E die erin bestond verpleegkundigen aan te werven en hen uit te sturen naar de privé-woonst van bejaarden of privé-rusthuizen met het oog op het wassen en verzorgen van deze bejaarden hen inspuitingen te geven enzovoort, kortom hen de nodige lichaams- en geneeskundige verzorging te geven geen economische finaliteit bezit. Zulke activiteiten kunnen niet worden beschouwd als activiteiten verricht met het oog op het verkrijgen van winst. Geïntimeerde verwijst naar een advies van 18 oktober 1996 van het openbaar ministerie (stuk 5a bundel appellante) waarin zou staan dat uit een onderzoek gebleken is dat V niet enkel in persoon werknemers tewerkstelde doch ook dat hij bij zijn activiteiten de duidelijke doelstelling had om winst te maken. Bij lezing van het betreffende stuk stelt het Hof vast dat zulks hierin niet teruggevonden wordt. Het betreffende stuk is een advies van het openbaar ministerie van Brugge in een zaak die voor de Rechtbank van Koophandel te Brugge werd ingespannen door een zekere L die het faillissement aanvroeg van V. Het openbaar ministerie stelde hierin dat V "zich heeft ingeweven in een kluwen van verenigingen zonder winstoogmerk en handelsvennootschappen die hem bijvoorbeeld in de mogelijkheid stelden om onder een contract van leasing met een Ferrari Mondial te rijden en zijn schuldeisers te laten staan." In casu betreft het echter een activiteit die V in persoonlijke naam ontwikkelde. Door het Hof wordt verder niet ingezien waarom een activiteit ontwikkeld door een natuurlijk persoon geen sociale doelstelling kan hebben. Ook de afwezigheid van subsidiering kan niet als een decisief criterium aanvaard worden voor de bepaling van het al dan niet aanwezig zijn van een economische finaliteit. Dit kan allerlei andere redenen hebben. De wijze van facturatie is naar de mening van het Hof in casu geen bewijs van de economische finaliteit van de activiteiten van V die hiervoor trouwens ook geen inschrijving in het handelsregister had. Tenslotte wijst het Hof erop dat het advies van het openbaar ministerie van 26 juni 2002 in eerste aanleg niet bindend is. In tegenstelling tot wat het openbaar ministerie meent is het Hof van oordeel dat in de feiten en stukken niet het bewijs kan gevonden worden dat de activiteiten van V die hier ter beoordeling voorliggen, een economische finaliteit hadden. Volledigheidshalve merkt het Hof op dat zelfs indien ervan zou uitgegaan worden dat de activiteiten in het kader van de uitbating van het bejaardenhuis "D V" in A gebeurden dan nog is het Hof de mening toegedaan dat de Sluitingswetten niet van toepassing zijn. Het Hof bevestigt daarmee het standpunt dat eerder door haar werd ingenomen in een arrest van 03 februari 1988 en waarbij het volgende werd overwogen : "De gevorderde tegemoetkoming is deze bedoeld in artikel 2 ,§ 1 van de wet van 30 juni 1967 bij sluiting van een onderneming ingeval de werkgever zijn geldelijke verplichtingen tegenover zijn werknemers niet nakomt. De discussie tussen partijen betreft de vraag of de onderneming waar appellante tewerkgesteld was al dan niet een onderneming was in de zin van de wetgeving op de sluiting van ondernemingen. Wat het begrip onderneming betreft verwijst artikel 2, ,§ 1, van de voormelde wet naar de artikelen 2 en 2 bis van de wet van 28 juni 1966 betreffende de schadeloosstelling van werknemers die ontslagen worden bij sluiting van ondernemingen. Luidens artikel 2 van die wet geldt als onderneming de technische bedrijfseenheid bedoeld in artikel 14 van de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven. Volgens de interpretatie die indertijd aan deze omschrijving gegeven werd bedoelde men ondernemingen met een uitgesproken economische aktiviteit (memorie van toelichting. Parl. doc. Nr. 166, 1965-1966, nr.1. blz. 4). Een amendement op de wet van 30 maart 1978 betreffende de economische herstelmaatregelen dat de door de Nationale Arbeidsraad gewenste uitbreiding tot de ondernemingen zonder handels- of industriële finaliteit vooropstelde, werd in de Senaatcommissie verworpen. De minister van Arbeid en Tewerkstelling vroeg dit amendement te verwerpen - omdat geen gevaar bestaat dat die instellingen (scholen, ziekenhuizen) zullen gesloten worden. Bovendien worden bedoelde instellingen doorgaans door de Staat gesubsidieerd. De aanvaarding van het amendement zou een verhoging van de Rijkstoelagen ten gevolge hebben - (Parl. besch. 1975-1976. doc. 796 n° 2, 15 en 16). Tijdens de openbare bespreking in de Senaat bepaalde de minister opnieuw de verwerping van dit amendement op basis van dezelfde motieven (Senaat. Parl. hand., verg. 18 maart 1976, 1690). De minister bevestigde later nogmaals zijn standpunt naar aanleiding van een parlementaire vraag (vraag n° 47, dd. 11 september 1980 van senator Conrotte). Een bejaardentehuis heeft een aktiviteit die op economisch vlak vergelijkbaar is met deze van een ziekenhuis. Uit hetgeen voorafgaat blijkt dat de wetgever zulke exploitatie niet beschouwt als voldoende uitgesproken economisch om te kunnen aanzien worden als een onderneming in de zin van de "sluitingswetten"." (Arbeidshof Antwerpen (4°K) dd. 03 februari 1988 J.T.T. 1989 blz. 425-426) Het Hof onderschrijft deze motivering volledig. Het hoger beroep is gegrond. O P D I E G R O N D E N: Het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, vierde kamer. Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Gehoord het Openbaar Ministerie, vertegenwoordigd door de heer R. N, Advocaat-generaal, in zijn gelijkluidend mondeling advies op de openbare terechtzitting van 27 januari 2005, waaromtrent partijen worden gehoord in hun opmerkingen. Na beraadslaging, rechtdoende op tegenspraak. Het tussenarrest van 11 maart 2004 verder uitwerkend. Verklaart het hoger beroep gegrond. Vernietigt het vonnis van de Arbeidsrechtbank te Hasselt van 11 september 2002. En opnieuw rechtdoende, bevestigt de bestreden administratieve beslissing. Verwijst appellante, conform artikel 1017, 2de lid van het Gerechtelijk Wetboek in de kosten van de procedure, in eerste aanleg en hoger beroep. Laat deze kosten in hoofde van beide partijen onvereffend bij gebreke aan afgifte van kostenstaten. Aldus gewezen en uitgesproken door de vierde kamer van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, zitting houdend te Hasselt in openbare terechtzitting van vierentwintig maart tweeduizend en vijf, waar aanwezig waren: PDF document ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20050324.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.