id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Arbeidshof van Antwerpen Vonnis/arrest van 27 april 2005 ECLI nr: ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20050427.17 Rolnummer: 2002-0012 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2005-09-15 Raadplegingen: 107 - laatst gezien 2026-07-01 03:07 Fiches 1 - 2 Voor de zaken opgesomd in artikel 704, 1ste lid van het gerechtelijk wetboek, waaronder onder meer ook de geschillen betreffende de rechten en verplichtingen van de werknemers welke voortvloeien uit de wetgeving inzake verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering begrepen zijn, gebeurt de kennisgeving van het vonnis door de griffier bij gerechtsbrief overeenkomstig artikel 792 van datzelfde wetboek. Deze kennisgeving laat de termijn voor het instellen van rechtsmiddelen lopen en dient bijgevolg gelijkgesteld worden met de betekening waarvan sprake in artikel 806 van het gerechtelijk wetboek. De vordering die er toe strekt om een vonnis te verlenen waarbij het verstekvonnis wordt bevestigd omdat dit laatste niet bij gerechtsdeurwaarderexploot werd betekend aan de verstekmakende partij binnen het jaar kan niet aanvaard worden nu de kennisgeving daarvan op rechtsgeldige wijze gebeurde op basis van artikel 792, 2de lid van het gerechtelijk wetboek. In dat geval kan niet voorgehouden worden dat het verstekvonnis als onbestaande dient beschouwd te worden in toepassing van artikel 806 van het gerechtelijk wetboek. Vrije woorden: RECHTSWETENSCHAP-RECHT-WETGEVING . GERECHTELIJK WETBOEK verstekvonnis - kennisgeving - artikel 792 Ger. W. - betekening binnen het jaar. Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - 792 - 30 Link Justel databank 19671010-30 Algemeen Reglement voor Arbeidsbescherming - 10-10-1967 - 806 - 30 Link Justel databank 19671010-30 Nota: Gerangschikt onder I A - artikel 792 en onder I A - artikel
- Tekst van de beslissing ARREST A.R. 2020012 OPENBARE TERECHTZITTING VAN ZEVENENTWINTIG APRIL TWEEDUIZEND EN VIJF In de zaak: P F, wonende te, appellant, verschijnend bij mr. H. TIELENS loco mrs. GEYSKENS-VANDEURZEN & VENNOTEN, advocaten te Beringen, tegen : DE L N Z, met zetel te, geïntimeerde, verschijnend bij mr. L. VANDEPUTTE, advocaat te Hasselt. Na over de zaak beraadslaagd te hebben, wijst het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, in openbare terechtzitting en in de Nederlandse taal het hiernavolgend arrest. Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd, waaronder het verstekvonnis van 30 april 1998 alsmede het bestreden eindvonnis op 20 december 2001 op tegenspraak uitgesproken door de Arbeidsrechtbank te Hasselt, gekend onder A.R. 980452, waartegen hoger beroep werd ingesteld bij verzoekschrift ontvangen ter griffie van dit Hof op 9 januari 2002 en regelmatig ter kennis gebracht bij gerechtsbrief volgens artikel 1056 van het Gerechtelijk Wetboek, alsmede de conclusies en stavingsstukken voor partijen. Gelet op de processen-verbaal van terechtzittingen. ONTVANKELIJKHEID VAN HET HOGER BEROEP Het hoger beroep werd naar tijd en vorm regelmatig ingesteld, de toelaatbaarheid ervan wordt niet betwist en het hoger beroep dient dan ook ontvankelijk te worden verklaard. Gehoord partijen in de voordracht van hun conclusies en de ontwikkeling van hun middelen ter openbare terechtzitting van 9 februari 2005 van deze kamer. PROCESVERLOOP-PRECEDENTEN
- Met verzoekschrift dd. 2 februari 1998, op 4 februari 1998 per aangetekende post verzonden en ter griffie van de Arbeidsrechtbank op 5 februari 1998 ontvangen, vorderde geïntimeerde terugbetaling van appellant van het bedrag van 710.351 BEF of 17.609,14 EUR. Het betrof volgens geïntimeerde de ten onrechte door appellant voor de periodes van 16 december 1992 tot 27 juni 1993 en van 22 juli 1993 tot 30 april 1994 ontvangen ziekteuitkeringen ten bedrage van in totaal 715.493 BEF of 17.736,61 EUR, waarop reeds een terugbetaling gebeurde door appellant van 5.142 BEF of 127,47 EUR. Bij vonnis van de Arbeidsrechtbank te Hasselt van 30 april 1998, dat bij verstek van appellant werd gewezen, werd de vordering van geïntimeerde ontvankelijk en gegrond verklaard. De gerechtsbrief dd. 5 mei 1998, ter post afgegeven op diezelfde dag, waarbij dit vonnis overeenkomstig artikel 792 Ger. W. werd ter kennis gebracht van appellant, werd aangeboden op de woonplaats van appellant op 6 mei
- Uiteindelijk werd deze brief met de vermelding 'niet afgehaald' door de postdiensten teruggezonden aan de griffie van de Arbeidsrechtbank. Met zijn brief van 8 juni 2001, ontvangen ter griffie van de Arbeidsrechtbank op 11 juni 2001, verzocht de raadsman van geïntimeerde in de zaak met algemeen rolnummer 98/452 om een nieuwe pleitdatum omdat het verstekvonnis niet binnen het jaar was betekend, zodat het als niet bestaande diende te worden beschouwd. Door de griffie werd vervolgens een nieuwe vaststelling verleend op de zitting van 6 september 2001, waarbij appellant op grond van artikel 803 Ger. W. werd opgeroepen. Appellant legde op 6 september 2001 conclusies neer ter griffie, waarop de zaak werd uitgesteld voor verdere behandeling op de zitting van 29 november
- In het vonnis a quo dat, volgens het beschikkend gedeelte, op tegenspraak werd gewezen, werd het verstekvonnis d.d. 30 april 1998, bij gebreke aan betekening binnen het jaar, als onbestaande verklaard en werd, opnieuw recht doende, de oorspronkelijke vordering van geïntimeerde opnieuw ontvankelijk en gegrond verklaard, zodat appellant nogmaals werd veroordeeld om aan geïntimeerde het bedrag van 710.351 BEF of 17.609,14 EUR terug te betalen. 2.
- Tegen dit vonnis stelt appellant hoger beroep in en vordert dat de bestreden beslissing zou vernietigd worden en dat het Hof, opnieuw recht doende, in hoofdorde, zich zonder rechtsmacht zou verklaren en, in ondergeschikte orde, de berusting van geïntimeerde zou vaststellen "in de zaak met hetzelfde voorwerp waarvoor einduitspraak inzake 99/2436". 2.
- In zijn beroepsconclusies en syntheseberoepsconclusies herneemt appellant dit verzoek, zij het geformuleerd als volgt: "Het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren. Dienvolgens het vonnis a quo te vernietigen en opnieuw recht doende te zeggen voor recht dat er geen rechtsmacht is om kennis te nemen van de oorspronkelijke vordering van geïntimeerde. De berusting van geïntimeerde vast te stellen in de zaken gekend onder AR 98/0452 en AR 99/2436." 3.
- Tenslotte dient nog vermeld dat tegen het verstekvonnis van 30 april 1998 verzet werd aangetekend door appellant met exploot betekend op 27 juli 1999 - het verstekvonnis was inmiddels immers op verzoek van geïntimeerde bij gerechtsdeurwaarderexploot van 5 juli 1999 voor de gedwongen uitvoering ervan betekend aan appellant. 3.
- In deze verzetsprocedure, gekend onder AR nr. 99/2436, werd door de Arbeidsrechtbank te Hasselt op 1 februari 2001 een vonnis op tegenspraak gewezen waarbij het verzet ontvankelijk en gegrond werd verklaard in die zin dat vastgesteld werd dat het bestreden vonnis als onbestaande diende te worden beschouwd bij gebreke aan betekening binnen het jaar. MOTIVERING ARREST - BEOORDELING
- Artikel 806 Ger.W. voorziet dat indien het verstekvonnis niet binnen het jaar wordt betekend het als niet bestaande moet beschouwd worden. De in deze wettelijke bepaling voorziene termijn is voorgeschreven op straffe van verval (Cass. 10 januari 1986, R.W. 1986-87, 105; J.T. 1987, 467). In het vonnis a quo wordt vastgesteld dat het verstekvonnis van 30 april 1998 als onbestaande dient te worden beschouwd bij gebreke aan betekening binnen het jaar.
- Artikel 792, 2de en 3de lid Ger. W. bepaalt evenwel dat voor de zaken opgesomd in artikel 704, eerste lid, de griffier binnen de acht dagen bij gerechtsbrief het vonnis ter kennis brengt van de partijen en dat op straffe van nietigheid deze kennisgeving de rechtsmiddelen, de termijn binnen welke dit verhaal moet ingesteld worden en het adres van de rechtsmacht die bevoegd is om er kennis van te nemen dient te vermelden. Met de zaken opgesomd in artikel 704, 1ste lid worden onder meer ook de zaken genoemd in artikel 580, 2° Ger. W. bedoeld, met name de geschillen betreffende de rechten en verplichtingen van de werknemers welke voortvloeien uit de wetgeving inzake verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering.
- Verder voorziet artikel 1048 Ger.W. dat de termijn om verzet aan te tekenen één maand is te rekenen vanaf de betekening van het vonnis of de kennisgeving ervan overeenkomstig artikel 792, 2de en 3de lid. Bijgevolg heeft in de zaken genoemd in artikel 580, 2° Ger. W. de kennisgeving die gebeurt overeenkomstig de voorschriften van artikel 792, 2de en 3de lid, duidelijk de strekking om de termijn voor het instellen van rechtsmiddelen te doen lopen. Die kennisgeving dient dan ook gelijkgesteld te worden met de betekening waarvan sprake in artikel 806 Ger. W. (A. FETTWEIS, 'Manuel de procédure civile', Ed. Fac. de droit de Liège, Luik 1987, p. 299, nr. 400 ; E. KRINGS, 'Artikel 806 Gerechtelijk Wetboek', Commentaar Gerechtelijk Wetboek, Ger. W. Art. 806-3, ,§ 2). 4.
- Ten deze werd het verstekvonnis van 30 april 1998 ter kennis gebracht van partijen in toepassing van artikel 792, 2de lid per gerechtsbrief dd. 5 mei 1998, welke inhoudelijk voldeed aan de voorschriften van artikel 792, 3de lid en welke aangeboden werd aan het adres van F P op 6 mei
- Deze gerechtsbrief werd teruggezonden door de postdiensten met de mededeling "niet afgehaald". 4.
- Aldus was dit vonnis bij gebreke aan hoger beroep of verzet binnen de termijn van één maand te rekenen van deze geldige kennisgeving definitief en kon zeker niet voorgehouden worden dat dit vonnis onbestaande was ingevolge de niet betekening ervan binnen het jaar. 5.
- Er was naar het oordeel van het Hof derhalve geen reden om toepassing te maken van artikel 806 van het gerechtelijk wetboek, zodat de eerste rechter op het verzoek van de oorspronkelijke eisende partij, huidig geïntimeerde, om een nieuw vonnis te verlenen waarbij de veroordeling van het verstekvonnis werd bevestigd had moeten vaststellen in overeenstemming met artikel 19 Ger. W. dat hij over de vordering van huidig geïntimeerde reeds uitspraak had gedaan bij een inmiddels definitief geworden vonnis, zodat zijn rechtsmacht ter zake volledig was uitgeput. 5.
- De regel van de uitputting van de rechtsmacht verbiedt de rechter immers om, op straffe van machtsoverschrijding, terug te komen op eerder door hem, in dezelfde aanleg, definitief beslechte geschilpunten. Deze regel raakt de openbare orde, zodat de rechter verplicht is zich ambtshalve te beroepen op de uitputting van zijn rechtsmacht (P. TAELMAN, 'Het gezag van het rechterlijk gewijsde', uitg. Kluwer - 2001, blz. 111; artt. 19, 23 t.e.m. 28 Ger. W.).
- Concluderend merkt het Hof op dat de eerste rechter het verzet tegen het verstekvonnis van 30 april 1998 onontvankelijk had moeten verklaren wegens laattijdigheid. Eerst met exploot van betekening van 27 juli 1999 werd verzet aangetekend tegen het verstekvonnis, daar waar dit met gerechtsbrief, verzonden op 5 mei 1998 en aangeboden op het adres van de verzetdoende partij op 6 mei 1998, werd ter kennis gebracht overeenkomstig artikel 792, 2de lid Ger. W. Het vonnis van 1 februari 2001 is overigens bij gebreke aan tijdig ingesteld hoger beroep inmiddels definitief. O P D I E G R O N D E N: HET HOF Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waarvan de voorschriften werden nageleefd. Gehoord het Openbaar Ministerie, vertegenwoordigd door de heer F. S., Substituut-generaal, in de lezing van zijn gelijkluidend schriftelijk advies op de openbare terechtzitting van 9 maart
- Beslissend op tegenspraak na beraadslaging. Alle andersluidende en strijdige conclusies of besluiten verwerpende als niet terzake dienend of ongegrond. Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond. Vernietigt het bestreden vonnis van de Arbeidsrechtbank te Hasselt van 20 december 2001, gewezen onder A.R. nr.
- Opnieuw recht doende, zegt voor recht dat de eerste rechter diende vast te stellen dat zijn rechtsmacht was uitgeput. Verwijst geïntimeerde in de kosten van het geding in beide aanleggen; aan de zijde van appellant vereffend op 54,53 uitgavenvergoeding verzoekschrift hoger beroep, 196,33 EUR rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg en 279,62 EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep; aan de zijde van geïntimeerde vereffend op 196,33 EUR rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg en 279,62 EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep. Aldus gewezen en uitgesproken door de vierde kamer van het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, zitting houdend te Hasselt in openbare terechtzitting van zevenentwintig april tweeduizend en vijf, waar aanwezig waren: PDF document ECLI:BE:AHANT:2005:ARR.20050427.17 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div