← België

ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20050324.7

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 24 maart 2005 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20050324.7 Rolnummer: 2000-0854 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2006-03-17 Raadplegingen: 111 - laatst gezien 2026-07-01 03:03 Fiche In toepassing van artikel 142 van het Werkloosheidsbesluit kan de directeur een deel van de hem verleende bevoegdheden overdragen aan personeelsleden van het werkloosheidsbureau. Deze mogelijkheid tot delegatie betreft al de handelingen die met de bevoegdheden inzake het nemen van beslissingen over het recht op uitkeringen te maken hebben. Artikel 142 van het Werkloosheidsbesluit is een algemene bepaling die de directeur van het werkloosheidsbureau aanduidt als bevoegde instantie om alle beslissingen zonder enige uitzondering over het recht op uitkeringen te nemen. Het argument dat ontleend wordt aan de tekst van artikel 144 van het Werkloosheidsbesluit om voor te houden dat de beslissingen bedoeld in artikel 142 beperkt zouden blijven tot deze met betrekking tot de ontzegging, uitsluiting of schorsing van het recht op uitkeringen kan bijgevolg niet aanvaard worden. De delegatie van de bevoegdheid om de terugvordering van ten onrechte betaalde sommen te bevelen dient op expliciete en schriftelijke wijze te gebeuren en zij moet ter kennis gebracht worden van de werkloze. Aan deze publiciteitsvoorwaarde wordt voldaan wanneer in de beslissing zelf over het recht op uitkeringen wordt vermeld dat zij werd genomen bij delegatie. Vrije woorden: ARBEIDSVOORZIENING . WERKLOOSHEID beslissing directeur - terugvordering - delegatie van bevoegdheden - omvang - voorwaarden. Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 25-11-1991 - 142 - 50 ELI link Pub nr 1991013192 Annotaties Publicaties: JOURNAL DES TRIBUNAUX DU TRAVAIL - - 2005(00930,P.452-453) SOCIAALRECHTELIJKE KRONIEKEN - - 2005(00009,P.547-550) Tekst van de beslissing Voorbereidend arrest op tegenspraak. (Heropening der debatten) Vierde kamer. Werkloosheidsuitkering. ARBEIDSHOF TE ANTWERPEN Afdeling Antwerpen ARREST A.R. 2000854 OPENBARE TERECHTZITTING VAN VIERENTWINTIG MAART TWEEDUIZEND EN VIJF In de zaak: RIJKSDIENST VOOR ARBEIDSVOORZIENING, openbare instelling, waarvan de zetel gevestigd is te 1000 Brussel, Keizerslaan 7, appellant, op de zitting vertegenwoordigd door mr. T. D. H., loco mr. G. V. D., advocaat te 2800 Mechelen, tegen: B. G., geïntimeerde, op de zitting vertegenwoordigd door mr. F. V. R., loco mr. B. T., advocaat te 2830 Willebroek. Het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, spreekt na beraadslaging volgend arrest uit.

  1. Procedure Het arbeidshof heeft kennis genomen van de volgende stukken van rechtspleging: - het proces-verbaal van de openbare terechtzittingen van 10 januari 2001, 13 januari 2005, 27 januari 2005 en 10 maart 2005; - het eensluidend verklaard afschrift van het op tegenspraak gewezen vonnis van de arbeidsrechtbank te Mechelen van 19 oktober 2000 (A.R. 67.446); - het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd op de griffie van dit hof op 20 november 2000; - de conclusies voor geïntimeerde, ontvangen op de griffie van dit hof op 31 maart 2004; - de conclusies voor appellant, ontvangen op de griffie van dit hof op 5 november 2004; - het schriftelijk advies van het openbaar ministerie, gelezen en neergelegd op de openbare terechtzitting van 27 januari 2005, waarvan een afschrift in toepassing van artikel 767, ,§3 Ger.W. aan partijen werd verzonden op 28 januari
  2. Het arbeidshof heeft de middelen en conclusies van partijen gehoord tijdens de openbare terechtzitting van 13 januari
  3. Daarna zijn de debatten gesloten, is het openbaar ministerie gehoord in zijn schriftelijk advies op de zitting van 27 januari 2005 en is de zaak in beraad genomen.
  4. Ontvankelijkheid van het hoger beroep Met een verzoekschrift, neergelegd op de griffie van dit hof op 20 november 2000, tekende de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening hoger beroep aan tegen een vonnis van de eerste kamer van de arbeidsrechtbank te Mechelen van 19 oktober 2000 (A.R. 67.446). Overeenkomstig artikel 792, tweede en derde lid van het gerechtelijk wetboek werd een afschrift van het vonnis ter kennis gebracht aan partijen bij gerechtsbrief van 25 oktober
  5. Het hoger beroep werd tijdig ingesteld, is regelmatig naar de vorm en ontvankelijk.
  6. Feiten en voorgaande rechtspleging De directeur van het Werkloosheidsbureau van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening te Mechelen besliste op 27 juni 1997, - in toepassing van de artikelen 71, 2°, 110, 114, 139, 142, 144, 146, 149, 153, 157, 158, 169 en 170 van het Koninklijk Besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering en in toepassing van artikel 7, ,§13 van de Besluitwet van 28 december 1944 -: - B. G. vanaf 1 maart 1994 tot en met 30 november 1996 uit te sluiten van het recht op uitkeringen als werknemer met gezinslast en hem slechts toe te laten tot het recht op uitkeringen als samenwonende werknemer en dit als volgt: x van 1 maart 1994 tot en met 11 maart 1994 code 1/54 B1 i.p.v. 1/54 A1; x van 12 maart 1994 tot en met 11 juni 1994 code 1/54 B2 i.p.v. 1/54 A2; x van 12 juni 1994 tot en met 30 november 1996 code 1/P i.p.v. 1/54 A2; - B. G. vanaf 1 december 1996 tot en met 14 januari 1997 van het recht op uitkeringen uit te sluiten; - B. G. vanaf 7 juli 1997 uit te sluiten van het genot van de uitkeringen gedurende 13 weken; - de ten onrechte genoten uitkeringen terug te vorderen, evenwel beperkt tot de betalingen vanaf 1 april 1994; het bedrag van de onrechtmatig genoten uitkeringen werd vastgesteld op 692.074 frank. De Directeur van het Werkloosheidsbureau van de Rijksdienst voor Arbeids-voorziening te Mechelen nam deze beslissing op grond van de feiten, die hij als volgt omschrijft (stuk 2 administratief dossier): "Op 01.03.1994 werd u toegelaten tot het recht op uitkeringen als volledig werkloze bij het werkloosheidsbureau te Vilvoorde. Het bedrag van uw uitkeringen werd bepaald op grond van uw gezinstoestand zoals u die aangaf met een formulier C 1, u liet zich kennen als wonende op het adres Zeypestraat 8 A te Kampenhout samen met uw echtgenote, W. C. die geen enkel inkomen heeft en met uw dochtertje. Op basis van deze aangifte werd u sinds 1.03.1994 vergoed als werknemer met gezinslast (artikel 110 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering). Op 06.01.1997 komt u over als volledig werkloze naar het werkloos-heidsbureau te Mechelen. Hier laat u zich kennen als alleenstaande op het adres Battelsesteenweg 246 te Mechelen. Uit een onderzoek op 19.02.1997 is echter gebleken dat de aangegeven gezinstoestand niet correct was vanaf 01.03.
  7. U had geen recht op uitkeringen als werknemer met gezinslast aangezien uw echtgenote samen met uw dochtertje u verlaten had sedert februari
  8. In feite woonde u te Kampenhout samen met uw oom D. L., arbeider van beroep, en dit tot en met november
  9. U had vanaf 1.03.1994 recht op uitkeringen als samenwonende werknemer, in plaats van uitkeringen als werknemer met gezinslast en dit als volgt: van 01.03.1994 tot en met 11.03.1994 code 1/54 B1 i.p.v. 1/54 A1; van 12.03.1994 tot en met 11.06.1994 code 1/54 B2 i.p.v. 1/54 A2; van 12.06.1994 tot en met 30.11.1996 code 1/P i.p.v. 1/54 A
  10. Bovendien werd verder vastgesteld dat u reeds sedert 01.12.1996 te Mechelen verbleef doch de stempelcontrole bleef volgen te Kampenhout. U deed pas aangifte van uw adreswijziging in januari
  11. Uit een nazicht van de betalingen blijkt dat u pas vanaf 15.01.1996 aanspraak maakt op uitkeringen te Mechelen. Om uitkeringen te kunnen genieten moet de werknemer zich aanmelden op de werklozencontrole in de gemeente van zijn gewone verblijfplaats (artikel 71, 2° van het K.B. van 25.11.1991). Bijgevolg voldeed u van 01.12.1996 tot en met 14.01.1997 niet aan de voorwaarde van artikel 71, 2° en heeft u aanspraak gemaakt op onverschuldigde uitkeringen. Doordat u een onjuiste verklaring aflegde, waardoor u onverschuldigde uitkeringen heeft kunnen ontvangen, kunt u van het recht op uitkeringen uitgesloten worden voor een periode van ten minste 13 weken en ten hoogste 26 weken (art. 153, lid 2 van bovenvermeld K.B.). Elke onrechtmatig ontvangen som dient te worden terugbetaald (art. 169, eerste lid van het bovenvermeld K.B.). Het recht van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening om de terugbetaling van onverschuldigd betaalde uitkeringen te bevelen verjaart na drie jaar. Deze verjaringstermijn gaat in de eerste dag van het kalenderkwartaal dat volgt op dat waarin de uitbetaling werd gedaan (art. 7, ,§ 13, tweede en derde lid van de Besluitwet van 28 december 1944). Aangezien de eerste dag waarvoor ten onrechte uitkeringen werden genoten zich situeert voor de bovenvermelde periode dient de terugvordering beperkt te worden tot de betalingen vanaf 01.04.
  12. Met verzoekschrift, aangetekend verzonden op 25 juli 1997 en ontvangen op de griffie van de arbeidsrechtbank te Mechelen op 28 juli 1997, tekende B. G. beroep aan tegen voormelde administratieve beslissing van 27 juni 1997, ref. 71222/110/1129/NL/CVO. Bij vonnis van de eerste kamer van de arbeidsrechtbank te Mechelen van 19 oktober 2000 werd: - de vordering ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond verklaard; - de bestreden beslissing vernietigd voor zover B. G. vanaf 1 maart 1994 tot en met 30 november 1996 werd uitgesloten van het recht op uitkeringen als werknemer met gezinslast en slechts werd toegelaten als samenwonende werknemer en voor recht gezegd dat B. G. voor deze periode dient te worden toegelaten als alleenstaande werknemer; - de bestreden beslissing vernietigd in zoverre door mevrouw Lodewijckx de terugvordering van de ten onrechte betaalde uitkeringen werd bevolen; - de bestreden beslissing voor het overige bevestigd; - de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening verwezen in de kosten van het geding, aan de zijde van B. G. begroot op 7.740 frank (191,87 euro) rechtsplegingsvergoeding. Overeenkomstig artikel 792, tweede en derde lid van het gerechtelijk wetboek werd een afschrift van het vonnis ter kennis gebracht aan partijen bij gerechtsbrief van 25 oktober
  13. Met verzoekschrift, neergelegd op de griffie van dit hof op 20 november 2000, tekende de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening hoger beroep aan tegen bovenvermeld vonnis van de arbeidsrechtbank te Mechelen.
  14. Eisen in hoger beroep De Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening (appellant) vordert: - het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren; - het vonnis van de eerste rechter in die zin te wijzigen dat de terugvordering wordt bevestigd. B. G. (geïntimeerde) vordert : - de vordering van appellant toelaatbaar, ontvankelijk doch ongegrond te verklaren; - het vonnis van de arbeidsrechtbank te Mechelen van 19 oktober 2000 te bevestigen; - de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening te veroordelen tot de kosten van het geding, aan de zijde van B. G. begroot op 191,87 euro rechtsple-gingsvergoeding eerste aanleg en op 273,67 euro rechtsplegingsvergoeding hoger beroep.
  15. Ten gronde 5.
  16. Situering van het geschil Appellant tekent een beperkt hoger beroep aan tegen het bestreden vonnis in zoverre de eerste rechter de administratieve beslissing tot terugvordering van de ten onrechte betaalde uitkeringen vanaf 1 april 1994 vernietigde. Geïntimeerde had voor de eerste rechter de nietigheid van de terugvorderingsbeslissing ingeroepen omdat deze beslissing niet genomen werd door de werkloosheidsdirecteur maar wel bij 'delegatie' door N. Lodewijckx, bestuurssecretaris. De eerste rechter oordeelde dat inzake een beslissing tot terugvordering geen delegatie van bevoegdheden door de directeur van het werkloosheidsbureau mogelijk is op grond van de volgende overwegingen: - artikel 142 van het Koninklijk Besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering (hierna Werkloosheidsbesluit) voorziet de mogelijkheid voor de directeur, die alle beslissingen over het recht op uitkeringen neemt, een deel van de hem verleende bevoegdheden te delegeren aan andere personeelsleden van het werkloosheidsbureau; - artikel 144 van Werkloosheidsbesluit verduidelijkt dat de beslissingen zoals bedoeld in artikel 142 deze zijn die de ontzegging, uitsluiting of schorsing van de uitkeringen betreffen, evenals, vanzelfsprekend, de beslissing tot toekenning; - nergens in afdeling 3 van hoofdstuk V wordt melding gemaakt van de beslissing tot terugvordering, terwijl de terugvordering het voorwerp uitmaakt van hoofdstuk IX van het Werkloosheidsbesluit; - conform artikel 170 van Werkloosheidsbesluit wordt de terugvordering van onrechtmatig betaalde sommen bevolen door de directeur of door de bevoegde rechtsmacht, terwijl de mogelijkheid tot delegatie van deze bevoegdheid daarin niet wordt voorzien; - de bevoegdheid van de directeur om tot delegatie over te gaan met betrekking tot het recht op uitkeringen kan niet getransponeerd worden naar het hoofdstuk betreffende de terugvordering, nu uit de opbouw van het werkloosheidsbesluit zelf blijkt dat de beslissingen tot terugvordering niet vallen onder de term "beslissingen inzake het recht op uitkeringen". Vervolgens overwoog de eerste rechter dat N. Lodewijckx haar bevoegdheid om de terugbetaling te bevelen evenmin kon putten uit de figuur van de aanwijzing zoals voorzien in artikel 1, 5° van het Werkloosheidsbesluit bij gebreke aan bewijs door de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening van het bestaan van de verhindering of afwezigheid van de hiërarchisch hogere zoals vermeld in de akte van aanwijzing. De eerste rechter besloot dat mevrouw N. Lodewijckx de beslissing tot terugvordering niet op geldige wijze kon nemen, noch op grond van de delegatie, noch op grond van de aanwijzing gelet op de afwezigheid van bewijs van verhindering of afwezigheid en vernietigde dienvolgens de bestreden beslissing wat de terugvordering betreft. Appellant acht zich gegriefd door het bestreden vonnis en laat gelden: - dat een terugvordering niet alleen kan bevolen worden door de directeur doch ook door de persoon die van zijn directeur dienaangaande de bevoegdheid heeft ontvangen; de directeur kan immers een deel van de hem verleende bevoegdheden overdragen aan personeelsleden van het werkloosheidsbureau; - dat artikel 142 van het Werkloosheidsbesluit ten volle van toepassing is op terugvorderingen, die logischerwijze voortvloeien uit een beslissing tot uitsluiting, schorsing, ontzegging van rechten; de directeur, zoals bedoeld in artikel 170 is immers de directeur waarvan artikel 142 van het Werkloosheidsbesluit gewag maakt; - dat, overeenkomstig artikel 170, eerste lid de terugvordering van de onrechtmatig betaalde sommen wordt bevolen door de directeur of door de bevoegde rechtsmacht; de eerste rechter had dus, toen hij vaststelde dat geïntimeerde onrechtmatig uitkeringen had ontvangen, in elk geval de terugbetaling dienen te bevelen; de rechter vermag immers het recht op werkloosheidsuitkering niet te erkennen wanneer uit de elementen van het dossier blijkt dat de gerechtigde niet voldoet aan alle wettelijke vereisten om op zulke uitkeringen recht te hebben. 5.
  17. Beoordeling Artikel 142 van het Werkloosheidsbesluit, zoals van toepassing op datum van de bestreden administratieve beslissing bepaalt: "De directeur in wiens ambtsgebied de werknemer zijn gewone verblijfplaats heeft, neemt alle beslissingen over het recht op uitkeringen. De Minister kan, na advies van het beheerscomité, in afwijking van het voorgaande lid, bepalen welke directeur de beslissingen neemt over het recht op uitkeringen van werklozen die behoren tot de categorieën die hij aanwijst. De directeur kan een deel van de hem verleende bevoegdheden overdragen aan personeelsleden van het werkloosheidsbureau." Overeenkomstig artikel 142 van het Werkloosheidsbesluit neemt de directeur in wiens ambtsgebied de werknemer zijn gewone verblijfplaats heeft, alle beslissingen over het recht op uitkeringen. De directeur kan in toepassing van artikel 142 laatste lid van het Werkloosheidsbesluit een deel van de hem verleende bevoegdheden overdragen aan personeelsleden van het werkloosheidsbureau; deze delegatie werd voorzien omdat de persoon die de functie van directeur uitoefent niet alle beslissingen kan nemen. De mogelijkheid tot delegatie van bevoegdheden door de directeur van het werkloosheidsbureau is in de wetgeving ingevoegd onder hoofdstuk V: Procedure onder afdeling 3 die de "beslissing over het recht op uitkeringen" behandelt en meer in het bijzonder in het wetsartikel dat de bevoegde instantie voor het nemen van alle beslissingen over het recht op uitkeringen bepaalt. Bijgevolg bestaat de mogelijkheid tot delegatie met betrekking tot al de handelingen die met de uitoefening van de bevoegdheden inzake het nemen van beslissingen over het recht op uitkeringen te maken hebben (A. Henkes, "Le directeur du bureau de chômage par désignation ou délégation et la légalité externe de la décision administrative sur le droit aux allocations de chômage", Soc. Kron.,1994, 97). Artikel 142 van het Werkloosheidsbesluit is een algemene bepaling die de directeur van het werkloosheidbureau aanduidt als de bevoegde instantie om alle beslissingen, zonder enige uitzondering, over het recht op uitkeringen te nemen. Dit omvat bijgevolg zowel de beslissingen inzake de toekenning of verwerping van dit recht, als deze inzake de ontzegging, uitsluiting of schorsing, alsook deze met betrekking tot de uit deze laatst genoemde beslissingen voortvloeiende terugvordering van ten onrechte ontvangen uitkeringen. Het door de eerste rechter gehanteerde argument dat ontleend wordt aan de tekst van artikel 144 van het Werkloosheidsbesluit om voor te houden dat de beslissingen bedoeld in artikel 142 beperkt blijven tot deze in verband met de ontzegging, uitsluiting of schorsing van het recht op uitkeringen kan niet gevolgd worden. Artikel 144 van het Werkloosheidsbesluit heeft immers enkel betrekking op het recht van de werknemer gehoord te worden door de directeur voordat deze laatste een beslissing neemt over diens recht op uitkeringen; het stelt vast in welke gevallen de werknemer moet opgeroepen worden om gehoord te worden. Niet alle beslissingen moeten immers voorafgegaan worden door een verhoor van de werknemer over de feitelijke grondslag van de beslissing en over zijn verweermiddelen. De beslissingen waarvan sprake in dit artikel vormen slechts een deel van de beslissingen welke door de directeur kunnen genomen worden. Het argument dat de strengere eisen, welke door de regelgever gesteld zouden worden ten aanzien van de bevoegdheid om te beslissen over de terugbetaling van ten onrechte genoten uitkeringen, zijn verklaring vindt in het "privilege du préalable" waarmee de terugvorderingsbeslissingen bekleed zijn kan evenmin gevolgd worden. Ingevolge het algemeen rechtsbeginsel inzake de dwingende kracht van de administratieve rechtshandeling (het vermoeden van wettigheid of het "privilege du préalable") dat is afgeleid uit het algemeen rechtsbeginsel betreffende de continuïteit van de openbare dienst, worden definitieve administratieve beslissingen geacht in overeenstemming te zijn met het recht en verplichten zij de betrokken personen tot naleving; dit vermoeden geldt zonder dat de overheid vooraf een beroep moet doen op de rechter. Het vermoeden van wettigheid geldt dus niet alleen voor de terugvorderingsbeslissingen maar ook voor de beslissingen tot ontzegging, uitsluiting en schorsing van het recht op uitkeringen. Gelet op voormelde overwegingen besluit het hof, in tegenstelling tot de eerste rechter, dat de directeur zijn bevoegdheid om de terugvordering van de onrechtmatig betaalde sommen te bevelen kan overdragen aan personeelsleden van het werkloosheidsbureau. De delegatie van bevoegdheid om de terugvordering van de onrechtmatig betaalde sommen te bevelen dient op expliciete en schriftelijke wijze te gebeuren (Arbh. Luik 12 november 1993, J.T.T. 1994, 129 t/m 131; Arbh. Luik, 17 december 1993, J.T.T. 1994, 119); zij moet ook ter kennis gebracht worden aan de werkloze. De publiciteit welke aan dergelijke delegatie gegeven dient te worden is niet noodzakelijk een geldigheidsvereiste, maar wel zeker een vereiste voor de tegenstelbaarheid ervan aan de bestuurde. Ten einde de werkloze werknemer optimaal te beschermen tegen alle machtsmisbruik vanwege de personeelsleden verbonden aan het werkloosheidsbureau is het aangewezen dat de delegatie steeds op een gepaste wijze aan hem zou ter kennis gebracht worden. Aan deze publiciteitsvereiste wordt voldaan wanneer in de beslissing zelf over het recht op werkloosheidsuitkeringen wordt vermeld dat zij werd genomen bij delegatie (A. Henkes, "Le directeur du bureau de chômage par désignation ou délégation et la légalité externe de la décision administrative sur le droit aux allocations de chômage", Soc. Kron. 1994, 64 en 100). Bij nazicht van de bestreden terugvorderingsbeslissing blijkt dat aan de publiciteitsvereiste van de delegatie werd voldaan, vermits de bestreden beslissing van 27 juni 1997, het zogenaamde formulier C 29, ondertekend werd door "N. LODEWIJCKX, bestuurssecretaresse" als "de Directeur, bij delegatie". Het bewijs van het bestaan van een voorafgaandelijke delegatie van de bevoegdheid om de terugvordering van de onrechtmatig betaalde sommen te bevelen dient geleverd te worden door de partij die er zich op beroept, in casu appellant. Aangezien gedingvoerende partijen geen tegensprekelijk debat hebben gevoerd omtrent het bewijs van het bestaan van een geldige voorafgaandelijke delegatie komt het gepast voor de debatten ambtshalve te heropenen teneinde:
  18. geïntimeerde toe te laten te verduidelijken of hij al dan niet het bestaan van een geldige voorafgaandelijke delegatie door de werkloosheids-directeur te Mechelen ten voordele van N. Lodewijckx om de terugvordering van de onrechtmatig betaalde sommen te bevelen betwist;
  19. in positief geval, appellant toe te laten dit document voor te brengen met vermelding van de naam van het personeelslid die het voorwerp uitmaakt van een delegatie en met vermelding van de handelingen waarvoor de delegatie wordt toegekend. Rekening houdende met het niet aangevochten en bijgevolg definitief gedeelte van het vonnis a quo - waarin gezegd wordt voor recht dat geïntimeerde slechts aanspraak kan maken op uitkeringen als alleenstaande werknemer vanaf 1 maart 1994 tot en met 30 november 1996 - komt het aangewezen voor dat appellant, naar aanleiding van huidige heropening van de debatten, reeds een herberekening maakt van de ten onrechte genoten uitkeringen vanaf 1 april
  20. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Gehoord de heer F. Slachmuylders, substituut-generaal, in de lezing van zijn eensluidend schriftelijk advies op de openbare terechtzitting van 27 januari
  21. Partijen hebben niet gerepliceerd op het schriftelijk advies. Doet uitspraak op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep van appellant ontvankelijk. Alvorens verder recht te doen, beveelt in toepassing van artikel 774 van het Gerechtelijk Wetboek ambtshalve de heropening van de debatten teneinde:
  22. geïntimeerde toe te laten te verduidelijken of hij al dan niet het bestaan van een geldige voorafgaandelijke delegatie door de werkloosheids-directeur te Mechelen ten voordele van L. Lodewijckx om de terugvordering van de onrechtmatig betaalde sommen te bevelen betwist;
  23. in positief geval, appellant toe te laten dit document voor te brengen met vermelding van de naam van het personeelslid die het voorwerp uitmaakt van een delegatie en met vermelding van de handelingen waarvoor de delegatie wordt toegekend.
  24. appellant toe te laten een herberekening op te maken van de ten onrechte genoten uitkeringen vanaf 1 april 1994 waarna partijen tegenspraak kunnen voeren omtrent deze herberekening. Zegt overeenkomstig artikel 775 van het Gerechtelijk Wetboek dat partijen zullen verschijnen voor deze kamer van dit hof op donderdag 23 juni 2005, om 9.30 uur, in zaal H, eerste verdieping, Cockerillkaai 39 te 2000 Antwerpen. Beveelt dat partijen, en in voorkomend geval hun advocaten, door de griffier bij gerechtsbrief zullen worden verwittigd met inachtneming van de termijnen van dagvaarding. Houdt de beslissing omtrent de kosten aan. Uitgesproken in openbare terechtzitting op vierentwintig maart tweeduizend en vijf door de vierde kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, als volgt samengesteld: G. ADRIAENSENS, raadsheer, voorzitter van de kamer, E. SCHERPEREEL, raadsheer in sociale zaken als werkgever, J. RITS, raadsheer in sociale zaken als werknemer-arbeider, J. VERELST, griffier. PDF document ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20050324.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.