id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 24 maart 2005 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20050324.3 Rolnummer: 2002-0343;2002-0350 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2005-05-02 Raadplegingen: 288 - laatst gezien 2026-07-04 18:23 Fiches 1 - 4 Overeenkomstig artikel 1051, lid 1, Ger. W., bedraagt de termijn om hoger beroep aan te tekenen één maand te rekenen vanaf de betekening van het vonnis of kennisgeving ervan overeenkomstig artikel 792, tweede en derde lid Ger. W. Deze termijn is op straffe van verval voorgeschreven en het verval moet desgevallend verplicht worden uitgesproken door de rechter (art. 860, lid 2 en art. 862, ,§ 1, 1° Ger. W.). De vonnissen die, zoals in voorliggend geval, gewezen worden in geschillen betreffende de rechten en verplichtingen van personen, die buiten een arbeidsovereenkomst, het voordeel genieten van de wetgeving inzake werkloosheid, worden overeenkomstig de artikelen 792, lid 2 iuncto 704, lid 1 Ger. W. door de griffier bij gerechtsbrief ter kennis van partijen gebracht. In dergelijke geschillen neemt de beroepstermijn een aanvang vanaf de kennisgeving van het vonnis (artikelen 52 en 1051, lid 1 Ger. W.). Krachtens artikel 32, 2° Ger. W. moet onder kennisgeving worden verstaan, de toezending van een akte van rechtspleging in origineel of in afschrift. Zij geschiedt langs de post of, in gevallen die de wet bepaalt, in de vormen die zij voorschrijft. De kennisgeving van het vonnis, die de termijn van hoger beroep doet lopen, geschiedt dus op de datum van toezending en niet op de datum van aanbieding of ontvangst (Cass. 09/12/1996, J.T.T. 1997, 440 en Cass. 26/11/2004 inzake V.C. t/ Belgische Staat, nr. C.03.0498.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041126.9). Luidens artikel 52 Ger. W. wordt de termijn gerekend vanaf de dag na die van de akte of van de gebeurtenis welke hem doet ingaan. Het vonnis van de arbeidsrechtbank van 06/11/2002 werd aan partijen ter kennis gebracht bij gerechtsbrief afgegeven ter post op 12/11/
- De beroepstermijn begon dus te lopen op 13/11/
- Overeenkomstig artikel 54 Ger.W. wordt de beroepstermijn gerekend van de zoveelste, in casu 13/11/2002, tot de dag voor de zoveelste, in casu 12/12/2002 zijnde de dag voor 13/12/
- Luidens artikel 53 Ger. W. is de vervaldag in de termijn begrepen, in toepassing van voormelde wettelijke bepalingen, nam de beroepstermijn dus een einde op 12/12/
- Het hoger beroep werd aldus ingesteld binnen de wettelijke termijn van één maand en is bijgevolge ontvankelijk. Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP-RECHT-WETGEVING . GERECHTELIJK WETBOEK ontvankelijkheid hoger beroep - datum toezending gerechtsbrief - vertrekdatum termijn. Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 32,3° - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 52 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 54 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 1051,lid1 - 30 Link Justel databank 19671010-30 Nota: Gerangschikt onder I A - artikel 32, 2°, onder I A - artikel 52, onder I A - artikel 54 en onder I A - artikel 1051, lid
- Tekst van de beslissing ARREST A.R. 2020343 + 2020350 OPENBARE TERECHTZITTING VAN VIERENTWINTIG MAART TWEEDUIZEND EN VIJF. In de zaak : AR.2020343 NATIONAAL VERBOND VAN SOCIALISTISCHE MUTUALITEITEN, met zetel gevestigd te 1000 Brussel, Sint-Jansstraat 32; appellant, tegen : H C, geïntimeerde, Na over de zaak beraadslaagd te hebben, wijst het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, in openbare terechtzitting en in de Nederlandse taal het hiernavolgend arrest. Gezien de stukken van het dossier van rechtspleging, inzonderheid: - het bestreden eindvonnis van de Arbeidsrechtbank te Hasselt gewezen op tegenspraak tussen partijen op 06 november 2002, onder AR. nr. 201/3037, en hen behoorlijk ter kennis gebracht bij gerechtsbrief van 12 november 2002 conform artikel 792 van het Gerechtelijk Wetboek; - het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd door het Nationaal verbond van Socialistische Mutualiteiten ter griffie van het Arbeidshof op 06 december 2002; - de conclusies en aanvullende conclusies van het Nationaal verbond van Socialistische Mutualiteiten respectievelijk neergelegd en ontvangen ter griffie op 28 februari 2003 en 28 juni 2004 en de conclusies van H C ontvangen ter griffie op 12 september
- Gehoord de partijen in hun middelen en voordracht hunner conclusies ter zitting van 09 december
- Gezien het schriftelijk advies van de Heer R. N, Advocaat-generaal, neergelegd ter zitting van 27 januari
- In de zaak : AR.2020350 H C, appellant, tegen : RIJKSDIENST VOOR ARBEIDSVOORZIENING, openbare instelling met zetel gevestigd te 1000 Brussel, Keizerslaan 7; geïntimeerde, Gezien de stukken van het dossier van rechtspleging, inzonderheid: - het bestreden eindvonnis van de Arbeidsrechtbank te Hasselt gewezen op tegenspraak tussen partijen op 06 november 2002, onder AR. nr. 201/3037, en hen behoorlijk ter kennis gebracht bij gerechtsbrief van 12 november 2002 conform artikel 792 van het Gerechtelijk Wetboek; - het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd door H C ter griffie van het Arbeidshof op 12 december 2002; - de conclusies van H C ontvangen ter griffie op 12 september 2003 en de conclusies van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening neergelegd ter griffie op 04 november
- Gehoord de partijen in hun middelen en voordracht hunner conclusies ter zitting van 09 december
- Gezien het schriftelijk advies van de Heer R. N, Advocaat-generaal, neergelegd ter zitting van 27 januari
- I. Samenvoeging van de zaken onder A.R. 2020343 en A.R. 2020350 De Arbeidsrechtbank te Hasselt heeft zich bij vonnis van 06 november 2002 uitgesproken in het geding van H C, als eisende partij tegen de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening (R.V.A.) als verwerende partij, waarbij het Nationaal Verbond van Socialistische Mutualiteiten (N.V.S.M.) als vrijwillig tussenkomende partij optrad. De vrijwillig tussenkomende partij, het N.V.S.M., stelde op 06 december 2002 hoger beroep in tegen C (A.R. 2020343) en Hugo Colemont stelde op 12 december 2002 hoger beroep in tegen de R.V.A., met vermelding dat het hoger beroep "samenhangend was met de zaak A.R. 2020343". Krachtens artikel 30 Gerechtelijk Wetboek kunnen rechtsvorderingen als samenhangende zaken worden behandeld, wanneer zij onderling zo nauw verbonden zijn dat het wenselijk is ze samen te behandelen en te berechten, teneinde oplossingen te vermijden die onverenigbaar kunnen zijn wanneer de zaken afzonderlijk worden behandeld. De rechter oordeelt vrij of rechtsvorderingen als samenhangend kunnen worden behandeld, zulks ongeacht het voorwerp of de oorzaak waarop de rechtsvorderingen betrekking hebben, of de identiteit van de gedingvoerende partijen. (Cass. 04 september 1987, Arr. Cass., 1987-1988, 4) De zaken zijn verknocht, met het oog op een goede rechtsbedeling, komt het het Hof gepast voor de zaken gekend onder nr. 2020343 en nr. 2020350 samen te voegen. II. Ontvankelijkheid van de hogere beroepen
- Het N.V.S.M. stelde bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof op 06 december 2002 hoger beroep in tegen het vonnis van de Arbeidsrechtbank te Hasselt van 06 november 2002, vonnis dat aan het N.V.S.M. bij gerechtsbrief afgegeven ter Post op 12 november 2002 ter kennis werd gebracht. Het hoger beroep van het N.V.S.M. werd binnen de maand na kennisgeving ingesteld en is ontvankelijk.
- H C stelde bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof op 12 december 2002 hoger beroep in tegen het vonnis van de Arbeidsrechtbank te Hasselt van 06 november 2002, vonnis dat hem met gerechtsbrief afgegeven ter Post op 12 november 2002 ter kennis werd gebracht. Het Hof heeft H C ter zitting van 09 december 2004 gevraagd zich te verweren met betrekking tot de mogelijke onontvankelijkheid van zijn hoger beroep wegens laattijdigheid. H C betwistte de onontvankelijkheid van zijn hoger beroep. Het openbaar ministerie is in zijn schriftelijk advies neergelegd ter zitting van 27 januari 2005 van mening dat het hoger beroep van C laattijdig is; volgens het openbaar ministerie verliep de beroepstermijn op 11 december 2002 daar waar het verzoekschrift neergelegd is ter griffie op 12 december
- Het Hof is van oordeel dat het hoger beroep van H C wel degelijk tijdig werd ingesteld en dus ontvankelijk is. Overeenkomstig artikel 1051, lid 1, Ger. W., bedraagt de termijn om hoger beroep aan te tekenen één maand te rekenen vanaf de betekening van het vonnis of kennisgeving ervan overeenkomstig artikel 792, tweede en derde lid Ger. W.. Deze termijn is op straffe van verval voorgeschreven en het verval moet desgevallend verplicht worden uitgesproken door de rechter. (art. 860, lid 2 en 862 ,§ 1, 1° Ger. W.) De vonnissen die, zoals in voorliggend geval, gewezen worden in geschillen betreffende de rechten en verplichtingen van personen, die, buiten een arbeidsovereenkomst, het voordeel genieten van de wetgeving inzake werkloosheid, worden overeenkomstig de artikelen 792 lid 2 iuncto 704 lid 1 Ger. W. door de griffier bij gerechtsbrief ter kennis van partijen gebracht. In dergelijke geschillen neemt de beroepstermijn een aanvang vanaf de kennisgeving van het vonnis (artikel 52 en 1051, lid 1 Ger. W.) Krachtens artikel 32, 2° Ger. W. moet onder kennisgeving worden verstaan,de toezending van een akte van rechtspleging in origineel of in afschrift. Zij geschiedt langs de post of, in de gevallen die de wet bepaalt, in de vormen die deze voorschrijft. De kennisgeving van het vonnis, die de termijn van hoger beroep doet lopen, geschiedt dus op de datum van toezending en niet op de datum van aanbieding of ontvangst. (Cass. 09 december 1996, J.T.T., 1997, 440 en Cass. 26 november 2004 inzake V.C. / Belgische Staat nr. C.03.0498N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041126.9) Luidens artikel 52 Gerechtelijk Wetboek wordt de termijn gerekend vanaf de dag na die van de akte of van de gebeurtenis welke hem doet ingaan. Het vonnis van de Arbeidsrechtbank te Hasselt van 06 december 2002 werd aan partijen ter kennis gebracht bij gerechtsbrief afgegeven ter post op 12 november
- De beroepstermijn begon dus te lopen op 13 november
- Overeenkomstig artikel 54 Gerechtelijk Wetboek wordt de beroepstermijn gerekend van de zoveelste, in casu 13 november 2002, tot de dag vóór de zoveelste, in casu 12 december 2002 zijnde de dag vóór 13 december
- Luidens artikel 53 Gerechtelijk Wetboek is de vervaldag in de termijn inbegrepen. In toepassing van voormelde wettelijke bepalingen, nam de beroepstermijn dus een einde op 12 december
- Het verzoekschrift tot hoger beroep werd door Hugo Colemont neergelegd ter griffie van het Arbeidshof op 12 december
- Het hoger beroep werd aldus ingesteld binnen de wettelijke termijn van één maand en is bijgevolg ontvankelijk. III. Feiten en voorafgaande procedure. H C was sedert 22 maart 1988 tewerkgesteld bij F W A.G. en werd met ingang van 24 april 1995 arbeidsongeschikt erkend door zijn mutualiteit, het N.V.S.M.,van wie hij vanaf 26 april 1995 arbeidsongeschiktheidsuitkeringen ontving. Op 27 oktober 1995 werd hem door de werkgever de opzegging betekend, waarbij een verbrekingsvergoeding werd betaald die de periode dekt van 28 oktober 1995 tot en met 01 december
- Op het formulier C4 werd als juiste oorzaak van de werkloosheid vermeld: "langdurige arbeidsongeschiktheid wegens ziekte". (stuk 3 administratief dossier R.V.A.) Nadat de adviserende geneesheer van zijn mutualiteit hem in staat heeft verklaard de arbeid te hervatten vanaf 22 april 1996, vraagt hij op 26 april 1996, werkloosheidsuitkeringen aan. (formulier C 6, stuk 2 administratief dossier R.V.A.) Hij neemt nochtans ook verhaal tegen voormelde beslissing van de adviserende geneesheer bij de Arbeidsrechtbank te Hasselt. Hangende het geding wordt hij door zijn mutualiteit vanaf 04 februari 1997 opnieuw arbeidsongeschikt erkend en ontvangt hij vanaf dan gedurende het eerste jaar, dit wil zeggen tot 03 februari 1997, primaire arbeidsongeschiktheidsuitkeringen en vanaf 04 februari 1997 invaliditeitsuitkeringen. Bij vonnis van de Arbeidsrechtbank te Hasselt van 22 maart 2001 wordt de administratieve beslissing van de mutualiteit waarbij hij terug arbeidsgeschikt werd verklaard vanaf 22 april 1996 vernietigd wat als gevolg heeft dat hij vanaf voormelde datum arbeidsongeschikt wordt beschouwd en hij dus doorlopend arbeidsongeschikt is vanaf 22 april
- Bij administratieve beslissing van 28 juni 2001 besliste de Gewestelijke Werkloosheidsdirecteur dat H C uitgesloten werd van de uitkeringen vanaf 22 april 1996 tot en met 03 februari 1997 en dat de uitkeringen die onrechtmatig werden genoten, zullen teruggevorderd worden rekeninghoudend met de eventuele terugbetaling die door de verzekeringsinstelling zal worden gedaan. (stuk 7 administratief dossier R.V.A.) De administratieve beslissing werd gemotiveerd als volgt : "Bij toepassing van de wetgeving op de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering werd u geschikt bevonden vanaf 22.04.
- U betwistte deze beslissing bij de bevoegde rechtsmacht waardoor u voorlopige uitkeringen werden toegekend vanaf 22.04.
- De rechtbank te Hasselt verklaarde uw eis gegrond. Ingevolge deze uitspraak wordt u als arbeidsongeschikt beschouwd vanaf 22.04.1996 tot en met 03.02.
- U hebt bijgevolg voor deze periode recht op uitkeringen vanwege de ziekte- en invaliditeitsverzekering. De uitkeringen die u onrechtmatig ontving, moet u terugbetalen (artikel 169 van bovenvermeld K.B.). Daar het gewone uitkeringsstelsel bij werkloosheid voorziet dat uitkeringen worden toegekend voor iedere dag van de week behalve de zondag, zal de uitkering die u ontving voor de zaterdag die volgt op de voormelde arbeidsdagen eveneens geheel of gedeeltelijk worden teruggevorderd (toepassing van artikel 21 van het ministerieel besluit van 26.11.1991 houdende de toepassingsregelen van de werkloosheidsreglementering)." Toepassing werd gemaakt van de artikelen 62 ,§ 2, 1° en 2° lid, 139, 142, 144, 169 en 170 Koninklijk Besluit van 25 november
- In uitvoering van voorafgaande beslissing werd door middel van het formulier C.31.2 het bedrag van 293.037 Bef. (7.264,20 Euro) van C teruggevorderd met de vermelding: "Dit bedrag zal normaal volledig worden terugbetaald door uw ziekenfonds, de Socialistische Mutualiteit. "(stuk 8 adm. dossier R.V.A.) Met brieven van 12 juli 2001 en 18 juli 2001 deelt de mutualiteit aan C mee dat zij ingevolge het vonnis van de Arbeidsrechtbank te Hasselt van 22 maart 2004 het uitkeringsdossier dient te regulariseren en dat het saldo in het voordeel van Colemont 230.911 Bef. (5.724,13 Euro) bedraagt, bedrag dat zij evenwel volledig dienen over te maken aan de R.V.A. ter terugbetaling van de door C ten onrechte genoten werkloosheidsuitkeringen over de periode 22 april 1996 - 03 februari 1997 ten bedrage van 293.037 Bef. (7.264,20 Euro) Bij schrijven van 20 juli 2001 laat de R.V.A. door middel van het formulier C.31.2 aan H C weten dat de mutualiteit de som van 230.911 Bef. (5.724,13 Euro) heeft gestort op de rekening van de R.V.A. en dat C persoonlijk het saldo ten bedrage van 62.126 Bef. (1.540,06 Euro) moet terugbetalen. (zie administratief dossier N.V.S.M.) De raadsman van C laat de mutualiteit echter weten dat hij niet akkoord gaat met de afrekening van de mutualiteit en meent dat het door de mutualiteit verschuldigde bedrag over voormelde periode hoger ligt dan het ontvangen bedrag aan werkloosheidsuitkeringen zodat er nog en saldo in het voordeel van zijn cliënt blijft. Met schrijven van 05 september 2001, gericht aan C, verantwoordt de mutualiteit haar afrekening als volgt : "Naar aanleiding van uw schrijven van 23.07.2001 en 09.08.2001 kunnen wij u het volgende melden. Ingevolge het vonnis van de arbeidsrechtbank van 22.03.2001 werd betrokkene doorlopend arbeidsongeschikt erkend vanaf 26.04.
- Op het inlichtingsblad destijds ingevuld door F G werd een dagloon aan de 5-dagenweek vermeld van 3.879 BEF. Omgerekend naar de 6-dagenweek geeft dit een basisdagloon van: 3.879 x 5/6 = 3.232,50 BEF. In het eerste jaar van ongeschiktheid (primaire ongeschiktheid) had betrokken recht op 60% van dit loon, aangepast aan het indexcijfer; nl : 3.232,50 x 60% = 1.939,50 BEF per dag. Vanaf het tweede jaar (invaliditeit) werd dit bedrag begrensd tot de maximum uitkering als alleenstaande, nl. : 1.372 BEF. Gezien betrokkene sedert 27.02.1998 terug inwoont bij zijn ouders, dient hij vanaf deze datum als samenwonende beschouwd te worden en heeft hij recht op een uitkering à rato van 40% van het geïndexeerde basisloon, nl. : 1.345 BEF. Betrokkene ontving volgende uitkeringen: 04.02.1997 - 03.08.1997: 155 x 1.315 = 203.825 BEF. 04.08.1997 - 30.09.1997: 50 x 1.978 = 98.900 BEF. 01.10.1997 - 03.02.1998: 108 x 2.018 = 217.944 BEF. 04.02.1998 - 28.02.1999: 334 x 1.427 = 476.618 BEF. 997.287 BEF. Ingevolge het vonnis van de rechtbank had betrokkene recht op volgende uitkeringen: 26.04.1995 - 21.04.1996 : reeds juist vergoed 22.04.1996 - 25.04.1996: 4 x 1.940 = 7.760 BEF. 26.04.1996 - 30.04.1996: 4 x 1.372 = 5.488 BEF. 01.05.1996 - 30.09.1997: 436 x 1.399 = 609.964 BEF. 01.05.1996 01.10.1997 - 26.02.1998: 128 x 1.427 = 182.656 BEF. 01.05.1997 27.02.1998 - 28.02.1999: 314 x 1.345 = 422.330 BEF. 1.228.198 BEF. Bijgevolg had betrokkene recht op een bijpassing van 1.228.198 - 997.287 = 230.911 BEF. Dit bedrag werd volledig gestort aan de RVA gezien hun terugvordering 293.037 BEF. bedroeg. Indien U hieromtrent nog vragen heeft kan u steeds contact nemen met onze dienst uitkeringen" (Administratief dossier N.V.S.M.) Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van de Arbeidsrechtbank te Hasselt op 26 september 2001 neemt C verhaal tegen de beslissing van de R.V.A. van 28 juni
- Colemont was van oordeel dat de R.V.A. niets meer te vorderen had gezien uit voormelde brief van de mutualiteit van 05 september 2001 zou blijken dat hij voor de betwiste periode van 22 april 1996 tot 03 februari 1997 recht zou hebben op arbeidsongeschiktheidsuitkeringen ten bedrage van 349.008 Bef. (8.651,68 Euro) daar waar de terugvordering van de R.V.A. voor dezelfde periode slechts 293.037 Bef.(7.264,20 Euro) bedraagt. Met schrijven van 01 oktober 2001 stelt de raadsman van C de mutualiteit ingebreke om over te gaan tot betaling van het saldo van de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, saldo waarop zijn cliënt nadat de mutualiteit de R.V.A. heeft terugbetaald, nog recht zou hebben voor de periode 22 april 1996 tot 03 februari 1997 namelijk 349.008 Bef. (8.651,68 Euro) (ongeschiktheidsuitkeringen) - 293.037 Bef. (7264,20 Euro) (werkloosheidsuitkeringen) = 55.971 Bef. (1.387,48 Euro) Hierop antwoord de mutualiteit het volgende : "Naar aanleiding van uw schrijven van 01.10.2001 en aansluitend op ons schrijven van 27.09.2001 kunnen wij u het volgende melden. Wij ontvingen bericht van onze juridische dienst te Brussel. Aan de hand van dit schrijven hebben wij het dossier van betrokkene opnieuw onderzocht. De regularisatie die gebeurde voor de periode 22.04.1996 - 26.02.1998 is een rechtstreeks gevolg van de uitspraak van de arbeidsrechtbank, waarin betrokkene verder doorlopend erkend werd vanaf 22.04.
- Door deze uitspraak dienden de reeds uitgekeerde primaire uitkeringen omgezet te worden in invaliditeitsuitkeringen. De verjaringstermijn werd door de procedure voor de arbeidsrechtbank geschorst en de regularisatie is bijgevolg correct. De regularisatie die gebeurde voor de periode 27.02.1998 - 28.02.1999 is in gevolge een vaststelling die wij deden inzake een wijziging in de gezinstoestand (van alleenstaande naar samenwonende met ouders) en bijgevolg ten onrechte gezien het vonnis de verjaringstermijn voor deze terugvordering niet schorst. Het teveel ingehouden bedrag bedraagt: 314 x (1.427 - 1.345) = 25.748 BEF. Wij zullen eerstdaags dit bedrag overmaken aan de RVA. Wij beschouwen dit dossier als afgehandeld. Indien U hieromtrent nog vragen heeft kan u steeds contact nemen met onze dienst uitkeringen." (administratief dossier N.V.S.M.) Met schrijven van 18 oktober 2001 vraagt de raadsman van C aan de mutualiteit vrijwillig tussen te komen in het geding dat hij aanhangig heeft gemaakt bij de Arbeidsrechtbank te Hasselt tegen de R.V.A. ten einde het geschil tussen zijn cliënt en de mutualiteit mee te laten beslechten, verzoek waarop het N.V.S.M. ingaat, door neerlegging van een verzoekschrift ter griffie van de Arbeidsrechtbank op 22 januari
- Hangende het geding tussen C, de R.V.A. en het N.V.S.M. bij de Arbeidsrechtbank te Hasselt stelt C bij besluiten, neergelegd ter griffie op 04 september 2002, een tussenvordering in tegen de vrijwillig tussenkomende partij, het N.V.S.M., er toe strekkende haar te veroordelen tot betaling van de som van 8.651,68 Euro te vermeerderen met de wettelijke intresten vanaf 11 september 1996 (gemiddelde datum van opeisbaarheid) of de moratoire intresten vanaf 13 mei 1996 en onder aftrek van het bedrag van 6.362,41 Euro welke de mutualiteit betaalde aan de R.V.A.. (stuk 14 rechtsplegingsdossier Arbeidsrechtbank) De R.V.A. van zijn kant is van oordeel dat C geen rechten kon laten gelden op werkloosheidsuitkeringen omdat hij in de periode van 22 april 1996 tot 03 februari 1997 meer dan 66 % arbeidsongeschikt was en aanspraak had op Z.I.V.-uitkeringen. De mutualiteit betaalde aan de R.V.A. slechts het bedrag van 6.362,41 Euro zodat de R.V.A. bij besluiten een tegeneis instelt en van C nog het saldo van 901,79 Euro vordert. (stuk 9 rechtsplegingsdossier Arbeidsrechtbank) Bij vonnis van 06 november 2002 verklaart de Arbeidsrechtbank te Hasselt : - de vordering van C opzichtens de R.V.A. ontvankelijk doch ongegrond en bevestigt zij de bestreden R.V.A.-beslissing. - de tegenvordering van de R.V.A. opzichtens C ontvankelijk en deels gegrond namelijk voor het bedrag van 901,79 Euro meer de gerechtelijke intresten vanaf 24 april 2002 en veroordeelt zij C tot betaling hiervan aan de R.V.A.. - de tussenvordering van C opzichtens het N.V.S.M. ontvankelijk en deels gegrond met name voor het bedrag van 2.254,59 Euro te vermeerderen met de moratoire intresten op de over de periode van 22 april 1996 tot en met 03 februari 1997 verschuldigde Z.I.V.-uitkeringen, deze intresten te berekenen vanaf 13 mei 1996 op de op dat ogenblik verschuldigde Z.I.V.-uitkeringen en vervolgens vanaf de respectieve data van verschuldigdheid van de Z.I.V.-uitkeringen maar niet vroeger dat het ontstaan van het recht zelf dit tot en met 26 oktober 2001; en vanaf 27 oktober 2001 te berekenen op het bedrag van 2.254,54 Euro tot aan de volledige betaling. - verwijst zij de R.V.A. en het N.V.S.M. elk in de helft van de gerechtskosten. Met verzoekschrift van 06 december 2002 neergelegd ter griffie van het Hof stelt het N.V.S.M. hoger beroep in tegen voormeld vonnis en dit enkel tegen C. Met verzoekschrift van 12 december 2002 neergelegd ter griffie van het Hof stelt ook C hoger beroep in tegen voormeld vonnis en dit enkel ten opzichte van de R.V.A.. IV. In rechte Het Hof stelt vast dat de betwisting tussen C en het N.V.S.M. onder andere betrekking heeft op de afrekening van de ziekteuitkeringen die het N.V.S.M. opgesteld heeft nadat C bij vonnis van de Arbeidsrechtbank te Hasselt d.d. 22 maart 2001 terug arbeidsongeschikt werd erkend vanaf 22 april 1996 dit na vernietiging van de administratieve beslissing van de mutualiteit van 18 april 1996 waarbij C vanaf 22 april 1996 terug arbeidsgeschikt werd verklaard. De eerste rechters hebben de afrekening en de hieruit voortvloeiende schuldvergelijking verworpen met de motivering dat het N.V.S.M. kennelijk "over de periode van 04 augustus 1997 tot en met 03 februari 1998 aan eiser Z.I.V.-uitkeringen heeft uitbetaald aan een te hoge berekeningsbasis zonder dat zij op enigerlei wijze verduidelijkt of aangetoond heeft - (...) - dat deze blijkbaar te hoge betaling in verband kan worden gebracht met het door eiser bij de Arbeidsrechtbank ingestelde beroep tegen de niet-erkenning van zijn ongeschiktheid oor de adviserende geneesheer". De eerste rechters verwijzen hier meer bepaald naar de passage in de brief van 05 september 2001 uitgaande van de mutualiteit en gericht aan C waarbij de mutualiteit een specificatie geeft van de door C ontvangen uitkeringen vóór dat de beslissing bekend was van de Arbeidsrechtbank te Hasselt ingevolge het verhaal van C tegen de administratieve beslissing van de mutualiteit waarbij hij terug arbeidsgeschikt werd verklaard vanaf 22 april 1996 (stuk 5 C) en meer specifiek de uitkeringen zoals ze werden uitbetaald door de mutualiteit over de periode 04 augustus 1997 - 03 februari 1998 namelijk : - 04 augustus 1997 ? 30 september 1997 : 50 x 1.978 = 98.900 Bef. - 01 oktober 1997 ? 03 februari 1998 : 108 x 2.018 = 217.944 Bef. Het Hof stelt vast dat het N.V.S.M. in haar schrijven van 05 september 2001 wel een berekening geeft van de daguitkeringen die aan C verschuldigd waren ingevolge het vonnis van de Arbeidsrechtbank te Hasselt d.d. 22 maart 2001 doch geen berekening geeft van de daguitkeringen (1.978 Bef en 2.018 Bef) over de respectieve periodes van 04 augustus 1997 tot 30 september 1997 en 01 oktober 1997 tot 03 februari
- Indien het namelijk zo is dat het N.V.S.M. voor de voormelde perioden per vergissing te hoge daguitkeringen zou betaald hebben aan Colemont gegeven de situatie dat C vanaf 04 februari 1997 tot 03 februari 1998 - gezien de voorafgaande periode van arbeidsgeschiktheid (22 april 1996 tot 03 februari 1997) - terug recht had op primaire arbeidsongeschiktheidsuitkeringen en vanaf 04 augustus 1998 recht had op invaliditeitsuitkeringen, dan werpt dit inderdaad een heel ander licht op de mogelijkheid van het N.V.S.M. om over te gaan tot schuldvergelijking. Immers het N.V.S.M. zou dan zelf in de fout gegaan zijn en dan stelt zich de vraag naar de mogelijkheid om dit nog recht zetten en het teveel betaalde in rekening brengen door regularisatie naar aanleiding van het vonnis van de Arbeidsrechtbank te Hasselt van 22 maart
- Teneinde hierover uitsluitsel te verkrijgen verzoekt het Hof het N.V.S.M. aan te geven hoe zij komt aan respectieve daguitkeringen ten bedrage van 1.315 Bef. (periode 04 februari 1997 tot 03 augustus 1997), 1.978 Bef. (periode 04 augustus 1997 - 30 september 1997) en 2.018 Bef. (periode 01 oktober 1997 - 03 februari 1998). Voor het Hof komt het inderdaad vreemd over waarom het N.V.S.M. voor de periode 04 februari 1997 - 03 augustus 1997 slechts een bedrag voorziet van 1.315 Bef. en voor de periode 04 augustus 1997 tot 03 februari 1998 bedragen van 1.978 Bef. en 2.018 Bef. uitbetaald daar waar deze volledige periode van 04 februari 1997 tot 03 februari 1998 in de op dat ogenblik gegeven situatie een periode van primaire arbeidsongeschiktheid was voor Colemont. De heropening der debatten dringt zich op. OP D I E G R O N D E N, Het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, vierde kamer. Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Gehoord het Openbaar Ministerie, vertegenwoordigd door de heer R. N, Advocaat-generaal, in de lezing van zijn schriftelijk advies dat hij neergelegt ter zitting van 17 januari 2005, waarop partijen niet repliceerden. Na beraadslaging, rechtdoende op tegenspraak. Voegt de zaken gekend onder A.R. nrs. 2020343 en 2020350 samen onder A.R. nr.
- Verklaart de hogere beroepen zowel van het Nationaal Verbond van Socialistische Mutualiteiten als van C ontvankelijk doch alvorens over de gegrondheid uitspraak te doen heropent de debatten teneinde het Nationaal Verbond van Socialistische Mutualiteiten toe te laten te handelen zoals gevraagd in het motiverend gedeelte van huidig arrest. Stelt de zaak voor verdere behandeling op de openbare terechtzitting van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, Maastrichterstraat 100 te 3500 Hasselt, van 09 juni 2005 om 14.30 uur. Houdt de uitspraak over de kosten aan. Aldus gewezen en uitgesproken door de vierde kamer van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, zitting houdend te Hasselt in openbare terechtzitting van vierentwintig maart tweeduizend en vijf, waar aanwezig waren: PDF document ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20050324.3 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041126.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div