id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 11 april 2005 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20050411.5 Rolnummer: 2004-0497 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2005-11-29 Raadplegingen: 121 - laatst gezien 2026-07-01 03:03 Fiche Wanneer een ambtenaar van de Stad Antwerpen deel heeft genomen aan een nationale betoging in Brussel en verklaart nadien een vergadering bij de vakbond te hebben bijgewoond maar noch de plaats van die vergadering noch het gevolgde traject om er naartoe te gaan en ervan terug te keren kan aanduiden, en hij later in de nacht in het stadscentrum wordt aangevallen, bewijst niet dat hij zich alsnog op de weg van het werk bevond. Vrije woorden: BEROEPSRISICO'S . ARBEIDSONGEVALLEN IN DE OVERHEIDSSECTOR begrip van het arbeidsongeval - weg van en naar het werk - nationale betoging gevolgd door een vergadering bij de vakbond - latere aanval - bewijs van het traject. Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1967 - 2 - 01 ELI link Pub nr 1967070305 Annotaties Publicaties: SOCIAALRECHTELIJKE KRONIEKEN - - 2005(00007,P.395-397) Tekst van de beslissing Zevende kamer Eindarrest op tegenspraak Arbeidsongeval (openbare sector) ARBEIDSHOF TE ANTWERPEN Afdeling Antwerpen ARREST A.R. Nr. 2040497 OPENBARE TERECHTZITTING VAN 11 APRIL TWEEDUIZEND EN VIJF In de zaak : F.F., wonende te x appellant, verschijnend bij mr. M. Stolk, advocaat te 2000 Antwerpen. tegen : DE STAD ANTWERPEN, Vertegenwoordigd door haar College van Burgemeester en Schepenen,, Stadhuis, Grote Markt 1 te 2000 ANTWERPEN. geïntimeerde, verschijnend bij mr. L. Borin, advocaat te 2018 Antwerpen. Na over de zaak beraadslaagd te hebben, wijst het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, het hiernavolgende arrest. Gelet op de processen-verbaal d.d. 7 september 2004 en 14 maart 2005; Gelet op de stukken van de rechtspleging, onder meer: - het inleidend exploot van dagvaarding betekend op 27 januari 2000 aan O.M.O.B. door gerechtsdeurwaarder P. Winkelmolen te Hasselt; - de dagvaarding in tussenkomst betekend op 20 juli 2000 aan de Stad Antwerpen door gerechtsdeurwaarder M. Beerten te Antwerpen; - het eensluidend verklaard afschrift van het op tegenspraak gewezen eindvonnis van 19 februari 2004 van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen (A.R. 320.747), betekend aan F.F. op 3 juni 2004; - het verzoekschrift tot hoger beroep uitgaande van appellant, F.F., neergelegd ter griffie van dit Hof op 1 juli 2004; - de beroepsconclusie voor geïntimeerde, neergelegd ter griffie van dit Hof op 14 september 2004; - de beschikking van mevrouw M. Zegers, Raadsheer, Voorzitter van de kamer d.d. 16 november 2004, overeenkomstig art. 747 ,§ 2 Ger. W.; - de beroepsconclusie voor appellant, ontvangen ter griffie van dit Hof op 23 december 2004; De partijen werden gehoord in hun middelen en besluiten op de openbare terechtzitting van 14 maart 2005, waarna de debatten werden gesloten en het Hof de zaak in beraad nam.
- Ontvankelijkheid Het hoger beroep is naar termijn en vorm regelmatig ingesteld en de ontvankelijkheid ervan wordt niet betwist; het hoger beroep dient dan ook ontvankelijk verklaard te worden.
- Feiten en voorgaanden F.F., verder in dit arrest het "slachtoffer" genoemd, beweert op 29 januari 1997 omstreeks 24 uur het slachtoffer te zijn geworden van een arbeidswegongeval, in dienst van de Stad Antwerpen. (cfr. de arbeidson-gevallenaangifte d.d. 17 februari 1997 - stuk 7 inventaris appellant) F.F. is afgevaardigde van de syndicale organisatie V.S.O.A. en is tevens vast benoemd personeelslid van de STAD ANTWERPEN (cultureel assistent). Op woensdag 29 januari 1997 werd een nationale manifestatie te Brussel georganiseerd door het gemeenschappelijk vakbondsfront ACOD/CCOD/ VSOA. Deze betoging nam een aanvang om 14 uur, waarbij een parcours zou worden afgelegd van het Noordstation tot aan het Zuidstation. F.F. ontving van zijn syndicale organisatie een uitnodiging om deel te nemen aan de werkzaamheden van de commissies d.d. 29 januari 1997 voor de ganse dag. F.F. nam vooreerst deel aan de betoging. De wagen waarmee de verplaatsing naar Brussel werd gemaakt, werd geparkeerd aan de Emile Jacqmainlaan (cfr. grievenschrift appellant). Na afloop van de betoging houdt F.F. voor dat hij nog aanwezig diende te zijn op een vergadering in de buurt van het Zuidstation, die eindigde omstreeks 23.45 uur. Vanuit de omgeving van het Zuidstation zou hij dan, vergezeld van de heer Van Helmont, teruggekeerd zijn richting Emile Jacqmainlaan om hun per-sonenwagen af te halen. Ter hoogte van de Emile Jacqmainlaan nr. 38 werd hij aangevallen door drie vreemdelingen naar eigen zeggen, omstreeks 24 uur (cfr. aangifte van arbeidsongeval d.d. 17 februari 1997). Het slachtoffer is van mening dat hij, overeenkomstig de bepalingen geldend voor alle vakbondsafgevaardigden, gedurende de ganse dag van 29 januari 1997 gedekt was door de arbeidsongevallenwetgeving openbare sector (art. 86). De Stad Antwerpen weigerde de feiten te erkennen als een "arbeidswegongeval" omdat het ongeval zich niet zou voorgedaan hebben op de geografische en chronologische normale arbeidsweg. F.F. kon zich hiermee niet akkoord verklaren: hij dagvaardde in eerste instantie OMOB op 27 januari 2000 en op 20 juli 2000 werd de Stad Antwerpen gedagvaard in tussenkomst. De eerste rechter verklaarde bij eindvonnis van 19 februari 2004 de vordering van F.F. ontvankelijk doch ongegrond: er werd geoordeeld dat F.F. niet het bewijs leverde van het chronologisch normaal traject. De eerste rechter zegde voor recht dat F.F. op 29 januari 1997 in dient van de Stad Antwerpen NIET het slachtoffer werd van een arbeidswegongeval, en legde de gedingkosten, conform de wet, ten laste van de Stad Antwerpen. Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van dit Hof d.d. 1 juli 2004 tekende F.F. hoger beroep aan tegen voormeld vonnis van 19 februari
- Eisen in hoger beroep - F.F., appellant, vordert het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren. Dienvolgens het bestreden vonnis te vernietigen en opnieuw rechtdoende, Voor recht te zeggen dat de heer F.F. op 29 januari 1997 het slachtoffer is geworden van een arbeidswegongeval in dienst van de Stad Antwerpen. Geïntimeerde te veroordelen tot de kosten van het geding. - DE STAD ANTWERPEN, geïntimeerde, vordert bij besluiten, neergelegd ter griffie van dit Hof op 14 september 2004, het beroep van appellant ontvankelijk doch ongegrond te verklaren. Appellant er dienvolgens van af te wijzen met veroordeling tot de kosten in graad van beroep.
- Beoordeling door het Hof Het slachtoffer van een arbeidswegongeval moet bewijzen:
- dat het een ongeval is (met ander woorden het bestaan van een letsel, het overkomen van een plotselinge gebeurtenis, met het vermoeden juris tantum van art. 2, lid 4 van de wet van 3 juli 1967);
- overkomen gedurende het normaal traject dat het moet afleggen om zich van zijn verblijfplaats te begeven naar de plaats waar hij werkt, en omgekeerd In casu bestaat er geen betwisting over het feit dat F.F. op 29 januari 1997 het slachtoffer werd van een ongeval. De vraag die zich wél stelt is of het ongeval is overkomen tijdens het normale traject om zich van de plaats waar hij werkte naar zijn verblijfplaats te begeven. De arbeidsplaats strekt zich uit tot elke plaats waar de tewerkstellende overheid in staat is om - ofwel reëel, ofwel virtueel - gezag uit te oefenen. Hierbij dient opgemerkt dat de plaats waar het personeelslid heeft gewerkt, ophoudt het karakter van werkplaats te vertonen, wanneer de betrokkene er na de beëindiging van zijn werk langer dan een normale tijdspanne zonder wettige reden verblijft. Het normale traject veronderstelt een wegaflegging die, zowel chronologisch als geografisch als normaal kan worden aanzien. In het kader van de wet van 3 juli 1967 (publieke sector) wordt het personeelslid geacht zich te bevinden op de plaats waar hij zijn dienst uitoefent, wanneer hij: - een verlof of een vrijstelling van dienst verkrijgt om deel te nemen aan de werkzaamheden van de commissies en comités opgericht in de vakorganisatie waarvan hij lid is; - een syndicale opdracht vervuld als erkend syndicaal afgevaardigde of als vertegenwoordiger van het personeel die in die hoedanigheid door de overheid werd erkend; - uitdrukkelijk vergunning krijgt om deel te nemen aan beroepsvormingsactiviteiten. Een ongeval na deelname aan een syndicale vergadering, zoals in casu, op de weg naar de verblijfplaats, kan een arbeidswegongeval uitmaken, voor zover overkomen gedurende het normaal traject, zowel chronologisch als geografisch. F.F. heeft binnen het kader van zijn vakbondsopdracht op 29 januari 1997 deelgenomen aan een nationale betoging in Brussel die vertrok om 14 uur. Zoals blijkt uit stuk 15 (inventaris appellant) verklaart het Vrij Syndicaat voor het Openbaar Ambt (VSOA) d.d. 30 januari 1997, gevestigd Vooruitgangstraat 319 te 1210 Brussel, dat F.F. de vergadering heeft bijgewoond van de Algemene Commissies, ingesteld in de schoot van het VSOA op 29 januari 1997 met einde 23.45 uur. Deze verklaring werd gericht aan het College van Burgemeester en Schepenen. Het Hof neemt dan ook aan dat 23.45 uur als beëindiging van de vergadering in aanmerking dient genomen te worden. Uit het aanvankelijk P.V. van aangifte van de feiten bij de politie te Brussel (stuk 1 inventaris appellant) blijkt dat dit P.V. werd opgesteld op 30 januari 1997 om 2.36 uur. Als plaats en datum van de feiten wordt vermeld: Brussel, Emile Jacqmainlaan 38 om 1.10 uur. In de bijkomende verklaring aan de politie te Antwerpen d.d. 3 maart 1997 (stuk 2 inventaris appellant) meldt het slachtoffer dat hij overvallen is omstreeks 24 uur. Ook in de aangifte van arbeidsongeval (stuk 7 inventaris appellant) vermeldt het slachtoffer dat hij op 29 januari 1997 omstreeks 24 uur is overvallen te Brussel. Gelet op het aanvankelijk P.V. van de politie te Brussel zijn er derhalve tegenstrijdigheden met betrekking tot het uur van het ongeval. De bewering van het slachtoffer als zou hij zich niet het precieze tijdstip hebben kunnen herinneren ingevolge de slagen die hij toegediend kreeg en dat hij er geen idee van heeft waarom de politie 1.10 uur heeft vermeld en dat een mogelijke verklaring kan liggen in het feit dat het oorspronkelijk P.V. is verloren gegaan, komt niet overtuigend over. Er is dan ook geen reden om de inhoud van het aanvankelijk P.V. van de politie te Brussel in twijfel te trekken. Het komt het Hof eigenaardig voor dat het V.S.O.A. enerzijds bevestigt dat F.F. de vergadering heeft bijgewoond op 29 januari 1997 tot 23.45 uur, rekening houdend met het feit dat het V.S.O.A. gevestigd is in de Vooruitgangstraat 319 te 1210 Brussel, terwijl anderzijds F.F. beweert te hebben vergaderd rond het Zuidstation, zonder deze locatie te preciseren. Bovendien blijkt dat de Vooruitgangstraat vrij dicht gelegen is bij het Noordstation (cfr. Brussels stadsplan bijgebracht door geïntimeerde). Er worden in dit verband geen getuigenverklaringen voorgebracht. Collega V.H., die overleden zou zijn op 23 juli 2001, had nochtans tijdig kunnen aangesproken worden om een en ander te bevestigen nu blijkt dat het slachtoffer reeds op 15 december 1999 door OMOB in kennis werd gesteld van het feit dat er geen enkel sluitend bewijs werd geleverd dat de feiten wel degelijk gebeurden op de arbeidsweg (stuk 11 inventaris appellant), des te meer daar de heer V.H. een rechtstreeks getuige was. In de arbeidsongevallenaangifte van 17 februari 1997 maakt de aangever (F.F.) melding van nog twee andere getuigen, namelijk L.T. en en R.D. Ook al waren deze geen rechtstreekse getuigen van de overval, dan nog hadden zij één en ander kunnen verduidelijken over het verloop van de dag op 29 januari 1997 (betoging, vergadering V.S.O.A., ...). Tevens blijkt uit een aangetekend schrijven uitgaande van het V.S.O.A. d.d. 25 april 1997 gericht aan OMOB (stuk 10 inventaris appellant), dat er sprake is van een arbeidsongeval d.d. 29 januari 1997 te Brussel: hierbij wordt uitdrukkelijk verwezen naar F.F. én L.T. In deze brief brengt het V.S.O.A. "bovenvermelde arbeidsongevallen in herinnering". Blijkbaar werd L.T. eveneens het slachtoffer van een ongeval op 29 januari
- In de inleidende dagvaarding heeft appellant het over een tweetal collega's die tezamen met hem de terugweg aanvatten, na afscheid te hebben genomen van de andere deelnemers. Noch van de heer L.T., noch van de andere deelnemers wordt enige verklaring bijgebracht. In het aanvankelijk P.V. van de politie te Brussel wordt tevens melding gemaakt van het feit dat F.F. zich heeft laten verzorgen in het Sint-Pietersziekenhuis. Ook appellant vermeldt in zijn verzoekschrift tot hoger beroep dat de verbalisanten naar het ziekenhuis zijn gekomen alwaar hij werd opgenomen. Elke oproep van een ziekenhuiswagen wordt nochtans geattesteerd en achteraf worden de kosten ervan gefactureerd. Ook hiervan worden geen stukken bijgebracht. Bovendien stelt het Hof vast dat in de inleidende dagvaarding het slachtoffer voorhield dat hij in het Noordstation de trein terug diende te nemen richting Antwerpen. Deze versie wordt, lopende de procedure, gewijzigd door het slachtoffer en er wordt daarna voorgehouden dat hij toch nog wilde meerijden met een aldaar geparkeerde wagen (aan de Emile Jacqmainlaan), doch uiteindelijk telefonisch heeft gevraagd aan zijn vriendin om hem op te halen aan het Noordstation. Uit het bijgebracht stadsplan van Brussel door geïntimeerde blijkt bovendien dat de Emile Jacqmainlaan twee huizenblokken verder van het Noordstation verwijderd is. Uit wat vooraf gaat blijkt dat het niet duidelijk is waar de syndicale vergadering precies plaatsvond. Tevens blijken er tegenstrijdigheden te bestaan met betrekking tot het tijdstip van het ongeval, en de geografisch te volgen weg: via het Noordstation met de trein, via de Emile Jacqmainlaan met een aldaar geparkeerde wagen of via het Noordstation mits afhaling door de vriendin? Alleszins wordt het tijdstip van het ongeval (omstreeks 24 uur volgens het slachtoffer - versie daarna veranderd in "tussen 24 uur en 1 uur") niet bevestigd door eensluidende en overeenstemmende vermoedens. Aan de hand van de voorliggende gegevens stelt het Hof vast dat het slachtoffer niet het bewijs levert dat hij zich op het ogenblik van het ongeval in een tijdsfragment bevond dat het aannemelijk maakt dat hij op weg was naar zijn verblijfplaats. Samen met de eerster rechter besluit het Hof dan ook dat het slachtoffer niet het bewijs levert dat hij zich op het moment van het ongeval bevond op het chronologisch normaal traject. Het hoger beroep komt dan ook ongegrond voor. Tenslotte merkt het Hof op dat de gerechtskosten voor rekening zijn van de tewerkstellende overheid, behalve wanneer de aanvraag tergend of roekeloos is. (cfr. Cass. 23 maart 1992, Arr.Cass. 1991-92, 710; Bull. 1992, 663 en Pas. 1992, I , 663) In casu werd door partijen geen tergend of roekeloos geding ingeroepen. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Recht doende op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en ongegrond. Bevestigt het bestreden vonnis van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen d.d. 19 februari 2004 (A.R. 320.747); Verwijst geïntimeerde in de kosten van het hoger beroep. Vereffent deze kosten aan de zijde van appellant op 279,62 EUR rechtsplegingsvergoeding en aan de zijde van geïntimeerde op 279,62 EUR rechtsplegingsvergoeding. Aldus gewezen en uitgesproken door de zevende kamer van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, op de openbare terechtzitting van 11 APRIL TWEEDUIZEND EN VIJF, waar aanwezig waren: mevrouw M. ZEGERS, Raadsheer, Voorzitter van de kamer, de heer M. VAN GORP, Raadsheer in sociale zaken als werkgever, de heer P. HEYKANTS, Raadsheer in sociale zaken als werknemer, mevrouw L. COLLA, e.a. Adjunct-griffier. PDF document ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20050411.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div