id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 29 maart 2005 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20050329.4 Rolnummer: 2003-0644 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2005-06-07 Raadplegingen: 114 - laatst gezien 2026-07-01 03:02 Fiches 1 - 2 De illegaal in het Rijk verblijvende vreemdeling die een procedure tot regularisatie (wet 1999) lopende heeft, kan geen aanspraak maken op de dienstverlening. Het hof komt tot dit besluit na een onderzoek van de voorbereidende werken van de "regularisatiewet" en de arrsten van het Arbitragehof van 21/12/
(13)juni 2001 en 29 januari 2003 te vernietigen en, opnieuw recht doende, te zeggen voor recht dat hij en zijn gezin aanspraak konden en kunnen maken op het levensmi-nimum/leefloon sedert de datum van de eerste bestreden beslissing en het O.C.M.W. van Antwerpen te veroordelen hem dit wettelijk verschuldigde le-vensminimum/leefloon te betalen; in ondergeschikte orde, te zeggen voor recht dat zijn minderjarige kinderen, naast de betaling van de meest dringende hulp, tevens aanspraak konden en kunnen maken op maatschappelijke dienstverle-ning, te verstrekken in de vorm van de betaling van de huurgelden rechtstreeks aan de eigenaar, de kosten voor gebruik van water, gas en elektriciteit aan de verstrekker van deze nutsvoorzieningen, de schoolkosten rechtstreeks aan de school (inclusief de kostprijs van een warme middagmaaltijd op school en de overige schoolkosten voor voeding) en de betaling aan hemzelf van de gewaar-borgde kinderbijslag. Het O.C.M.W. van Antwerpen vraagt het hoger beroep ontvankelijk, doch on-gegrond te verklaren.
- Ten gronde 4.
- De aanvraag om machtiging van verblijf van meer dan drie maanden op grond van artikel 9, 3, van de Vreemdelingenwet van 15 december 1980, en in-gediend op 5 januari 2000, dient overeenkomstig artikel 15 van de wet van 22 december 1999, betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde cate-gorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk, te wor-den beschouwd als een aanvraag steunend op deze laatste wet. De aanvraag om machtiging, waarover nog niet werd beslist, werd immers inge-diend vóór dat de wet van 22 december 1999 in werking trad op 10 januari
- Dit wordt overigens door het O.C.M.W. van Antwerpen niet betwist. Intussen werd nog geen beslissing omtrent de regularisatie getroffen. 4.
- F. F. vordert in hoofdorde "levensminimum/leefloon" gedurende de regularisatieprocedure met ingang van 6 juni 2001 voor hem en zijn gezin. Bedoeld wordt allicht de verlening van financiële steun gelijk aan het bedrag van het bestaansminimum voor een gezin en, vanaf 1 oktober 2002, gelijk aan het leefloon voor hem en zijn vrouw. 4.
- De vraag of de bestreden beslissingen "onjuist" werden gemotiveerd is niet relevant voor de oplossing van het geschil. F. F. vordert overigens niet de nietigheid van deze beslissingen. De toepasselijke wetgeving is van openbare orde en de rechter moet hoe dan ook onderzoeken of de aanspraken op het recht op maatschappelijke dienstverlening gegrond zijn of niet. 4.
- Maatschappelijke dienstverlening gedurende de regularisatieprocedure? 4.4.
- Juridisch kader Artikel 1 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn bepaalt: "Elke persoon heeft recht op maatschappelijke dienstverlening. Deze heeft tot doel eenieder in de mogelijkheid te stellen een leven te leiden dat beant-woordt aan de menselijke waardigheid." Artikel 57, ,§1, van dezelfde wet, schrijft voor: "Onverminderd het bepaalde in artikel 57ter, heeft het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn tot taak aan personen en gezinnen de dienstver-lening te verzekeren waartoe de gemeenschap gehouden is. Het verzekert niet alleen lenigende of curatieve doch ook preventieve hulp. Deze dienstver-lening kan van materiële, sociale, geneeskundige, sociaal-geneeskundige of psychologische aard zijn." Artikel 57, ,§2, van dezelfde wet, bepaalt: "In afwijking van de andere bepalingen van deze wet, is de taak van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn beperkt tot het verlenen van dringende medische hulp, wanneer het gaat om een vreemdeling die illegaal in het Rijk verblijft. Een vreemdeling die zich vluchteling heeft verklaard en heeft gevraagd om als dusdanig te worden erkend, verblijft illegaal in het Rijk wanneer de asiel-aanvraag is geweigerd en aan de betrokken vreemdeling een bevel om het grondgebied te verlaten is betekend. De maatschappelijke dienstverlening aan een vreemdeling die werkelijk steuntrekkende was op het ogenblik dat hem een bevel om het grondgebied te verlaten werd betekend, wordt, met uitzondering van de dringende medische hulpverlening, stopgezet de dag dat de vreemdeling daadwerkelijk het grond-gebied verlaat, en ten laatste de dag van het verstrijken van de termijn van het bevel om het grondgebied te verlaten. Artikel 14 van de wet van 22 december 1999, betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk, bepaalt: "Behalve voor maatregelen tot verwijdering die gemotiveerd zijn door de openbare orde of de nationale veiligheid, of hetzij de aanvraag kennelijk niet beantwoordt aan de voorwaarden bepaald in artikel 9, zal er niet feitelijk worden overgegaan tot verwijdering tussen de indiening van de aanvraag en de dag waarop een negatieve beslissing wordt genomen met toepassing van artikel 12." 4.4.
- F. F. roept in dat de beperking van het recht op maatschappelijke dienstverlening, zoals neergeschreven in artikel 57, ,§2, van de O.C.M.W.-wet, niet opgaat voor de vreemdelingen die niet materieel van het grondgebied kun-nen verwijderd worden krachtens artikel 14 van voornoemde Regularisatiewet van 22 december 1999, en hij verwijst daarbij naar de recente rechtspraak van het Hof van Cassatie ter zake. Hij laat gelden dat hij tijdens de behandeling van zijn aanvraag tot regularisatie wèl recht heeft op volledige maatschappelijke dienstverlening aangezien hij, op basis van artikel 1 van de O.C.M.W.-wet en artikel 23 van de Grondwet, ingevolge artikel 14 van de Regularisatiewet ge-machtigd is om op het grondgebied te verblijven en dat hij, zolang er niets be-slist is over zijn aanvraag, niet kan beschouwd worden als een persoon die ille-gaal in het Rijk verblijft in de zin van artikel 57, ,§2, van de O.C.M.W.-wet. Vooreerst dient te worden opgemerkt dat het Hof van Cassatie reeds eerder stel-de dat het feit dat een bevel om het grondgebied te verlaten niet wordt uitge-voerd, niet toestaat te denken dat het verblijf regelmatig zou zijn of dat er een stilzwijgend akkoord zou ontstaan zijn volgens hetwelk men verder op het grondgebied zou mogen verblijven. (Cass., 4 september 1995, A.C., 1995, 734). Samen met de eerste rechter en het openbaar ministerie is het Hof van mening dat op grond van de voorbereidende werken van de Regularisatiewet en de rechtspraak van het Arbitragehof aan F. F. en zijn partner geen maat-schappelijke dienstverlening kan worden verstrekt tijdens de regularisatiepro-cedure, buiten dringende medische hulp. Artikel 14 van de Regularisatiewet heeft tot gevolg dat vreemdelingen die een aanvraag om regularisatie hebben ingediend in principe gedurende die procedu-re op het grondgebied van het Rijk worden gedoogd, zonder aan diegenen onder hen, die illegaal op het grondgebied verblijven, een verblijfsvergunning te ver-lenen. Wanneer voorheen een bevel om het grondgebied te verlaten werd gege-ven, blijft dat bevel zijn geldingskracht behouden, zelfs al wordt niet effectief tot gedwongen uitvoering overgegaan. Uit de wetsgeschiedenis van de Regularisatiewet blijkt duidelijk dat de aan-vraag tot regularisatie niets verandert aan de juridische verblijfsstatus van de re-gularisatieaanvragers en dat de wetgever meermaals beklemtoonde dat een aan-vraag tot regularisatie als zodanig geen recht op maatschappelijke dienstverle-ning doet ontstaan. Artikel 57, ,§2, van de O.C.M.W.-wet werd aldus ongewij-zigd behouden. (Parl. St., Kamer, Doc.50, 1999-2000, nr. 0234/001, p. 5 en 18; nr. 0234/005, p. 60; Hand. Kamer, 1999-2000, 24 november 1999, HA 50 plen.017, p. 7, 8, 18, 31 en 32; Parl. St. Senaat, 1999/2000, nr. 2-202/3, p. 23, 36 en 58). Met betrekking tot artikel 14 van de Regularisatiewet wordt in de Memorie van Toelichting onder meer gesteld : "Dit artikel bekrachtigt het principe volgens hetwelk er niet zal worden overgegaan tot een effectieve verwijdering van de aanvragers tijdens de onderzoeksperiode van hun aanvraag. M.a.w. wanneer een verwijde-ringsmaatregel beslist werd, blijft deze bestaan, maar er wordt over ge-waakt dat dit materieel niet wordt uitgevoerd tot op de dag van de even-tuele negatieve beslissing. (...) En verder: "Het louter indienen van een verzoek daartoe (tot regularisatie) opent geen recht op maatschappelijke dienstverlening en houdt dan ook geen discriminatie in ten aanzien van mensen die wettig in België verblijven en schendt derhalve het gelijk-heidsbeginsel van artikel 10 Grondwet niet." Ook in de Omzendbrief van de minister van maatschappelijke integratie van 11 februari 2000 wordt bevestigd dat het louter indienen van een aanvraag tot regu-larisatie geen recht geeft op maatschappelijke dienstverlening. Uit de feitelijke gegevens blijkt dat F. F. en zijn partner op het ogenblik van de aanvraag om regularisatie van hun verblijf op het grondgebied uitgeprocedeerd waren en illegaal in het land verbleven. Dit wordt ook niet betwist. In principe hebben personen die illegaal in het Rijk verblijven geen recht op steun overeenkomstig de bepalingen van artikel 57, ,§2, van de O.C.M.W.-wet. Het Arbitragehof oordeelde reeds in zijn arrest nr. 51/94 van 29 juni 1994 (B.S. 14 juli 1994) dat het niet onredelijk is dat een staat, die de immigratie wil be-perken, niet dezelfde verplichtingen op zich neemt ten aanzien van diegenen die op wettige wijze op het grondgebied verblijven als ten aanzien van vreemdelin-gen die een bevel om het grondgebied te verlaten ontvangen hebben en zich toch nog op het grondgebied bevinden. De interpretatie die F. F. aan artikel 57, ,§2, van de O.C.M.W.-wet geeft gaat immers in tegen de bedoeling van de wetgever en tegen de strekking van de wet. Het Arbitragehof oordeelde reeds in zijn arresten nr. 131/2001 van 30 oktober 2001 en nr. 15/2002 van 17 januari 2002 dat artikel 57, ,§2, van de O.C.M.W.-wet, in de interpretatie dat het recht op maatschappelijke dienstverlening wordt beperkt tot dringende medische hulp voor de illegaal op het grondgebied ver-blijvende vreemdeling die een aanvraag tot regularisatie heeft ingediend op grond van de wet van 22 december 1999 zolang zijn verblijf niet is geregula-riseerd, artikel 10 en 11 van de Grondwet niet schendt, al dan niet in samenhang met de artikelen 23 en 191 van de Grondwet. Uit de interpretatie door F. F. van het toepassingsgebied van artikel 57, ,§2, conform het recht van eenieder op een menswaardig bestaan in artikel 23 van de Grondwet, kan geen subjectief recht op steun worden afgeleid indien er een strijdige wettelijke bepaling bestaat; deze is vervat in dit artikel 57, ,§
- (Zie ook Rauws, W., noot onder Arbh. Gent, 7 november 2002, R.W., 2003-2004, 667 e.v.). In zijn recent arrest nr. 204/2004 van 21 december 2004 oordeelt het Arbitra-gehof dat de interpretatie, dat artikel 14 niet alleen tot gevolg zou hebben dat de betrokkenen tijdens het onderzoek van hun regularisatieaanvraag niet feitelijk van het grondgebied kunnen worden verwijderd, maar bovendien ook tot gevolg zou hebben dat de regularisatieaanvragers recht krijgen op volledige maatschap-pelijke dienstverlening, impliceert dat, zonder een uitdrukkelijke wettelijke be-paling, voor één categorie van vreemdelingen wordt afgeweken van de basisbe-ginselen vervat in artikel 57 van de O.C.M.W.-wet dat het verlenen van volle-dige O.C.M.W.-hulp verbindt aan het hebben van een legaal verblijfsstatuut of aan het zich bevinden in een voor de bevoegde instanties hangende asielproce-dure en dat aan personen die illegaal op het grondgebied verblijven enkel drin-gende medische hulp waarborgt. (B.13.1). In die interpretatie wordt, aldus het Arbitragehof, onder de illegaal op het grondgebied verblijvende vreemdelingen een onderscheid gemaakt tussen vreemdelingen die een aanvraag tot regularisatie hebben ingediend voor wie ar-tikel 14 van de Regularisatiewet de toepassing van artikel 57, ,§2, van de O.C.M.W.-wet zou verhinderen, en de andere illegale vreemdelingen, voor wie die in dat artikel besloten beperking onverkort geldt. In die interpretatie vol-staat het louter indienen van een aanvraag tot regularisatie op basis van de wet van 22 december 1999 om volledige maatschappelijke dienstverlening te ver-krijgen, ook al bevinden de betrokkenen zich niet in de voorwaarden om voor regularisatie in aanmerking te komen. (B.13.2). Het Arbitragehof merkt tevens op dat binnen de groep van regularisatieaanvra-gers een onderscheid moet worden gemaakt. Sommige regularisatieaanvragers genoten op basis van andere juridische gronden reeds maatschappelijke dienst-verlening vóór de totstandkoming van de wet van 22 december 1999 en behou-den dat recht tijdens de procedure. De uitbreiding van de maatschappelijke dienstverlening die uit voornoemde interpretatie voortvloeit heeft dus enkel be-trekking op regularisatieaanvragers die zich niet hebben gedragen overeenkom-stig de bestaande verblijfsreglementering en zich door hun eigen toedoen in een onwettige verblijfssituatie bevinden, hetzij doordat zij zich zonder toestemming toegang tot het grondgebied hadden verschaft en in de clandestiniteit waren ge-bleven, hetzij doordat zij op het grondgebied verblijven na het verstrijken van de periode waarvoor ze de vereiste toestemming hadden gekregen, hetzij door-dat ze, na een asielaanvraag te hebben ingediend, uitgeprocedeerd waren en geen gevolg hebben gegeven aan een bevel het grondgebied te verlaten. (B.14.1). Aannemen, zo stelt het Arbitragehof verder, dat louter door het indienen van een regularisatieaanvraag, zonder dat is uitgemaakt of de betrokkene effectief voor regularisatie in aanmerking komt, een recht ontstaat op maatschappelijke dienstverlening, houdt in dat ook personen die weten dat ze in geen enkel op-zicht voor regularisatie in aanmerking kunnen komen, te kwader trouw een aan-vraag zouden kunnen indienen, waarvan het gevolg zou zijn dat ze een recht op volledige maatschappelijke dienstverlening zouden krijgen. In die interpretatie zouden de betrokken vreemdelingen ten onrechte worden bevoordeeld ten aan-zien van de illegale vreemdelingen die, omdat ze meenden niet voor regularisa-tie in aanmerking te komen, geen aanvraag hebben ingediend, voor wie artikel 14 van de wet van 22 december 1999 niet verhindert dat ze van het grondge-bied kunnen worden verwijderd en ten aanzien van wie niet wordt betwist dat ze geen recht hebben op volledige maatschappelijke dienstverlening. (B.14.2). Het Arbeidshof is het volledig eens met de voornoemde overwegingen van het Arbitragehof en maakt zich deze uitdrukkelijk tot de zijne in huidige zaak. De wetgever heeft immers niet voorzien in een automatische procedure, maar wel in een procedure waarbij geval per geval wordt nagegaan of de betrokkene in aanmerking komt voor regularisatie. Het kan dus niet dat een persoon, louter door het indienen van een regularisatieaanvraag en voordat die aanvraag is on-derzocht en zijn verblijf wordt geregulariseerd, recht zou hebben op volledige maatschappelijke dienstverlening. Het Arbitragehof zegde tenslotte voor recht in zijn arrest nr. 204/2004 dat ar-tikel 57, ,§2, van de O.C.M.W.-wet, waarvan de draagwijdte niet is gewijzigd bij artikel 14 van de Regularisatiewet en dat dus van toepassing is op de vreemde-ling die onwettig op het grondgebied verblijft en die een regularisatieaanvraag heeft ingediend op grond van de wet van 22 december 1999, zolang zijn verblijf niet is geregulariseerd, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet schendt, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 23 van de Grondwet en met artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. 4.
- Het arrest van het Arbitragehof van 22 juli 2003 In ondergeschikte orde verwijst F. F. naar het arrest van het Arbitragehof van 22 juli 2003 ten einde daaruit alsnog rechten te putten voor het verkrijgen van maatschappelijke dienstverlening voor de kinderen in de vorm van het betalen van de huishuur, de betaling van bepaalde schoolrekeningen, nuts-voorzieningen en een bedrag gelijk aan de gewaarborgde gezinsbijslag voor vier kinderen. Inderdaad heeft het Arbitragehof op 22 juli 2003 geoordeeld: "Artikel 57, ,§2, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 2, 3, 24.1, 26 en 27 van het Verdrag inzake de rechten van het kind, in zover-re het, ten aanzien van minderjarigen wier ouders illegaal op het grond-gebied van het Rijk verblijven, zelfs de maatschappelijke dienstverlening die zou voldoen aan de in B.7.7 vermelde voorwaarden, uitsluit." Die voorwaarden vermeld onder B.7.7 zijn: "Maatschappelijke dienstverlening moet kunnen worden toegekend on-der de drievoudige voorwaarde dat de bevoegde overheden hebben vast-gesteld dat de ouders hun onderhoudsplicht niet nakomen of niet in staat zijn die na te komen, dat vaststaat dat de aanvraag betrekking heeft op onontbeerlijke uitgaven voor de ontwikkeling van het kind ten voordele van wie die dienstverlening wordt aangevraagd en dat het centrum zich ervan vergewist dat de dienstverlening uitsluitend zal dienen om die uit-gaven te dekken. Het staat dus aan het centrum - onder voorbehoud van een optreden van de wetgever die een andere gepaste regeling zou aannemen - een derge-lijke dienstverlening toe te kennen, op voorwaarde evenwel dat die valt binnen de perken van de specifieke behoeften van het kind, dat zij wordt verleend in de vorm van een dienstverlening in natura of een tenlastene-ming van uitgaven ten behoeve van derden die een dergelijke dienst verlenen, teneinde elk mogelijk misbruik in het voordeel van de ouders uit te sluiten en met dien verstande dat die dienstverlening niet belet dat de maatregel inzake de verwijdering van de ouders en hun kinderen wordt uitgevoerd." Het zou dus principieel kunnen dat F. F. eventueel aanspraak zou kunnen maken op enige vorm van dienstverlening voor zijn kinderen. Het Arbitragehof stelt in zijn arrest van 22 juli 2003 nergens een financiële steun voorop die ten goede komt aan het ganse gezin, ouders inbegrepen. Hulp aan kinderen kan slechts onder welbepaalde voorwaarden. Geldbedragen, zoals F. F. die vraagt, zijnde het bedrag gelijk aan de gewaarborgde gezinsbijslag voor vier kinderen, zijn helemaal uit den boze. Enkel steun in natura of het rechtstreeks betalen van bepaalde rekeningen in het uitsluitende belang van de kinderen kan mogelijk van het O.C.M.W. gevergd worden. Alvast voldoet F. F. niet aan de eerste van de drievoudige voorwaarden: hij moet wel degelijk geacht worden zijn onderhoudsplicht jegens zijn kinderen na te kunnen komen. Als aanvrager van regularisatie was hij door de Omzend-brief van minister Onkelinx van 6 april 2000 in de mogelijkheid regulier te-werkgesteld te worden vanaf dezelfde datum. Thans blijkt dat F. F., tot op heden, van die mogelijkheid nooit gebruik heeft gemaakt. Hieruit kan afgeleid worden dat de nood daartoe niet bestond en hij in staat was en is met zijn gezin een leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid. 4.
- Het arrest van het Arbitragehof van 17 september 2003 Ten overvloede kan ook rekening gehouden worden met het arrest van het Arbi-tragehof van 17 september 2003 (B.S., 7 november 2003, p. 54364), waarbij door dit Hof werd geoordeeld dat de dienstverlening in feite nooit retroactief kan verleend worden, ook niet door de rechter. Het Arbitragehof besloot immers: "Doordat het niet bepaalt dat maatschappelijke dienstverlening wordt toegekend voor de periode die begint te lopen op datum van de aan-vraag, schendt artikel 1 van de organieke wet van 8 juli 1976 betref-fende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet." Daarbij overwoog het Arbitragehof het volgende: "B.
- Uit wat voorafgaat volgt dat het tot de bevoegdheid van het be-trokken centrum behoort en, in geval van conflict, tot die van de rechter, om uitspraak te doen over het bestaan van een behoefte aan dienstver-lening, over de omvang daarvan en om "de meest passende middelen voor te stellen om daarin te voorzien". Er bestaan immers geen wet-telijke normen die bepalen in welke mate en in welke vorm bijstand moet worden verleend. Het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn kan bijgevolg, binnen de perken van zijn wettelijke opdracht, bijstand verlenen om de op het ogenblik van de beslissing nog bestaande gevol-gen te verhelpen van een mensonwaardig bestaan dat men voorheen heeft geleid, in zoverre die de betrokkene beletten alsdan een leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid. B.
- Ook al neemt de maatschappelijke dienstverlening de concrete vorm aan van de storting van een bedrag gelijk aan het bestaansmini-mum, toch blijft zij in aard verschillen van het bestaansminimum. Het is niet discriminerend dat de wetgever, wat het bestaansminimum betreft, uitdrukkelijk heeft bepaald dat de beslissing waarbij het wordt toege-kend, uitwerking heeft op de datum van de aanvraag terwijl hij, wat de maatschappelijke dienstverlening betreft, niet eenzelfde bepaling heeft aangenomen. Immers, het bestaansminimum kan niet, wegens de forfai-taire aard ervan, door het centrum of de rechter worden aangepast aan de concrete situatie van de begunstigde, terwijl maatschappelijke dienst-verlening van nature een instrument is dat moet worden aangepast aan de reële en actuele behoeften van elke begunstigde." (onderlijning door het Hof) Met andere woorden, de rechter kan op het ogenblik van zijn beslissing enkel dienstverlening toekennen voor de toekomst en niet voor de tot dan toe verlo-pen periode, tenzij de betrokkenen aantonen dat ze op het ogenblik van de rech-terlijke beslissing nog de negatieve gevolgen ondergaan van een mensonwaar-dig bestaan dat voorheen werd geleid, en die de betrokkenen beletten heden een leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid. F. F. toont dit niet aan. Hij verwijst wel naar schulden en brengt enkele stukken voor. De geschreven verklaringen van leningen door landgenoten missen geloofwaardigheid en zijn niet te controleren. De zogenaamde achterstallige huur dient te worden bewe-zen door een rechtsgeldige ingebrekestelling of een dagvaarding, en niet door een vage handgeschreven brief. Ook het relatief lage bedrag van niet betaalde rekeningen van privé-ziekenhuizen (daar waar F. F. quasi gratis terecht kan in O.C.M.W.-ziekenhuizen voor medische hulp) en de niet betaalde rekeningen van Luminus en Iveg overtuigen het Hof niet van een vroeger geleid mensonwaardig bestaan, nu gebleken is dat F. F. nooit de behoefte voelde om in te gaan op de mogelijkheid die de Omzendbrief van minister Onkelinx van 6 april 2000 hem bood om regulier tewerkgesteld te worden en alzo in zijn eigen onderhoud en dat van zijn kinderen te voorzien. Voor de periode voorafgaand aan het tussen te komen arrest kan F. F. in geen geval aanspraak maken op enige financiële dienstverlening. 4.
- Rechten op dienstverlening na het arrest Samen met het openbaar ministerie is het Hof van mening dat ook nà de uit-spraak van huidig arrest het O.C.M.W. van Antwerpen niet gehouden is tot de gevorderde maatschappelijke dienstverlening, gelet op de recente wijzigingen in de toepasselijke wetgeving en regelgeving. Zo werd bij artikel 483 van de programmawet van 22 december 2003 (B.S., 31 december 2003) artikel 57, ,§2, van de organieke wet van 8 juli 1976 vervangen door de volgende bepaling: ",§
- In afwijking van de andere bepalingen van deze wet, is de taak van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn beperkt tot: 1° het verlenen van dringende medische hulp, wanneer het gaat om een vreemdeling die illegaal in het Rijk verblijft; 2° het vaststellen van de staat van behoeftigheid doordat de ouders hun onderhoudsplicht niet nakomen of niet in staat zijn die na te komen, wanneer het gaat om een vreemdeling jonger dan 18 jaar die met zijn ouders illegaal in het Rijk verblijft. In het geval bedoeld in 2°, wordt de maatschappelijke hulp beperkt tot de materiële hulp die onontbeerlijk is voor de ontwikkeling van het kind en wordt uitsluitend verstrekt in een federaal opvangcentrum overeen-komstig de voorwaarden en modaliteiten bepaald door de Koning." Deze bepaling werd uitgevoerd door het K.B. van 24 juni 2004, waarbij het 'Fe-deraal agentschap voor de opvang van asielzoekers' werd opgericht. In dit K.B. worden tevens de voorwaarden gesteld volgens dewelke de betrokkenen hun aanspraken op hun rechten dienen na te streven. Zo wordt bepaald dat de aanvraag dient te gebeuren via het plaatselijke O.C.M.W. Dit centrum hoeft enkel te onderzoeken of de jongere jonger is dan 18 jaar, de jongere en de ouders illegaal in het Rijk verblijven, het kind behoef-tig is en de ouders hun onderhoudsplicht niet nakomen, dan wel niet kunnen na-komen. Wordt aan alle voorwaarden voldaan, dan zal het O.C.M.W. meedelen naar welk opvangcentrum de jongere zich dient te wenden tot het verkrijgen van de nodige hulp. Conform artikel 2 van dit K.B. dient deze vorm van steun vooraf aangevraagd te worden. Noch F. F., noch de minderjarige kinderen, noch iemand voor hen hebben zulke aanvraag ingediend. Zowel het aldus inmiddels gewijzigde artikel 57, ,§2, van de O.C.M.W.-wet, als het uitvoeringsbesluit, zijn thans van kracht, zodat F. F. enkel nog voor de procedure, zoals beschreven in het uitvoeringsbesluit, beroep kan doen op het O.C.M.W. van Antwerpen, en niet meer voor het verkrijgen van financiële dienstverlening. Terloops kan er op gewezen worden dat, conform de omzendbrief van 16 au-gustus 2004 van de minister voor maatschappelijke integratie (www.mi-is.be), de mogelijkheid van de opvang van de ouders samen met hun kinderen moge-lijk blijft en niet van tevoren reeds uitgesloten wordt. Men kan er dus niet zomaar van uitgaan dat deze nieuwe regeling een schending inhoudt van artikel 8 E.V.R.M. Het hoger beroep is ongegrond. Op die gronden, Het Hof, Heeft kennis genomen van het eensluidend schriftelijk advies, uitgebracht door de heer J. DEKEERSMAEKER, Substituut-generaal, op de openbare terechtzit-ting van 9 februari
- Houdt rekening met de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalge-bruik in gerechtszaken. Doet uitspraak op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk, doch ongegrond. Bevestigt het vonnis van 31 oktober 2003 (A.R. 335.828 en A.R. 354.609, sa-mengevoegd onder het A.R. nr. 335.828) van de Arbeidsrechtbank te Antwer-pen. Legt de kosten van het hoger beroep, overeenkomstig artikel 1017, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, ten laste van het O.C.M.W. van Antwerpen, door F. F. begroot op 237,67 EUR rechtsplegingsvergoeding en 57,02 EUR uitgavenvergoeding verzoekschrift, en door het Hof vereffend op 139,81 EUR rechtsplegingsvergoeding en 57,01 EUR uitgavenvergoeding verzoekschrift; de kosten van het O.C.M.W. van Antwerpen worden door het Hof niet vereffend daar geen kostenopgave wordt ingediend. Aldus gewezen en uitgesproken door de vierde kamer van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, in buitengewone openbare terechtzitting op negenentwintig maart tweeduizend en vijf. PDF document ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20050329.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div