← België

ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20050415.2

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 15 april 2005 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20050415.2 Rolnummer: 2003-0451 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2005-06-03 Raadplegingen: 267 - laatst gezien 2026-07-04 19:07 Fiches 1 - 2 Wanneer er geen afschrift voorhanden is, moet de kwalificatie die de partijen aan hun samenwerking gaven, worden afgeleid uit andere elementen van het dossier. De rechter kan geen andere kwalificatie in de plaats stellen van de door de partijen aangenomen kwalificatie, tenzij de elementen die aan zijn beoordeling worden voorgelegd de kwalificatie van de partijen uitsluiten. Een arbeidsovereenkomst wordt in principe intuitu personae afgesloten. Daarom wordt ook het loon individueel aan de werknemer toegekend. Het feit dat de beloning globaal wordt betaald als tegenprestatie van de diensten van twee verschillende personen aan één van hen, vloekt met het persoonlijk karakter van een arbeidsovereenkomt. Wanneer er sprake is van een overname van een handelszaak verloopt de testfase die de overname voorafgaat in principe op basis van een zelfstandige samenwerking. Vrije woorden: DE ARBEIDSOVEREENKOMSTEN maatschappelijke zekerheid der arbeiders - toepassingsgebied - schijnzelfstandigheid - kwalificatie van partijen - geen schriftelijke overeenkomst - aard van de samenwerking af te leiden uit andere elementen - verdere beoordeling vanuit de concrete werkomstandigheden - intuitu personae karakter van de arbeidsovereenkomst - individuele toekenning van het loon - overname van de handelszaak - onderhandelingsfase - aanwijziging voor zelfstandige samenwerking. Wettelijke bepalingen: Wet - 03-07-1978 - 2 - 01 ELI link Pub nr 1978070303 Vrije woorden: SOCIALE ZEKERHEID VOOR WERKNEMERS toepassingsgebied - personen - maatschappelijke zekerheid der arbeiders - schijnzelfstandigheid - kwalificatie van partijen - geen schriftelijke overeenkomst - aard van de samenwerking af te leiden uit andere elementen - verdere beoordeling vanuit de concrete werkomstandigheden - intuitu personae karakter van de arbeidsovereenkomst - individuele toekenning van het loon - overname van de handelszaak - onderhandelingsfase - aanwijziging voor zelfstandige samenwerking. Wettelijke bepalingen: Wet - 27-06-1969 - 1§1 - 04 ELI link Pub nr 1969062710 Nota: Gerangschikt onder II AAN - artikel 2 en onder VII A - artikel 1 ,§

  1. Tekst van de beslissing ARREST A.R. Nr. 2030451 OPENBARE TERECHTZITTING VAN VIJFTIEN APRIL TWEEDUIZEND EN VIJF In de zaak: RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, met zetel gevestigd te 1060 BRUSSEL (SINT-GILLIS), Victor Hortaplein 11, appellant, voor wie verschijnt: mr. P. V. H. loco mr. L. A., advocaat te B, tegen : H.B., wonende te M., geïntimeerde, voor wie verschijnt: mr. E. R. loco mr. W. D. V., advocaat te S. Na over de zaak te hebben beraadslaagd, wijst het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, het hiernavolgende arrest. Gelet op de zittingsbladen van 18 februari 2005 en 18 maart 2005; Gelet op de stukken van de rechtspleging, waaronder: x het tussenarrest van deze kamer van 18 februari 2005 waarbij de heropening der debatten werd bevolen; Gelet op de stukken van het administratief dossier. Gelet op de stukken in het naar behoren geïnventariseerde dossier van partijen. Gehoord de partijen in de voordracht van hun conclusies en verweermiddelen tijdens de openbare terechtzitting van 18 maart
  2. Gehoord het mondelinge advies van het Openbaar Ministerie op de openbare terechtzitting van 18 maart
  3. Wat voorafgaat Bij tussenarrest van deze kamer van 18 februari 2005 werd het hoger beroep ontvankelijk verklaard doch alvorens verder recht te doen ten gronde, werd de heropening der debatten bevolen omdat het Hof bij nazicht van de stukken had vastgesteld dat de toelating van 27 januari 1999, uitgaande van de Arbeidsauditeur en waarvan de inspecteur gewag maakt in zijn onderzoeksverslag van 1 maart 1999, in het dossier ontbrak. Het Hof oordeelde dat dit stuk onontbeerlijk is om de oorspronkelijke vordering van de R.S.Z. te kunnen beoordelen. Volgens het recht De toelating waarvan sprake in het tussenarrest van 18 februari 2005 wordt door de R.S.Z. neergelegd in zijn dossier als stuk nr.
  4. De grond van de zaak. Een probleem van schijnzelfstandigheid, zoals het zich ook in deze zaak stelt, moet worden benaderd vanuit het volgende principe: "Wanneer uit de uitvoering van de overeenkomst blijkt dat partijen hun samenwerking op een zelfstandige basis hebben georganiseerd dan kan de rechter daar geen andere kwalificatie voor in de plaats stellen, wanneer de elementen die aan zijn beoordeling worden voorgelegd, de door de partijen aangenomen kwalificatie niet uitsluiten". Dit principe wordt ook vooropgesteld door het Hof van Cassatie in zijn arresten o.a. van 23 december 2002, van 28 april 2003, van 3 mei en 6 december 2004 (de zogenaamde kwalificatiearresten): (Cass., 23 december 2002 - rolnummer S.01.0169.F ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021223.15 - raadpleging via internet: www.cass.be > NL > Hof van Cassatie > arresten van het Hof > datum ingeven > lijst > nr. JC02CN6_1) (Cass., 28 april 2003 - rolnummer S.010.169.F - raadpleging via internet : www.cass.be > NL > Hof van Cassatie > arresten van het Hof > datum ingeven > lijst > nr. JC034S1_1) (Cass., 3 mei 2004 - rolnummer S.03.0108.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040503.23/1 - raadpleging via internet : www.cass.be > NL > Hof van Cassatie > arresten van het Hof > datum ingeven > lijst > nr. RC04534_1) en (Cass., 6 december 2004 - rolnummer S.04.0102.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041206.4 - raadpleging via internet : www.cass.be > NL > Hof van Cassatie > arresten van het Hof > datum ingeven > lijst > nr. RC04C62_1). Voor het Hof houdt deze recente cassatierechtspraak in dat er niet langer in het feitenmateriaal moet worden gezocht naar de bouwstenen die hetzij een zelfstandig statuut samenstellen, hetzij een werknemersstatuut. Men dient te vertrekken van de kwalificatie die de betrokken partijen aan hun samenwerking hebben gegeven en er dient te worden onderzocht of de feitelijke realiteit dit statuut niet tegenspreekt. Het Hof kan zich bij deze aanpak aansluiten omdat op die manier de vrijheid tot het sluiten van een overeenkomst, een belangrijk principe uit het verbintenissenrecht, wordt verzoend met het dwingend karakter van het arbeidsrecht. x x x Het eerste wat moet worden onderzocht is of uit de uitvoering van de overeenkomst blijkt dat H.B. en de echtgenoten V. - VdB. hun samenwerking op zelfstandige basis hebben georganiseerd. Eerste vraag hierbij: wat zijn deze partijen overeengekomen? Er is geen schriftelijke overeenkomst opgemaakt tussen de betrokken partijen, waaruit zwart op wit de kwalificatie, die zij aan hun samenwerking gaven, zou kunnen blijken. Nu dergelijk geschrift niet voorhanden is, moet deze kwalificatie uit andere elementen van het dossier worden afgeleid. Vermits er geen andere dienstige bewijselementen worden bijgebracht dan de door de betrokken partijen afgelegde verklaringen, zoekt het Hof in deze verklaringen naar de elementen die verduidelijken welke kwalificatie deze partijen aan hun samenwerking gaven. M-L VdB. verklaarde op 15 mei 1998 aan de sociale controleur: "Ik ben bezig met de bediening van klanten. Ik doe dit op zelfstandige basis vanaf 05.02.98." en "Ik ben zelfstandig helper." P. V verklaarde op 23 juli 1998 aan de adjunct-inspecteur: "Ik was zelfstandige, samen met mijn echtgenote VdB. M.L. bij restaurant P., gelegen te M." H.B. verklaarde op 27 oktober 1998 aan de adjunct-inspecteur; "D.V.J. en V. P. hadden een overeenkomst getekend met opschortende voorwaarde van goedkeuring van lening. Zij hebben hun financiering echter niet rondgekregen, zodat die overname niet is doorgegaan. D.V.J. is nooit betaald geweest. In feite deed hij wat toezicht. V. was de kok. Hij factureerde zijn prestaties. Hij had vroeger een vishandel, en is op mij toegestapt met de vraag om de zaak over te nemen. Hij heeft hier ongeveer 2 maanden gewerkt. Hij factureerde zijn uren. Hij bepaalde zelf wanneer hij kwam. Hij belde mij op om te zeggen wanneer hij kwam. Aan openingsdagen en -uren had hij niets te zeggen. De leveranciers koos ik zelf. Hij gaf aan mij door wat hij nodig had. Er waren vaste menu's. Het bereiden van de menu's was zijn vrijheid. Hij deed zelf ook zijn bestellingen. De inrichting van het restaurant, de aanwerving van personeel,het algemeen beheer (o.a. huur, verzekering e.d.) deed ik zelf. V. had daar niets mee te maken. V. heeft ook nooit kapitaal moeten inbrengen. Hij moest enkel zien dat de keuken draaide, en hij bekeek tevens of de zaak voor hem rendabel kon zijn. Hij werkte hier als zelfstandige omdat hij de zaak zou overnemen." Het Hof vindt in deze drie verklaringen een rode draad terug die er op wijst dat de betrokken partijen hun samenwerking als een zelfstandige samenwerking hebben gekwalificeerd. Het Hof is daarbij niet overtuigd dat H.B. als noodzakelijke voorwaarde had gesteld dat de samenwerking op zelfstandige basis moest gebeuren, zoals P. V laat uitschijnen in zijn verklaring van 23 juli
  5. Er is het gegeven dat er sprake was van overname van het P. door P. V en J.d. V. zodat de samenwerking een soort testfase was. Vanzelfsprekend verloopt dergelijke testfase op zelfstandige basis. Maar P. V geeft in zijn eigen verklaring ook aan dat het zelfstandige statuut hem niet vreemd was: tot 1991 was hij zaakvoerder van het Hof ter Eycken in B - hij nam de N.V. Seafood over - hij was zelfstandige verkoper bij de firma Janssens in Rotselaar. Trouwens reeds voor deze laatste bezigheid had hij een inschrijving in het handelsregister en een B.T.W.-nummer aangevraagd. Het is duidelijk dat de betrokken partijen hun samenwerking op zelfstandige basis hadden geschoeid en dat er van deze kwalificatie moet worden vertrokken bij de beoordeling. x x x De R.S.Z. meent nu dat dit zelfstandige statuut in de dagelijkse realiteit van de samenwerking tussen H.B. en de echtgenoten V. - VdB. niet overeind kan blijven en hij is van oordeel dat er sprake is van prestaties als werknemer. In het licht van het hogerop geformuleerde uitgangspunt moet er thans worden onderzocht welke concrete elementen in de dagelijkse realiteit van deze samenwerking onverenigbaar zijn met deze kwalificatie van zelfstandige samenwerking. Deze elementen moeten eerst en vooral worden aangereikt én bewezen door de R.S.Z., op wie de bewijslast rust. Bovendien, enkel wanneer deze elementen bouwstenen zijn van een arbeidsovereenkomst en zo ze gewichtig genoeg zijn, kunnen ze het overeengekomen zelfstandige statuut opzij duwen. Ze moeten, zoals gezegd, terug te vinden zijn in de concrete en dagelijkse werkomstandigheden op het werkveld zelf. Immers artikel 1, ,§1 van de Wet van 27 juni 1969 tot herziening van de Besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders bepaalt: "Deze wet vindt toepassing op de werknemers en werkgevers die door een arbeidsovereenkomst zijn verbonden." Voor de definitie van het begrip 'arbeidsovereenkomst', gebruikt in artikel 1, ,§1 van de Wet van 27 juni 1969 dient verwezen te worden naar de artikelen 2 en 3 van de Wet van 3 juli 1978 (Wet op de Arbeidsovereenkomsten), waar dit begrip omschreven wordt als 'de overeenkomst waarbij een werknemer zich verbindt tegen loon, onder het gezag van een werkgever handarbeid of hoofdarbeid te verrichten.' De constitutieve elementen van een arbeidsovereenkomst zijn inderdaad de arbeid, het loon en het gezag of het ondergeschikt verband. Het zijn deze drie constitutieve elementen die noodzakelijk samen aanwezig moeten zijn in de relatie tussen de vermoedelijke werkgever en de werknemer. Meestal kunnen de elementen 'arbeid' en 'loon' gemakkelijk worden aangetroffen in de samenwerking tussen de betrokken partijen en draait de hele betwisting rond het element 'gezag van de werkgever'. Ook in casu is er tussen partijen geen betwisting dat het element arbeid, in de zin van het leveren van prestaties op regelmatige basis, terug te vinden was in de samenwerking tussen H.B. en de echtgenoten V. - VdB.: P. V stond in de keuken en was de kok. M.L. VdB. deed de bediening in de zaal. Deze prestaties gebeurden op regelmatige basis in de betrokken periode: zes dagen op de week van 11 uur 's morgens tot sluitingstijd. Wat de beloning betreft: P. V factureerde elke maand 80.000 ex BEF aan H.B. voor de prestaties van hemzelf en deze van zijn echtgenote. Hier klopt iets niet. Een arbeidsovereenkomst wordt in principe intuitu personae afgesloten. Daarom wordt ook het loon individueel aan de werknemer toegekend. Het feit dat in casu de beloning globaal wordt betaald als tegenprestatie van de diensten van twee verschillende personen aan één van hen, vloekt in feite met het persoonlijk karakter van een arbeidsovereenkomst. Enige uitleg kan misschien gevonden worden in het gegeven dat het om twee echtgenoten gaat die één huishouden vormen, maar deze globale betaling is in ieder geval een aantasting van het loonkarakter in arbeidsrechtelijke zin. Blijft nog te onderzoeken of het derde element, namelijk het 'gezag' in deze samenwerking was terug te vinden. In de definitie van een arbeidsovereenkomst in de de artikelen 2 en 3 van de Wet van 3 juli 1978 WAO wordt met 'gezag' het juridisch gezag bedoeld en niet het economisch gezag of de economische afhankelijkheid. Wat juridisch werkgeversgezag is, kan worden afgeleid uit de volgende, ietwat moeilijke maar correcte definitie van een arbeidsovereenkomst: "Het geviseerde maatschappelijk fenomeen dat door artikel 2 en 3 Arbeidsovereenkomstenwet geregeld wordt, betreft deze economische relaties waarbij een 'werknemer' in de 'onderneming van zijn werkgever' een taak op zich neemt en met daadwerkelijke arbeidskracht invult die vanuit organisatorisch standpunt intern georganiseerd wordt en een onmisbare schakel is binnen de aaneensluitende productieprocessen om samen het maatschappelijk doel van de onderneming te verwezenlijken en over welke taak de werkgever, vanuit zijn eigendomsrecht, beleidsrecht en binnen de grenzen van de contractueel verworven aanvaarding door de werknemer het recht heeft deze taakomschrijving concreet en normerend voor de werknemer in te vullen." Het juridisch gezag is dan precies deze mogelijkheid voor de werkgever om te bepalen welke taken de werknemer moet uitvoeren en hoe, waar en wanneer hij die moet uitvoeren. De band van ondergeschiktheid laat daardoor aan de werkgever toe de werknemer om het even welke arbeid te doen uitvoeren, in de sfeer van zijn beroepsbekwaamheid, op de door hem bepaalde wijze en tijd (C. Engels, De managementvennootschap en het sociaal recht, Oriëntatie 1995, 202-203). x x x Welke zijn nu de elementen die de R.S.Z. in het kader van de op hem rustende bewijslast aanvoert om dit werkgeversgezag aan te tonen in de concrete uitvoering van de samenwerking ? Het Hof stelt vast dat de R.S.Z. zijn bewijselementen vooral haalt uit de verklaringen, die werden afgelegd aan de inspectiediensten. Met de verklaring van P. V van 23 juli 1998 moet omzichtig worden omgesprongen. Zij werd afgelegd nadat de samenwerking met H.B. was beëindigd. Enig opportunisme is P. V allicht niet vreemd op dat moment. Hij had tenslotte op vrij korte tijd verschillende jobs achter de rug. De elementen. De echtgenoten V. - VdB. hebben enkel voor B. gewerkt. Dit is een vaststelling. De afgelegde verklaringen laten niet toe hieruit af te leiden dat H.B. de echtgenoten V. - VdB. verplichtte om exclusief voor hem te werken. Het feit op zich dat de echtgenoten V. - VdB. de facto enkel voor H.B. hebben gewerkt, is neutraal bij de beoordeling of er op het terrein effectief werkgeversgezag werd uitgeoefend door H.B.. Omgekeerd, indien zou vaststaan dat de echtgenoten V. - VdB. ook nog voor andere opdrachtgevers zouden gewerkt hebben, zou dit een aanwijzing zijn geweest dat de samenwerking eerder op zelfstandige basis gebeurde. B. bepaalde hun statuut. P. V verklaarde dat er geen andere samenwerkingsvorm voor H.B. mogelijk was dan de zelfstandige samenwerking. In zijn verklaringen geeft H.B. aan dat P. V voor hem werkte als zelfstandige omdat hij de zaak wou overnemen. De hele teneur van de verklaring van H.B. is trouwens zo dat hij niet is blijven stilstaan bij het statuut van de echtgenoten V. - VdB. omdat hun aanwezigheid enkel te verklaren viel vanuit het perspectief van de overname van de zaak. Zelf spreekt P. V niet over deze overname. Niet op 15 mei 1998 allicht omdat toen het krediet bij de bank niet rond was en niet op 23 juli 1998 omdat toen er geen sprake meer was van enige overname. Maar dit stilzwijgen is daarom nog geen bewijs dat er van een overname helemaal geen sprake is geweest. Hoe dan ook er is minstens twijfel over het opleggen door H.B. van het statuut van zelfstandige aan de echtgenoten V. - VdB.. En twijfel is geen bewijs. Het element is niet voldoende bewezen. H.B. wijst er overigens in zijn verklaring op dat niet hij maar P. V vragende partij was om voor hem te werken. De vorige kok was ingeschreven als werknemer. De aard van de samenwerking met een andere persoon, vreemd aan dit geschil in een andere tijdsperiode is vanzelfsprekend niet dienstig om in deze zaak het effectief bestaan van werkgeversgezag op de werkvloer te beoordelen. B. wierf het personeel aan en beoordeelde het ook. H.B. verklaarde inderdaad dat hij het personeel aanwierf maar of hij het beoordeelde en op wat, daar is in zijn verklaring niets van terug te vinden. P. V spreekt in zijn verklaring van 23 juli 1998 in algemene termen over ander personeel dat door H.B. werd aangeworven en dat mocht blijven met of tegen de zin van P. V. De tewerkstelling van ander personeel is niet echt relevant om de aanwezigheid van gezag te beoordelen in de specifieke samenwerking tussen H.B. en de echtgenoten V. - VdB.. Uit de verklaringen blijkt immers niet dat de echtgenoten V. - VdB. op een identieke manier werden behandeld dan het andere personeel. Wat P. V laat doorschemeren in zijn verklaring is dat het niet erg logisch is dat hij geen inspraak had bij de aanwerving en het behoud van personeel in het kader van de overname van het P. Dat is correct, maar dit element kadert dan in een totaal andere discussie, die niet het voorwerp is van het huidige geschil. Anderzijds troffen de inspectiediensten bij hun controle op 15 mei 1998 arbeidscontracten aan die aan werkgeverszijde waren ondertekend door M.L. VdB.. Dit element spreekt dan weer tegen dat er totaal geen bemoeienis van de echtgenoten V. - VdB. was met het andere personeel. Tenslotte is er ook nog de verklaring van J.d. V. die verklaarde enkel op vraag van P. V te zijn ingesprongen. Het element is dan ook niet voldoende bewezen, minstens aangehaald in een verkeerde context. B. controleerde wekelijks de kassa en kwam het geld ophalen. Dit element is niet terug te vinden in de verklaring van H.B.. Daardoor is dit element niet volkomen bewezen. Anderzijds is een wekelijkse controle niet echt een strikte controle. Het is nogal los. Tenslotte kan de financiële regeling een kwestie zijn van een afspraak. Dergelijke afspraak kan evengoed worden gemaakt in een zelfstandig samenwerkingsverband als bij een samenwerking in ondergeschikt verband. Het is geen bewijs dat er effectief gezag werd uitgeoefend. De bestellingen werden gedaan door B. of door V., maar wel enkel bij leveranciers gekozen door B. Al het materiaal was van B. en V. moest geen vergoeding betalen voor het gebruik ervan. De echtgenoten V. - VdB. moesten geen bijdragen betalen in de kosten van de zaak, B. deed de boekhouding, ze hadden geen aandelen in de zaak, ze hadden geen inspraak in het algemeen beheer, ze deden geen kapitaalsinbreng. Ze liepen geen financieel of economisch risico. B. gaf instructies over porties en hoeveelheden, er waren vaste menu's. Hij gaf instructies voor het serveren van thee. Ze konden geen wijzigingen aanbrengen in inrichting en meubilair. Al deze elementen wijzen erop dat de geleverde prestaties bleven kaderen in de uitbating van het P. uitbating die door H.B. in handen werd gehouden. Toch kan hier niet voorbij worden gegaan aan het gegeven dat één en ander moet bekeken worden door de bril van een mogelijke overname die in de lucht hing. Deze mogelijke overname wordt waarschijnlijk gemaakt door het desbetreffende contract dat wordt voorgelegd (stuk 1 van verweerder in beroep), door de verklaring van H.B. en door de verklaring van P. V van 15 mei 1998 waar hij aangeeft dat hij H.B. bijstond met het management en met de technische uitvoering. Als het inderdaad zo was dat de echtgenoten V. - VdB. kandidaat overnemers waren en in de kwestieuze periode van 1998 als overgang en bij wijze van test prestaties leverden in het P.dan is het logisch dat H.B. de touwtjes in handen hield zolang de overname niet rond was (lees: zolang er geen financiële zekerheden waren) maar dan betekent het in handen houden van de touwtjes in deze specifieke omstandigheden nog niet dat H.B. effectief werkgeversgezag uitoefende over de echtgenoten V. - VdB.. Immers deze elementen bewijzen niet dat H.B. dermate beslag legde op de echtgenoten V. - VdB. dat hij ze tot draaiend radertje maakte in zijn interne organisatie, die hij helemaal uitzette met slechts één bedoeling, zijn eigen economisch project te realiseren. Zoals hoger aangegeven, is het logisch dat in een context van overname van een handelszaak de overnemers zelfstandigen zijn en blijven. V. kon geen verlof nemen bij ziekte. Dit element spreekt eigenlijk het bestaan van een werknemersstatuut tegen. Immers een zieke werknemer heeft wettelijk het recht om thuis te blijven met of tegen de zin van de patron. Van zelfstandigen hoort men wel eens meer dat ze blijven doorwerken als ze ziek zijn. Het feit dat P. V blijkbaar ziek ging werken, wijst dan eerder op een zelfstandige samenwerking dan op een werknemersstatuut. Het element is niet dienstig. Ze moesten een week verplicht vakantie nemen bij een verbouwing. Het element geeft zelf aan dat het thuisblijven werd veroorzaakt door de verbouwing. De oorzaak van het niet presteren ligt dan bij een soort werkloosheid wegens technische omstandigheden. Tijdens verbouwingswerken kan men nu eenmaal geen restaurant openhouden. Dit heeft zijn weerslag zowel op het personeel in ondergeschikt verband als op zelfstandige medewerkers. Maar het feit dat een verbouwing bepaalde gevolgen heeft voor de tewerkstelling is geen bewijs van de uitoefening van werkgeversgezag. De prijzen van de dranken werden bepaald door B. Dat verklaarde H.B. inderdaad aan de inspectiediensten. Maar P. V verklaarde anderzijds op 15 mei 1998 dat hij prijsberekeningen maakte van de verkoopprijs. Dit wijst op een mogelijkheid van zelfstandig optreden. Dit element is derhalve niet voldoende bewezen. Er was geen inspraak in de openingsdagen - en uren. De sluitingsdag werd bepaald door B. Ook dit element wordt tegengesproken in de verklaring van P. V van 15 mei 1998: "De openingsuren zijn dinsdag tot en met zondag vanaf 11 uur. Het sluitingsuur schommelt. In samenspraak werden deze uren bepaald." Conclusie: De R.S.Z. slaagt er niet in om naar recht het bestaan van werkgeversgezag te bewijzen. Van het bestaan van een arbeidsovereenkomst kan eerst sprake zijn als cumulatief de componenten arbeid, loon en gezag aanwezig zijn. Terzake is het element 'loon' aangetast en is het element 'gezag' niet bewezen, zodat de samenwerking tussen H.B. en de echtgenoten V. - VdB. niet kan worden gekwalificeerd als een arbeidsovereenkomst. De oorspronkelijke vordering van de R.S.Z. blijft ongegrond. Het vonnis van de eerste rechter kan worden bevestigd. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Gehoord de heer H. VANDERLINDEN, Substituut-generaal, in zijn gelijkluidend mondelinge advies, gegeven ter openbare terechtzitting van 18 maart 2005, waarover partijen verklaarden geen opmerkingen te hebben. Recht doende op tegenspraak. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. Bevestigt het vonnis van de Arbeidsrechtbank te Antwerpen van 24 juni
  6. Legt de kosten van hoger beroep, overeenkomstig artikel 1017, eerste lid van het Gerechtelijk Wetboek, ten laste van de R.S.Z. Vereffent de kosten aan de zijde van de heer B. op 279,62 euro rechtsplegingsvergoeding beroep en aan de zijde van de R.S.Z. op 279,62 euro rechtsplegingsvergoeding beroep en 55,77 euro uitgavenvergoeding. Aldus gewezen en uitgesproken door de vierde kamer van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, op de openbare terechtzitting van vijftien april tweeduizend en vijf, die samengesteld was uit: de heer J. VERHAVERT, Raadsheer, voorzitter van de kamer, de heer M. VAN HOECKE, Raadsheer in sociale zaken als werkgever, de heer R. CARAEL, Raadsheer in sociale zaken als werknemer-arbeider, mevrouw L. VAN CALSTER, Griffier. PDF document ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20050415.2 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021223.15 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040503.23 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041206.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.